Regeling opleidingsinstellingen voor luchtvarenden 2001

Geraadpleegd op 24-02-2024.
Geldend van 01-01-2024 t/m heden

Regeling opleidingsinstellingen voor luchtvarenden 2001

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op artikel 13, eerste lid, van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1

  • 1 In deze regeling wordt verstaan onder:

    • aangewezen entiteit voor de onbemande luchtvaart: een aangewezen entiteit, als bedoeld in artikel 13, vierde lid, Besluit bewijzen van bevoegdheid;

    • ATO: erkende opleidingsorganisatie (approved training organisation) als bedoeld in verordening (EU) 1178/2011;

    • attest voor cabinebemanningsleden: document als bedoeld in subdeel CCA van bijlage V van verordening (EU) nr. 1178/2011, waaruit blijkt dat een bemanningslid met goed gevolg het examen heeft afgelegd na voltooiing van de basisopleiding voor cabinebemanningslid;

    • bevoegde autoriteit: instantie als bedoeld in artikel CC.GEN.001 van bijlage V van verordening (EU) nr. 1178/2011;

    • DTO: verklaarde opleidingsorganisatie (declared training organisation) als bedoeld in verordening (EU) 1178/2011;

    • erkende entiteit voor de onbemande luchtvaart: een erkende entiteit, als bedoeld in UAS.STS-01.20 en UAS.STS-02.20, Hoofdstuk 1 en Hoofdstuk 2, Aanhangsel 1, van de Bijlage bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/947;

    • erkende taalbeoordelingsinstantie: door de minister met betrekking tot het aanbieden en afnemen van de test ten behoeve van de taalvaardigheidsaantekening erkende opleidingsinstelling;

    • geregistreerde opleidingsinstelling: een door de minster geregistreerde opleidingsinstelling voor het geven van training voor het verkrijgen van bepaalde bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen;

    • goedgekeurde opleidingsinstelling: door de minister goedgekeurde opleidingsorganisatie voor het verzorgen van de basisopleiding van cabinebemanningsleden;

    • gyrokopter: gyrokopter als bedoeld in artikel 1 van het Besluit luchtvaartuigen 2008;

    • minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

    • MLA (Micro Light Aeroplane): vliegtuig als bedoeld in het Besluit luchtvaartuigen 2008;

    • uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/947: Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/947 van de Commissie van 24 mei 2019 inzake de regels en procedures voor de exploitatie van onbemande luchtvaartuigen (PbEU 20139, L 152).

  • 2 In deze regeling wordt met de volgende toevoegingen bedoeld:

    • a. A: de categorie vliegtuigen (Aircraft);

    • b. GC: de categorie gyrokopters (Gyrocopters);

    • c. H: de categorie helikopters (Helicopters).

Hoofdstuk 2. Procedureregels

§ 2.1. Algemeen

Artikel 2

De aanvraag tot registratie, erkenning of goedkeuring dan wel hernieuwde afgifte van een registratie, erkenning of goedkeuring wordt gedaan op een daartoe door de minister verstrekt aanvraagformulier.

§ 2.2. Registratie, erkenning en goedkeuring

Artikel 3

  • 1 De minister registreert op aanvraag een opleidingsinstelling voor de opleiding RPL(A)MLA, RPL(H)MLH, RPL(GC), RPA-L of de module RT indien de aanvrager voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 10.

  • 2 De minister erkent een opleidingsinstelling met betrekking tot het aanbieden en afnemen van de test ten behoeve van de taalvaardigheidsaantekening indien de aanvrager voldoet aan de eis, bedoeld in artikel 11a.

  • 3 De minister keurt overeenkomstig artikel ARA.CC.200, onderdeel a, van bijlage VI van verordening (EU) nr. 1178/2011, een opleidingsorganisatie goed voor het verzorgen van de basisopleiding van cabinebemanningsleden, bedoeld in artikel CC.TRA.220, onderdelen a en b, van bijlage V van verordening (EU) nr. 1178/ 2011, indien de aanvrager voldoet aan de eisen bedoeld in hoofdstuk 1 van bijlage 5. Het goedkeuringsbesluit bevat mede het opleidingsprogramma en de syllabus van de opleidingsorganisatie.

  • 4 De minister kan een goedgekeurde opleidingsinstelling, als bedoeld in het derde lid, overeenkomstig artikel ARA.CC.200, onderdeel b, van bijlage VI van verordening (EU) nr. 1178/2011, mandaat verlenen om namens hem attesten voor cabinebemanningsleden af te geven indien die opleidingsinstelling:

    • a. voldoet aan de eisen, bedoeld in hoofdstuk 2 van bijlage 5, en

    • b. gedocumenteerde procedures heeft ingevoerd voor de examinering en het afgeven van attesten overeenkomstig de artikelen CC.TRA.220, onderdeel c, van bijlage V en ARA.CC.200, onderdeel b, onder 2, van bijlage VI van verordening (EU) nr. 1178/2011.

  • 5 Een opleidingsinstelling die overeenkomstig het vierde lid gemandateerd is om namens de minister attesten af te geven stelt daartoe ook namens de minister de examenuitslagen van cabinebemanningsleden vast en registreert namens de minister de afgegeven attesten.

  • 6 De minister kan een geregistreerde opleidingsinstelling erkennen als erkende entiteit voor de onbemande luchtvaart indien wordt voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in Aanhangsel 3 en Aanhangsel 6, van de Bijlage bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/947.

  • 8 Een aanwijzing als aangewezen entiteit voor de onbemande luchtvaart, wordt verleend voor een termijn van twaalf maanden. De aanwijzing kan door de minister worden verlengd.

  • 9 De Minister erkent op aanvraag een opleidingsinstelling voor de opleiding voor typebevoegdverklaring en voor de opleiding voor instructeursbevoegdheid voor een luchtvaartuig als bedoeld in bijlage I behorende bij de basisverordening indien de aanvrager voldoet aan de eisen bedoeld in deel ORA, subdeel GEN en subdeel ATO, van verordening (EU) nr. 1178/2011.

Artikel 4

De aanvraag tot registratie of goedkeuring gaat vergezeld van:

  • a. voor de registratie van een opleidingsinstelling voor RPL(A)MLA of RPL(H)MLH of RPL(GC):

    • 1°. het trainingshandboek dat wordt gebruikt;

    • 2°. verklaring waarin de aanvrager aangeeft dat de aangeleverde informatie juist is en dat de training zal worden uitgevoerd in overeenstemming met deze regeling;

  • b. indien de registratie van een opleidingsinstelling enkel betrekking heeft op de module RT:

    • 1°. overzicht en curriculum vitae van het bij de opleiding betrokken onderwijzend personeel;

    • 2°. beschrijving van de accommodatie en theorie-instructievoorzieningen;

    • 3°. bewijs van beschikbaarheid van simulatieapparatuur en instructeurs;

    • 4°. exemplaar van de syllabus die wordt gebruikt;

    • 5°. verklaring waarin de aanvrager aangeeft dat de aangeleverde informatie juist is en dat de training zal worden uitgevoerd in overeenstemming met deze regeling;

  • c. voor de registratie van een opleidingsinstelling voor RPA L:

    • 1°. naam of model van het trainingshandboek en het examenhandboek dat wordt gebruikt;

    • 2°. kopie van het intern trainingsprogramma voor zowel theoriedocenten als vlieginstructeurs;

    • 3°. beschrijving van de accommodatie en theorie-instructievoorziening;

    • 4°. overzicht en curriculum vitae van het bij de opleiding betrokken leidinggevend en onderwijzend personeel; en

    • 5°. verklaring waarin de aanvrager aangeeft dat de aangeleverde informatie juist is en dat de training zal worden uitgevoerd in overeenstemming met deze regeling,

  • d. voor de goedkeuring van een opleidingsinstelling voor de basisopleiding van cabinebemanningsleden:

    • 1°. de datum van aanvang van de opleiding;

    • 2°. overzicht en curriculum vitae van het bij de opleiding betrokken leidinggevend personeel en onderwijzend personeel;

    • 3°. naam en adres van de plaatsen waar de opleiding zal plaatsvinden;

    • 4°. een beschrijving van de faciliteiten, opleidingsmethoden, handboeken en representatieve toestellen die gebruikt zullen worden; en

    • 5°. de syllabi en bijbehorende programma’s voor de opleiding.

Artikel 5

  • 1 De geldigheidsduur van een eerste registratie is ten hoogste een jaar.

  • 2 De geldigheidsduur van een eerste erkenning met betrekking tot het aanbieden en afnemen van de test ten behoeve van de taalvaardigheidsaantekening is ten minste 6 maanden.

  • 3 In afwijking van het eerste lid wordt een registratie voor onbepaalde tijd verleend, indien de registratie enkel betrekking heeft op de module RT, of als de houder van de registratie een DTO dan wel een ATO is.

  • 4 De registratie van een opleidinginstelling voor RPA-L kan met terugwerkende kracht worden verleend.

  • 5 In afwijking van het eerste lid is de registratie van een opleidinginstelling voor RPA-L die met terugwerkende kracht is verleend geldig tot een jaar na de datum van deze registratie.

  • 6 De goedkeuring van een opleidingsinstelling voor het verzorgen van de basisopleiding van cabinebemanningsleden alsmede de machtiging, bedoeld in artikel 3, derde en vierde lid, gelden voor onbepaalde tijd.

  • 7 In afwijking van het eerste lid is voor een opleidingsinstelling voor de opleiding voor de typebevoegdverklaring en voor de instructeursbevoegdheid voor een luchtvaartuig als bedoeld in bijlage I behorende bij de basisverordening, ORA.GEN.135 in deel ORA, subdeel GEN van verordening (EU) nr. 1178/2011 van overeenkomstige toepassing.

§ 2.3. Opnieuw afgeven

Artikel 6

  • 1 De minister registreert op aanvraag een opleidingsinstelling opnieuw voor ten hoogste twee jaar indien de aanvrager voldoet aan de eisen bedoeld in artikel 10.

  • 2 De minister verlengt op aanvraag de erkenning van een erkende taalbeoordelingsinstantie indien de aanvrager voldoet aan de eis, bedoeld in artikel 11a.

  • 3 De minister registreert op aanvraag een opleidingsinstelling voor RPA-L opnieuw voor de termijn van twee jaar, indien de aanvrager voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 10.

Artikel 7

De aanvraag tot opnieuw registreren van een opleidingsinstelling gaat vergezeld van die gegevens en bescheiden, genoemd in artikel 4, ten aanzien waarvan wijzigingen hebben plaatsgevonden.

§ 2.4. Wijziging

Artikel 8

Een goedgekeurde opleidingsinstelling, geregistreerde opleidingsinstelling of erkende taalbeoordelingsinstantie stelt de minister terstond op de hoogte van wijzigingen met betrekking tot bij de aanvraag tot goedkeuring, registratie of erkenning aan de minister geleverde informatie.

Artikel 9

  • 1 Wijzigingen in door geregistreerde opleidingsinstellingen aangeboden opleidingen kunnen op aanvraag tussentijds onder de al bestaande registratie worden gebracht indien de minister met deze wijzigingen instemt.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op erkende taalbeoordelingsinstanties.

  • 3 Met betrekking tot het eerste lid zijn de artikelen 3 en 4 van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 3. Inhoudelijke eisen voor registratie, goedkeuring en erkenning

Artikel 10

  • 1 Voor registratie van een opleidingsinstelling dient de aanvrager aan de volgende eisen te voldoen:

    • a. wat betreft de opleidingsinstelling: de eisen, bedoeld in bijlage 1 bij deze regeling;

    • b. wat betreft de aangeboden opleidingen:

      1°. voor SE-SPA CR de eisen, bedoeld in Deel FCL.725;

      2°. voor RPL de eisen, bedoeld in bijlage 2 bij deze regeling;

      3°. voor RFI de eisen, bedoeld in bijlage 3 bij deze regeling;

      4°. voor de module RT de eisen, bedoeld in bijlage 4 bij deze regeling;

      5°. voor RPA-L, de eis dat de opleidingsinstelling zorg draagt voor correct, volledig en passend lesmateriaal ten behoeve van een theorie- en praktijkopleiding en voor een procedure die waarborgt dat de examens op correcte en passende wijze worden afgenomen door examinatoren die niet de theorie- en praktijkopleiding hebben verzorgd van de kandidaat die de examens aflegt.

  • 2 Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op de registratie van een opleidingsinstelling met betrekking tot de module RT.

  • 3 Een DTO of ATO wordt geacht te voldoen aan de eisen bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

Artikel 11a

Voor de erkenning van een opleidingsinstelling met betrekking tot het aanbieden en afnemen van de test ten behoeve van de taalvaardigheidsaantekening, dient de aanvrager te beschikken over een test waarmee de taalvaardigheid, bedoeld in FCL.055 van verordening (EU) nr. 1178/2011, kan worden aangetoond.

Artikel 11b

  • 1 De in artikel 3, vierde lid, bedoelde opleidingsinstelling hanteert voor de afgifte respectievelijk de registratie van attesten voor cabinebemanningsleden procedures overeenkomstig de artikelen ARA.GEN.315 respectievelijk ARA.GEN.220 van bijlage VI van verordening (EU) nr. 1178/2011.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde opleidingsinstelling verstrekt de bevoegde autoriteit de informatie en documentatie over de afgegeven attesten en de houders van deze attesten, voor zover de bevoegde autoriteit die nodig heeft om zijn gegevensbeheer-, toezichts- en handhavingstaken uit te voeren.

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Artikel 12

Een bewijs van registratie, onderscheidenlijk, een registratie, afgegeven op basis van artikel 3 van de Regeling opleidingsinstellingen voor luchtvarenden, worden een bewijs van registratie, onderscheidenlijk, een registratie op basis van de Regeling opleidingsinstellingen voor luchtvarenden 2001.

Artikel 13

De bijlagen bij deze regeling, met uitzondering van de bijlagen 2, 4 en 5, liggen ter inzage bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.

Artikel 14

De Regeling opleidingsinstellingen voor luchtvarenden wordt ingetrokken.

Artikel 15

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 november 2001 en werkt terug tot en met 1 oktober 2001.

Artikel 16

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling opleidingsinstellingen voor luchtvarenden 2001.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen, die ter inzage worden gelegd bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

De

Minister

van Verkeer en Waterstaat,

T. Netelenbos

Bijlage 1

[Red: Ligt ter inzage bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.]

Bijlage 2. bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, onder 2°

1. De opleiding voor RPL(A)

De opleiding voor RPL(A)MLA wordt aangeboden door een geregistreerde opleiding met instructeurs die in het bezit zijn van geldige RFI in hun RPL(A)MLA of geldig FI in hun PPL(A), CPL(A) of ATPL(A) en de klassebevoegdverklaring waarvoor ze instructie geven.

2. De opleiding voor RPL(H)

De opleiding voor RPL(H) voor klasse- of type bevoegdverklaringen voor eenmotorige helikopters wordt aangeboden door een geregistreerde opleidingsinstelling met instructeurs die in het bezit zijn van een geldige RFI(H) in hun RPL(H) of FI in hun PPL(H), CPL(H) of ATPL(H) en de klasse- of typebevoegdverklaring waarvoor ze instructie geven.

2a. De opleiding voor RPL(GC)

De opleiding voor RPL(GC) voor de klasse- of type bevoegdverklaringen voor eenmotorige gyrokopters wordt aangeboden door een geregistreerde opleidingsinstelling met instructeurs die in het bezit zijn van een geldige RFI(GC) in hun RPL(GC) dan wel geldig FI in hun PPL(A/H), CPL(A/H) of ATPL(A/H) alsmede de klasse- of typebevoegdverklaring waarvoor ze instructie geven en die met goed gevolg een praktijkexamen RFI(GC) hebben afgelegd.

3. De praktijkopleiding voor RPL(A)

De praktijkopleiding voor elke klasse binnen het RPL(A) omvat ten minste 30 uur, waarvan ten minste:

op een vliegtuig uit een willekeurige klasse uit RPL(A):

  • a. 1 solo overlandvlucht waarbij op twee andere luchtvaartterreinen wordt geland en gestart dan waarop men vertrekt, of

  • b. een solo driehoeksvlucht over een afstand van ten minste 100 km en daarnaast een solo start en -landing op ten minste drie verschillende terreinen.

Het opleidingsplan voor de praktijkopleiding voor RPL(A) omvat ten minste:

  • a. de vluchtvoorbereiding inclusief de berekening van de massa en het zwaartepunt, de voor-de-vlucht-inspectie van het vliegtuig en de staat van onderhoud;

  • b. het gebruik van het luchtvaartterrein en het luchtverkeerscircuit, het vermijden van botsingen (voorzorgen en uitwijkprocedures);

  • c. het besturen van het vliegtuig met behulp van het zicht naar buiten;

  • d. het vliegen met een kritische lage luchtsnelheid, herkenning van en het herstellen uit een beginnende en volledige overtrek;

  • e. het vliegen met een kritische hoge luchtsnelheid, herkenning van en het herstellen uit een spiraalduikvlucht of herkenning en het vermijden van een spiraalduikvlucht;

  • f. starts en landingen normaal en bij dwarswind;

  • g. starts waarbij een maximumprestatie van het vliegtuig is vereist (kort veld en over hindernissen), landingen op een korte baan;

  • h. het maken van overlandvluchten met herkenningspunten op de grond, gegist bestek en, wanneer dat beschikbaar is, radionavigatiehulpmiddelen;

  • i. noodprocedures, inclusief gesimuleerde situaties waarbij de uitrusting van het vliegtuig niet of niet meer goed werkt;

  • j. het voorbereiden van vluchten van, naar en via verschillende luchtvaartterreinen, procedures met luchtverkeersdienstverlening; en radiotelefonieprocedures en terminologie.

4. De opleidingsvliegtuigen voor RPL(A)

  • a. De opleidingsinstelling zorgt voor een adequate vloot van opleidingsvliegtuigen die geschikt zijn voor de bedoelde opleiding en die zijn uitgerust en onderhouden volgens de geldende regels.

  • b. Elk vliegtuig is voorzien van een dubbel besturingssysteem dat onafhankelijk kan worden gebruikt door de instructeur en de leerling. Een overzwenkbare besturing is niet acceptabel.

  • c. De vloot bevat ook ten minste één vliegtuig dat geschikt is om te leren hoe men een overtrek kan vermijden.

5. Theorieopleiding voor RPL(A)

De theorieopleiding voor het theorie-examen is gelijk aan de opleiding voor PPL(A). Het verzorgen van deze opleiding is voorbehouden aan een daartoe gekwalificeerde ATO of DTO.

6. De praktijkopleiding voor RPL(H)

De praktijkopleiding voor elk type eenmotorige helikopter of voor de klasse MLH binnen het RPL(H) omvat ten minste 30 uur op het gewenste type eenmotorige helikopter of de klasse MLH, waarvan ten minste:

  • a. 20 uur dubbelbesturingsonderricht (dit kan minder zijn bij leerling-vliegers die in aanmerking komen voor compensatie als bedoeld in de Regeling bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen voor luchtvarenden 2001);

  • b. 5 uur solo; en

  • c.

    • i. één solo overlandvlucht waarbij op twee andere luchthavens wordt geland en gestart dan waarop men vertrekt; of

    • ii. één solo driehoeksvlucht over een afstand van ten minste 100 km en daarnaast solo een start en een landing op ten minste drie verschillende terreinen.

Het opleidingsplan voor de praktijkopleiding voor RPL(H) voor een type opleiding of voor de klasse opleiding eenmotorige helikopters omvat ten minste:

  • a. de vluchtvoorbereiding inclusief de berekening van de massa en het zwaartepunt, de voor-de-vlucht-inspectie van de helikopter en de staat van onderhoud;

  • b. het gebruik van het luchtvaartterrein en het luchtverkeerscircuit, het vermijden van botsingen (voorzorgen en uitwijkprocedures);

  • c. het besturen van de helikopter met behulp van het zicht naar buiten;

  • d. starts, landingen, stilhangen, uitkijkbochten en normale overgangsvluchten van en naar stilhangen;

  • e. noodprocedures, elementaire autorotaties, gesimuleerde motorstoring, herstel van grondresonantie indien relevant voor het type;

  • f. zijwaartse en achterwaartse vlucht, bochten op de plek;

  • g. autorotaties op een landingspunt, gesimuleerde landingen met motor idle, oefenen van noodlandingen. Gesimuleerde storingen van uitrusting en noodtoestandprocedures met betrekking tot storing van motoren, besturing, elektrische en hydraulische circuits; steile bochten;

  • h. overgangsvluchten, snelle stops, manoeuvres uit de wind, landingen en starts op hellend terrein;

  • i. vluchten met beperkt vermogen en beperkte ruimte inclusief het kiezen van en het opereren naar en van onvoorbereide plaatsen;

  • j. overlandvlucht met visuele referentie, gegist bestek en waar beschikbaar, radionavigatiehulpmiddelen;

  • k. het voorbereiden van vluchten van, naar en via verschillende luchtvaartterreinen, procedures met luchtverkeersdienstverlening.

7. De opleidingshelikopters voor RPL(H)

De opleidingsinstelling zorgt voor een adequate vloot van opleidingshelikopters die geschikt zijn voor de bedoelde opleiding en die zijn uitgerust en onderhouden volgens de geldende regels.

Elke helikopter is voorzien van een dubbel besturingssysteem dat onafhankelijk kan worden gebruikt door de instructeur en de leerling. Een overzwenkbare besturing is niet acceptabel.

8. Theorieopleiding voor RPL(H)

De theorieopleiding voor het theorie-examen is gelijk aan de opleiding voor PPL(H). Het verzorgen van deze opleiding is voorbehouden aan een daartoe gekwalificeerde ATO of DTO.

9. De praktijkopleiding voor RPL(GC)

De praktijkopleiding elk type eenmotorige gyrokopter of voor de klasse gyrokopter binnen het RPL(GC) omvat ten minste 30 uur op het gewenste type eenmotorige gyrokopter of de klasse GC, waarvan ten minste:

  • a. 20 uur dubbelbesturingsonderricht;

  • b. 5 uur solo; en

  • c.

    • i. één solo overlandvlucht waarbij op twee andere luchthavens wordt geland en gestart dan waarop men vertrekt; of

    • ii. één solo driehoeksvlucht over een afstand van ten minste 100 km en daarnaast een solostart en -landing op ten minste drie verschillende terreinen.

Het opleidingsplan voor de praktijkopleiding voor RPL(GC) omvat ten minste:

  • a. de vluchtvoorbereiding inclusief de berekening van de massa en het zwaartepunt, de voor-de-vlucht-inspectie van de gyrokopter en de staat van onderhoud;

  • b. wielblokprocedure, motor- en rotorstartprocedure evt. met de hand, taxiën met of zonder rotorrotatie, taxiën met rugwind, tegenwind en dwarswind;

  • c. het gebruik van het luchtvaartterrein en het luchtverkeerscircuit, het vermijden van botsingen (voorzorgen en uitwijkprocedures);

  • d. het besturen van de gyrokopter met behulp van het zicht naar buiten;

  • e. rotormanagement bij de gyrokopter met draaiende motor, waaronder herstelprocedure bij flapping;

  • f. start zonder wind, met tegenwind, dwarswind en short-field start gevolgd door motorstoring in grondeffect tijdens de start;

  • g. gecoördineerde horizontale bochten, klimmende en dalende bochten en steile bochten, het klimmen met vol vermogen, maximum snelheid en het vliegen met minimaal vermogen; vliegen met lage snelheid aan de backside van de powercurve;

  • h. normale landing met een flare, landing met een steile nadering, landing met doorstart, noodlanding (motor idle), doellanding, landing met vermogen en landing met minimaal vermogen (idle);

  • i. het stoppen van de rotor, het stoppen van de motor en het veilig parkeren van de gyrokopter;

10. De opleidingsgyrokopters voor RPL(GC)

De opleidingsinstelling zorgt voor een adequate vloot van opleidingsgyrokopters die geschikt zijn voor de bedoelde opleiding en die zijn uitgerust en onderhouden volgens de geldende regels. Elke gyrokopter is voorzien van een dubbel besturingssysteem dat onafhankelijk kan worden gebruikt door de instructeur en de leerling. Een overzwenkbare besturing is niet acceptabel.

11. De theorieopleiding voor RPL(GC)

De opleidingsinstelling zorgt voor theorieonderwijs voor het theorie-examen van de vakken Beginselen van het vliegen met een gyrokopter en Algemene kennis van het luchtvaartuig gyrokopter op het niveau van PPL. Het theoriegedeelte van de overige vakken is gebaseerd op PPL(A) en wordt verzorgd door een ATO of DTO. Het theoretisch gedeelte van de training zal worden afgesloten met een examen als bedoeld in bijlage 1 bij het Examenreglement voor luchtvarenden 2004. Deel FCL.120 is van overeenkomstige toepassing.

Bijlage 3

[Red: Ligt ter inzage bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.]

Bijlage 4. behorende bij artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling opleidingsinstellingen voor luchtvarenden 2001

I. Bevoegdverklaring Radiotelefonie

Inhoud

  • 1. Algemeen

  • 2. Kennis

  • 3. Bedrevenheid

  • 3.1 Bedrevenheid – VFR

  • 3.2 Bedrevenheid – IFR

1. Algemeen

Kandidaten wordt lesgegeven door (voormalig) Luchtverkeersleiders, Flight Examiners (FE), Instrument Rating Examiners (IRE), Flight Instructors (FI), Instrument Rating Instructors (IRI) of leden van de voormalige standaardcommissie voor RT of voormalige RT-examinatoren, te accepteren door de ILT.

Tijdens de opleiding wordt gebruik gemaakt van simulatieapparatuur die minimaal bestaat uit een hoofdtelefoon met een daaraan bevestigde of losse microfoon, welke de kandidaat in staat stelt andere kandidaten en de instructeur te horen en te antwoorden door middel van een simplex verbinding. Wanneer de opleiding met goed gevolg is afgerond wordt na afloop door de instelling een certificaat afgegeven met betrekking tot het resultaat van de opleiding.

Het namens de betrokken opleidingsinstelling ondertekende certificaat is voorzien van de naam en het adres van die instelling, de inhoud van de training (VFR of IFR), de periode waarin de opleiding werd verzorgd en het resultaat daarvan. Alsmede wordt aangegeven de naam, het adres, de geboorteplaats, de geboortedatum en eventueel het ILT-correspondentienummer van de kandidaat.

2. Kennis

Met kandidaten is de volledige lesstof voor het vak Communicatie als onderdeel van de kenniseisen conform de Regeling bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen voor luchtvarenden 2001 voor LAPL, BPL, SPL, PPL, CPL, IR, BIR, ATPL dan wel MPL zoals beschreven in verordening (EU) nr. 1178/2011, behandeld.

Voor de bevoegdverklaring RT (VFR only) is als kennis vereist:

  • het vak Communicatie, als onderdeel van de kenniseisen voor RPL en LAPL, bedoeld in artikel FCL.120 van bijlage I (Deel FCL) van verordening (EU) nr. 1178/2011;

  • het vak Communicatie, als onderdeel van de kenniseisen voor PPL, bedoeld in artikel FCL.215 van bijlage I (Deel FCL) van verordening (EU) nr. 1178/2011; of

  • het vak Communicatie, als onderdeel van de kenniseisen voor CPL en ATPL, bedoeld artikel FCL.310, respectievelijk artikel FCL.515 van bijlage I (Deel FCL) van verordening (EU) nr. 1178/2011.

Voor de bevoegdverklaring RT (VFR en IFR) is als kennis vereist:

  • het vak Communicatie, als onderdeel van de kenniseisen voor RPL en LAPL, bedoeld in artikel FCL.120 van bijlage I (Deel FCL) van verordening (EU) nr. 1178/2011;

  • het vak Communicatie, als onderdeel van de kenniseisen voor PPL, bedoeld in artikel FCL.215 van bijlage I (Deel FCL) van verordening (EU) nr. 1178/2011; of

  • het vak Communicatie, als onderdeel van de kenniseisen voor CPL en ATPL, bedoeld in artikel FCL.310, respectievelijk artikel FCL.515 van bijlage I (Deel FCL) van verordening (EU) nr. 1178/2011; en

    het vak Communicatie, als onderdeel van de kenniseisen voor IR, BIR of ATPL, bedoeld in artikel FCL.615, respectievelijk artikel FCL.515, van bijlage I (Deel FCL) van verordening (EU) nr. 1178/2011.

3. Bedrevenheid

Bedrevenheid wordt aangetoond door een praktijktoets.

3.1. Bedrevenheid – VFR

De kandidaat toont, tijdens de toets, aan de hand van gesimuleerde VFR-vluchtsituaties, met gebruikmaking van de door ICAO voorgeschreven procedures en fraseologieën in de Engelse taal, aan bedreven te zijn in het samenstellen, overbrengen en opnemen van berichten met betrekking tot gecontroleerde VFR-vluchten.

3.2. Bedrevenheid – IFR

De kandidaat toont, tijdens de toets, aan de hand van gesimuleerde IFR-vluchtsituaties, met gebruikmaking van de door ICAO voorgeschreven procedures en fraseologieën in de Engelse taal, aan bedreven te zijn in het samenstellen, overbrengen en opnemen van berichten met betrekking tot gecontroleerde IFR-vluchten.

II. Syllabi radiotelefonie

i. Syllabus praktijktraining radiotelefonie – VFR Eindterm van de praktijktraining

De cursist kan geheel zelfstandig, en gebruikmakend van de correcte fraseologieën, zendtechniek en spreeksnelheid, de radiocommunicatie tijdens een gesimuleerde gecontroleerde vlucht uitvoeren. Daarbij kan in voldoende mate door de cursist worden aangetoond dat hij begrip heeft van de verschillende verkeerssituaties en een aantoonbaar voldoende niveau luchtvaart Engels beheerst.

NB 1

De leerdoelen hebben betrekking op de FIR Amsterdam, op de van kracht zijnde versie van de AIP Netherlands en de van kracht zijnde versies van de ICAO-publicaties Annex 10 volume II, DOC 4444, DOC 7030 en DOC 9432.

NB 2

In onderstaande tekst hebben de termen ‘uur’, ‘uren’ en ‘lesuren’ betrekking op een lesperiode van 60 minuten c.q. een veelvoud van 60 minuten.

Aantal uren zelfstudie of onderricht/instructie: ca. 28.

Aantal uren praktijktraining: ca. 18 (exclusief de praktijkvaardigheidstoets). Gebaseerd op: 6 cursisten tijdens de praktijktrainingslessen.

NB 3

Bij meer of minder dan 6 cursisten zal het aantal uren praktijktraining meer of minder zijn dan het aangegeven aantal van ca. 18:

Bij 4 cursisten zal het aantal uren praktijktraining ca. 12 bedragen. Bij 5 cursisten zal het aantal uren praktijktraining ca. 15 bedragen. Bij 7 cursisten zal het aantal uren praktijktraining ca. 21 bedragen. Bij 8 cursisten zal het aantal uren praktijktraining ca. 24 bedragen.

Onderstaand is een lesschema opgenomen met daarin de verplichte leerdoelen. Een opleider kan gebruik maken van een afwijkend lesschema, mits de verplichte leerdoelen hierin zijn opgenomen.

Les 1

Aantal uren zelfstudie of onderricht/instructie: ca. 6

De cursist:

  • weet waar het ATIS systeem voor dient en weet hoe de ontvangstbevestiging dient te worden aangegeven;

  • weet hoe te handelen indien het onmogelijk is gebleken de ATIS-informatie te ontvangen;

  • heeft kennis van de zendtechnieken en weet:

    • 1. hoe en welke berichten dienen te worden teruggelezen en bij welke berichten mag worden volstaan met wilco, roger of het noemen van de roepnaam;

    • 2. wanneer de roepnaam van het luchtvaarttuig in antwoord op de verkeersleiding achteraan geplaatst wordt;

    • 3. wanneer een transponder geactiveerd dient te zijn en welke instellingen daarbij van toepassing zijn.

  • kent het spellingsalfabet en de uitspraak van cijfers en getallen, inclusief de daarbij behorende uitzonderingen;

  • weet hoe frequenties dienen te worden uitgesproken met betrekking tot het aantal cijfers achter het decimaalteken;

  • weet hoe afkortingen en termen dienen te worden uitgesproken;

  • kent de betekenis van de door ICAO in Annex 10 Volume II chapter 5 gepubliceerde ‘Standard words and phrases’ en kan deze interpreteren;

  • kent het verschil kennen met betrekking tot het gebruik van de woorden ‘Stand-by’ en ‘Monitor’;

  • weet welke meeteenheden van toepassing zijn voor: afstanden gebruikt bij navigatie en positiemelding; korte afstanden zoals baanlengte;

    horizontale snelheid en windsnelheid; verticale snelheid; hoogtemeterinstellingen; lucht- en dauwpunttemperatuur;

  • weet welke referentierichting van toepassing is voor de windrichting in relatie met opstijgen en landen;

  • weet hoe tijdstippen, tijdsduren, geografische posities en baanaanduidingen worden uitgesproken alsook de aanduidingen van veel voorkomende vliegtuigtypes;

  • weet hoe roepnamen van luchtvaartuigstations worden samengesteld en hoe en wanneer deze mogen worden verkort;

  • weet welke fraseologie kan worden toegepast door een luchtvaartgrondstation om (tijdelijk) een roepnaam te wijzigen;

  • weet hoe roepnamen van grondstations worden samengesteld en welke ‘suffixen’ van toepassing kunnen zijn;

  • weet wanneer de roepnaam van een grondstation mag worden verkort dan wel geheel mag worden weggelaten;

  • weet hoe contact moet worden gemaakt met een grondstation;

  • weet hoe een frequentiewisseling wordt aangegeven en wordt teruggelezen;

  • weet hoe een proefoproep dient te worden uitgevoerd en wat de betekenis van de getallen van de leesbaarheidsschaal is;

  • weet hoe te handelen indien men niet zeker is dat men wordt opgeroepen;

  • weet welke fraseologie van toepassing is indien men weet dat men wordt opgeroepen maar niet weet door wie.

Vertrekkende vlucht van een gecontroleerd luchtvaartterrein in Nederland met de intentie om circuit te vliegen.

De cursist:

  • weet hoe een eerste verbinding tot stand moet worden gebracht gebruikmakend van roepnaam van luchtvaarttuig en grondstation;

  • kan de informatie opsommen die na het contact maken moet worden verstrekt;

  • weet dat bij starten vanaf en landen op militaire luchtvaartterreinen het aantal ‘Persons on board’ dient te worden doorgegeven;

  • weet dat er op gecontroleerde luchtvaartterreinen toestemming voor het starten van de motoren moet worden aangevraagd, weet hoe en bij bevestigd;

  • weet dat er op gecontroleerde luchtvaartterreinen toestemming om te taxiën moet worden aangevraagd, weet hoe en bij wie deze toestemming moet worden aangevraagd en hoe deze moet worden bevestigd;

  • weet hoe taxibanen worden aangeduid, wat een holding point is en hoe een ‘runway holding position’ wordt aangeduid;

  • weet het verschil tussen het gebruik van de woorden ‘departure’ en ‘take-off’;

  • kent de diverse ‘line-up’ klaringen en weet hoe deze moeten worden teruggelezen;

  • weet wat een ‘intersection departure’ inhoudt;

  • kan ‘take-off’ klaringen interpreteren en weet hoe deze moeten worden teruggelezen;

  • weet hoe de instructies voor het afbreken van de start en het annuleren van de ‘take off’ klaring luiden en hoe deze moeten worden teruggelezen;

  • weet hoe een circuit moet worden gevlogen en wat daarbij de verplichte meldingen zijn;

  • kent de opdrachten ‘Extend downwind’, ‘Go around’, ‘Touch and Go’, ‘360 turn’ en ‘270 turn’ en weet hoe deze moeten worden teruggelezen;

  • kan de landingsklaringen interpreteren, weet hoe deze moeten worden teruggelezen en kan informatie betreffende de landing bevestigen en interpreteren;

  • kan de gepubliceerde procedures ten aanzien van de frequentie-overdracht, waaronder ‘automatic frequency change’ na landing, en het verlaten van de baan interpreteren en kan de daaruit voortvloeiende meldingen uitvoeren.

DE VOLGENDE PRAKTISCHE OEFENINGEN WORDEN IN LES 1 GEOEFEND

Aantal lesuren: ca. 3

  • Spellingsoefeningen met alle uitzonderingen.

  • Contact maken en uitvoeren proefoproep.

  • Oefening van een vertrekkende vlucht op een gecontroleerd luchtvaartterreinen waarna circuit wordt gevlogen. Hierbij wordt de radiotelefonie uitgevoerd als zou het een daadwerkelijke vlucht zijn.

Les 2

Aantal uren zelfstudie of onderricht/instructie: ca. 6

  • Procedures voor vertrekkend verkeer

    De cursist:

    • 1. bestudeert de vertrekroutes van de gecontroleerde burgerluchtvaartterreinen;

    • 2. bestudeert de vertrekroutes van de militaire gecontroleerde luchtvaartterreinen waar vooraf aangekondigd burgerluchtverkeer wordt toegestaan;

    • 3. weet dat de vertrekroutes een gepubliceerde hoogte hebben en weet waar deze informatie is te vinden;

    • 4. kan de informatie opsommen die na het contact maken moet worden vermeld voor een vlucht die via een vertrekroute een CTR verlaat;

    • 5. weet dat niet alle militaire luchtvaartterreinen ATIS hebben;

    • 6. weet wanneer en op welke wijze een positiemelding moet worden gemaakt;

    • 7. weet hoe opdrachten voor hoogteveranderingen moeten worden teruggelezen en hoe de bereikte hoogte moet worden gerapporteerd.

  • Procedures voor binnenkomend verkeer

    De cursist:

    • 1. bestudeert de aankomstroutes van de gecontroleerde burgerluchtvaartterreinen;

    • 2. bestudeert de aankomstroutes van de militaire gecontroleerde luchtvaartterreinen waar vooraf aangekondigd burgerluchtverkeer wordt toegestaan;

    • 3. weet dat de aankomstroutes een gepubliceerde hoogte hebben en weet waar deze informatie is te vinden;

    • 4. weet hoe een verbinding tot stand moet worden gebracht;

    • 5. kan de informatie opsommen die na het contact maken dient te worden vermeld;

    • 6. weet hoe de klaring voor de aankomstroute en de bijbehorende items moeten worden bevestigd;

    • 7. weet wat de verkorte naderingsprocedures zijn en hoe daaraan gerelateerde opdrachten moeten worden teruggelezen;

    • 8. weet wanneer en op welke wijze een positiemelding gemaakt moet worden;

    • 9. weet hoe opdrachten voor hoogteveranderingen moeten worden teruggelezen en hoe de bereikte hoogte moet worden gerapporteerd;

    • 10. weet hoe in circuits moet worden ingevoegd en hoe de daaraan gerelateerde meldingen luiden;

    • 11. weet wanneer, op welke wijze en bij welk grondstation het verlaten van de baan moet worden gemeld;

    • 12. weet hoe taxi-instructies moeten worden bevestigd;

    • 13. weet hoe het bereiken van de parkeerplaats moet worden gemeld en hoe de verbinding moet worden beëindigd.

DE VOLGENDE PRAKTISCHE OEFENINGEN WORDEN IN LES 2 GEOEFEND

Aantal lesuren: ca. 3

  • Oefening van een vertrekkende vlucht van een gecontroleerd luchtvaartterrein via een vertrekroute.

  • Oefening van een binnenkomende vlucht naar een gecontroleerd luchtvaartterrein via een aankomstroute.

Les 3

Aantal uren zelfstudie of onderricht/instructie uren: ca. 6

  • ‘Flight information centres’ in de FIR Amsterdam

    De cursist:

    • 1. kan de werkgebieden van de ‘flight information centres’ in de FIR Amsterdam beschrijven en kent de roepnamen;

    • 2. weet op welke wijze een verbinding tot stand moet worden gebracht en dat Dutch MIL Info bij het contact maken opgeroepen dient te worden met vermelding van de huidige positie;

    • 3. kan de informatie opsommen die dient te worden doorgegeven na het contact maken;

    • 4. weet op welke wijze een positiemelding moet worden gemaakt;

    • 5. weet welke fraseologie er gebruikt moet worden indien er besloten wordt om uit te wijken;

    • 6. weet op welke wijze de frequentie wordt verlaten.

  • Procedures voor kruisend verkeer

    De cursist:

    • 1. weet hoe het kruisen van een CTR dient te worden aangevraagd en welke informatie daarbij dient te worden verstrekt;

    • 2. weet op welke wijze de route door de CTR moet worden aangegeven;

    • 3. weet welke verplichtingen gelden voor het binnenkomen en verlaten van de CTR;

    • 4. weet op welke wijze het binnenkomen en verlaten van de CTR moet worden gemeld;

    • 5. weet hoe opdrachten voor hoogteveranderingen moeten worden teruggelezen en hoe de bereikte hoogte moet worden gerapporteerd;

    • 6. weet op welke wijze de frequentie wordt verlaten.

  • Procedures met betrekking tot peilingen en plaatsbepaling door middel van peilingen

    De cursist:

    • 1. weet hoe peilingen en plaatsbepaling door middel van peilingen kunnen worden aangevraagd.

DE VOLGENDE PRAKTISCHE OEFENINGEN WORDEN IN LES 3 GEOEFEND

Aantal lesuren: ca. 3

  • Oefening van een gehele vlucht van/naar gecontroleerde luchtvaartterreinen inclusief het contact maken met een ‘Flight information centre’ in de FIR Amsterdam.

  • Oefening van een gehele vlucht van/naar gecontroleerde luchtvaartterreinen, inclusief het contact maken met een ‘Flight Information centre’ in de FIR Amsterdam en het kruisen van een gecontroleerd luchtruim (CTR). Tevens wordt er tijdens de oefeningen verzocht om ‘heading’-informatie verkregen door middel van radiopeilingen (QDM) of positie-informatie verkregen door middel van radiopeilingen (QTF) of wordt gehoor gegeven aan een opdracht tot uitzenden teneinde het luchtvaartuig te kunnen peilen.

Les 4

Aantal uren zelfstudie of onderricht/instructie: ca. 6

  • DOC 4444 Chapter 12 en AIP Netherlands

    De cursist kent de relevante in DOC 4444 Chapter 12 opgenomen fraseologieën en de relevante radiotelefonie-instructies opgenomen in de AIP Netherlands.

  • Fraseologie bij gebruik van radar

    • 1. Men dient te weten hoe radaridentificatie en -koersopdrachten plaatsvinden en hoe daaraan gerelateerde opdrachten moeten worden bevestigd.

    • 2. Men dient de fraseologie in relatie met het gebruik van ‘Secondary Surveillance Radar’ te kennen.

  • Traffic information and avoiding action

    Men dient de ‘O-clock procedure’ te kennen en met de juiste fraseologie te kunnen reageren op gegeven ‘traffic information’ en ‘avoiding action’.

  • Bijzondere routes

    De cursist weet hoe een vertrek- of aankomstroute die niet overeenkomt met de gepubliceerde routes, moet worden aangevraagd (inclusief de positiemelding).

  • Spoed/Noodoproepen

    De cursist weet hoe en op welke frequentie(s) men een grondstation dient op te roepen in het geval er sprake is van een spoed- of noodgeval.

  • Luchtvaartkaarten

    De cursist bestudeert de Aeronautical Chart 1: 500.000 ICAO The Netherlands voor zover van toepassing voor het kruisen van CTR’s en de voor vertrekkende en aankomende vluchten van toepassing zijnde luchtvaartkaarten die gepubliceerd zijn in de AIP Netherlands.

DE VOLGENDE PRAKTISCHE OEFENINGEN WORDEN IN LES 4 GEOEFEND

Aantal lesuren: ca. 3

  • Oefeningen met alle elementen die hierboven zijn aangegeven.

Les 5

Aantal uren zelfstudie: ca. 2

EXAMENTRAINING

De cursist bereidt voor deze les twee of meerdere oefeningen voor. Deze oefeningen voldoen aan de eisen die door ILT zijn gesteld aan de samenstelling van een praktijkvaardigheidstoets (zie voor deze eisen LES 7).

DE VOLGENDE PRAKTISCHE OEFENINGEN WORDEN IN LES 5 GEOEFEND

Aantal lesuren: ca. 3

  • Praktische training van de door de kandidaat voorbereide praktijkvaardigheidstoets.

Les 6

Aantal uren zelfstudie: ca. 2

EXAMENTRAINING

De cursist bereidt voor deze les twee of meerdere oefeningen voor. Deze oefeningen voldoen aan de eisen die door ILT zijn gesteld aan de samenstelling van een praktijkvaardigheidstoets (zie voor deze eisen LES 7)

DE VOLGENDE PRAKTISCHE OEFENINGEN WORDEN IN LES 6 GEOEFEND

Aantal lesuren: ca. 3

  • Praktische training van de door de kandidaat voorbereide praktijkvaardigheidstoets.

Les 7

PRAKTIJKVAARDIGHEIDSTOETS

Doel:

Om te bereiken dat de praktijkvaardigheidstoetsen radiotelefonie, waar dan ook gehouden, voldoen aan dezelfde norm, zijn de praktijkvaardigheidstoetsen van een vergelijkbaar niveau. Om dit te verwezenlijken worden bij het opstellen van een praktijkvaardigheidstoets onderstaande elementen gebruikt als handleiding.

1. Hoofdonderdelen

De praktijkvaardigheidstoets bestaat uit vier hoofdonderdelen:

  • a. het uitvoeren van een spellingsopdracht;

  • b. het voeren van de radiocommunicatie tijdens het vertrekdeel;

  • c. het voeren van de radiocommunicatie tijdens het en-route deel en

  • d. het voeren van de radiocommunicatie tijdens het aankomstdeel van een gesimuleerde vlucht.

2. Soorten vluchten

Bij de praktijkvaardigheidstoets worden vluchten gesimuleerd met als vertrek- en aankomstpunt gecontroleerde luchtvaartterreinen in de FIR Amsterdam waar burgerluchtvaart is toegestaan.

Het uitwijken naar één van deze luchtvaartterreinen kan een deel van de vluchtsituatie vormen.

Hieronder wordt in detail aangegeven waar de onderdelen van de praktijkvaardigheidstoets aan moeten voldoen en welke specifieke opdrachten in de praktijkvaardigheidstoetsen moeten worden opgenomen.

3. Onderdelen en specifieke opdrachten

  • a. spellingsopdracht

    Deze bestaat uit:

    • vier woorden bestaande uit minimaal vijf letters (elke letter mag maar éénmaal voorkomen);

    • acht getallen waarmee getoetst kan worden of de regels voor de uitspraak van eenheden en van honderd- en duizendtallen op de juiste wijze worden toegepast.

  • b. vertrekdeel

    In het vertrekdeel wordt tenminste één specifieke opdracht opgenomen. Men heeft daarbij de keuze uit:

    • het doorgeven van vliegplanwijzigingen;

    • het verzoeken om weergegevens wanneer de ATIS niet blijkt te werken;

    • het indienen van een verzoek om van een andere baan of intersectie dan gegeven te mogen starten;

    • het indienen van een verzoek om de CTR te mogen verlaten via een niet gepubliceerde route;

    • het indienen van een verzoek om op een andere hoogte dan de gepubliceerde of toegewezen hoogte de CTR te mogen verlaten.

  • c. en-route deel

    In het en-route deel worden er tenminste twee van de onderstaande specifieke opdrachten in de praktijkvaardigheidstoets opgenomen:

    • het contact opnemen met een ‘flight information centre’;

    • het indienen van een verzoek om een CTR te mogen kruisen;

    • het doorgeven van een besluit om uit te wijken wegens technische storing aan het luchtvaarttuig, verslechterende vliegomstandigheden of medische redenen, eventueel gebruik makend van de spoed- of noodoproep.

  • d. aankomstdeel

    In het aankomstdeel wordt tenminste één specifieke opdracht opgenomen. Men heeft daarbij de keuze uit:

    • het verzoeken om weergegevens daar de ATIS niet blijkt te werken;

    • het indienen van een verzoek op een andere baan te mogen landen dan eerder aangegeven;

    • het indienen van een verzoek om de CTR binnen te mogen vliegen via een niet-gepubliceerde route;

    • het indienen van een verzoek om op een andere hoogte dan de gepubliceerde hoogte de CTR binnen te mogen vliegen;

    • het doorgeven van een, eventueel eerder genomen, besluit om uit te wijken wegens technische storing aan het luchtvaarttuig, verslechterende vliegomstandigheden of medische redenen, eventueel gebruik makend van de spoed- of noodoproep;

    • het verzoeken om een QDM;

    • het verzoeken om navigatie-assistentie.

4. Lay-out van de praktijkvaardigheidstoets

De volgende eisen zijn van toepassing:

  • de spellingsopdracht en de gesimuleerde vlucht worden op één A4-formulier beschreven;

  • de voor de vlucht relevante frequenties worden op dit A4-formulier vermeld;

    Recente, dat wil zeggen niet ouder dan 6 maanden, kaarten uit de AIP Netherlands en de delen van een recente uitgave van de Aeronautical Chart ICAO 1: 500.000 The Netherlands die relevant zijn voor de vlucht, worden aan de beschrijving toegevoegd.

ii. Syllabus praktijkexamen radiotelefonie – IFR Eindterm van de praktijktraining

De cursist kan geheel zelfstandig, en gebruikmakend van de correcte fraseologieën, zendtechniek en spreeksnelheid, de radiocommunicatie tijdens een gesimuleerde gecontroleerde vlucht uitvoeren. Daarbij kan de cursist in voldoende mate aantonen dat hij begrip heeft van de verschillende verkeerssituaties en een aantoonbaar voldoende niveau luchtvaart Engels beheerst.

NB 1

De leerdoelen hebben betrekking op de FIR Amsterdam en de van kracht zijnde versie van de AIP Netherlands en de van kracht zijnde versies van de ICAO-publicaties Annex 10 volume II, DOC 4444, DOC 7030 en DOC 9432.

NB 2

In onderstaande tekst hebben de termen ‘uur’, ‘uren’ en ‘lesuren’ betrekking op een lesperiode van 60 minuten c.q. een veelvoud van 60 minuten.

Aantal uren zelfstudie of onderricht/instructie: ca. 151/2

Aantal uren praktijktraining: ca. 15 (exclusief de praktijkvaardigheidstoets). Gebaseerd op: 6 cursisten tijdens de praktijktrainingslessen.

NB 3

Bij meer of minder dan 6 cursisten is het aantal uren praktijktraining meer of minder zijn het aangegeven aantal van ca. 15:

Bij 4 cursisten bedraagt het aantal uren praktijktraining ca 10. Bedragen. Bij 5 cursisten bedraagt het aantal uren praktijktraining ca. 13. Bij 7 cursisten bedraagt het aantal uren praktijktraining ca. 18. Bij 8 cursisten bedraagt het aantal uren praktijktraining ca. 20.

Onderstaand is een lesschema opgenomen met daarin de verplichte leerdoelen. Het lesschema zelf is slechts een voorbeeld. De opleider is vrij zijn eigen lesplannen samen te stellen zolang alle leerdoelen maar worden gehaald.

Er wordt in deze syllabus vanuit gegaan dat een praktijkcursus VFR radiotelefonie is gevolgd.

Les 1

Aantal uren zelfstudie of onderricht: ca. 4

  • Algemeen en procedures voor vertrekkend verkeer

    De cursist:

    • 1. weet wanneer bij eerste oproep van een grondstation het woord ‘HEAVY’ aan het ‘call sign’ moet worden toegevoegd;

    • 2. weet hoe een eerste verbinding tot stand moet worden gebracht;

    • 3. weet welke informatie bij een vertrekkende vlucht aan grondstations dient te worden vermeld, inclusief het verzoek tot start-up en/of pushback. Hierbij heeft de cursist kennis van de procedureverschillen tussen een vertrekkende vlucht van Schiphol en die van andere luchtvaartterreinen in de FIR Amsterdam;

    • 4. weet waarvoor een ATC en-route clearance dient, de gegeven elementen kunnen interpreteren en de gegeven ATC en-route clearance kunnen teruglezen;

    • 5. weet hoe met een CTOT dient te worden om gegaan, inclusief de daarbij behorende radiotelefonie;

    • 6. weet welke informatie dient te worden gemeld bij de oproep van een departure dan wel approach unit bij een vertrekkende vlucht, ook in het geval er een koers of ‘level’ opdracht is verstrekt die de eerder opgedragen respectievelijke SID elementen (tijdelijk) overrulen;

    • 7. kent de ‘automatic frequency change’ procedure bij vertrekkende vluchten en weet bij welke grondstations deze procedure van toepassing is;

    • 8. weet wanneer bij vluchten op ATS routes positiemeldingen moeten worden gemaakt;

    • 9. weet welke items de onder punt 8 genoemde positiemeldingen dienen te bevatten waarbij onderscheid gemaakt moet worden tussen de eerste oproep en opvolgende meldingen bij een ‘area control centre’ en een ‘approach control unit’.

DE VOLGENDE PRAKTISCHE OEFENINGEN WORDEN IN LES 1 GEOEFEND

Aantal lesuren: ca. 21/2

  • Oefening van een vertrekkende vlucht tot en met het verlaten van de FIR Amsterdam.

Les 2

Aantal uren zelfstudie of onderricht/instructie: ca. 4

  • Procedures voor binnenkomend verkeer

    De cursist:

    • 1. weet wanneer positiemeldingen moeten worden gemaakt bij Amsterdam Radar dan wel Dutch Mil (zowel bij het binnenvliegen van de FIR Amsterdam als op de ATS routes in de FIR Amsterdam);

    • 2. weet welke items de onder punt 1 genoemde positiemeldingen dienen te bevatten waarbij onderscheid gemaakt moet worden tussen de eerste oproep en opvolgende meldingen bij een ‘area control centre’ en een ‘approach control unit’;

    • 3. weet welke items een zgn. ‘ïnbound clearance’ bevat, wat de betekenis van elk item is en welke items moeten worden teruggelezen;

    • 4. weet dat een STAR loopt tot aan de ‘initial approach fix’ (IAF) en dat voor een verdere vluchtvoortzetting na deze ‘fix’ een klaring benodigd is;

    • 5. weet wat een gegeven ‘expected approach time’ (EAT) of ‘onward clearance time’ inhoudt en hoe deze dient te worden teruggelezen;

    • 6. kent de betekenis van ‘speed limit points’;

    • 7. weet hoe het binnenvliegen en het verlaten van een wachtgebied na een verkregen klaring dient te worden gemeld;

    • 8. weet wat de aanduidingen zijn van de benen van het wachtpatroon;

    • 9. weet welke items gemeld moeten worden bij het contact maken met een ‘approach control unit’;

    • 10. weet hoe een ‘ILS approach’ moet worden uitgevoerd, inclusief de procedures bij een interceptie binnen 8 nm van de baan (‘short line-up’);

    • 11. weet welke meldingen opgedragen kunnen worden bij het uitvoeren van een ‘ILS approach’;

    • 12. weet wat een ‘automatic frequency change’ procedure inhoudt en hoe deze procedure moet worden toegepast.

DE VOLGENDE PRAKTISCHE OEFENINGEN WORDEN IN LES 2 GEOEFEND

Aantal lesuren: ca. 21/2

  • Oefening van een de FIR Amsterdam binnenkomende vlucht die wordt afgesloten met een ‘ILS approach’.

Les 3

Aantal uren zelfstudie of onderricht/instructie: ca. 4

  • RVR’s en bijzondere naderingen

    De cursist

    • 1. weet wat RVR’s zijn en hoe RVR’s de vlucht kunnen beïnvloeden;

    • 2. weet wat een ‘required minimum’ is en hoe deze moet worden gemeld;

    • 3. weet hoe een VOR/DME approach moet worden uitgevoerd en welke meldingen daarbij kunnen worden opgedragen;

    • 4. weet hoe een ‘procedural approach’ moet worden uitgevoerd en welke meldingen daarbij kunnen worden opgedragen;

    • 5. weet hoe een ‘circling approach’ dient te worden uitgevoerd en weten welke meldingen daarbij kunnen worden opgedragen.

DE VOLGENDE PRAKTISCHE OEFENINGEN WORDEN IN LES 3 GEOEFEND

Aantal lesuren: ca. 21/2

  • Oefening van een vertrekkende vlucht tot en met het verlaten van de FIR Amsterdam (herhaling les 1).

  • Oefening van een de FIR Amsterdam binnenkomende vlucht waarbij de nadruk ligt op RVR’s en naderingen anders dan ‘ILS approaches’.

Les 4

Aantal uren zelfstudie: ca. 11/2

  • DOC 4444 Chapter 12 en AIP Netherlands

    De cursist kent de relevante in DOC 4444 Chapter 12 opgenomen fraseologieën en de relevante radiotelefonie-instructies opgenomen in de AIP Netherlands.

  • Luchtvaartkaarten

    De cursist bestudeert de voor vertrekkende en aankomende vluchten van toepassing zijnde luchtvaartkaarten die gepubliceerd zijn in de AIP Netherlands.

DE VOLGENDE PRAKTISCHE OEFENINGEN WORDEN IN LES 4 GEOEFEND

Aantal lesuren: ca. 21/2

  • Oefening met alle elementen die hierboven zijn aangegeven.

Les 5

Aantal uren zelfstudie: ca. 1

EXAMENTRAINING

De cursist bereidt voor deze les twee of meerdere oefeningen voor. Deze oefeningen voldoen aan de eisen die door ILT zijn gesteld aan de samenstelling van een praktijkvaardigheidstoets (zie voor deze eisen LES 7).

DE VOLGENDE PRAKTISCHE OEFENINGEN WORDEN IN LES 5 GEOEFEND

Aantal lesuren: ca. 21/2

  • Praktische training van de door de kandidaat voorbereide praktijkvaardigheidstoets.

Les 6

Aantal uren zelfstudie: ca. 1

EXAMENTRAINING

De cursist bereidt voor deze les twee of meerdere oefeningen voor. Deze oefeningen voldoen aan de eisen die door ILT zijn gesteld aan de samenstelling van een praktijkvaardigheidstoets (zie voor deze eisen LES 7).

DE VOLGENDE PRAKTISCHE OEFENINGEN WORDEN IN LES 6 GEOEFEND

Aantal lesuren: ca. 21/2

  • Praktische training van de door de kandidaat voorbereide praktijkvaardigheidstoets.

Les 7

PRAKTIJKVAARDIGHEIDSTOETS

Doel:

Om te bereiken dat de praktijkvaardigheidstoetsen radiotelefonie, waar dan ook gehouden, voldoen aan dezelfde norm, zijn de praktijkvaardigheidstoetsen van een vergelijkbaar niveau te. Om dit te verwezenlijken worden bij het opstellen van een praktijkvaardigheidstoets onderstaande elementen gebruikt als handleiding.

1. Hoofdonderdelen

De praktijkvaardigheidstoets bestaat uit drie hoofdonderdelen:

  • a. het voeren van de radiocommunicatie tijdens het vertrekdeel;

  • b. het voeren van de radiocommunicatie tijdens het en-route deel; en

  • c. het voeren van de radiocommunicatie tijdens het aankomstdeel van een gesimuleerde vlucht.

2. Soorten vluchten

Bij de praktijkvaardigheidstoets worden vluchten gesimuleerd met als vertrek- en aankomstpunt gecontroleerde luchtvaartterreinen in de FIR Amsterdam waar burgerluchtvaart is toegestaan.

Het uitwijken naar één van deze luchtvaartterreinen en het uitvoeren van een spoed-of noodoproep kan een deel van de vluchtsituatie vormen.

Hieronder wordt in detail aangegeven waar de onderdelen van de praktijkvaardigheidstoets aan dienen te voldoen en welke specifieke opdrachten in de praktijkvaardigheidstoetsen dienen te worden opgenomen.

3. Onderdelen en specifieke opdrachten

  • a. vertrekdeel:

    • in de beschrijving is aangegeven bij welke frequentiewisseling(en) ‘automatic frequency change’ van toepassing is.

  • b. en-route deel:

    • in de beschrijving is aangegeven met welke ‘aera control centre(s)’, ‘approach control unit(s)’ en ‘departure control unit(s)’ zal worden gewerkt;

    • specifieke opdracht: Het doorgeven van een besluit om uit te wijken wegens technische storing aan het vliegtuig, verslechterende weersomstandigheden of een calamiteit.

  • c. aankomstdeel:

    • in de beschrijving zijn de mogelijke, voor het betrokken luchtvaartterrein relevante, instrumentnaderingen aangegeven en indien van toepassing de ‘circling approaches’;

    • in de beschrijving is aangegeven welke ‘MINIMUM RVR REQUIRED Touchdown Zone/ Part A’ van toepassing is;

    • in de beschrijving is aangegeven bij welke frequentiewisseling(en) ‘automatic frequency change’ van toepassing is.

4. Lay-out van de praktijkvaardigheidstoets

De volgende eisen zijn van toepassing:

  • de gesimuleerde vlucht wordt op één A4-formulier beschreven;

  • de voor de vlucht relevante frequenties worden op dit A4-formulier vermeld;

  • recente, dat wil zeggen niet ouder dan 6 maanden, kaarten uit de AIP Netherlands die relevant zijn voor de vlucht worden aan de beschrijving toegevoegd.

Bijlage 5. bedoeld in artikel 3, derde lid en vierde lid, onderdeel a, van de Regeling opleidingsinstellingen voor luchtvarenden 2001.

Hoofdstuk 1. Goedkeuring voor het verzorgen van de Basisopleiding voor cabinebemanningsleden

De minister kan een opleidingsinstelling goedkeuring verlenen voor het verzorgen van de basisopleiding voor cabinebemanningsleden overeenkomstig CC.TRA.215 van verordening (EU) nr. 1178/2011, indien de aanvraag daartoe is ingediend met een aanvraagformulier van het model als hierachter opgenomen en is voldaan aan de volgende eisen:

  • 1. De opleidingsinstelling voor het verzorgen van de basisopleiding voor cabinebemanningsleden stelt een handboek op, waarin ten minste de volgende onderdelen beschreven zijn:

    • a. organisatie en management:

      • 1°. een beschrijving van de organisatie;

      • 2°. de taken en verantwoordelijkheden van de verantwoordelijk manager, waaronder ten minste:

        • bewaken dat de activiteiten van de opleidingsinstelling in overeenstemming zijn met de van toepassing zijnde wet- en regelgeving;

        • zorgdragen dat er voldoende middelen beschikbaar zijn om aan de eisen voor het verzorgen van de basisopleiding voor cabinebemanningsleden te voldoen;

        • het opstellen van een jaarlijkse evaluatie.

      • 3°. de taken en verantwoordelijkheden van het hoofd Training, waaronder ten minste:

        • zorgdragen dat de opleiding voldoet aan de eisen gesteld in bijlage V, deel CC, van verordening (EU) nr. 1178/2011;

        • het toezicht op de voortgang van de studenten.

      • 4°. een procedure waarin beschreven wordt hoe om te gaan met geconstateerde onvolkomenheden, met ten minste een beschrijving van:

        • het achterhalen van de oorzaak van de onvolkomenheid;

        • hoe corrigerende maatregelen te nemen binnen een vastgesteld termijn;

        • de procedure voor het wijzigen van het handboek;

      • 5°. De rol van de verantwoordelijk manager en hoofd training kunnen door één persoon worden vervuld. Het hoofd training dient gedegen ervaring te hebben in het verzorgen van opleidingen voor cabinebemanningsleden.

    • b. archivering:

      De opleidingsinstelling archiveert de volgende gegevens en bescheiden en bewaart deze gedurende een periode van minimaal 5 jaar:

      • 1°. het handboek;

      • 2°. opleidingsplannen, handleidingen, presentaties en overig instructiemateriaal;

      • 3°. de voortgang- en kwalificatietesten van zowel de praktijk- en theorie-instructie;

      • 4°. persoonsgegevens en kwalificaties van leerlingen en instructeurs voor zover relevant voor de opleiding.

    • c. instructeurs:

      • 1°. een beschrijving van de (her-) kwalificatieëisen aan de instructeur;

      • een overzicht van de instructeurs met vermelding van de opleidingsonderdelen die door de betreffende instructeur verzorgd mogen worden.

    • d. procedures en instructies:

      Tenminste de volgende onderwerpen zijn als procedure of instructie beschreven:

      • 1°. toelatingseisen waaraan de studenten moeten voldoen;

      • 2°. het opstellen en bijhouden van opleidingsplannen, inclusief een amenderingsprocedure;

      • 3°. het opstellen en bijhouden van handleidingen, presentaties en overig instructiemateriaal en -middelen;

      • 4°. het verzorgen van de opleidingsonderdelen;

      • 5°. het volgen en adviseren van de studenten.

    • e. opleidingsplan:

      Het opleidingsplan bevat alle theorie- en praktijkelementen die vermeld staan in Appendix 1 bij Annex V, deel CC, van verordening (EU) nr.1178/2011. Per element wordt tenminste vastgelegd:

      • 1°. het te behalen resultaat na voltooiing van het betreffende element;

      • 2°. de tijdsduur van de instructie;

      • 3°. de te gebruiken instructiematerialen;

      • 4°. de instructiemethode en de methode van toetsing.

    • f. rapportage:

      De opleidingsinstelling zal een procedure beschrijven voor het registreren van:

      • 1°. de aanwezigheid van de studenten;

      • 2°. het volgen van de resultaten van de student;

      • 3°. de voortgangstesten voor theorie- en praktijktoetsen.

      De te gebruiken formulieren maken onderdeel uit van het handboek.

    • g. faciliteiten en middelen:

      Een beschrijving van de te gebruiken faciliteiten, representatieve toestellen en overige middelen, waar van toepassing.

    • h. training door derden:

      Ingeval de opleidingsinstelling onderdelen van de training uitbesteedt aan derden wordt zeker gesteld dat het uitbestede gedeelte wordt verzorgd overeenkomstig de eisen en standaarden gesteld door de opleidingsinstelling.

    • i. overig:

      In het handboek wordt ook een verklarende lijst van de gebruikte terminologie en afkortingen opgenomen.

  • 2. De trainingsorganisatie zal jaarlijks een interne evaluatie uitvoeren ten aanzien van:

    • a. de taken en verantwoordelijkheden van het personeel en de organisatie;

    • b. de beoordeling van de effectiviteit van corrigerende maatregelen op onvolkomenheden;

    • c. de effectiviteit van de training en trainingsprogramma’s;

    • d. de overeenstemming van de opleidingsinstelling en de opleiding met de daarvoor geldende regelgeving;

    • e. de prestaties van de instructeurs in overeenstemming met de vastgestelde standaard;

    • f. het aantal gegeven cursussen en de aantallen leerlingen;

    • g. de andere zaken die volgens de opleidingsinstelling van belang zijn.

    De interne evaluatie dient beschikbaar te zijn voor de bevoegde autoriteit.

  • 3. De bevoegde autoriteit is gerechtigd toegang te krijgen tot alle onderdelen van de organisatie inclusief de toegang tot alle onderdelen van derden, indien van toepassing, teneinde vast te kunnen stellen of wordt voldaan aan de eisen die deze regeling stelt.

Hoofdstuk 2. Bevoegdheid tot het afgeven van attesten voor Cabinebemanningsleden

Een goedgekeurde opleidingsinstelling voor het verzorgen van de basisopleiding voor cabinebemanningsleden kan worden aangewezen om namens de minister attesten voor cabinebemanningsleden af te geven in overeenstemming met artikel CC.CCA.100 (b), onderdeel 2, van bijlage V van verordening (EU) nr. 1178/2011, indien de opleidingsinstelling de volgende onderdelen aan het handboek bedoeld in hoofdstuk 1 heeft toegevoegd:

  • a. procedures voor:

    • 1°. Het vaststellen dat de kandidaat voor het verkrijgen van een attest aan alle eisen van de basisopleiding voor cabinebemanningsleden heeft voldaan;

    • 2°. Het opstellen, bijhouden en verzorgen van examens overeenkomstig CC.TRA.220(c) van bijlage V van verordening (EU) nr. 1178/2011. De procedure beschrijft zowel de examennorm als de normen om in aanmerking te komen voor een herexamen.

  • b. eisen aan examinatoren:

    Deze zijn gekwalificeerd voor de taak, en hebben geen persoonlijk belang bij de examenuitslag.

  • c. archivering

    De opleidingsinstelling archiveert:

    • 1°. alle documentatie en informatie gerelateerd aan het verkrijgen van een attest in overeenstemming met hoofdstuk 1, onderdelen a en e;

    • 2°. alle uitgereikte attesten.

    De opleidingsinstelling houdt de gearchiveerde documentatie en informatie ter beschikking voor de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 11b, tweede lid, van de Regeling opleidingsinstellingen voor luchtvarenden 2001.

Hoofdstuk 3. Attest voor Cabinebemanningsleden

Het attest voldoet aan het model in appendix II van bijlage VI, deel ARA, van verordening (EU) nr. 1178/2011.

De bevoegde autoriteit informeert de opleidingsinstelling over de op het attest vermelde onderdelen 2, 3, 8 en 9.

De opleidingsinstelling neemt in het handboek bedoeld in hoofdstuk 1 een voorbeeldattest op met voor de opleidingsinstelling relevante informatie.

Bijlage 6. bedoeld in artikel 3, zevende lid, van de Regeling opleidingsinstellingen voor luchtvarenden 2001

1. Handboek

De aangewezen entiteit stelt een handboek op, waarin ten minste de volgende onderdelen beschreven zijn:

  • a. organisatie en management:

    • een beschrijving van de organisatie;

    • organogram van de organisatie;

    • de taken en verantwoordelijkheden van de verantwoordelijke manager, waaronder ten minste:

      • o bewaken dat de activiteiten van de aangewezen entiteit in overeenstemming zijn met de van toepassing zijnde wet- en regelgeving;

      • o zorgdragen dat er voldoende middelen beschikbaar zijn om aan de eisen voor examinering te voldoen;

      • o het opstellen van een rapportage zoals beschreven onder paragraaf 4 bij deze bijlage;

    • de taken en verantwoordelijkheden van het hoofd examinering, waaronder ten minste:

      • o zorg dragen dat de examens in overeenstemming zijn met de voorwaarden zoals omschreven in paragraaf 3 bij deze bijlage.

    De rollen van de verantwoordelijke manager en het hoofd examinering kunnen worden gecombineerd.

  • b. faciliteiten en middelen:

    een beschrijving van de door de aangewezen entiteit te gebruiken faciliteiten en middelen waaronder het systeem waarmee de online examens worden afgenomen.

2. Archivering

De aangewezen entiteit archiveert het handboek en de examenresultaten en bewaart deze gedurende een periode van minimaal 5 jaar.

3. Examen

De aangewezen entiteit zorgt ervoor dat:

  • het examen voldoet aan de toepasselijke voorwaarden zoals opgenomen in UAS.OPEN.020, vierde lid, onderdeel b, UAS.OPEN.030, tweede lid, onderdeel c, UAS.OPEN.040, derde lid, UAS.STS-01.020, tweede lid, onderdeel b, en UAS.STS-02.020, negende lid, onderdelen a en b van uitvoeringsverordening (EU) 2019/947;

  • de theorie-examens voor het verkrijgen van de certificaten als benoemd in UAS.OPEN.030, UAS.STS-01.020 en UAS.STS-02.020 worden afgenomen onder toezicht of onder digitaal toezicht wanneer dit examen alsnog op afstand wordt afgenomen. Daarbij wordt de identiteit van de persoon die het examen aflegt geverifieerd en wordt nagegaan dat geen andere ondersteuning wordt gebruikt dan gespecificeerd in de examenprocedure;

  • er gebruik gemaakt wordt van een onafhankelijke examendatabase of een door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat aangeboden database.

4. Rapportage

De aangewezen entiteit zal op verzoek van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat inzicht geven in het aantal examens die afgenomen zijn in een gegeven kalenderjaar alsmede de resultaten van de afgenomen examens.

Naar boven