Regeling autoloze zondag bij oliecrisis

Geraadpleegd op 26-02-2026.
Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.

Regeling autoloze zondag bij oliecrisis

De Minister van Economische Zaken,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Justitie en de Minister van Verkeer en Waterstaat;

Gelet op artikel 6 van de Distributiewet 1939;

Besluit:

Artikel 1

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. motorrijtuig:

voertuig dat is bestemd om, anders dan langs spoorstaven, te worden voortbewogen uitsluitend of mede door een mechanische kracht die op of aan het voertuig zelf aanwezig is;

b. pleziervaartuig:

schip dat wordt gebruikt of mede wordt gebruikt voor sportbeoefening of voor vrijetijdsbesteding;

c. sportvliegtuig:

vliegtuig dat wordt gebruikt of mede wordt gebruikt voor sportbeoefening of vrijetijdsbesteding;

d. motorbrandstof:

minerale oliën als bedoeld in artikel 25, eerste lid, onder d en e, en tweede lid, onder a, van de Wet op de accijns.

Artikel 2

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

Het is verboden motorbrandstof te verbruiken:

  • a. van zondag 3.00 uur tot de daarop volgende maandag 3.00 uur in motorrijtuigen;

  • b. van zondag 0.00 uur tot de daarop volgende maandag 0.00 uur in motoren die dienen tot het voortbewegen van pleziervaartuigen, en

  • c. van zondag 0.00 uur tot de daarop volgende maandag 0.00 uur in motoren die dienen tot het voortbewegen van sportvliegtuigen.

Artikel 3

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

Het verbod, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, geldt niet ten aanzien van:

  • a. motorrijtuigen die worden gebruikt voor het vervoer van personen waarvoor een vergunning is vereist ingevolge artikel 5 van de Wet personenvervoer;

  • b. autobussen en taxi's die blijkens hun kenteken in het buitenland zijn geregistreerd;

  • c. vrachtauto's die worden gebruikt voor vervoer van goederen:

    • 1º. die nodig zijn voor de verzorging van mens of dier op dezelfde dag;

    • 2º. die aan snel bederf onderhevig zijn;

    • 3º. die bestemd zijn om op dezelfde zondag of de daaropvolgende maandag vóór 8.00 uur per schip, spoor of vliegtuig naar het buitenland te worden vervoerd, of

    • 4º. die nodig zijn voor het verrichten van werkzaamheden die uit hoofde van hun spoedeisende karakter op dezelfde zondag of de daaropvolgende maandag vóór 8.00 uur moeten worden uitgevoerd;

  • d. motorrijtuigen die worden gebruikt voor militair noodzakelijke doeleinden;

  • e. motorrijtuigen die worden gebruikt voor het voorkomen of bestrijden van, al dan niet in Nederland plaatsvindende, rampen of zware ongevallen;

  • f. motorrijtuigen die bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 zijn aangewezen als voorrangsvoertuig, en motorrijtuigen die in de uitoefening van hun functie worden gebruikt door brandweerlieden, opsporings- en overige ambtenaren van politie, andere opsporingsambtenaren, toezichthoudende ambtenaren of medewerkers van organisaties die zijn toegelaten op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus;

  • g. motorrijtuigen die zijn ingericht en worden gebruikt voor het vervoer van zieken of gewonden en hun begeleiders;

  • h. motorrijtuigen die zijn ingericht en worden gebruikt voor het transport van bloed, bloedproducten of menselijke organen die bestemd zijn voor transplantatie, indien deze motorrijtuigen als zodanig herkenbaar zijn;

  • i. motorrijtuigen die zijn ingericht en worden gebruikt voor het vervoer van lijken, indien deze motorrijtuigen als zodanig herkenbaar zijn;

  • j. motorrijtuigen die in de uitoefening van hun functie worden gebruikt door huisartsen, artsen-specialisten, verloskundigen, kraamverpleegkundigen, wijkverpleegkundigen, dierenartsen of veeverloskundigen, indien deze motorrijtuigen als zodanig herkenbaar zijn;

  • k. motorrijtuigen die worden gebruikt voor het vervoer van voedsel dat wordt verstrekt door rechtspersonen zonder winstoogmerk en met een ideële doelstelling;

  • l. invalidenvoertuigen als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen, en motorrijtuigen die worden gebruikt voor het vervoer van invaliden;

  • m. motorrijtuigen die worden gebruikt voor noodzakelijke bedrijfsdoeleinden op terreinen van bedrijven en op gedeelten van openbare wegen die de terreinen van deze bedrijven doorsnijden;

  • n. motorrijtuigen die zijn voorzien van een kenteken dat begint met de lettergroep CD, CDJ of CC en overige motorrijtuigen waarop het verbod, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, niet van toepassing kan zijn in verband met internationale verplichtingen van Nederland;

  • o. motorrijtuigen die zijn ingericht en worden gebruikt voor gladheidsbestrijding;

  • p. motorrijtuigen die worden gebruikt door de Rijkswaterstaat, de Rijksluchtvaartdienst, provinciale waterstaatdiensten of waterschappen voor het uitvoeren van spoedeisende werkzaamheden, indien deze motorrijtuigen als zodanig herkenbaar zijn;

  • q. motorrijtuigen die zijn ingericht en worden gebruikt voor het maken van radio- of televisiereportages, indien deze motorrijtuigen als zodanig herkenbaar zijn;

  • r. motorrijtuigen, anders dan bedoeld in de onderdelen a tot en met q, die worden gebruikt voor het uitvoeren van spoedeisende werkzaamheden, indien toestemming is verleend door de korpschef, bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012;

  • s. motorrijtuigen die zijn ingericht en worden gebruikt voor hulpverlening bij ongevallen met, of bij storingen aan, motorrijtuigen als bedoeld in dit artikel.

Artikel 4

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling autoloze zondag bij oliecrisis.

Artikel 5

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

Deze regeling treedt in werking op een bij besluit van de Minister van Economische Zaken te bepalen tijdstip en treedt buiten werking op een bij dat besluit te bepalen tijdstip.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

`s-Gravenhage, 13 maart 2001

De

Minister

van Economische Zaken,

A. Jorritsma-Lebbink