Besluit aanvullende regels veiligheid wegtunnels

[Regeling vervallen per 01-01-2015.]
Geldend van 25-05-2006 t/m 31-05-2008

Besluit van 11 mei 2006, houdende regels met betrekking tot de veiligheid van voor het wegverkeer toegankelijke tunnels (Besluit aanvullende regels veiligheid wegtunnels)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 23 januari 2006, nr. HDJZ/I&O/2006-4, Hoofddirectie Juridische Zaken;

Gelet op de Richtlijn nr. 2004/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumveiligheidseisen voor tunnels in het trans-Europese wegennet (PbEU L 167, gerectificeerd in PbEU L 201);

Gelet op de artikelen 3 en 12 van de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels, de artikelen 7, 40a, 120 en 120a van de Woningwet en artikel 14 van de Wegenverkeerswet 1994;

De Raad van State gehoord (advies van 16 februari 2006, nr. W09.06.0003/V);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 28 april 2006, nr. HDJZ/I&O/2006-591, Hoofddirectie Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§ 1. Algemene bepalingen

[Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 1

[Vervallen per 01-01-2015]

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

richtlijn: de Richtlijn nr. 2004/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumveiligheidseisen voor tunnels in het trans-Europese wegennet (PbEU L 167, gerectificeerd in PbEU L 201);

wet: Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels;

commissie: de Commissie voor de tunnelveiligheid, bedoeld in artikel 3 van de wet.

Artikel 2

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 De commissie bestaat uit deskundigen op het gebied van de veiligheid met betrekking tot tunnels.

  • 2 De voorzitter, de plaatsvervangende voorzitter en de overige leden van de commissie worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, benoemd en ontslagen.

  • 3 De benoeming van de voorzitter, de plaatsvervangende voorzitter en de andere leden van de commissie geschiedt voor een tijdvak van vijf jaar. Zij zijn terstond wederbenoembaar.

  • 4 De voorzitter, de plaatsvervangende voorzitter en de overige leden van de commissie kunnen te allen tijde ontslag nemen door een schriftelijke kennisgeving aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

  • 5 De commissie wijst een secretaris aan. Deze is geen lid van de commissie.

  • 6 Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat worden nadere regels gesteld ten aanzien van de werkwijze van de commissie.

§ 2. Regels over het veilige gebruik van wegtunnels

[Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 3

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a. bedieningscentrale: centrale met voorzieningen om voorvallen te detecteren, installaties te bedienen en met tunnelgebruikers en hulpverleningsdiensten te communiceren;

    • b. NEN: door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm;

    • c. NEN-EN: door de European Committee for Standardization en de European Comittee for Electrotechnical Standardization uitgegeven norm die door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut is aanvaard als Nederlandse norm;

    • d. RAL: door het RAL Deutsches Institut für Gütesicherung und Kennzeichnung gestandaardiseerde kleurcode;

    • e. trans-Europees wegennet: het wegennet zoals omschreven in bijlage I, afdeling 2, bij de Beschikking van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 juli 1996 inzake communautaire richtsnoeren voor de ontwikkeling van een trans-Europees vervoersnet (1692/96/EG, PbEG L 228) en geïllustreerd met kaarten of beschreven in bijlage II bij die beschikking;

    • f. tunnelbuislengte: de lengte van het omsloten gedeelte van een tunnelbuis;

    • g. tunnel: tunnel of tunnelvormig bouwwerk, uitsluitend dan wel mede bestemd voor motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wegenverkeerswet 1994;

    • h. tunnelbuis: deel van een tunnel waarin zich een of meer rijbanen als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 bevinden.

  • 2 Tenzij in het voorschrift anders is bepaald, zijn de voorschriften van deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen uitsluitend van toepassing op tunnels waarvan de tunnelbuislengte van de langste tunnelbuis meer dan 250 meter is.

  • 3 Indien een in deze paragraaf of de daarop berustende bepalingen genoemde NEN wordt vervangen door een NEN-EN treedt die NEN-EN in de plaats van die NEN.

  • 4 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de toepassing van een in deze paragraaf of de daarop berustende bepalingen genoemde NEN of NEN-EN.

Artikel 4

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Aan een in deze paragraaf gesteld voorschrift hoeft niet te worden voldaan voor zover een andere wijze ten minste eenzelfde mate van veiligheid biedt als met het betrokken voorschrift is beoogd.

  • 2 Indien de andere wijze, bedoeld in het eerste lid, nodig is voor het toepassen van innovatieve veiligheidsvoorzieningen of innovatieve veiligheidsprocedures in een tunnel in het trans-Europese wegennet die langer is dan 500 meter en met zich brengt dat wordt afgeweken van de voorschriften van de richtlijn kan die andere wijze uitsluitend worden toegepast, nadat

    • a. de in artikel 14, eerste tot en met vierde lid, van de richtlijn voorgeschreven procedure is doorlopen en op grond daarvan van rechtswege toestemming voor die afwijking is verkregen, of

    • b. de in artikel 14, eerste tot en met vijfde lid, van de richtlijn voorgeschreven procedure is doorlopen en op grond daarvan door de Europese Commissie toestemming voor die afwijking is verleend.

  • 3 In een geval als bedoeld in het tweede lid dient Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, op verzoek van het bevoegde college van burgemeester en wethouders en de tunnelbeheerder gezamenlijk, bij de Europese Commissie een aanvraag tot afwijking van het desbetreffende voorschrift van de richtlijn in.

Artikel 5

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Op verzoek van het bevoegde college van burgemeester en wethouders en de tunnelbeheerder gezamenlijk kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat ontheffing verlenen van een in deze paragraaf gesteld voorschrift ten behoeve van een experiment.

  • 2 Indien het experiment, bedoeld in het eerste lid, nodig is voor het toepassen van innovatieve veiligheidsvoorzieningen of innovatieve veiligheidsprocedures in een tunnel in het trans-Europese wegennet die langer is dan 500 meter en met zich brengt dat wordt afgeweken van de voorschriften van de richtlijn kan de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend verleend worden nadat

    • a. de in artikel 14, eerste tot en met vierde lid, van de richtlijn voorgeschreven procedure is doorlopen en op grond daarvan van rechtswege toestemming voor de afwijking is verkregen, of

    • b. de in artikel 14, eerste tot en met vijfde lid, van de richtlijn voorgeschreven procedure is doorlopen en op grond daarvan door de Europese Commissie toestemming voor de afwijking is verleend.

  • 3 In een geval als bedoeld in het tweede lid dient Onze Minister, bedoeld in het eerste lid, bij de Europese Commissie een aanvraag tot afwijking van het desbetreffende voorschrift van de richtlijn in.

Artikel 6

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Een tunnel heeft vluchtrouteaanduidingen die:

    • a. voldoen aan NEN 6088 (uitgave 2002);

    • b. niet hoger dan 1,5 meter boven de vloer zijn aangebracht.

  • 2 De zichtbaarheid van een vluchtrouteaanduiding in een tunnel voldoet aan het bepaalde in de artikelen 5.2 tot en met 5.6 van NEN-EN 1838 (uitgave 1999).

  • 3 De afstand tussen twee vluchtrouteaanduidingen in een tunnel is ten hoogste 25 meter, gemeten langs de tunnelwand.

  • 4 Op een vluchtrouteaanduiding in een tunnel is voor de tunnelgebruikers goed zichtbaar aangegeven op welke afstanden in beide richtingen de dichtstbijzijnde uitgangen zich bevinden.

Artikel 7

[Vervallen per 01-01-2015]

Een deur die in een tunnel toegang geeft tot een rookvrije vluchtroute als bedoeld in afdeling 2.18 van het Bouwbesluit 2003 is uitgevoerd in de kleur groen volgens RAL 6024.

Artikel 8

[Vervallen per 01-01-2015]

Een krachtens artikel 2.217 of artikel 2.225 van het Bouwbesluit 2003 in een tunnel aanwezige hulppost is ten minste voorzien van een noodtelefoon, een draagbaar brandblusapparaat en een wandcontactdoos (220 V).

Artikel 9

[Vervallen per 01-01-2015]

Een tunnel die langer is dan 500 meter is aangesloten op een bedieningscentrale met een voorziening voor permanente videobewaking en automatische detectie van ongevallen of van brand.

Artikel 10

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 De rijbaan voor een tunnelbuis heeft hetzelfde aantal rijstroken als die in de tunnelbuis. Mogelijke vermindering van het aantal rijstroken voor de tunnelbuis vindt op een zodanige afstand voor de tunnelbuis plaats dat geen onrustige verkeersbewegingen als gevolg van die vermindering in de tunnelbuis kunnen optreden.

  • 2 In een tunnelbuis is uitsluitend eenrichtingsverkeer toegestaan.

  • 3 In afwijking van het tweede lid kan tweerichtingsverkeer toegestaan worden indien is aangetoond dat eenrichtingsverkeer in verband met fysieke, geografische of verkeerstechnische omstandigheden niet mogelijk is.

  • 4 Voor zover tweerichtingsverkeer overeenkomstig het derde lid is toegestaan, is de wegtunnelbuis voorzien van een systeem voor permanent toezicht en een systeem voor de afsluiting van rijstroken en is de toegestane maximumsnelheid ten hoogste 70 km per uur.

Artikel 11

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Een tunnel heeft een voorziening die mobiele communicatie tussen hulpverleningsdiensten binnen en die buiten de tunnel mogelijk maakt.

  • 2 Een tunnel die langer is dan 500 meter heeft een voorziening:

    • a. waarmee door luidsprekers mededelingen kunnen worden gedaan aan personen die in de tunnelbuis of in een rookvrije vluchtroute als bedoeld in afdeling 2.18 van het Bouwbesluit 2003 in die tunnel aanwezig zijn;

    • b. voor heruitzending van radiosignalen, en

    • c. om radio-uitzendingen te kunnen onderbreken om dringende mededelingen aan tunnelgebruikers te doen.

  • 3 De mededelingen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en c, worden in elk geval in het Nederlands en het Engels gedaan.

Artikel 12

[Vervallen per 01-01-2015]

De voor een evacuatie van tunnelgebruikers in een tunnel aanwezige essentiële voorzieningen, systemen en installaties die zijn aangesloten op een voorziening voor elektriciteit, zijn aangesloten op een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid, van het Bouwbesluit 2003.

Artikel 13

[Vervallen per 01-01-2015]

Een krachtens artikel 2.191, vierde lid, van het Bouwbesluit 2003 in een tunnel aanwezige blusleiding is aangesloten op een watervoorziening die bij brand gedurende ten minste 60 minuten een capaciteit van ten minste 120 m3/h kan leveren.

Artikel 14

[Vervallen per 01-01-2015]

De voorzieningen, systemen en installaties die bij of krachtens enig wettelijk voorschrift uit het oogpunt van veiligheid in een tunnel aanwezig zijn, worden in voldoende mate en regelmatig op adequaat functioneren geïnspecteerd. Indien nodig worden onderhoudswerkzaamheden verricht.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 11 mei 2006

Beatrix

De Minister van Verkeer en Waterstaat ,

K. M. H. Peijs

Uitgegeven de drieëntwintigste mei 2006

De Minister van Justitie ,

J. P. H. Donner

Terug naar begin van de pagina