Aanpassingswet modernisering rechterlijke organisatie

Geldend van 01-07-2011 t/m heden

Wet van 6 december 2001 tot aanpassing van diverse wetten aan de modernisering van de rechterlijke organisatie en de instelling van een bestuur bij de gerechten (Aanpassingswet modernisering rechterlijke organisatie)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is diverse wetten aan te passen aan de wijzigingen in de Wet op de rechterlijke organisatieen de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren in verband met de modernisering van de gerechtelijke organisatie;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 3. Ministerie van Buitenlandse Zaken

Enig artikel

[Red: Wijzigt de Wet van 12 juni 1909 tot uitvoering van het op 17 juli 1905 te 's-Gravenhage gesloten verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering (Stb. 141).]

Hoofdstuk 6. Ministerie van Financiën

Artikel 7

[Red: Wijzigt de Wet van 30 november 1949, houdende regelen nopens het beheer van schuldregisters voor geldleningen ten laste van het Rijk (Stb. J 529.]

Artikel 8

[Red: Wijzigt de Wet van 27 maart 1936 tot overbrenging van de consignatiekas voor het bewaren van effecten aan toonder naar de Nederlandsche Bank (Stb. 201).]

Hoofdstuk 7. Ministerie van Justitie

Artikel 24

[Red: Wijzigt de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag.]

Artikel 30

[Red: Wijzigt de Wet tot invoering van een leeftijdsgrens voor het notarisambt en oprichting van een notarieel pensioenfonds.]

Artikel 32

[Red: Wijzigt de Wet van 6 mei 1878, houdende bepalingen omtrent de beëedigde vertalers (Stb. 30).]

Artikel 33

[Red: Wijzigt de Wet van 6 april 1933, houdende voorzieningen tot uitvoering van het op 31 mei 1932 te Londen tusschen Nederland en Groot-Brittannië gesloten verdrag, houdende bepalingen tot het vergemakkelijken van het voeren van rechtsgedingen (Stb. 136).]

Artikel 34

[Red: Wijzigt de Wet van 24 december 1958, houdende uitvoering van het op 1 maart 1954 te 's-Gravenhage ondertekende verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering (Stb. 677). ]

Artikel 35

[Red: Wijzigt de Wet van 3 maart 1965, houdende uitvoering van het op 30 augustus 1962 te 's-Gravenhage gesloten Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en andere executoriale titels in burgerlijke zaken (Stb. 92).]

Artikel 36

[Red: Wijzigt de Wet van 4 mei 1972, houdende uitvoering van het op 27 september 1968 te Brussel tussen de Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap tot stand gekomen Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, met Protocol (Stb. 240).]

Artikel 37

[Red: Wijzigt de Wet van 1 november 1980, houdende aanwijzing van een rechter op grond van artikel 54 van het Verdrag van Washington van 18 maart 1965 inzake de beslechting van geschillen met betrekking tot investeringen tussen Staten en onderdanen van andere Staten (Trb. 1966, 152) (Stb. 1980, 595).]

Artikel 38

[Red: Wijzigt de Wet van 11 december 1980, houdende uitvoering van het op 18 maart 1970 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en in handelszaken (Stb. 653).]

Artikel 39

[Red: Wijzigt de Wet van 28 oktober 1987, houdende regelen inzake de bescherming oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderprodukten (Stb. 484).]

Artikel 40

[Red: Wijzigt de Wet van 2 mei 1990 tot uitvoering van het op 20 mei 1980 te Luxemburg tot stand gekomen Europese Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen, uitvoering van het op 25 oktober 1980 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen alsmede algemene bepalingen met betrekking tot verzoeken tot teruggeleiding van ontvoerde kinderen over de Nederlandse grens en de uitvoering daarvan (Stb. 202).]

Artikel 40a

[Red: Wijzigt de Wet van 14 september 2001 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Douanewet en enige andere wetten, alsmede intrekking van de Tariefcommissiewet (vervanging van beroep bij de Tariefcommissie door beroep bij de douanekamer van het gerechtshof te Amsterdam en de instelling van beroep in cassatie in douanezaken) (Stb. 419).]

Hoofdstuk 8. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

Hoofdstuk 10. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Hoofdstuk 11. Ministerie van Verkeer en Waterstaat

Artikel 5

[Red: Wijzigt de Wet van 16 juli 1869 tot uitvoering der bepalingen van de artikelen 33, 36, 37 en 38 der herziene akte omtrent de Rijnvaart (Stb. 139).]

Artikel 8

[Red: Wijzigt de Wet van 10 september 1936, houdende voorzieningen inzake het luchtvervoer (Stb. 523).]

Hoofdstuk 13. Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

Hoofdstuk 14. Aanhangige wetsvoorstellen

Artikel 6

[Red: Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie, de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, de Wet op de rechterlijke indeling, de Beroepswet, de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, de Wet organisatie en bestuur gerechten, de Wet Raad voor de rechtspraak en de Algemene wet bestuursrecht.]

Artikel 8

[Red: Wijzigt de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, de Wet op de Raad van State, de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten en de Comptabiliteitswet.]

Artikel 9

[Red: Wijzigt de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften en de Algemene wet bestuursrecht (kosten bestuurlijke voorprocedures).]

Hoofdstuk 15. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 1

  • 1 De zaken die bij een kantongerecht aanhangig zijn, worden van rechtswege in de stand waarin zij zich bevinden overgedragen aan de rechtbank van het arrondissement waartoe het kantongerecht behoorde.

  • 2 Ten aanzien van de verdere behandeling door de rechtbank van zaken als bedoeld in het eerste lid, blijft het recht zoals het gold voor de datum van inwerkingtreding van dit artikel van toepassing.

Artikel 2

  • 1 Ten aanzien van de verdere behandeling door een rechtbank van zaken waarin voor de datum van inwerkingtreding van dit artikel hoger beroep is ingesteld tegen vonnissen en beschikkingen van een kantonrechter blijft het recht zoals het gold voor de datum van inwerkingtreding van dit artikel van toepassing. De kantonrechter wiens vonnissen en beschikkingen het hoger beroep betreffen, neemt aan de behandeling daarvan geen deel.

  • 2 Ten aanzien van de mogelijkheid van het aanwenden van rechtsmiddelen tegen vonnissen en beschikkingen van een kantonrechter die voor de datum van inwerkingtreding van deze wet zijn tot stand gekomen en de termijn waarbinnen dat rechtsmiddel kan worden aangewend blijft het recht zoals het gold voor de datum van inwerkingtreding van deze wet van toepassing. De kantonrechter wiens vonnissen en beschikkingen het hoger beroep betreffen, neemt aan de behandeling daarvan geen deel.

  • 3 Ten aanzien van de verdere behandeling van zaken waarin voor de datum van inwerkingtreding van dit artikel een rechtsmiddel is aangewend tegen vonnissen en beschikkingen in hoger beroep van een rechtbank blijft het recht zoals het gold voor de datum van inwerkingtreding van dit artikel van toepassing.

  • 4 Ten aanzien van de mogelijkheid van het aanwenden van rechtsmiddelen tegen vonnissen en beschikkingen in hoger beroep van een rechtbank die op of na de datum van inwerkingtreding van dit artikel zijn tot stand gekomen blijft het recht zoals het gold voor de datum van inwerkingtreding van dit artikel van toepassing.

Artikel 4

  • 1 De tekst van de Wet op de rechterlijke organisatie wordt in het Staatsblad geplaatst. Voor de plaatsing van de Wet op de rechterlijke organisatie in het Staatsblad stelt Onze Minister van Justitie zo nodig de nummering van de artikelen, hoofdstukken en paragrafen van de Wet op de rechterlijke organisatie opnieuw vast.

Artikel 5

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage, 6 december 2001

Beatrix

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

Uitgegeven de achttiende december 2001

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

Terug naar begin van de pagina