Vrijstellingsregeling plantenresten

Geldend van 01-01-2019 t/m heden

Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 10 november 2005, nr. SAS/2005197401, Directoraat-Generaal Milieubeheer, Directie Stoffen, Afvalstoffen en Straling, Afdeling Afval Keten Beleid, houdende nadere regels inzake de vrijstelling van het stortverbod buiten inrichtingen van plantenresten en tarragrond (Vrijstellingsregeling plantenresten en tarragrond)

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Gelet op artikel 2, eerste lid, onderdelen g en h, van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen;

Besluit:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. bermmaaisel: natuurlijk materiaal van in hoofdzaak plantaardige herkomst dat vrijkomt bij het maaien van grazige kruidenvegetaties, groeiend op wegbermen, langs of in watergangen en op waterkeringen en dat niet één of meer van de gevaarlijke eigenschappen als bedoeld in bijlage III bij de kaderrichtlijn afvalstoffen bezit,

  • b. aangrenzend perceel: perceel dat direct grenst aan de plaats waar het bermmaaisel vrijkomt of dat ligt binnen een afstand van maximaal 100 meter van de plaats waar het bermmaaisel vrijkomt,

  • c. landbouw- en bosbouwmateriaal: natuurlijk materiaal van in hoofdzaak plantaardige herkomst, afkomstig uit de landbouw of bosbouw, dat niet één of meer van de gevaarlijke eigenschappen als bedoeld in bijlage III bij de kaderrichtlijn afvalstoffen bezit,

  • d. natuurgebied: Natura 2000-gebied als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming dan wel een ander gebied met als hoofdfunctie natuur,

  • e. heideplagsel en maaisel: natuurlijk materiaal van in hoofdzaak plantaardige herkomst, afkomstig uit een natuurgebied, dat niet één of meer van de gevaarlijke eigenschappen als bedoeld in bijlage III bij de kaderrichtlijn afvalstoffen bezit.

Artikel 2

Als plantenresten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen worden aangewezen:

  • a. bermmaaisel dat op of in de bodem wordt gebracht op de plaats of in de directe nabijheid daarvan waar dit is vrijgekomen, onder de voorwaarden die zijn gesteld in artikel 3,

  • b. landbouw- en bosbouwmateriaal dat op of in de bodem wordt gebracht op de plaats of in de directe nabijheid waarvan dit is vrijgekomen, onder de voorwaarden die zijn gesteld in artikel 4 in samenhang met artikel 3,

  • c. heideplagsel en maaisel dat vrijkomt binnen een natuurgebied en dat op of in de bodem wordt gebracht op de plaats of in de directe nabijheid daarvan waar dit is vrijgekomen, onder de voorwaarden die zijn gesteld in artikel 5.

Artikel 3

Bermmaaisel als bedoeld in artikel 2, onder a, wordt uitsluitend op of in de bodem gebracht indien:

  • a. dit geschiedt:

    • 1°. op de plaats of het perceel waar dit is vrijgekomen,

    • 2°. op het aangrenzende perceel, of

    • 3°. in gevallen waarin het aangrenzende perceel niet geschikt is: op een ander perceel, dat ligt binnen een afstand van maximaal vijf kilometer van de plaats van waar het bermmaaisel is vrijgekomen,

  • b. sprake is van schoon en onverdacht bermmaaisel,

  • c. de hoeveelheid die op of in de bodem wordt gebracht, uit oogpunt van goede landbouwpraktijk, in evenwichtige verhouding staat tot het oppervlak van het ontvangende perceel, en

  • d. het bermmaaisel gelijkmatig wordt verspreid over het ontvangende perceel en dit niet significant bijdraagt aan de verspreiding van nutriënten en zware metalen.

Artikel 4

Artikel 3 is van overeenkomstige toepassing op het op of in de bodem brengen van landbouw- en bosbouwmateriaal, als bedoeld in artikel 2, onderdeel b.

Artikel 5

Heideplagsel en maaisel als bedoeld in artikel 2, onder c, wordt uitsluitend op of in de bodem gebracht indien:

  • a. dit geschiedt:

    • 1°. binnen het natuurgebied waar het heideplagsel of maaisel is vrijgekomen, of

    • 2°. in gevallen waarin het natuurgebied niet geschikt is: op een ander perceel dat ligt binnen een afstand van maximaal vijf kilometer van de rand van het natuurgebied waar het heideplagsel of maaisel is vrijgekomen,

  • b. sprake is van schoon en onverdacht heideplagsel en maaisel,

  • c. de hoeveelheid die op of in de bodem wordt gebracht, uit oogpunt van goede landbouwpraktijk of goed natuurbeheer, in evenwichtige verhouding staat tot het oppervlak van het ontvangende perceel, en

  • d. het heideplagsel of maaisel gelijkmatig wordt verspreid over het ontvangende perceel en dit niet significant bijdraagt aan de verspreiding van nutriënten en zware metalen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 10 november 2005

De

Staatssecretaris

van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

P.L.B.A. van Geel

Terug naar begin van de pagina