Veegbesluit modernisering rechterlijke organisatie

Geldend van 01-07-2004 t/m heden

Besluit van 5 november 2003, houdende nadere aanpassing van besluiten aan de modernisering van de rechterlijke organisatie (Veegbesluit modernisering rechterlijke organisatie)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 26 maart 2003, nr. 5217867/03/6;

Gelet op de artikelen 125 van de Ambtenarenwet, 74c, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, 37 van de Wet op de Economische Delicten, 11, 16, zesde lid, 25, derde lid, 41, 59, 73, derde lid, en 145 van de Wet op de rechterlijke organisatie, 1g, 12, 14 tot en met 16, 54 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, 87 van de Pachtwet, 5, derde lid van de Locaalspoor- en Tramwegwet, en 13, derde lid van de Landbouw-kwaliteitswet;

De Raad van State gehoord (advies van 21 juli 2003, nr. W03.03.0116/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 29 oktober 2003, nr. 5247506/03/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel II

[Red: Wijzigt het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren.]

Artikel IX

[Red: Wijzigt het Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak.]

Artikel XI

[Red: Wijzigt het Wijzigingsbesluit Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren (bovenwettelijke regeling ziekte en arbeidsongeschiktheid sector rechterlijke macht).]

Artikel XIX

Indien een of meer besturen van gerechten met een of meer onderdelen van het openbaar ministerie vanaf 1 januari 2002 gezamenlijk een gemeenschappelijke facilitaire dienst in stand houden, treden de besturen van de betrokken gerechten en de hoofden van de betrokken onderdelen van het openbaar ministerie op als bevoegd gezag van het personeel werkzaam bij die dienst.

Artikel XX

  • 1 De artikelen I, onderdelen C en D, II tot en met IV, VI, onderdelen A, B en I, X, onderdelen A, C, E tot en met K, XI, XIII tot en met XV en XVII, treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst.

  • 2 De artikelen I, onderdelen A en B, V, VII, VIII, X, onderdelen B, D en L, XII, XVI en XVIII, treden in werking op het tijdstip waarop het bij koninklijke boodschap van 5 juni 2003 ingediende voorstel van wet tot partiële wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, de Wet op de rechterlijke indeling, de Beroepswet, de Wet op de economische delicten en enige andere wetten (Veegwet modernisering rechterlijke organisatie) Kamerstukken II 2002–2003, 28 958, nrs. 1–2) indien het tot wet is verheven, in werking treedt.

  • 3 De artikelen VI, onderdelen C tot en met H, IX en XIX treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst en werken terug tot en met 1 januari 2002.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage, 5 november 2003

Beatrix

De

Minister

van, Justitie

J. P. H. Donner

Uitgegeven de achttiende november 2003

Minister

J. P. H. Donner

Terug naar begin van de pagina