Besluit detectie radioactief besmet schroot

Geldend van 01-01-2003 t/m 30-06-2009

Besluit van 3 oktober 2002, houdende regels voor de detectie van radioactief besmet schroot (Besluit detectie radioactief besmet schroot)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 28 december 2001, nr. MJZ2001144238, gedaan mede namens Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst;

Gelet op de artikelen 21, eerste lid, en 32, eerste lid, van de Kernenergiewet;

De Raad van State gehoord (advies van 18 april 2002, nr. W08.02.0014/V);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 19 september 2002, nr. MJZ2002078061, uitgebracht mede namens Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, M. Rutte;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

detectieapparatuur: apparatuur, die ioniserende straling meet;

inrichting: inrichting als aangewezen in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer;

Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

radioactief besmet schroot: roestvrij-staalschroot, aluminiumschroot of ijzerschroot, voor het voorhanden hebben waarvan een vergunning vereist is ingevolge de artikelen 15 of 29 van de Kernenergiewet, dan wel het krachtens artikel 34 van die wet bepaalde, of waarvan het voorhanden hebben gemeld moet worden ingevolge het bepaalde krachtens de artikelen 21, 32 of 34 van die wet;

schroot: roestvrij-staalschroot, aluminiumschroot, ijzerschroot of schroot van andere metalen.

Artikel 2

  • 1 Dit besluit is van toepassing op inrichtingen waar roestvrij-staalschroot, aluminiumschroot of ijzerschroot wordt opgeslagen, bewerkt, verwerkt of overgeslagen.

  • 2 In afwijking van het eerste lid is dit besluit niet van toepassing:

    • a. indien de omzet lager is dan:

      • 1°. 100 ton roestvrij-staalschroot per kalenderjaar,

      • 2°. 1000 ton aluminiumschroot per kalenderjaar, of

      • 3°. 20 000 ton ijzerschroot per kalenderjaar;

    • b. op inrichtingen, waar roestvrij-staalschroot, aluminiumschroot of ijzerschroot wordt overgeslagen in containers die bij binnenkomst in de inrichting zijn gesloten en gedurende hun aanwezigheid binnen de inrichting niet worden geopend.

Artikel 3

Degene die de inrichting drijft, meet onverwijld de ioniserende straling van het schroot dat binnen de inrichting wordt gebracht.

Artikel 4

  • 1 Een meting als bedoeld in artikel 3, wordt verricht met behulp van de volgende detectieapparatuur:

    • a. poortdetector,

    • b. handmeetapparatuur, of

    • c. meetapparatuur bevestigd aan een grijper.

  • 2 Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen regels stellen met betrekking tot de detectieapparatuur, de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de metingen worden verricht.

Artikel 5

  • 1 Degene die de inrichting drijft, houdt een register bij van de metingen, bedoeld in artikel 3.

  • 2 Het register bevat in ieder geval gegevens over:

    • a. de datum van de meting,

    • b. het resultaat van de meting,

    • c. de naam en het adres van degene van wie het schroot afkomstig is.

  • 3 Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen regels stellen met betrekking tot de wijze waarop de resultaten van de metingen worden geregistreerd en de periode gedurende welke de gegevens bewaard worden. Zij kunnen bij regeling andere gegevens aanwijzen, die in het register worden opgenomen.

Artikel 6

  • 1 Degene die de inrichting drijft, zorgt dat de metingen, bedoeld in artikel 3, en de registratie van de gegevens, bedoeld in artikel 5, worden uitgevoerd door of onder toezicht van een daartoe door hem aangewezen persoon, die voldoet aan de krachtens het tweede lid gestelde eisen.

  • 2 Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen regels stellen met betrekking tot vaardigheden en bekwaamheden waaraan een persoon als bedoeld in het eerste lid moet voldoen.

Artikel 7

  • 1 Degene die de inrichting drijft, stelt financiële zekerheid ter dekking van de kosten die voortvloeien uit het verwijderen van radioactief besmet schroot dat hij in de inrichting voorhanden heeft.

  • 2 De financiële zekerheid wordt gesteld in een of meer van de volgende vormen:

    • a. een borgtocht of een bankgarantie,

    • b. het sluiten van een verzekeringsovereenkomst,

    • c. het deelnemen aan een daartoe ingesteld fonds,

    • d. het treffen van enige andere voorziening, waarbij de financiële zekerheid naar het oordeel van Onze Minister voldoende waarborg biedt dat de kosten bedoeld in het eerste lid zijn gedekt.

  • 3 De financiële zekerheid bedraagt minimaal € 110 000,–.

  • 4 Indien de kosten, die voortvloeien uit het verwijderen van radioactief besmet schroot als bedoeld in het eerste lid, naar redelijkerwijs kan worden verwacht, in belangrijke mate zullen afwijken van het in het derde lid bepaalde bedrag, kan Onze Minister een hoger of lager bedrag voor de financiële zekerheid verlangen.

  • 5 De financiële zekerheid wordt gesteld ten behoeve van de Staat der Nederlanden.

Artikel 8

De financiële zekerheid wordt in stand gehouden tot het moment waarop degene die de inrichting drijft, het opslaan, bewerken, verwerken of overslaan van schroot in de inrichting heeft beëindigd en daarin aanwezig radioactief besmet schroot als bedoeld in artikel 7, eerste lid, heeft verwijderd. Degene die de inrichting drijft, meldt Onze Minister dat hij dat radioactief besmette schroot heeft verwijderd.

Artikel 9

  • 1 Degene die de inrichting drijft, legt aan Onze Minister schriftelijk bewijs over dat financiële zekerheid is gesteld:

    • a. binnen 6 maanden na de datum waarop dit besluit in werking is getreden;

    • b. binnen vier weken nadat de inrichting door een ander aan hem is overgedragen.

  • 2 Degene die de inrichting drijft, doet van iedere wijziging met betrekking tot de gestelde financiële zekerheid uiterlijk vier weken na die wijziging schriftelijk mededeling aan Onze Minister.

  • 3 Onze Minister kan bij regeling bepalen dat het schriftelijk bewijs aan daarbij aangegeven voorwaarden voldoet.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage, 3 oktober 2002

Beatrix

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

P. L. B. A. van Geel

De Minister van Economische Zaken,

H. Ph. J. B. Heinsbroek

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

M. Rutte

Uitgegeven de achtentwintigste november 2002

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

Terug naar begin van de pagina