Vreemdelingencirculaire 2000 (A)

Geraadpleegd op 07-07-2022.
Geldend van 07-10-2010 t/m 31-12-2010

Vreemdelingencirculaire 2000 (A)

Afkortingenlijst

ABRvS

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

AC

Aanmeldcentrum

ACVZ

Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken

AIVD

Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst

Amv

Alleenstaande minderjarige vreemdeling

AOW

Algemene Ouderdomswet

APV

Algemene Plaatselijke Verordening

Awb

Algemene wet bestuursrecht

BKA

Buitenlands Kind ter Adoptie

BMA

Bureau Medische Advisering

BuZa

(Ministerie/Minister van) Buitenlandse Zaken

BVV

Basisvoorziening vreemdelingensysteem

BZK

(Ministerie/Minister van) Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

B&W

Burgemeester en Wethouders

CAO

Collectieve arbeidsovereenkomst

COA

Centraal Orgaan opvang Asielzoekers

DJI

Dienst Justitiële Inrichtingen

DNRI

Dienst Nationale Recherche Informatie

DT&V

Dienst Terugkeer en Vertrek

EG

Europese Gemeenschap

EEG

Europese Economische Gemeenschap

EER

Europese Economische Ruimte

EU

Europese Unie

EZ

(Ministerie/Minister van) Economische Zaken

Flexwet

Wet Flexibiliteit en Zekerheid (Stb. 1998, 300)

GBA

Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens

GG&GD

Geneeskundige en gezondheidsdienst

GVI

Gemeenschappelijke Visuminstructies

HKS

Herkenningsdienstsysteem

IND

Immigratie- en Naturalisatiedienst

IOM

Internationale Organisatie voor Migratie

JDS

Justitieel documentatiesysteem

KMar

Koninklijke Marechaussee

KLPD

Korps Landelijke Politiediensten

KLM

Koninklijke Luchtvaart Maatschappij

MTV

Mobiel Toezicht Vreemdelingen

mvv

Machtiging tot voorlopig verblijf

NGO

Non-gouvernementele organisatie

(N)SIS

(Nationaal) Schengen Informatiesysteem

NVVB

Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken

OCW

(Ministerie/Minister van) Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

OM

Openbaar Ministerie

OPS

Opsporingsregister

Pb.

Publicatieblad

PIL

Protocol Identificatie en Labeling

PTSS

Posttraumatische stressstoornis

REAN

Return and Emigration of Aliens from the Netherlands

ROA

Regeling Opvang Asielzoekers

Rva

Regeling verstrekkingen asielzoekers e.a. categorieën vreemdelingen 2005

Rvb

Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen

RvS

Raad van State

Rwn

Rijkswet op het Nederlanderschap

SGC

Verordening (EG) Nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode)

SIRENE

Supplementary Information Request at the National Entries

SIS

Schengen Informatiesysteem

Stb.

Staatsblad

Stcrt.

Staatscourant

SUO

Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen

SVB

Sociale Verzekeringsbank

SZW

(Ministerie/Minister van) Sociale Zaken en Werkgelegenheid

TBC

Tuberculose

TBS

Terbeschikkingstelling

Trb.

Tractatenblad

TWV

Tewerkstellingsvergunning

UNDP

United Nations Development programme

UNHCR

United Nations High Commissioner for Refugees

UNRWA

United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East

UWV

Uitvoeringsinstelling werknemersverzekering

Vb

Vreemdelingenbesluit

Vc

Vreemdelingencirculaire

VIS

Verificatie- en informatiesysteem

VWN

VluchtelingenWerk Nederland

VN

Verenigde Naties

VNG

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

VRIS

Vreemdelingen in de strafrechtketen

VROM

(Ministerie/Minister van) Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

VV

Voorschrift Vreemdelingen

Vw

Vreemdelingenwet

VWS

(Ministerie/Minister van) Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Wajong

Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten

WAO

Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering

Wav

Wet arbeid vreemdelingen

WAZ

Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen

Wbp

Wet bescherming persoonsgegevens

WHW

Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

WIA

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

WIW

Wet Inschakeling Werkzoekenden

Wob

Wet openbaarheid van bestuur

Wobka

Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie

WSF

Wet op de Studiefinanciering

Wsw

Wet Sociale werkvoorziening

WvSr

Wetboek van Strafrecht

WvSv

Wetboek van Strafvordering

WW

Werkeloosheidswet

Wwb

Wet werk en bijstand

ZHP

Dienst Zeehavenpolitie van de politieregio Rotterdam-Rijnmond

ZW

Ziektewet

Lijst Richtlijnen, Verordeningen en Verdragen

Richtlijnen

Citeertitel

Officiële benaming

Publicatie

Richtlijn 2001/55

Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequentie van de opvang van deze personen

Pb. EG L 212

Richtlijn 2003/109

Richtlijn 2003/109/EG van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen

Pb. EU L 16

Richtlijn 2003/110

Richtlijn 2003/110/EG van 25 november 2003 betreffende de ondersteuning bij de doorgeleiding in het kader van maatregelen tot verwijdering door de lucht

Pb. EU L 321

Richtlijn 2003/86

Richtlijn 2003/86/EG van 22 september 2003 van de Raad van de EU inzake het recht op gezinshereniging

Pb. EU L 51, 12

Richtlijn 2003/9

Richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten

Pb. EG L 031

Richtlijn 2004/38

Richtlijn 2004/ 38/ EG van 29 april 2004, betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) 1612/ 68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/ 221/ EEG, 68/ 360/ EEG, 72/ 194/ EEG, 73/ 148/ EEG, 75/ 34/ EEG, 75/ 35/ EEG, 90/ 364/ EEG, 90/ 365/ EEG en 93/ 96/ EEG

Pb. EU L 229

Richtlijn 2004/82

Richtlijn 2004/82/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verplichting voor vervoerders om passagiersgegevens door te geven

Pb. EU L 261

Richtlijn 2004/83

Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming

Pb.EU L 304

Richtlijn 2005/71

Richtlijn 2005/71/EG van 12 oktober 2005, betreffende een specifieke procedure voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op wetenschappelijk onderzoek

Pb. EU L 289

Richtlijn 2005/85

Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus

Pb. EU L 326

Richtlijn 2004/ 114

Richtlijn 2004/114/EG van de Raad van 13 december 2004 betreffende de voorwaarden voor de toelating van onderdanen van derde landen meet oog op studie, scholierenuitwisseling, onbezoldigde opleiding of vrijwilligerswerk

PB L 375

Verordeningen

Citeertitel

Officiële benaming

Publicatie

Schengengrenscode

Verordening (EG) 562/2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen

Pb. EU L 105

Verordening 2133/2004

Verordening (EG) 2133/2004 van de Raad van 13 december 2004 waarbij voor de bevoegde autoriteiten van de lidstaten de verplichting wordt ingevoerd om in de reisdocumenten van onderdanen van derde landen bij het overschrijden van de buitengrenzen van de lidstaten systematisch een stempel aan te brengen, en waarbij de bepalingen van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen en het gemeenschappelijk handboek daartoe worden gewijzigd

Pb. EU L 369/ 5

Verordening 1560/2003

Verordening (EG) 1560/2003 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) 343/2003 van de Raad tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij één van de lidstaten wordt ingediend

Pb. EU L 222

Verordening 1612/68

Verordening 1612/68/EEG betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap

Pb. EU L 257

Verordening 2725/2000

Verordening 2725/2000 van de raad van 11 december 2000 betreffende de instelling van "Eurodac" voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin

Pb. EU L 316

Verordening 343/2003

Verordening (EG) 343/2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend

Pb. EU L 50

Verordening 415/ 2003

Verordening (EG) 415/ 2003 van 27 februari 2003 betreffende de afgifte van visa aan de grens, inclusief aan transiterende zeelieden

Pb. EU L 64/ 1

Verordening 539/2001

Verordening (EG) 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld

Pb. EU L 81

Verdragen

Citeertitel

Officiële benaming

Publicatie

Antifolterverdrag

Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing

Trb. 1985, 69, 1963, 184 en 1964, 71

Associatiebesluit 1/80

Associatiebesluit van de Associatieraad EEG/ Turkije 1/80

Niet gepubliceerd

Associatieovereenkomst EEG-Israël

Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en de staat Israël betreffende liberaliseringsmaatregelen voor het onderlinge handelsverkeer en de vervanging van de Protocollen nrs. 1 en 2 bij de associatieovereenkomst tussen de EG en Israël

Pb. EU 2003 L 346 en Trb. 2004, 144

Associatieovereenkomst EEG-Jordanië

Euro-mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Hasjemitische Koninkrijk Jordanië, anderzijds

Pb. EU L 283 en Trb. 2002, 115

Associatieovereenkomst EEG-Marokko

Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko inzake de liberaliseringsmaatregelen voor het onderling handelsverkeer en de vervanging van de landbouwprotocollen bij de Associatieovereenkomst tussen de EG en het Koninkrijk Marokko

Pb. EU 2003 L 345 en Trb. 2004, 144

Associatieovereenkomst EG- Turkije

Associatieovereenkomst tussen de EG en de Republiek Turkije

Pb. EU 1964, 217

Benelux Verdrag

Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie

Trb. 1958, 18

Benelux- overeenkomst

Overeenkomst tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, inzake de verlegging van de personencontrole naar de buitengrenzen van het Beneluxgebied

Trb.  1960/40

BuPo

Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten

Trb. 1990, 46, Nederlandse vertaling Trb. 1990, 170

Consulaire verdrag

Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen

Trb. 1981, 143

Diplomatenverdrag

Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer

Trb. 1962, 159

EER- overeenkomst

Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, gewijzigd bij het Protocol tot aanpassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte

Trb. 1992, 132 en 1993, 203

EG- Verdrag

Verdrag tot oprichting van de Europese gemeenschap

Trb. 1957, 9

ESH

Europees Sociaal Handvest

Trb. 2004, 13

Europees verdrag betreffende sociale en medische bijstand

Europese Verdrag betreffende sociale en medische bijstand met bijlage en protocol betreffende de vluchtelingen van 11 december 1953

Trb. 1954, 200

Europees verdrag migrerende werknemers

Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers

Trb. 1978, 70

Europees vestigingsverdrag

Europees vestigingsverdrag

Trb. 1957, 20

Europese overeenkomst inzake de afschaffing van visa voor vluchtelingen

Europese Overeenkomst inzake de afschaffing van visa voor vluchtelingen

Trb. 1959, 153, 1960, 111, 1968, 48, 1995, 232

Europese overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen

Europese overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen

Trb. 1982, 24

EU- Verdrag

Verdrag betreffende de Europese Unie

Pb. EU C 191 en Trb. 1992, 74, Trb. 1993, 159

EVRM

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zoals gewijzigd door Protocol 11 met de aanvullende Protocollen 1, 4, 6, 7, 12 en 13

Trb. 1951, 154 en 2004, 285

Gewijzigd Nederlands- Zwitsers Traktaat

Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat

Trb. 1996, 217

Haags adoptieverdrag

Verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie

Trb. 1993, 197 en 1996, 94

Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee

Internationaal Verdrag voor de Beveiliging van Mensenlevens op Zee

Trb. 1978, 189

IVRK

Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind

Trb. 1990, 46

Nationaliteitenverdrag

Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 betreffende beperking van de gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit

Trb. 1964, 4 en 1985, 75

Nederlands- Amerikaans Vriendschapsverdrag

Het Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika; het Nederlands Amerikaans Vriendschapsverdrag

Trb. 1956, 40 en 1957, 234

Nederlands- Duits Vestigingsverdrag

Nederlands- Duits Vestigingsverdrag

Stb. 1906, 279

Nederlands.Japans Handelsverdrag

Het Verdrag van handel en scheepvaart tussen Nederland en Japan

Stb. 1913, 389

Nederlands- Zwitsers Traktaat

Traktaat van vriendschap, vestiging en handel tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondstaat

Stb.1878, 137

Overeenkomst EEG- Tunesië

Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Tunesië inzake de liberaliseringsmaatregelen voor het onderlinge handelsverkeer en de wijziging van de landbouwprotocollen bij de Associatieovereenkomst tussen de EG en de Republiek Tunesië

Pb. EU 1978, L 336

Overeenkomst EG- Zwitserland

Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, inzake het vrije verkeer van personen

Trb. 2000, 16 en 86, Trb. 2002, 104

Overeenkomst Nederland-Suriname 1975

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname inzake het verblijf en de vestiging van wederzijde onderdanen

Trb. 1975, 133

Overeenkomst Nederland-Suriname 1981

Overeenkomst tussen Nederland en Suriname inzake de binnenkomst en het verblijf van wederzijdse onderdanen

Trb. 1981, 35 en 1983, 171

Overeenkomst van Dublin

Overeenkomst betreffende de vaststelling van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat bij een van de lidstaten van de Europese Gemeenschappen wordt ingediend

Pb. EU 1997 C 254 en Trb. 1991, 129, Trb. 1997, 236

Samenwerkingsovereenkomst EEG- Marokko

Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko

Pb. EU L 264

Samenwerkingsovereenkomst EEG-Tunesië

Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de republiek Tunesië

Pb. EU L 265

Samenwerkingsovereenkomst EEG- Algerije

Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de democratische volksrepubliek Algerije

Pb.EUL 263

Schengenakkoord

Akkoord van Schengen inzake vrij personenverkeer tussen de deelnemende landen

Trb. 1990, 145

Staatlozenverdrag

Verdrag betreffende de Status van Staatlozen

Trb. 1957, 22

SUO

Schengen Uitvoeringsovereenkomst

SCH/ Com-ex (94) 29, 2e herziening

Toescheidingsovereenkomst Nederland- Suriname

Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen Nederland en Suriname

Trb. 1975, 132

Verdrag van Amsterdam

Verdrag van Amsterdam houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende Akten

Trb. 1998, 11 en Trb. 2002, 153

Verdrag van Chicago

Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart

Stb. 1947/H 165

Vluchtelingenverdrag

Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 en bijbehorend Protocol van New York van 1967

Trb. 1954, 88 en Trb. 1967, 76

Visumfacilitatieovereenkomst EG-Russische Federatie

Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Russische Federatie inzake de versoepeling van de afgifte van visa aan burgers van de Europese Unie en de Russische Federatie

Pb. EU L 129

1. Algemeen

1. Karakter en indeling Vc

De invoering van de Vreemdelingenwet 2000, het daarbij behorende Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000 op 1 april 2001 hebben geleid tot het opstellen van de Vreemdelingencirculaire 2000. De Vreemdelingencirculaire 2000 is vastgesteld bij beschikking van de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en verving op bovengenoemde datum de Vreemdelingencirculaire 1994. De Vreemdelingencirculaire 2000 is in 2006 geheel herzien.

In de Vreemdelingencirculaire 2000 worden vaak voorkomende termen en organisatienamen afgekort en nimmer voluit geschreven. Er wordt dan ook gebruik gemaakt van een afkortingenlijst, welke aan het begin van dit deel A is opgenomen. In tegenstelling tot de hogere vreemdelingenregelgeving (artikel 124 Vw, artikel 7.5 VV en 9.13 Vb) is hier gekozen voor het afkorten van de termen ‘Vreemdelingenwet 2000’, ‘Vreemdelingenbesluit 2000’, het ‘Voorschrift Vreemdelingen 2000’ en ‘Vreemdelingencirculaire 2000’. Hiervoor gelden respectievelijk de afkortingen Vw, Vb, VV en Vc.

In de Vc wordt de Vw uit 1965 aangeduid met “Vw (oud)” en de artikelen uit die wet met “artikel xx Vw (oud)”.

De Vc vormt het geheel van beleidsregels en algemene aanwijzingen aan alle ambtenaren belast met de uitvoering van de vreemdelingenwet- en regelgeving.

De Vc bestaat uit drie delen:

Deel A bevat algemene informatie over de vreemdelingenketen en organisaties die een directe relatie hebben met de keten, bestuurlijke informatievoorziening, de registratie binnen de vreemdelingenketen en het overgangsrecht. Wanneer gesproken wordt over de vreemdelingenketen, worden alle (semi-) overheidsorganen bedoeld die een verantwoordelijkheid hebben in de uitvoering van de Vw.

In deel A zijn voorts de beleidsregels en algemene aanwijzingen opgenomen in verband met de grensbewaking, de toegang, het toezicht, het vertrek en de uitzetting, de vrijheidsbeperking en -beneming en ongewenstverklaring. In dit deel zijn tevens de modellen van formulieren en documenten opgenomen die door meerdere ketenpartners binnen de vreemdelingenketen worden gebruikt.

Modellen en formulieren die door één van de organisaties binnen de vreemdelingenketen worden gebruikt, zijn beschikbaar bij de betreffende organisatie.

Deel B bevat de algemeen geldende en de bijzondere bepalingen voor vreemdelingen die een verblijfsvergunning regulier hebben of willen verkrijgen.

Deel C bevat de algemeen geldende en de bijzondere bepalingen voor vreemdelingen die een verblijfsvergunning asiel hebben of willen verkrijgen.

2. Bevoegdheden

De Minister van Justitie is verantwoordelijk voor de uitvoering van de vreemdelingenwetgeving. De Staatssecretaris van Justitie is, binnen de grenzen van het door de minister van Justitie vastgestelde beleid, meer in het bijzonder belast met de verantwoordelijkheid voor vreemdelingenzaken, met uitzondering van de Rwn en met uitzondering van grensbewaking.

Daar waar in deze circulaire wordt verwezen naar de verantwoordelijke bewindspersoon zal deze worden aangeduid als “de Minister”.

De Minister heeft zijn bevoegdheden met betrekking tot de coördinatie, regie en de uitvoering van het gezag binnen de vreemdelingenketen gemandateerd aan de Secretaris-Generaal, die dit op zijn beurt heeft doorgemandateerd aan de Directeur-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken. Laatstgenoemde geeft op grond van artikel 48 Vw namens de Minister aanwijzingen aan de uitvoeringsorganisaties, inclusief aanwijzingen omtrent de behandeling van individuen en bijzondere groepen. In spoedeisende individuele gevallen ligt deze aanwijzingsbevoegdheid bij het Hoofd van de IND teneinde een effectief optreden mogelijk te maken, voor zover dit niet ligt op het terrein van vertrek en uitzetting. De aanwijzingsbevoegdheid ligt waar het gaat om vertrek en uitzetting in spoedeisende individuele gevallen bij de Directeur van de DT&V. Voorts is het geven van een bijzondere aanwijzing in het geval van een voorgenomen toegangsweigering aan een vreemdeling die asiel aanvraagt (zie artikel 3, derde lid, Vw) of een onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland (zie artikel 8.8, tweede lid, Vb) een bevoegdheid die aan het Hoofd van de IND is doorgemandateerd. Tevens is de uitvoering van de Vw gemandateerd aan het Hoofd van de IND, voor zover dit ligt op het terrein van toelating. Deze mandatering ziet onder meer op het nemen van beslissingen op toelatingsaanvragen. De uitvoering van de Vw op het terrein van vertrek en uitzetting is gemandateerd aan de Directeur DT&V. Zie voor de uitwerking van de mandatering binnen het Ministerie van Justitie de Regeling van de Minister van Justitie van 12 mei 2005, nr. 5332529/05/DP&O (Stcrt. d.d. 24 mei 2005, nr. 97), de Regeling van de Minister van Justitie van 12 mei 2005, nr. 5295095/04/DP&O (Stcrt. d.d. 24 mei 2005 nr. 97) en het besluit van het Hoofd van de IND van 24 juni 2005, nr. INDUIT05-4081 (AUB) (Stcrt. d.d. 18 juli 2005, nr. 136).

De Minister van BuZa is, op grond van het Soeverein Besluit 1813, bevoegd tot visumverlening. Het Hoofd van de IND is tevens Hoofd van de Visadienst en als onbezoldigd ambtenaar van BuZa gemandateerd om namens de Minister van BuZa te beslissen op visumaanvragen en mvv’s.

Voorts zijn ingevolge de Vw aan de Korpschef en de Commandant der KMar bevoegdheden toegekend en taken opgedragen op het gebied van:

  • toegang (zie A2);

  • toezicht (zie A3);

  • vertrek en uitzetting (zie A4);

  • vrijheidsbeneming (zie A6).

In hoofdstuk 4 Vw is vastgelegd dat de Korpschef en de Commandant der KMar hun bevoegdheden en taken niet uitoefenen naar eigen beleidsinzicht, maar met inachtneming van de (algemene en bijzondere) aanwijzingen van de Minister (zie ook hoofdstuk 4 Vb).

3. Informatie en contactgegevens

De organisaties die belast zijn met de uitvoering van de vreemdelingenwet- en regelgeving en aanverwante wet- en regelgeving dragen ieder zorg voor het organiseren en geven van specifieke voorlichting over de door hen uit te voeren taken.

De vreemdelingenwet- en regelgeving wordt onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Justitie geformuleerd. Op internet is het Ministerie voor algemene informatie bereikbaar via www.justitie.nl.

De afdeling Publieksvoorlichting van het Ministerie van Justitie is ondergebracht bij de Postbus 51 Informatiedienst, welke op werkdagen te bereiken op het gratis telefoonnummer 0800- 8051 en op internet op de website www.rijksoverheid.nl. Bij Postbus 51 kunnen alle algemene vragen worden gesteld over de rijksoverheid. Voor informatie over verblijfsaanvragen wordt verwezen naar de IND.

Overheidsinstanties die werkzaam zijn binnen de vreemdelingenketen kunnen de website www.vreemdelingenketen.nl bezoeken, welke de onderlinge informatie-uitwisseling tussen deze overheidsinstanties als doel heeft.

Hieronder is een alfabetische lijst opgenomen van organisaties die betrokken zijn bij de uitvoering van het vreemdelingenbeleid, de handhaving van de vreemdelingenwet- en regelgeving en aanverwante wet- en regelgeving. Daarnaast worden organisaties genoemd met een directe relatie tot de vreemdelingenketen en/of die rechtsbijstand of andere ondersteuning verlenen aan vreemdelingen. In het overzicht zijn opgenomen:

  • een korte beschrijving van de werkzaamheden;

  • de taken van de organisaties (voor zover deze zien op vreemdelingen);

  • de contactgegevens van de betreffende organisaties ten behoeve van vreemdelingen en externen.

ACVZ

De ACVZ is een onafhankelijk adviescollege dat adviezen uitbrengt inzake het vreemdelingenrecht en vreemdelingenbeleid. Zij adviseert daarover gevraagd en ongevraagd aan de Regering en aan het Parlement.

  • Telefoon: 070- 370 43 00

  • Internet: www.acvz.com

COA

Het COA is verantwoordelijk voor de opvang van asielzoekers. Het COA zorgt voor onderdak gedurende de asielprocedure en bereidt asielzoekers voor op een verblijf in Nederland, terugkeer naar het land van herkomst of doormigratie.

  • Telefoon: 0800 - 023 80 23 (gratis)

  • Internet: www.coa.nl

DJI

De DJI is verantwoordelijk voor de uitvoering van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen, waaronder de vreemdelingenbewaring.

  • Telefoon Informatielijn: 070 - 370 27 34

  • Internet: www.dji.nl

Directie Inburgering en Integratie

De directie Inburgering en Integratie van het Ministerie van VROM richt zich op de totstandkoming van een samenleving, waarin de in Nederland verblijvende leden van etnische groepen op basis van volwaardig en gedeeld burgerschap kunnen deelnemen. De directie ontwikkelt onder andere het beleid met betrekking tot de inburgering en de Remigratiewet.

De directie Inburgering en Integratie van het Ministerie van VROM is bereikbaar via:

  • Telefoon: (algemeen): 070 - 339 0289

  • Internet: www.vrom.nl

Directie Migratiebeleid

De Directie Migratiebeleid van het Ministerie van Justitie draagt zorg voor de nationale en internationale beleidsontwikkeling op het asiel- en immigratieterrein, alsmede op het terrein van opvang van asielzoekers. Het aandachtsveld van de directie bestaat aldus uit toelating, verblijf, toezicht, terugkeer, grensbewaking, visumbeleid, opvang en de coördinatie van het beleid tot het tegengaan van illegaal verblijf.

DT&V

De DT&V is als taakorganisatie belast met de uitvoering van de vreemdelingenwetgeving terzake vertrek en uitzetting. De DT&V bevordert, organiseert en realiseert het daadwerkelijk vertrek uit Nederland van vreemdelingen zonder verblijfsrecht. Bij het uitvoeren van deze taak staat het stimuleren van het zelfstandig vertrek voorop. Zo nodig bereidt de DT&V het gedwongen vertrek van de vreemdeling uit Nederland voor. De DT&V voert haar taak uit in samenwerking met andere ketenpartners van de overheid die een taak hebben in het vertrekproces. De DT&V regisseert het vertrekproces op operationeel niveau. Taken die wettelijk zijn voorbehouden aan ambtenaren belast met het toezicht of de grensbewaking, worden niet verricht door de DT&V.

  • Telefoon (algemeen): 0800 - 8051

  • Internet: www.dienstterugkeerenvertrek.nl

  • E-mail: info@dtv.minjus.nl

Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel

Het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel is een samenwerkingsverband tussen de Dienst Nationale Recherche en DNRI van het KLPD, de KMar, de IND en de Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst van het Ministerie van SZW.

Het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel heeft als doel: het verschaffen van inzicht en overzicht in de criminaliteit in relatie tot mensenhandel & mensensmokkel, ten bate van de opsporing en het tegenhouden van deze en gerelateerde misdrijven.

Daartoe is het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel een centrale plek waar informatie, kennis en ervaring op het gebied van mensenhandel en mensensmokkel wordt verzameld, veredeld en geëxploiteerd.

  • Telefoon Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel 038-4963555 (na kantooruren wordt u doorgeschakeld naar de piketfunctionaris)

  • Email: Emm@klpd.politie.nl

IND

De IND is onder meer verantwoordelijk voor de beoordeling van alle aanvragen voor toelating en naturalisatie van vreemdelingen.

  • Informatielijn IND (beschikbaar voor publiek): 0900- 12 34 561 (0,10 euro pm)

  • Informatielijn IND vanuit het buitenland: +31 20 8893045

  • Telefoon IND Ketenservice (beschikbaar voor ketenpartners): 070 - 888 00 00

  • Piketnummer (buiten kantooruren op werkdagen bereikbaar van 17.00 tot 23.00 uur en in het weekeinde van 7.00 tot 23.00 uur): 070 - 370 60 60

  • Internet: www.ind.nl

IOM

IOM richt zich op velerlei migratievraagstukken. Zo biedt IOM ondersteuning aan uitgeprocedeerde vreemdelingen die Nederland vrijwillig willen verlaten, organiseren zij het vervoer van personen naar of uit Nederland en richten zij zich op (her)integratie, bestrijding van mensenhandel, arbeidsmigratie, migratie en ontwikkeling en migratie en gezondheid.

  • Telefoon: 0900 - 7464466 (0,05 euro pm)

  • Internet: www.iom-nederland.nl

KMar

De KMar is op de luchthavens en in de zeehavens in Nederland alsmede op zee belast met de grensbewaking. De grensbewaking in het competentiegebied van politieregio Rotterdam-Rijnmond wordt uitgevoerd door de ZHP (zie hierna onder ZHP), met uitzondering van de grensdoorlaatpost Hoek van Holland/ Europoort. In het kader van de grensbewaking verstrekt de KMar in voorkomende gevallen visa aan de buitengrens. Aan de binnengrens met België en Duitsland en op de luchthavens is de KMar belast met de uitvoering van het MTV. Voorts is de KMar verantwoordelijk voor de uitzetting en begeleiding van uitgeprocedeerde vreemdelingen uit Nederland en van aan de grens geweigerde personen.

  • Telefoon KMar voorlichting: 070 - 318 83 57

  • Internet: www.kmar.nl

Ministerie van BuZa, inclusief ambassades en consulaten

Het Ministerie van BuZa is verantwoordelijk voor de behandeling van visumaanvragen voor een verblijf korter dan drie maanden en mvv’s. Indien ambassades en consulaten niet zelfstandig kunnen of mogen beslissen, worden de visumaanvragen voor een verblijf korter dan drie maanden - als het gaat om zakenbezoeken, diplomaten, politieke bezoeken, het verrichten van technische werkzaamheden, deelname aan/bijwonen van een congres, conferentie of sportmanifestatie, bezoeken van wetenschappelijke aard, aanvragen van personen uit de voormalige Sovjetrepublieken, bezoeken van personen die geregistreerd staan in het SIS of op een visumsanctielijst – voorgelegd aan de afdeling Vreemdelingen- en Visumzaken van de directie Personenverkeer, Migratie en Vreemdelingenzaken van het Ministerie van BuZa (zie voor overige visumaanvragen hierna onder Visadienst).

Het Ministerie van BuZa is tevens verantwoordelijk voor algemene en individuele ambtsberichten, welke door de Minister gebruikt worden als informatiebron onder andere bij de beoordeling van asielaanvragen.

Daarnaast is het Ministerie van Buza verantwoordelijk voor het afnemen van het basisexamen inburgering in het buitenland op de Nederlandse posten.

  • Telefoon Visuminformatie: 070 - 348 56 22

  • Telefoon algemeen: 070 - 348 64 86

  • Internet: www.minbuza.nl

NVVB

De NVVB biedt een platform aan leidinggevenden en medewerkers van organisaties, die zich binnen en buiten de overheid professioneel bezig houden met het brede terrein van burgerzaken. Onder burgerzaken vallen activiteiten op het terrein van de GBA en de loketfunctie voor vreemdelingen die een aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning willen indienen.

De NVVB heeft voor haar gemeentelijke leden een adviesfunctie op het gehele terrein van burgerzaken in de vorm van een helpdesk.

  • Telefoon helpdesk (voor gemeenten): 020 - 551 90 07 of 020 - 551 90 09

  • Internet: www.nvvb.nl

Politie

De (vreemdelingen)politie houdt toezicht op personen die in Nederland verblijven, maar niet de Nederlandse nationaliteit hebben en is onder meer verantwoordelijk voor het opsporen, staande houden, inbewaring stellen, het vertrek onder toezicht alsmede het vaststellen van de identiteit van niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen.

De Taakorganisatie Vreemdelingen is een landelijk werkend bureau dat de politie adviseert en ondersteunt bij de ontwikkeling van de visie, de strategie en het beleid van de politiële vreemdelingentaak. Daarbij is zij tevens het landelijk aanspreekpunt van waaruit de belangenbehartiging ten behoeve van de vreemdelingenpolitie plaatsvindt en het knooppunt in de communicatie en informatie-uitwisseling tussen de vreemdelingenpolitie onderling en van en naar ketenpartners.

  • Telefoon politie algemeen: 0900 - 8844 (lokaal tarief)

  • Telefoon Taakorganisatie Vreemdelingen: 030 - 635 33 44

  • Internet: www.politie.nl

RvS

De RvS is naast onafhankelijk adviseur van de regering over wetgeving en bestuur ook hoogste algemene bestuursrechter van het land. De ABRvS spreekt recht in hoogste instantie in geschillen tussen de burger en de overheid. Sinds de inwerkingtreding van de Vw geldt dit ook voor vreemdelingrechtelijke geschillen.

  • Telefoon publieksvoorlichting: 070 - 426 42 51 of 070 - 426 46 43

  • Telefoon (algemeen en spoedeisende zaken): 070 - 426 44 26

  • Internet: www.raadvanstate.nl

Raad voor Rechtsbijstand

De Raden voor Rechtsbijstand geven uitvoering aan de Wet op de rechtsbijstand, waarin de rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen is geregeld. De raden subsidiëren de Stichting Rechtsbijstand Asiel en zien ook toe op de kwaliteit en voldoende beschikbaarheid van de rechtsbijstandverlening. Voor juridische informatie en advies is er het Juridisch Loket.

  • Telefoon Juridisch Loket: 0900 - 8020 (10 cent pm)

  • Internet: www.rvr.org

SRA

De SRA organiseert, coördineert en verleent rechtsbijstand aan asielzoekers en bewaakt de kwaliteit van de rechtsbijstand.

  • Telefoon: 026 - 353 18 50

  • Internet: www.rechtsbijstandasiel.nl

Visadienst

De Visadienst is onderdeel van het Ministerie van BuZa. De Minister van BuZa heeft het Hoofd van de IND en het plaatsvervangend Hoofd van de IND mandaat verleend voor het nemen en ondertekenen van besluiten die door hen in hun functie van Hoofd van de Visadienst, respectievelijk plaatsvervangend Hoofd van de Visadienst, namens hem worden genomen. Ondermandaat is verleend aan de ambtenaar belast met de grensbewaking en het toezicht en specifieke functionarissen van de IND voorzover zij besluiten nemen of handelingen verrichten namens het Hoofd van de Visadienst.

De Visadienst behandelt namens de Minister van BuZa alle door de ambassades en consulaten voorgelegde aanvragen voor mvv’s en visumaanvragen voor toerisme, familie- en privé-bezoek, artiesten, studenten, personen die gesignaleerd staan in het OPS of SIS, stagiaires en medische bezoeken, met uitzondering van personen uit de voormalige Sovjet republieken. De laatste categorie personen dient zich te wenden tot het Ministerie van BuZa (zie hiervoor onder Ministerie van Buza). Bovendien behandelt de Visadienst aanvragen voor visumverlenging en verlening van terugkeervisa.

  • Contactinformatie: zie IND

VNG

De VNG verzorgt de belangenbehartiging van alle gemeenten bij andere overheden. Bij de gemeenten worden aanvragen voor verblijfsvergunningen regulier en naturalisatie ingediend. Daarnaast zijn gemeenten verantwoordelijk voor de registratie van persoonsgegevens in de GBA.

  • Telefoon: 070 - 373 83 93

  • Internet: www.vng.nl

Vereniging Vluchtelingenwerk Nederland

De Vereniging Vluchtelingenwerk Nederland behartigt de belangen van vluchtelingen en asielzoekers die zich in Nederland bevinden.

  • Telefoon (algemeen): 020 - 346 72 00

  • Internet: www.vluchtelingenwerk.nl

Vreemdelingenkamers

De vreemdelingenkamers zijn onderdeel van een rechtbank en houden zich uitsluitend bezig met het behandelen van vreemdelingenrechtelijke geschillen. Formeel behandelt de rechtbank ’s-Gravenhage deze geschillen, maar binnen alle negentien rechtbanken in Nederland zijn zogeheten nevenzittingsplaatsen aangewezen.

Het Landelijk Stafbureau Vreemdelingenkamers biedt ondersteuning op het gebied van juridische en organisatorische coördinatie aan de vreemdelingenkamers.

Bij het Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken dienen vreemdelingenzaken te worden ingediend, waarop deze door het Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken zo evenwichtig mogelijk over de nevenzittingsplaatsen worden verdeeld.

  • Pikettelefoon van het Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken: 023 - 512 66 20

  • Internet: www.rechtspraak.nl

ZHP

De ZHP is belast met de grensbewaking in het competentiegebied van politieregio Rotterdam-Rijnmond alsmede op zee, het havengerelateerde vreemdelingentoezicht en de bestrijding van (migratie)criminaliteit in de Rotterdamse havens. Daarnaast verzorgt de ZHP in voorkomende gevallen de verlening en verlenging van visa voor in de politieregio Rotterdam-Rijnmond verblijvende zeelieden.

  • Telefoon: 010 - 2747471

  • Faxnummer: 010 - 2750121

Internet: www.dutch-immigration.nl

4. Bestuurlijke Informatievoorziening binnen de vreemdelingenketen

4.1. Algemeen

Om een goed en actueel beeld te kunnen vormen van het functioneren van de vreemdelingenketen, heeft de Directeur-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken zowel structurele, als incidentele informatie nodig van alle ketenpartners en organisaties met een directe relatie met de vreemdelingenketen. Met die informatie kunnen trends en ontwikkelingen gevolgd worden. Daarnaast kan beoordeeld worden welke effecten (beleids)beslissingen ten aanzien van bedrijfsvoering en taakuitvoering hebben binnen de keten.

Ten behoeve van de planning en controle wordt binnen de vreemdelingenketen gebruik gemaakt van een vaste planning en controlecyclus. Deze bevat de mijlpalen die van belang zijn voor een effectieve en efficiënte voorbereiding van de verschillende producten die gebruikt worden om de planning en controle op het niveau van de keten te realiseren.

De door ketenpartners en direct betrokken organisaties aangeleverde informatie mag ten behoeve van de Directeur-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken door het daartoe aangewezen informatieknooppunt vrij worden bewerkt. Indien de gegevens worden gebruikt of verwerkt met het doel de informatie buiten de vreemdelingenketen te verspreiden, dient hierover vooraf afstemming met de ketenpartners te hebben plaatsgevonden.

Bovenstaande laat onverlet dat ook onderling structureel informatie uitgewisseld wordt tussen de ketenpartners en organisaties met een directe relatie tot de vreemdelingenketen, binnen de kaders van de daartoe onderling gemaakte afspraken.

Informatielevering – structureel

Ten behoeve van de sturing van de processen in de vreemdelingenketen leveren ketenpartners periodieke rapportages aan in elektronische vorm aan de Directeur-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken. De Directeur-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken en de ketenpartners maken afspraken over de inhoud en vorm van de rapportage, alsmede procedurele afspraken.

Informatielevering – incidenteel

Ten behoeve van analyses, onderzoeken, kamervragen of andere vragen leveren ketenpartners op verzoek gegevens aan de Directeur-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken. De mogelijkheden hiertoe en de procedures die hierbij worden gehanteerd kunnen door de Directeur- Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken met de ketenpartners en organisaties met een directe relatie tot de vreemdelingenketen worden vastgelegd.

4.2. Rapportage Vreemdelingenketen

Een van de producten die resulteren uit de informatielevering van de ketenpartners is de Rapportage Vreemdelingenketen. Deze rapportage, die inzicht geeft in de belangrijkste ontwikkelingen in de keten, wordt periodiek samengesteld. De rapportage bevat een overzicht van de prestaties van ketenpartners op verschillende processen en een beschrijving van ontwikkelingen. De ketenpartners dragen zorg voor tijdige aanlevering van cijfers en toelichting aan de Directeur-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken.

5. Klachten

Een klacht wordt gedefinieerd als iedere uiting van ongenoegen over alle aspecten van gedragingen van het bestuursorgaan of van een persoon werkzaam onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan (zie artikel 9:1 Awb). Klachten dienen bij de betreffende bestuursorganen te worden ingediend (zie voor informatie en contactgegevens onder A1/3) en door de bestuursorganen zelf te worden afgedaan. Is de klager ontevreden over de afhandeling van zijn klacht, dan kan hij die daarna voorleggen aan de Nationale ombudsman als externe klachtbehandelaar. In de klachtenregeling van de Awb geldt dat een klacht na ontvangst door het bestuursorgaan binnen zes weken moet zijn afgedaan. Iedere organisatie kan beschikken over een eigen klachtenregeling en/of –procedure. Voor de geldende klachtenregeling en/of -procedure dient contact te worden opgenomen met de betreffende organisatie.

6. Registratie en Identificatie

6.1. Algemeen

De ketenpartners, die belast zijn met de uitvoering van het vreemdelingenbeleid en de handhaving van de vreemdelingenwet- en regelgeving en aanverwante wet- en regelgeving hebben een gemeenschappelijk belang bij unieke identificatie en registratie van vreemdelingen als bedoeld in artikel 1, onder m, Vw en bij het kunnen delen en uitwisselen van informatie over deze vreemdelingen. Om dat mogelijk te maken is een aantal ketenvoorzieningen ontwikkeld voor gemeenschappelijk gebruik door de ketenpartners, waaronder:

  • PIL

  • BVV

  • Gegevenswoordenboek voor de vreemdelingenketen

Naast de registratie ten behoeve van de vreemdelingenketen, registreren de afzonderlijke organisaties binnen de vreemdelingenketen en organisaties met een directe relatie tot de vreemdelingenketen gegevens van vreemdelingen ten behoeve van de eigen werkprocessen. Voor informatie hieromtrent wordt verwezen naar de betreffende organisaties.

De gegevens die binnen de vreemdelingenketen worden geregistreerd dienen actueel te zijn. Bij elke gelegenheid waarbij een vreemdeling in contact komt met een van de ketenpartners, dient de desbetreffende ketenpartner zoveel mogelijk na te gaan of de geregistreerde gegevens nog met de feitelijke situatie overeenkomen. Wijzigingen dienen door de verantwoordelijke en bevoegde organisatie onverwijld te worden verwerkt.

6.2. Het PIL

Het werken volgens het PIL geeft inhoud aan de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de ketenpartners voor de kwaliteit van de persoonsgegevens.

Het PIL beschrijft een gestandaardiseerde werkwijze voor het identificeren, registreren, wijzigen en verifiëren van persoonsgegevens in de vreemdelingenketen. PIL is kaderstellend voor de interne administratieve organisatie van de ketenpartners en is te raadplegen op de website van de vreemdelingenketen, onder producten.

Verplichtingen

De ketenpartners, die het protocol onderschrijven, verplichten zich daarmee tot het werken volgens het PIL, overeenkomstig hun taken en bevoegdheden in de identificatie en registratie, zoals beschreven in het PIL. De organisaties:

  • werken volgens de processpecifieke uitwerkingen van het PIL bij het identificeren en registreren;

  • hanteren de gemeenschappelijke persoonsgegevens in de eigen primaire processen en systemen als de leidende persoonsgegevens;

  • verifiëren de identiteit van de vreemdeling op de daartoe aangewezen momenten in de processen;

  • handelen volgens de wijzigingsprocedure, indien zij met afwijkende persoonsgegevens in aanraking komen.

Uitgangspunten

De volgende uitgangspunten liggen ten grondslag aan het protocol:

  • De persoonsidentificatie en eerste registratie geschieden bij het eerste contact met de vreemdeling.

  • Het gebruik van een biometrisch kenmerk biedt de beste mogelijkheid tot unieke identificatie en verificatie.

  • Waar wet- en regelgeving dat toestaan wordt de identificatie en verificatie met behulp van biometrie uitgevoerd (zie A3/3.6.2, A3/7.4.2 en C9/2.1.1.1.

  • De partijen in de vreemdelingenketen die als eerste met een vreemdeling in aanraking kunnen komen, zijn: het Ministerie van BuZa, de IND, de vreemdelingenpolitie, de KMar en de ZHP.

  • De organisatie die de persoonsgegevens registreert of wijzigt, is verantwoordelijk voor de kwaliteit van de set persoonsgegevens van de betreffende vreemdeling die hij op dat moment registreert.

  • De vreemdeling beschikt over het unieke vreemdelingennummer waaronder zijn identificerende gegevens zijn geregistreerd.

  • Een nieuw uniek vreemdelingennummer wordt pas uitgegeven als niet vast te stellen is dat de vreemdeling eerder is geregistreerd.

  • De GBA-gegevens zijn leidend, dat wil zeggen dat in de communicatie de vreemdeling wordt aangeduid met de persoonsgegevens zoals deze in de GBA zijn geregistreerd. GBA-persoonsgegevens kunnen niet gewijzigd worden door de partners in de vreemdelingenketen. Van het gebruik van GBA-gegevens kan slechts onder zeer strikte voorwaarden worden afgeweken.

6.3. De BVV

Het systeem BVV is een centrale ketentoepassing waarin alle basisgegevens van vreemdelingen in Nederland zijn opgeslagen. De database wordt gevuld en gewijzigd vanuit de systemen van aangesloten partijen in de vreemdelingenketen. Verder kunnen aangesloten ketenpartners gegevens van vreemdelingen opzoeken in de BVV. De BVV is in principe continu beschikbaar voor raadpleging. Informatie over de BVV en documentatie van de BVV kan worden geraadpleegd op de website www.vreemdelingenketen.nl, onder producten.

Registers

De BVV bestaat uit de volgende registers:

  • Personenregister: gegevens omtrent naam, adres en woonplaats, nationaliteiten, geslacht, geboorteland en -plaats, overlijden, verblijfsrecht.

  • Verwijzingenregister: verwijzingen naar activiteiten met betrekking tot een bepaalde vreemdeling die door ketenpartners in een vreemdelingenproces worden of zijn uitgevoerd.

  • Kaartregister: gegevens van in Nederland uitgegeven vreemdelingdocumenten.

  • Documentregister: gegevens van in het buitenland uitgegeven identificerende documenten van de vreemdeling.

  • Biometrieregister: vingerafdrukken, foto’s en handtekeningen van vreemdelingen.

De aangesloten organisaties dienen alle gegevens te registreren die voor de identificatie en verwijzingen naar activiteiten en de (verblijfs)⁠documentbestellingen noodzakelijk zijn.

De vreemdelingen die in de BVV zijn opgeslagen worden gekenmerkt door het 10-cijferige vreemdelingnummer. Sinds de invoering van de BVV (juni 2003) wordt dit nummer voor nieuw opgevoerde vreemdelingen uitgegeven door de BVV. De vreemdelingen die vóór juni 2003 bekend waren bij de vreemdelingenpolitie en de IND hebben hun toen reeds bestaande centraal vreemdelingenregisternummer behouden. Alle gegevens in de BVV zijn met elkaar verbonden via het vreemdelingennummer, dat ook in de systemen van de aangesloten organisaties wordt gehanteerd.

Leidende gegevens

De GBA is de basisregistratie voor persoonsgegevens. Voor persoonsgegevens van vreemdelingen in de BVV die bij de GBA zijn geregistreerd, is het gebruik van de authentieke GBA-gegevens verplicht. Dat houdt in dat persoonsgegevens van deze vreemdelingen in beginsel niet mogen worden gemuteerd door de aangesloten ketenpartners. Voor afnemers van de GBA-gegevens geldt een verplichting tot terugmelding bij gerede twijfel aan de juistheid van de gegevens. De terugmeldprocedure is beschreven in het PIL.

Voor de gegevens omtrent het rechtmatig verblijf van een vreemdeling is de IND leidend. Deze gegevens worden in de vorm van een zogeheten verblijfstitel doorgegeven aan de GBA en geregistreerd in de BVV.

Historische gegevens

De BVV is in juni 2003 in gebruik genomen. Het systeem bevat geen historische gegevens die ouder zijn dan deze datum. Vanaf juni 2003 bevat de BVV een volledige mutatiehistorie.

Regeling Wbp

De Regeling Wbp voor de BVV is bekend bij het College voor de Bescherming van Persoonsgegevens onder meldingsnummer m1145769 en is te raadplegen op www.vreemdelingenketen.nl en opvraagbaar bij de stafdirectie Coördinatie Vreemdelingenketen.

6.4. Het gegevenswoordenboek voor de vreemdelingenketen

Het woordenboek bevat begrippen (gegevensgroepen, samengestelde gegevens en gegevens) en tabellen behorend tot de processen binnen de vreemdelingenketen, waarmee informatie tussen ketenorganisaties wordt uitgewisseld of waarover wordt gecommuniceerd. Het is van toepassing op alle processen en informatiestromen binnen de vreemdelingenketen welke over organisatiegrenzen heen lopen en waarbij gegevens tussen ketenpartners worden uitgewisseld.

Elk in het gegevenswoordenboek opgenomen gegeven wordt gedefinieerd aan de hand van de volgende rubrieken:

  • naam gegevensgroep of samengesteld gegeven;

  • naam van het gegeven;

  • de definitie;

  • de herkomst van de definitie;

  • het formaat;

  • de lay-out;

  • de toegestane waarden;

  • commentaar.

Ketenpartners verplichten zich het woordenboek als standaard te hanteren bij uitwisseling van gegevens. Het gegevenswoordenboek is te raadplegen op de volgende websites: www.vreemdelingenketen.nl

6.5. Archivering

Voor de regelingen omtrent de archivering van bescheiden wordt verwezen naar de Archiefwet 1995. De organisaties belast met de uitvoering van vreemdelingenwet- en regelgeving kunnen daarnaast een aanvullend eigen archiefbeleid voeren, waarin de regels omtrent archivering en vernietiging van archiefbescheiden zijn vastgelegd. Hiervoor wordt verwezen naar de betreffende organisatie.

2. Toegang

1. Algemeen

In Nederland worden aan de grensdoorlaatposten grenscontroles verricht, om na te gaan of de betrokken personen, hun vervoermiddelen en de voorwerpen in hun bezit Nederland mogen binnenkomen dan wel verlaten. Daarnaast vindt buiten de grensdoorlaatposten om grensbewaking plaats, teneinde te voorkomen dat personen zich aan de grenscontroles onttrekken.

Met de inwerkingtreding van de SUO op 26 maart 1995 werden tussen de betrokken staten, waaronder Nederland, de grenscontroles aan de gemeenschappelijke binnengrenzen afgeschaft. Sindsdien betekent toegang tot Nederland in beginsel ook toegang tot de overige landen in het Schengengebied.

Met het Verdrag van Amsterdam (juni 1997, in werking getreden per 1 mei 1999) is het Schengenacquis – dat wil zeggen het Schengenakkoord, de SUO en de besluiten van het bij het SUO ingestelde uitvoerend comité – geïncorporeerd in de EU. Volgens artikel 1 van het Protocol tot opneming van het Schengenacquis in het kader van de EU, zijn de EU-lidstaten die het Schengenakkoord hebben getekend gemachtigd onderling een nauwere samenwerking aan te gaan binnen de werkingssfeer van het Schengenacquis. Deze samenwerking moet echter wel plaatsvinden binnen het institutionele en juridische kader van de Unie en van het EU-Verdrag en het EG-Verdrag.

Voor de uitvoering van de grensbewaking is ‘Schengen’ een geografisch begrip; er is wel een Schengengebied dat kan worden in- of uitgereisd, maar er zijn geen Schengenonderdanen. In A2/6.1 is aangegeven in welke opzichten de grenscontrole van passagiers afkomstig uit niet-Schengenstaten verschilt van die van passagiers afkomstig uit Schengenstaten. Voorts is van belang het begrip ‘personen die onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij personenverkeer vallen’. In artikel 8.7 Vb is opgenomen welke personen hier precies onder vallen. Voor de nadere uitwerking van de (bepalingen inzake) personen die onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer vallen wordt verwezen naar B10. Daarnaast is in A2/6.2.2 uitgewerkt hoe in het kader van toegang moet worden omgegaan met deze personen. Tot slot, ‘onderdaan van een derde land’ is iedereen die geen onderdaan is van de EU, de EER of Zwitserland en niet onder de toepassing van het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer van personen valt.

Op 15 maart 2006 is de SGC aangenomen. De SGC stelt, zoals is aangegeven in artikel 1 van deze Verordening, maatregelen vast die van toepassing zijn op het grenstoezicht ten aanzien van personen die de buitengrenzen van de lidstaten van de EU overschrijden. Deze Verordening is 13 april 2006 gepubliceerd en per 13 oktober 2006 in werking getreden, behalve artikel 34, dat per 14 april 2006 in werking is getreden. Deze Verordening is verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks van toepassing in alle EU-lidstaten die tot het Schengengebied behoren, alsmede in IJsland en Noorwegen. Met uitzondering van Cyprus maken per 21 december 2007 ook alle lidstaten die op 1 mei 2004 tot de EU zijn toegetreden deel uit van het Schengengebied. Vanaf die datum is de SGC op deze landen van toepassing. Grenscontroles voor intra-Schengen land- en zeeverkeer worden per 21 december 2007 opgeheven. Vanaf 30 maart 2008 geldt dit ook voor het luchtverkeer. Met ingang van 12 december 2008 zijn de grenscontroles aan de landgrenzen met Zwitserland opgeheven en per deze dag is in Zwitserland het Schengenacquis van toepassing. Met ingang van 29 maart 2009 worden ook grenscontroles opgeheven voor het luchtverkeer.

A2 handelt enkel over de overschrijding van (Schengen)buitengrenzen. Binnengrenzen zijn de grenzen tussen de Schengenstaten onderling, waaraan geen grenscontrole plaatsvindt. Het operationeel vreemdelingentoezicht, MTV, dat in het gebied bij de Nederlandse binnengrenzen plaatsvindt, wordt besproken in A3.

Voor wat betreft de situaties waarin kan worden overgegaan tot een tijdelijke invoering van de grensbewaking aan de binnengrenzen, alsmede de wijze waarop gehandeld dient te worden, wordt verwezen naar Titel III, Hoofdstuk II, SGC. Voor de versoepeling van de controles wordt verwezen naar artikel 8 SGC.

2. Begrippen

In artikel 1 Vw is aangegeven wat verstaan wordt onder:

  • ambtenaren belast met grensbewaking;

  • de Korpschef;

  • mvv;

  • vreemdeling.

In artikel 1.1 Vb is aangegeven wat verstaan wordt onder:

  • Benelux-onderdanen;

  • Benelux-gebied;

  • luchtvaartuig;

  • Schengengebied;

  • SIS;

  • SUO;

  • schip;

  • staatloze;

  • vliegtuig;

  • voertuig;

  • zeeschip.

In artikel 2 SGC zijn voorts nadere definities vastgesteld in het kader van grensbewaking. Zo introduceert artikel 2, dertiende lid, SGC een in Nederland nieuw begrip, “grenswachter”. Gezien deze definitie, is iedere ambtenaar belast met grensbewaking ex artikel 1 Vw een grenswachter in de zin van de SGC. In de Vc zal gewoon de term ambtenaar belast met de grensbewaking worden gebezigd.

3. Ambtenaren belast met grensbewaking, geografische verdeling

De met de grensbewaking belaste ambtenaren zijn genoemd in artikel 46 Vw. Alle ambtenaren belast met de grensbewaking zijn, zonder territoriale beperkingen, bevoegd deze taak binnen Nederland uit te oefenen. Met het oog op een efficiënte uitoefening van deze taken richten de onderscheiden diensten zich evenwel primair op verschillende gebieden die geografisch als volgt zijn verdeeld.

ZHP

Alle ambtenaren van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond zijn bevoegd toezicht uit te oefenen op de naleving en de uitvoering van de wettelijke voorschriften met betrekking tot de grensbewaking. Binnen deze politieregio zijn deze taken in de eerste plaats toebedeeld aan de ZHP. De ambtenaren van de ZHP zijn belast met de bediening van de grensdoorlaatpost Rotterdam-Havens, inclusief de benoemde ankerplaatsen. Daarnaast zijn zij belast met het uitoefenen van de grensbewakingstaken in de politieregio Rotterdam-Rijnmond, inclusief de hierin gelegen kust- en binnenwateren.

KMar

De ambtenaren van de KMar zijn belast met de bediening van alle overige grensdoorlaatposten in Nederland en met het uitoefenen van grensbewakingstaken in de rest van Nederland. In de politieregio Rotterdam-Rijnmond zijn zij tevens belast met de bediening van de grensdoorlaatpost Hoek van Holland/Europoort.

Voor de personencontrole ten aanzien van opvarenden van zeeschepen die de kanaalzone Gent-Terneuzen bevaren is in Benelux-verband overeengekomen dat het havengebied Gent-Terneuzen, met inbegrip van het kanaal, wordt beschouwd als buitengrens van het Benelux-gebied. In de huidige situatie betekent dit derhalve dat de betreffende grensdoorlaatpost als buitengrens van het Schengengebied dient te worden beschouwd. De betrokken districtscommandant van de KMar en de Scheepvaartpolitie/Police de la Navigation van de Rijkswacht te Gent hebben voor een goede uitvoering van de personencontrole op de opvarenden van zeeschepen praktische afspraken gemaakt.

Tijdelijke grensdoorlaatposten

Tijdelijke grensdoorlaatposten worden ingesteld met het oog op bijzondere omstandigheden en zijn gedurende de tijd dat zij zijn opengesteld te beschouwen als gewone grensdoorlaatposten (artikel 2, zesde lid, SGC). In de regel worden tijdelijke grensdoorlaatposten bediend door ambtenaren van de KMar.

Bovenstaande verdeling laat onverlet dat de uitvoerende diensten elkaar, indien nodig, kunnen bijstaan in de uitoefening van de grensbewakingstaken.

4. Overschrijding van de buitengrenzen en toegangsvoorwaarden

4.1. Grensdoorlaatposten

Aan de buitengrenzen bevinden zich grensdoorlaatposten (zie artikel 2, zesde lid, SGC). In beginsel is iedereen verplicht via deze grensdoorlaatposten te reizen (zie artikel 4, eerste lid, SGC). In Nederland fungeren alleen zee- en luchthavens als grensdoorlaatpost. De zee- en luchthavens die zijn aangewezen als grensdoorlaatpost zijn genoemd in bijlage 4 Vv.

De grenscontrole kan op verschillende momenten plaatsvinden, in ieder geval zolang een vreemdeling zich op of nabij een grensdoorlaatpost bevindt of zolang een relatie met in- of uitreis te leggen is. Een haven(terrein) of luchthaven(terrein) wordt hierbij in zijn geheel beschouwd als grensdoorlaatpost.

Ingevolge artikel 4.6 Vb dient iedereen die zich op of nabij een grensdoorlaatpost bevindt zich te houden aan de aldaar door de ambtenaren belast met de grensbewaking gegeven aanwijzingen.

4.2. Toegangsvoorwaarden voor onderdanen van derde landen

De voorschriften over toegang worden, zoals aangegeven in A2/1, in sterke mate beheerst door het communautair recht en met name de SGC. In artikel 5, eerste lid, SGC is uitgewerkt onder welke voorwaarden aan onderdanen van derde landen toegang kan worden verleend tot het Schengengebied voor een verblijf van ten hoogste drie maanden. In artikel 4.5 Vb is vastgelegd waartoe een vreemdeling bij in- en uitreis in dit kader verplicht is.

Voorschriften voor een aantal bijzondere categorieën personen, waaronder onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland (alsmede hun familieleden), zijn separaat opgenomen in A2/6.2.

4.2.1. Grensoverschrijdingsdocument

In artikel 5, eerste lid, onder a, SGC is opgenomen dat men in het bezit moet zijn van een geldig grensoverschrijdingsdocument. Voor de nadere uitwerking van de voorwaarde om te beschikken over een geldig document van grensoverschrijding wordt verder verwezen naar artikel 2.3 Vb.

Het bezit van een geldig (nationaal) paspoort is een algemeen uitgangspunt. Het paspoortvereiste wordt onder meer gesteld als waarborg voor terugkeer.

Onder paspoort wordt verstaan: een mede in de Engelse of Franse taal gesteld document voor grensoverschrijding op grond waarvan het de houder is toegestaan zich naar het buitenland te begeven en terug te keren naar het land van afgifte.

Het grensoverschrijdingsdocument moet zijn afgegeven door de bevoegde autoriteiten van een door Nederland erkende staat. Een uitzondering op deze regel vormt Taiwan. Dit land wordt niet door Nederland erkend terwijl het reisdocument van Taiwan wel wordt erkend als geldig grensoverschrijdingsdocument. Het grensoverschrijdingsdocument moet zijn voorzien van een goedgelijkende pasfoto van en moet ondertekend zijn door de houder.

Voorts dient het grensoverschrijdingsdocument in het algemeen de familienaam, de voorna(a)m(en), de nationaliteit, de geboorteplaats en de geboortedatum van de houder te bevatten. De geldigheidsduur van het paspoort moet de duur van het voorgenomen verblijf overschrijden.

Voor de afgifte van een visum geldt als voorwaarde dat het paspoort een geldigheidsduur moet hebben die drie maanden langer is dan de geldigheidsduur van het visum (zie artikel 13 SUO en paragraaf 1.3 GVI, BNL-kader).

In bepaalde gevallen kan toegang worden verkregen met andere documenten voor grensoverschrijding. Deze staan vermeld in het overzicht van de door de Benelux-staten erkende reisdocumenten, welke recht geven op overschrijding van de buitengrenzen en waarin een visum kan worden aangebracht. Om te bepalen of een document van één van de Europese lidstaten recht geeft op visumvrije binnenkomst dient gekeken te worden naar bijlage IV GVI. Op grond van artikel 2.3, tweede lid, Vb is in voorkomende gevallen vereist dat de vreemdeling in het bezit is van een geldige mvv, een reisvisum of een transitvisum waarin wordt verwezen naar het document dat de vreemdeling bij zich heeft (zie voor visa A2/4.3).

Afgifte van bijzondere doorlaatbewijzen aan de grens

Aan niet-visumplichtige vreemdelingen (voor het visumvereiste zie A2/4.3.1) die bij binnenkomst niet beschikken over het vereiste document voor grensoverschrijding kan aan de grens, met het oog op kort verblijf, een bijzonder doorlaatbewijs worden afgegeven (zie Model M6) Een bijzonder doorlaatbewijs is na afgifte een geldig document voor grensoverschrijding.

Het afgeven van bijzondere doorlaatbewijzen aan de grens is een Benelux-aangelegenheid. Naar gelang het reisdoel en de plaats van bestemming kan het bijzondere doorlaatbewijs worden afgegeven voor alle drie de Benelux-landen of voor één of twee van deze landen.

De ambtenaar belast met de grensbewaking is bevoegd om zelfstandig een bijzonder doorlaatbewijs af te geven aan een niet-visumplichtige vreemdeling. Voor afgifte dient steeds aan elk van de volgende voorwaarden te worden voldaan:

  • er is sprake van een situatie van overmacht. Bij situaties van overmacht kan bijvoorbeeld worden gedacht aan passagierende zeelieden van wie het schip onaangekondigd is uitgevaren, drenkelingen en personen die het slachtoffer zijn geworden van diefstal. In geval een vreemdeling zijn paspoort is vergeten, is geen sprake van een overmachtsituatie;

  • de vreemdeling kan aantonen dat er een dringende en gegronde reden voor verlening van toegang bestaat;

  • de vreemdeling kan aannemelijk maken dat de duur van het verblijf niet langer dan twee weken zal bedragen; en

  • de vreemdeling is in het bezit van enig document waaruit zijn identiteit blijkt, bij voorkeur een van een pasfoto voorzien identiteitsbewijs afgegeven door enige officiële instelling (dit laatste vereiste geldt niet voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaar die reizen in gezelschap van hun ouder(s), grootouder(s) of voogd). Indien de vreemdeling wel beschikt over enig document waaruit zijn identiteit blijkt, maar dat niet is voorzien van een foto, dient op het bijzonder doorlaatbewijs een foto van de vreemdeling te worden bevestigd.

Het verlenen van bijzondere doorlaatbewijzen geschiedt gratis.

4.2.2. Visum

Ingevolge artikel 5, eerste lid, onder b, SGC dient een vreemdeling voor beoogd verblijf van korter dan drie maanden, indien vereist, te beschikken over een geldig visum.

Voor de bepalingen omtrent (vrijstelling van) het visumvereiste en andere visagerelateerde onderwerpen wordt verwezen naar A2/4.3.

Aan het bezit van een visum kan als zodanig geen onherroepelijk recht op binnenkomst worden ontleend. Zo dient bij binnenkomst de door de vreemdeling te verstrekken informatie aan de ambtenaar belast met grensbewaking ter ondersteuning van het verzoek om toegang in overeenstemming te zijn met de reeds verstrekte informatie aan de diplomatieke post ter verkrijging van een visum.

Voorts bestaat onder bijzondere omstandigheden de mogelijkheid dat visumfaciliteiten worden verleend aan de grens indien een geldig doorreis- of reisvisum ontbreekt (zie A2/4.3.8.2).

Voor verblijf van langer dan drie maanden dient men overigens, indien vereist, te beschikken over een mvv. Ook voor de bepalingen omtrent (vrijstelling van) het mvv-vereiste wordt verwezen naar A2/4.3.

4.2.3. Reisdoel en middelen van bestaan

Artikel 5, eerste lid, onder c, SGC ziet zowel op het vereiste het doel van het voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden, zo nodig met documenten, te kunnen onderbouwen, als op het vereiste om te beschikken over voldoende middelen van bestaan.

4.2.3.1. Reisdoel

Het door de vreemdeling opgegeven doel en de duur van het voorgenomen verblijf dient de vreemdeling, aannemelijk te maken. Ter staving hiervan dient de vreemdeling alle gegevens te verstrekken en beschikbare documenten te tonen. Een niet-uitputtende lijst van bewijsstukken is opgenomen in de Bijlage I bij de SGC.

In het geval de vreemdeling gebruik heeft gemaakt van electronic ticketing en derhalve niet in het bezit is van een retourpassagebiljet, kan de ambtenaar belast met grensbewaking met toestemming van de vreemdeling inlichtingen inwinnen bij het hiervoor door de betreffende luchtvaartmaatschappij beschikbaar gestelde informatiepunt. Indien de vreemdeling geen toestemming verleent aan de ambtenaar belast met grensbewaking om de bovenbedoelde informatie op te vragen bij de betreffende luchtvaartmaatschappij en voorts niet anderszins het doel en de duur van het voorgenomen verblijf aannemelijk kan maken, wijst de ambtenaar de vreemdeling er op dat dit tot toegangsweigering zal leiden.

Visum niet afgegeven door land van hoofdreisdoel

De diplomatieke of consulaire post van de Schengenstaat op wiens grondgebied het hoofdreisdoel is gelegen, verleent in beginsel het visum voor het hele Schengengebied. Indien het reisdoel niet vooraf kan worden bepaald, dan verleent in beginsel de diplomatieke of consulaire post van het Schengenstaat van eerste binnenkomst het visum.

De toegang kan niet worden geweigerd aan een vreemdeling op grond van het enkele feit dat het door hem opgegeven land van hoofdreisdoel niet in overeenstemming is met het land van visumafgifte. Desgevorderd is het wel aan de vreemdeling om het door hem opgegeven doel en de duur van het verblijf alsnog aannemelijk te maken. De ambtenaar belast met de grensbewaking dient de verklaringen van de vreemdeling daartoe te controleren, tenzij aanstonds duidelijk is dat de door de vreemdeling verstrekte informatie niet consistent is of niet strookt met andere (betrouwbare) gegevens die langs andere weg zijn verkregen. De controle omvat in ieder geval een controle van feiten en verklaringen die ten grondslag liggen aan de afgifte van het visum. Hiertoe zal veelal contact op moeten worden genomen met de visumafgevende instantie.

De vreemdeling wordt altijd geconfronteerd met afwijkende informatie en wordt in staat gesteld hier een verklaring voor te geven. Indien deze verklaring onvoldoende aannemelijk is, wordt de toegang geweigerd. Indien de toegang wordt geweigerd, wordt het visum in beginsel geannuleerd (zie A2/4.3.8.4).

Voor het overige wordt verwezen naar Hoofdstuk II, paragraaf 1, GVI.

4.2.3.2. Middelen van bestaan

Als toegangsvoorwaarde voor verblijf van ten hoogste drie maanden geldt voorts het vereiste om te beschikken over voldoende middelen van bestaan. Overigens wordt ook in het kader van de aanvraag tot het verlenen van een visum voor kort verblijf bezien of de aanvrager over voldoende middelen van bestaan beschikt voor de duur van het voorgenomen verblijf.

De middelen dienen toereikend te zijn om te voorzien in zowel de kosten van het verblijf in Nederland als in de kosten van de reis naar een plaats buiten Nederland waar de toegang gewaarborgd is. Of de middelen waarover de vreemdeling kan beschikken toereikend zijn, hangt af van verschillende (persoonsgebonden) factoren, waaronder de duur van het voorgenomen verblijf, het reisdoel, de persoonlijke omstandigheden en de aard van het gebruikte vervoermiddel. Vaste maatstaven zijn in dit verband niet te geven. Ter indicatie kan worden aangenomen dat vreemdelingen die zelfstandig reizen, moeten kunnen voorzien in de kosten van hun verblijf en onderdak, hetgeen voor Nederland neerkomt op een bedrag van ten minste € 34 per persoon per dag. Dit bedrag is exclusief de eventuele kosten voor een vliegreis naar een plaats buiten Nederland waar de toegang is gewaarborgd.

Aan vreemdelingen van wie niet zeker is dat zij over voldoende bestaansmiddelen kunnen beschikken voor de duur van het voorgenomen verblijf en/of voor de terugreis/reis naar een derde land, kan onder voorwaarden toegang worden verleend (zie artikel 2.11 Vb). Deze voorwaarden zijn:

  • a. er bestaat geen aanleiding de vreemdeling de toegang om een van de andere voorwaarden genoemd in artikel 5, eerste lid, SGC te weigeren en er zijn geen redenen om aan te nemen dat de vreemdeling zich niet zal houden aan de in artikel 12 Vw gestelde voorwaarden voor kort verblijf (zie vrije termijn A2/4.4);

  • b. de vreemdeling stelt zonodig zekerheid voor de kosten van de reis naar een plaats buiten Nederland waar zijn toelating gewaarborgd is, door het deponeren van een retourpassagebiljet of een garantiesom;

  • c. de vreemdeling stelt zonodig zekerheid doordat een in Nederland wonende solvabele derde zich garant stelt door ondertekening van een garantverklaring.

In daarvoor in aanmerking komende gevallen kan tevens een meldplicht worden opgelegd met toepassing van artikel 4.24, eerste lid, onder d, Vb.

Kennisgeving aan de Korpschef van de toegangsverlening onder voorwaarden geschiedt door middel van model M20. Zie voor toegang onder voorwaarden ook A2/5.4.

Ad b retourpassagebiljet en garantiesom

Aan de vreemdeling kan worden verzocht een in zijn bezit zijnde retourpassagebiljet te deponeren tot zekerheidstelling. In het geval de vreemdeling gebruik heeft gemaakt van electronic ticketing en derhalve niet in het bezit is van een retourpassagebiljet, wijst de ambtenaar belast met de grensbewaking de vreemdeling op de mogelijkheid om alsnog door de luchtvaartmaatschappij een retourpassagebiljet te laten printen. Indien de betreffende luchtvaartmaatschappij hier niet aan kan of wil voldoen, behoudt de ambtenaar belast met de grensbewaking de bevoegdheid tot het stellen van zekerheid. De geldigheid van het retourpassagebiljet moet de duur van het voorgenomen verblijf overschrijden.

De vreemdeling kan ook een garantiesom deponeren. Voor de hoogte van de garantiesom zijn de lijnvluchttarieven van de KLM bepalend. Deze tarieven kunnen worden opgevraagd bij de KLM of bij de KMar.

Van de mogelijkheid een garantiesom te deponeren, zal in het bijzonder gebruik kunnen worden gemaakt in de volgende gevallen:

  • vreemdelingen die voor familiebezoek of toeristische doeleinden naar ons land komen en niet in het bezit zijn van een retourpassagebiljet geldig voor de terugreis; of

  • zeelieden die na binnenkomst of afmonstering hier te lande toestemming krijgen voor het zoeken van werk aan boord van een ander schip.

Beheer retourpassagebiljet en garantiesom

Aan vreemdelingen die bij binnenkomst in Nederland een garantiesom of een retourpassagebiljet deponeren, wordt een folder uitgereikt. Hierin wordt informatie verschaft over ontvangst, beheer en teruggave van aan de grens gedeponeerde garantiesommen en retourpassagebiljetten.

Aan de vreemdeling die een retourpassagebiljet of een garantiesom deponeert, wordt tevens een ontvangstbewijs afgegeven. Ook aan een derde die een garantiesom deponeert, wordt een dergelijk ontvangstbewijs afgegeven.

In de regel beheert de Korpschef de bij hem gedeponeerde retourpassagebiljetten en garantiesommen. Retourpassagebiljetten die aan de grens zijn gedeponeerd, worden in de regel toegezonden aan de Korpschef van de politieregio waarin de gemeente waar de vreemdeling zal verblijven is gelegen. Garantiesommen die aan de grens zijn gedeponeerd, worden gestort op de rekening van de Korpschef. Dit is alleen anders bij retourpassagebiljetten en garantiesommen die aan de grensdoorlaatposten van Amsterdam Schiphol, (luchthaven) Rotterdam en Rotterdam-Havens zijn gedeponeerd. Deze blijven onder berusting van de KMar en ZHP en worden dus niet doorgestuurd aan de Korpschef van de politieregio waarin de gemeente waar de vreemdeling zal verblijven, is gelegen.

Over gedeponeerde garantiesommen wordt geen rente vergoed.

Teruggave en restitutie in Nederland

De vreemdeling die een retourpassagebiljet of een garantiesom heeft gedeponeerd, moet zich voor teruggave daarvan rechtstreeks wenden tot de beherende instantie. Hetzelfde geldt voor derden die een garantiesom ten behoeve van een vreemdeling hebben gedeponeerd.

De garantiesom dan wel het retourpassagebiljet wordt aan de betrokkene teruggegeven op vertoon van het ontvangstbewijs, indien:

  • voldoende zekerheid bestaat omtrent vertrek van de vreemdeling (op eigen kosten); of

  • naderhand een aanvraag om een verblijfsvergunning wordt ingewilligd.

Garantiesommen gedeponeerd door derden worden op vertoon van het ontvangstbewijs gerestitueerd na vertrek van de vreemdeling uit het Schengengebied.

Bij teruggave van de garantiesom dan wel het retourpassagebiljet moet het ontvangstbewijs worden ingenomen.

Teruggave en restitutie vanuit het buitenland

Vreemdelingen die Nederland hebben verlaten zonder zich vooraf wederom in het bezit van de garantiesom of het retourpassagebiljet te hebben gesteld, dienen zich tot een in hun land gevestigde Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging te wenden met het verzoek om restitutie van de garantiesom respectievelijk teruggave van het retourpassagebiljet. Een vreemdeling die rechtstreeks vanuit het buitenland een verzoek om restitutie indient, moet worden verwezen naar de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in zijn land.

Ad c Garantstelling door derde

Ook kan zekerheid worden gesteld doordat een hier te lande wonende solvabele derde zich garant stelt door ondertekening van een verklaring (zie bijlage 6a VV tot en met bijlage 6c VV). In geval de vreemdeling zelf niet over voldoende middelen van bestaan beschikt kan desondanks toegang worden verleend wanneer een in Nederland rechtmatig verblijvende solvabele derde zich garant heeft gesteld. Zie voor een nadere uitwerking van solvabele derde A2/4.3.3.1.

Deze derde stelt zich daarbij garant voor de kosten die voor de Staat of andere openbare lichamen uit het verblijf van de vreemdeling kunnen voortvloeien, alsmede voor de kosten van de reis naar een plaats buiten Nederland waar toelating van de vreemdeling is gewaarborgd.

4.2.4. Signalering ter fine van weigering

Ingevolge artikel 5, eerste lid, onder d, SGC kan toegang worden verleend aan vreemdelingen die niet met het oog op weigering van toegang in (N)SIS gesignaleerd staan. Met betrekking tot signaleringen die verband houden met respectievelijk de uitvoering van de Vw en de SUO wordt verwezen naar A3/9.

Indien een vreemdeling, die in Nederland of een andere Schengenstaat een geldige verblijfstitel bezit, in het (N)SIS gesignaleerd staat, meldt de ambtenaar belast met de grensbewaking de ‘hit’ bij bureau SIRENE en licht de IND in.

De vreemdeling dient in beginsel te worden doorgelaten dan wel doorreis te worden verleend. Hiertoe reikt de ambtenaar belast met de grensbewaking aan de vreemdeling, conform het gestelde in A3/9.4, onder ad. 4, een door de IND opgestelde verklaring uit.

Ingeval de vreemdeling in bezit is van een Nederlandse verblijfstitel en twijfel bestaat met betrekking tot de rechtmatigheid van deze verblijfstitel, dient de ambtenaar na te gaan of de Nederlandse verblijfstitel rechtmatig is afgegeven.

De raadplegingsprocedure met de betreffende Schengenstaat wordt door de IND opgestart. Aan een vreemdeling die in het bezit is van een voor Nederland geldige of voor een andere Schengenstaat geldige verblijfstitel en in het OPS gesignaleerd staat, kan in beginsel de toegang worden geweigerd op grond van artikel 13, eerste lid juncto artikel 5, eerste lid, onder e, SGC. Dit geldt niet voor vreemdelingen die vallen onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer van personen; voor hen geldt een andere rechtsgrond voor weigering (zie A2/6.2.2.2)

4.2.5. Gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid

Ingevolge artikel 5, eerste lid, onder e, SGC kan toegang worden verleend aan vreemdelingen die niet worden beschouwd als een gevaar voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de internationale betrekkingen van de Schengenstaten.

Onder gevaar voor de openbare orde zijn mede begrepen gevaar voor de openbare rust, de goede zeden, de volksgezondheid en de (goede) internationale betrekkingen.

Van gevaar voor de volksgezondheid kan sprake zijn in het geval van potentieel epidemische ziekten zoals gedefinieerd in de relevante instrumenten van de Wereldgezondheidsorganisatie, en andere infectieziekten of besmettelijke parasitaire ziekten, voorzover in Nederland beschermende regelingen zijn getroffen ten aanzien van de eigen onderdanen (zie artikel 8.8, eerste lid, onder b, Vb). Daarbij kan, naast de in gezondheidswetgeving gebruikelijke ziekten als pest, cholera en gele koorts, ook worden gedacht aan nieuwere ziekten als Sars. Verwezen wordt naar artikel 2, onderdeel a, Infectieziektenwet (zie tevens A2/5.5.3 (toegangsweigering)).

Indien een vreemdeling gesignaleerd staat, waarbij verwezen wordt naar hetgeen vermeld staat onder A2/4.2.4, is dat een indicatie dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de internationale betrekkingen van de Schengenstaten.

Indien er gegronde reden is te vrezen voor (politieke) activiteiten die gevaar opleveren voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de internationale betrekkingen, vindt met het oog op het toelatingsvraagstuk over de vreemdeling in kwestie afstemming met de IND plaats.

4.3. Visa en visumafgifte aan de grens

4.3.1. Het visumvereiste

Vreemdelingen die visumplichtig zijn en zich naar Nederland willen begeven voor een verblijf van ten hoogste drie maanden per periode van zes maanden moeten in beginsel in het bezit zijn van een paspoort. Het paspoort dient te zijn voorzien van:

  • hetzij een geldig luchthaventransitvisum (A-visum), indien tijdens een tussenlanding verblijf in de internationale transitzone van een luchthaven wordt beoogd. Dit behelst geen verdere toegang tot het nationale grondgebied;

  • hetzij een geldig doorreisvisum (B-visum) indien doorreis door het Schengengebied of Nederland wordt beoogd, met een oponthoud van ten hoogste vijf dagen; of

  • hetzij een geldig reisvisum (C-visum), indien kort verblijf in het Schengengebied of in Nederland wordt beoogd.

De strekking van het (Schengen)visum is om de vreemdeling reeds vóór zijn komst naar Nederland aan een onderzoek te onderwerpen naar reisdoel, reispapieren, antecedenten en bestaansmiddelen.

Bij artikel 10 SUO is een eenvormig visum vastgesteld dat geldig is voor het gehele Schengengebied. De Schengenstaten geven het Schengenvisum af in de vorm van een sticker. Bepalingen omtrent visa zijn verder opgenomen in de GVI.

Bijzondere regels ten aanzien van afgifte van visa kunnen gelden op grond van een visumfacilitatieovereenkomst, welke is afgesloten tussen de EU en een derde land. Een visumfacilitatieovereenkomst vergemakkelijkt de afgifte van visa voor kort verblijf aan onderdanen van derde landen, op basis van wederkerigheid. Per 1 juni 2007 is de visumfacilitatieovereenkomst tussen de EU en Rusland van kracht.

Zie voor modellen van visa, afgegeven in het buitenland of aan de grens, de website van de vreemdelingenketen en bijlage 13 en BNL bijlage VI, GVI.

In hoofdstuk VI GVI en bijlage 9, 10, 11 en 13 GVI is aangegeven op welke wijze een visumsticker moet worden ingevuld en aangebracht.

Indien de vreemdeling langer dan drie maanden in Nederland wenst te verblijven en mvv-plichtig is, dient hij een D-visum (een mvv) dan wel een combinatievisum (D+C) aan te vragen (zie B1/1).

Vrijstelling van de visumplicht

Op basis van overeenkomsten tot afschaffing van de visumplicht van de Benelux- of Schengenstaten met derde landen, bestaan uitzonderingen op de visumplicht. Vrijgesteld zijn:

  • onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland (zie bijlage 1, onderdeel 1, BNL-kader, GVI);

  • onderdanen van de landen opgesomd in bijlage 1, II, onderdeel 1, GVI;

  • onderdanen van speciale administratieve regio’s in China opgesomd in bijlage 1, II, onderdeel 2, GVI;

  • houders van diplomatieke, officiële en dienstpaspoorten van de landen vermeld in bijlage 2, overzicht A, GVI;

  • vreemdelingen die houder zijn van een geldig, door een Schengenstaat afgegeven (verblijfs-)document opgesomd in bijlage 4 GVI (zie ook artikel 21 SUO);

  • houders van een reisdocument dat is afgegeven door een lidstaat van de EU aan vluchtelingen, staatlozen en andere personen zonder nationaliteit die rechtmatig verblijf hebben in die lidstaat; en

  • overige categorieën genoemd in GVI, bijlage 1, II, onderdeel 1, BNL-kader, zoals houders van een ‘crew member licence’ of een ‘crew member certificate’ (zie A2/6.2.5) en zeelieden (zie A2/6.2.7).

In aanvulling op bovenstaande kan een vreemdeling op grond van een visumfacilitatieovereenkomst worden vrijgesteld van de visumplicht. Ingevolge de visumfacilitatieovereenkomst tussen de EU en Rusland geldt vrijstelling van het visumvereiste ten aanzien van houders van een diplomatiek paspoort. In bepaalde gevallen kan bovendien op grond van een unilaterale regel van de visumplicht worden ontheven. Dit laatste geldt ook voor wat betreft het luchthaventransitvisum. Onderdanen van de landen opgesomd in bijlage 3 GVI zijn aan de transitvisumplicht onderworpen.

In artikel 2.4 Vb zijn bepalingen opgenomen over de omstandigheden waaronder (transit)passagiers van vliegtuigen, zonder in het bezit te zijn van het vereiste visum, toegang kan worden verleend (zie A2/6.2.6).

Tot slot, zoals is neergelegd in artikel 8.9 Vb, zijn personen die normaal gesproken visumplichtig zijn vrijgesteld van de visumplicht wanneer zij een familielid zijn als bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb van een onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland die zijn recht inzake vrij verkeer uitoefent. Hierbij geldt als voorwaarde dat zij in het bezit moeten zijn van een geldige verblijfskaart afgegeven door één van de EU-/EER-landen of Zwitserland. (Hier wordt gedoeld op het document vermeld in artikel 10 van Richtlijn 2004/38 van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden.)

4.3.2. Plaats van afgifte visa

Reis-, doorreis- en luchthaventransitvisa worden in beginsel in het buitenland afgegeven door de diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen van de Schengenstaten (zie artikel 12 SUO en hoofdstuk II, § 4, GVI).

Onder bijzondere omstandigheden bestaat de mogelijkheid dat visumfaciliteiten worden verleend aan de grens (zie A2/4.3.8), indien een geldig doorreis- of reisvisum ontbreekt.

In een aantal gevallen is voor afgifte van visa voorafgaande machtiging vereist door een nationale dienst. In Nederland wordt deze machtiging ten aanzien van bepaalde categorieën vreemdelingen gegeven door de directie Personenverkeer, Migratie en Vreemdelingenzaken van het ministerie van BuZa. Voor andere categorieën vreemdelingen wordt de machtiging gegeven door de Visadienst. Voor verdeling van de visumaanvragen in geval van machtiging, zie hoofdstuk V, § 2.2, BNL-kader, GVI.

4.3.3. Soorten van visa

Op de eerste plaats is een onderscheid te maken tussen Schengenvisa en nationale visa. In de onderstaande paragrafen is uitgewerkt welke soorten visa onder beide ressorteren.

4.3.3.1. Schengenvisa

Als invulling van het bepaalde in artikel 10 SUO is een eenvormig visum (in de vorm van een sticker) ingesteld dat in beginsel geldig is voor het grondgebied van alle Schengenstaten. Vreemdelingen die houder zijn van een geldig Schengenvisum en die het grondgebied van één van de Schengenstaten op rechtmatige wijze zijn binnengekomen, mogen zich in beginsel vrij verplaatsen op het grondgebied van alle Schengenstaten. Uitzondering hierop vormt het territoriaal beperkte visum, zie hieronder.

De volgende typen Schengenvisa worden onderscheiden:

  • het luchthaventransitvisum (type A) (zie hoofdstuk I, § 2.1.1, GVI);

  • het doorreisvisum (type B) (zie artikel 11, eerste lid, onder b, SUO en hoofdstuk I, § 2.1.2, en hoofdstuk V, § 2.1, GVI); en

  • het reisvisum (type C) (zie artikel 11, eerste lid, onder a, SUO en hoofdstuk I, § 2.1.3 en hoofdstuk V, § 2.1, GVI).

Geldigheidsduur Schengenvisa

Een reisvisum kan worden afgegeven voor één of meerdere binnenkomsten. Voor houders van reisvisa geldt dat de duur van een ononderbroken verblijf, noch de totale duur van de achtereenvolgende verblijfsperioden meer dan drie maanden per zes maanden, te rekenen vanaf de datum van eerste binnenkomst, mag bedragen (zie artikel 11, eerste lid, onder a, SUO en hoofdstuk I, § 2.1.3 en hoofdstuk V, § 2.1, GVI). De termijn van drie maanden begint te lopen vanaf de eerste binnenkomst (zie artikel 11, eerste lid, onder a, SUO en hoofdstuk I, § 2.1.3 en hoofdstuk V, § 2.1, GVI).

Met betrekking tot het doorreisvisum bestaat voor transiterende zeelieden een separate regeling met een standaardformulier. Hiervoor wordt verwezen naar Verordening 415/2003, alsmede naar hoofdstuk V, § 4, BNL-kader, GVI.

De geldigheidsduur van een visum voor één reis bedraagt ten hoogste drie maanden. Een visum voor meerdere reizen kan worden afgegeven met een geldigheidsduur van één jaar. Voor bepaalde categorieën van personen kan de geldigheidsduur langer zijn, met een maximum van vijf jaar (zie hoofdstuk I, § 2.13 en hoofdstuk V, § 2.1, GVI).

Het visum wordt in beginsel niet voor langere duur verleend dan waarvoor het is aangevraagd.

Visum met territoriaal beperkte geldigheid

Het visum met territoriaal beperkte geldigheid is een visum waarbij verblijf uitsluitend is toegestaan op het grondgebied van één of meer Schengenstaten. Zie voor gevallen waarin dergelijke visa kunnen worden afgegeven artikel 10, derde lid, SUO, artikel 11, tweede lid, SUO, artikel 14, eerste lid SUO, en artikel 16 SUO alsmede hoofdstuk I, § 2.3 en hoofdstuk V, § 3, GVI. Voor wat betreft de afgifte van visa met territoriaal beperkte geldigheid aan de grens, wordt verwezen naar eerdergenoemde Verordening 415/2003, BNL-bijlage I GVI en hoofdstuk I, § 2.4, BNL-kader, GVI. Zie verder bijlage 14 GVI voor wat betreft de melding aan de overige Schengenstaten omtrent de afgifte van deze visa.

Visumverklaringen

In de regel wordt het visum in het paspoort gesteld. Artikel 14, eerste lid, SUO en bijlage 11 GVI bepalen wanneer een visum in een reisdocument kan worden aangebracht. In bepaalde gevallen worden het luchthaventransit-, reis- en doorreisvisum niet in het paspoort, maar op een afzonderlijk vel papier gesteld: een visumverklaring (zie voor het model BNL-bijlage VI GVI). Aan een visumverklaring wordt dezelfde betekenis toegekend als aan een visum, met dien verstande, dat de houder van een dergelijke visumverklaring te allen tijde in het bezit dient te zijn van het identiteitsdocument waarnaar in het visum wordt verwezen. Deze visumverklaringen kunnen geldig gemaakt worden voor één of meerdere Schengenstaten.

In de volgende gevallen moet het visum in de vorm van een visumverklaring worden afgegeven:

  • collectief reizende vreemdelingen die overigens in het bezit zijn van de vereiste individuele documenten voor grensoverschrijding;

  • vreemdelingen wier document voor grensoverschrijding door de betreffende Schengenstaat niet als ‘geldig document voor grensoverschrijding’ is erkend (zie artikel 14, tweede lid, SUO en hoofdstuk VI, § 5.4, GVI).

Voor een overzicht van reisdocumenten welke recht geven op overschrijding van de buitengrenzen en waarin een visum kan worden aangebracht, wordt verwezen naar het overzicht van reisdocumenten bij de GVI.

Collectief visum

Het kan hier een doorreisvisum of een reisvisum voor een verblijfsduur van ten hoogste dertig dagen betreffen, afgegeven aan vreemdelingen die:

  • met gebruikmaking van een collectief document voor grensoverschrijding in groepsverband reizen (zie A2/6.2.4);

  • een groep vormen van minimaal vijf en maximaal vijftig personen;

  • in het bezit zijn van de vereiste individuele documenten voor grensoverschrijding, maar waarvan kan worden vastgesteld dat zij gezamenlijk reizen en een gezamenlijk reisdoel hebben. Het visum wordt in dit geval gesteld op een losse verklaring.

Zie ook hoofdstuk I, § 2.1.4, GVI. Voor wat betreft de afgifte van collectieve visa aan de grens zie verder Verordening 415/2003, BNL-bijlage I GVI en hoofdstuk V, § 4.5, BNL-kader, GVI.

Reizigerslijst voor schoolreizen binnen de EU

Aan scholieren van derde landen die rechtmatig in Nederland verblijven, kan ter vereenvoudiging van schoolreizen binnen de EU een reizigerslijst voor scholieren worden afgegeven overeenkomstig het besluit van de Raad van de EU van 30 november 1994 (94/75/JBZ). Bij dit besluit is een standaard gemeenschappelijk formulier toegevoegd van een reizigerslijst. De reizigerslijst is opgenomen in model M7.

Met de reizigerslijst kunnen scholieren uit derde landen die rechtmatig verblijf hebben in een van de lidstaten in de eerste plaats visumvrij reizen tussen de lidstaten, maar zij moeten wel nog voldoen aan de overige voorwaarden voor toegang. Lidstaten kunnen dan ook scholieren, die niet aan de nationale voorwaarden voor toegang voldoen, de toegang weigeren.

Daarnaast hebben de lidstaten van de EU de lijst tevens erkend als geldig document voor grensoverschrijding, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • de lijst is voorzien van recente foto’s van de op de lijst vermelde scholieren die niet in het bezit zijn van een identiteitsbewijs met foto;

  • de verantwoordelijke instantie van de lidstaat moet de verblijfsstatus van de betrokken scholieren en hun recht om opnieuw tot het land te worden toegelaten hebben bevestigd en ervoor hebben gezorgd dat het document dienovereenkomstig gewaarmerkt is;

  • de lidstaat van verblijf van de scholier in kwestie moet de andere lidstaten hebben meegedeeld dat hij de lijst als geldig document voor grensoverschrijding wenst te gebruiken.

De scholieren komen voor visumvrijstelling, door plaatsing op de reizigerslijst, in aanmerking indien:

  • zij in het kader van een schoolexcursie deelnemen aan een groepsreis van leerlingen van een school voor algemeen vormend onderwijs (basisscholen, scholen voor speciaal onderwijs en scholen voor voortgezet onderwijs);

  • zij deel uitmaken van een groep die begeleid wordt door een leerkracht van de desbetreffende school;

  • de leerlingenlijst volledig is ingevuld en gewaarmerkt door het schoolhoofd en is voorzien van recente foto’s van de op de lijst vermelde scholieren voor zover deze niet in het bezit zijn van een identiteitsbewijs met foto; en

  • zij rechtmatig in een van de Schengenstaten verblijven.

Criteria voor visumverlening (kort verblijf)

De criteria voor visumverlening zijn in beginsel gelijk aan de algemene criteria die gelden voor toegang zoals opgenomen in artikel 5, eerste lid, SGC. De criteria voor visumverlening zijn nader uitgewerkt in de GVI en de daartoe behorende bijlagen.

Een van de basiscriteria bij visumverlening is het voorkomen van illegale immigratie (zie ook hoofdstuk V, § 1.4, GVI). Hierbij is het aan de visumaanvrager om aannemelijk te maken – zo nodig door middel van het overleggen van documenten – dat de tijdige terugkeer voldoende is gewaarborgd. Bij de beoordeling of de tijdige terugkeer voldoende gewaarborgd kan worden geacht, kunnen meerdere wegingsfactoren een rol spelen. De onderstaande factoren moeten in samenhang worden gezien, maar kunnen ook reeds op zichzelf leiden tot de conclusie dat de tijdige terugkeer onvoldoende is gewaarborgd:

  • het ontbreken van een (sterke) sociale en economische band van de visumaanvrager met het land van herkomst;

  • eerdere bezoeken van de visumaanvrager aan een of meer Schengenstaten, waarbij de regels omtrent de duur van het verblijf en aanmelding niet zijn gerespecteerd;

  • ‘visumshoppen’: aanvrager die in een relatief korte tijd bij verschillende vertegenwoordigingen heeft getracht in het bezit gesteld te worden van een visum;

  • het overleggen van valse dan wel vervalste documenten bij de visumaanvraag;

  • het afleggen van valse of onjuiste verklaringen, ten einde de vertegenwoordiging ertoe te bewegen een visum te verstrekken;

  • gebruik maken van een minder geloofwaardige referent of garantsteller. Dit wil zeggen een persoon waarvan vast staat dat deze eerder vreemdelingen heeft uitgenodigd dan wel hiervoor garant heeft gestaan die niet (tijdig) zijn teruggekeerd.

De hierboven weergegeven opsomming is niet limitatief.

Zoals reeds in A2/4.2.3 werd vermeld, is in artikel 5, eerste lid, onder c, SGC aangegeven dat een vreemdeling dient te beschikken over voldoende middelen van bestaan. In bijlage 7 GVI is voor Nederland aangegeven dat het uitgangspunt hierbij een bedrag is van € 34 per persoon per dag. Tevens dient de vreemdeling in het bezit te zijn van een medische reisverzekering voor de duur van zijn verblijf in het Schengengebied (zie hoofdstuk V, § 1.4, GVI, de Benelux-Bijlage V en deel I, punt 4.1.2. GVI).

In geval de vreemdeling zelf niet over voldoende middelen beschikt, kan desondanks aan het middelenvereiste worden voldaan, indien een in Nederland rechtmatig verblijvende solvabele derde zich garant stelt voor de kosten die voor de staat of voor andere openbare lichamen uit het verblijf van de vreemdeling kunnen voortvloeien, alsmede voor de kosten van de reis naar een plaats buiten Nederland waar de toelating van de vreemdeling is gewaarborgd (zie bijlage 6a VV tot en met bijlage 6c VV). Deze derde kan aangemerkt worden als solvabel indien hij zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. Onder voldoende wordt in dit kader verstaan een netto maandinkomen minimaal gelijk aan het bestaansminimum voor de categorie echtparen en gezinnen in de zin van de Wwb. De begrippen zelfstandig en duurzaam zijn nader uitgewerkt in artikel 3.73 Vb en artikel 3.75 Vb en zijn overeenkomstig van toepassing op de verlening van kort verblijf.

In geval een solvabele derde zich garant stelt voor meer dan één persoon, kunnen aanvullende voorwaarden gesteld worden. In die gevallen kan bijvoorbeeld verlangd worden dat een bankgarantie ter hoogte van het lijnvluchttarief KLM en/of meerdere separate garantverklaringen worden overlegd. Voor elke aanvullend aangedragen visumaanvrager voor wie de solvabele derde zich garant wil stellen geldt, dat de solvabele derde zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan dient te beschikken.

Indien een solvabele derde zich reeds eerder garant heeft gesteld voor een visumaanvrager en hij niet of onvoldoende aannemelijk kan maken dat deze visumaanvrager tijdig is teruggekeerd naar het land van herkomst of een land waar de toelating is gewaarborgd, kan dit mede aanleiding vormen de aanvraag voor een visum kort verblijf af te wijzen.

4.3.3.2. Nationale visa

Er kunnen drie soorten nationale visa worden onderscheiden:

  • a. een visum voor terugkeer;

  • b. een visum voor verblijf van langere duur (mvv) (type D); en

  • c. een mvv gecombineerd met visum kort verblijf (D+C-visum).

Ad a Visum voor terugkeer

Een terugkeervisum is een nationaal visum, dat recht geeft op terugkeer naar Nederland (zie artikel 2.3, eerste lid, onder d, Vb.)

Een dergelijk visum kan onder bepaalde voorwaarden door de Visadienst, aan vreemdelingen die daarom verzoeken, worden afgegeven indien:

De indiening van een verzoek om een terugkeervisum geschiedt op dezelfde wijze als een verzoek tot wijziging of verlenging van een visum.

Het model van de aanvraag om verlening van een terugkeervisum wordt beheerd door de IND. Dit geldt ook voor de modellen van de beschikkingen tot afwijzing van deze aanvraag. De Hoofddirecteur van de IND stelt op grond van het basismodel aantekeningensticker het model voor het terugkeervisum vast (zie bijlage 7 VV en de website van de IND).

Vreemdelingen in procedure

Een vreemdeling aan wie het is toegestaan om in Nederland een (definitieve) beslissing op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel dan wel regulier af te wachten, heeft, indien hij na uitreis uit Nederland aanspraak wil maken op wedertoegang tot Nederland, hiervoor een terugkeervisum nodig. Indien de vreemdeling niet visumplichtig is voor Nederland geldt deze eis niet.

Ten aanzien van de vreemdeling die in afwachting is van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier (eerste aanleg, bezwaar of beroep) geldt het volgende. Indien de vreemdeling is ingereisd zonder te beschikken over de vereiste mvv welke overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd, en evenmin besloten is dat er sprake is van een gerechtvaardigd beroep op de hardheidsclausule of vrijstelling van het mvv-vereiste, wordt aan hem geen terugkeervisum verleend.

De vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, g of h, Vw, én met de vereiste mvv is ingereisd, welke overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd, komt in aanmerking voor een terugkeervisum, indien:

  • 1. sprake is van een dringende reden die geen uitstel van vertrek gedoogt;

  • 2. de vreemdeling zich gedurende zijn verblijf in Nederland heeft gehouden aan de maatregelen van toezicht in het kader van de Vw;

  • 3. de vreemdeling, om de reden voor vertrek uit en terugkeer naar Nederland aannemelijk te maken, alle daarvoor noodzakelijke gegevens heeft verstrekt en bescheiden heeft overgelegd aan de verzoekende instantie;

  • 4. de vreemdeling zelfstandig beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding;

  • 5. het OM geen bezwaar heeft tegen vertrek uit Nederland in verband met vervolging wegens strafbare feiten of tenuitvoerlegging van een vonnis;

  • 6. de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, een bezwaarschrift, een beroep op de Rechtbank of een hoger beroep op de ABRvS niet binnen de geldigheidsduur van het terugkeervisum wordt verwacht.

In de volgende gevallen is er sprake van dringende redenen die geen uitstel van vertrek gedogen:

  • ernstige ziekte of overlijden van een nabije bloedverwant (in de eerste en tweede graad);

  • het bijwonen van een huwelijk van een nabije bloedverwant (in de eerste en tweede graad);

  • onder voogdij gestelde minderjarigen die met het pleeggezin op vakantie naar het buitenland gaan;

  • deelname aan een in het kader van de opleiding of studie van belang zijnde excursie of werkweek in het buitenland; of

  • deel uitmaken van een sportteam dat Nederland in het buitenland zal vertegenwoordigen.

Daarnaast kunnen vreemdelingen die voor zakelijke doeleinden wensen te reizen in aanmerking komen voor een terugkeervisum, ongeacht het feit of er sprake is van dringende redenen die geen uitstel van vertrek gedogen. Deze categorie vreemdelingen dient wel te voldoen aan de voorwaarden 2 tot en met 6 zoals hierboven opgesomd. Bovendien moeten zij kunnen aantonen dat zij een aanvraag tot het verlenen van een reguliere verblijfsvergunning hebben ingediend en hiervoor leges hebben betaald.

Het terugkeervisum wordt voor een vreemdeling die rechtmatig verblijf houdt op grond van artikel 8, aanhef en onder f, g of h, Vw alleen kort voor het vertrek van de vreemdeling afgegeven. Het terugkeervisum wordt afgegeven met een geldigheidsduur voor het beoogde doel, maar voor ten hoogste drie maanden. De geldigheidsduur van een terugkeervisum kan na uitreis niet worden gewijzigd of verlengd. De geldigheidsduur van het noodzakelijke document voor grensoverschrijding dient ten minste één maand langer te zijn dan de termijn waarbinnen de vreemdeling op grond van zijn terugkeervisum kan terugkeren.

Het terugkeervisum is in deze gevallen slechts geldig voor één reis, tenzij het gaat om vreemdelingen die voor zakelijke doeleinden wensen te reizen. Deze categorie vreemdelingen kan een terugkeervisum voor meerdere reizen krijgen.

Terugkeervisa ten behoeve van asielzoekers

Een terugkeervisum kan worden verleend aan een vreemdeling die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel (als bedoeld in de artikelen 28 en 33 Vw) heeft gedaan en rechtmatig verblijf houdt op grond van artikel 8, aanhef en onder f, g of h, Vw, indien althans aan de hierboven onder 1 tot en met 6 genoemde voorwaarden is voldaan. Echter, deze vreemdelingen komen niet in aanmerking voor een terugkeervisum wanneer het de terugkeer vanuit het land van herkomst betreft.

Vreemdelingen in het bezit van een verblijfsvergunning

In principe hebben vreemdelingen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning asiel dan wel regulier geen terugkeervisum nodig indien zij na een reis naar het buitenland (binnen dan wel buiten het Schengengebied) weer naar Nederland willen terugkeren. Immers, deze vreemdelingen hebben zonder visum toegang tot Nederland indien zij beschikken over:

  • een paspoort of ander erkend reisdocument en een afzonderlijk document als bedoeld in bijlage 7 VV; of

  • een paspoort en een door het ministerie van BuZa afgegeven geprivilegieerdendocument (zie A2/6.2.3).

Niettemin kan aan deze vreemdelingen op hun verzoek een terugkeervisum worden afgegeven, indien zij dit visum nodig hebben voor de reis door of naar een land gelegen buiten het Schengengebied (bijvoorbeeld ter verkrijging van visumfaciliteiten voor of toegang tot dat land).

Het vorenstaande geldt ook voor:

  • Molukkers die op grond van de Wet betreffende de positie van Molukkers (Stb.1976, 468) als Nederlander worden behandeld; en

  • vreemdelingen die al wel een positieve beslissing op hun aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier hebben ontvangen maar nog in afwachting zijn van een verblijfsdocument als bedoeld in bijlage 7 VV.

Zij behoeven hiervoor géén dringende reden aan te dragen.

De geldigheidsduur van zowel het grensoverschrijdingsdocument als de geldigheidsduur van de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning dient de duur van het terugkeervisum met ten minste één maand te overschrijden.

Het terugkeervisum wordt voor ten hoogste één jaar verleend. Dit is slechts anders ten aanzien van Molukkers die op grond van de Wet betreffende de positie van Molukkers (Stb.1976, 468) als Nederlander worden behandeld. Aan hen kan voor een periode van langer dan 1 jaar een terugkeervisum worden verleend. Dit laat onverlet dat de vreemdeling zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland mag vestigen. De geldigheidsduur van een terugkeervisum kan na uitreis niet worden gewijzigd of verlengd. Het terugkeervisum kan, voor de hiervoor genoemde vreemdelingen, worden verleend voor één of meerdere reizen.

Terugkeervisa aan vreemdelingen die in afwachting zijn van een beslissing op hun aanvraag tot verlenging of wijziging van de vergunning

Een terugkeervisum kan tevens worden verstrekt aan de vreemdeling die in het bezit is (was) van een verblijfsvergunning, indien hij (tijdig) verlenging of wijziging van de beperking van zijn vergunning heeft gevraagd. In deze gevallen behoeft geen dringende reden te worden aangevoerd. De overige voorwaarden zoals eerder vermeld onder 2 tot en met 6 ‘vreemdeling in procedure’ blijven onverkort van kracht.

Aan studenten die in afwachting zijn van een beslissing op hun aanvraag tot verlenging van de verleende vergunning kan – indien zij in het kader van hun studie voor langere tijd naar het buitenland moeten reizen – een terugkeervisum worden verleend met een geldigheidsduur van maximaal zes maanden. De student dient de noodzaak en de duur van zijn verblijf in het buitenland met documenten te onderbouwen.

Houders van een verblijfsvergunning asiel

Een terugkeervisum kan worden verleend aan een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd. Zij behoeven hiervoor géén dringende reden aan te dragen. Echter, deze vreemdelingen komen niet in aanmerking voor een terugkeervisum wanneer het de terugkeer vanuit het land van herkomst betreft. Het is hierbij niet van belang of het om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of voor onbepaalde tijd gaat.

Indien de vreemdeling beschikt over een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, vormt een aanvraag tot het verlenen van een terugkeervisum voor terugkeer uit het land van herkomst grond om op basis van artikel 32, eerste lid, onder c, Vw een aanvraag tot verlenging van die verblijfsvergunning af te wijzen. De grond voor verlening is daaraan immers kennelijk ontvallen. Ook de vreemdeling die beschikt over een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd komt niet in aanmerking voor een terugkeervisum voor terugkeer uit het land van herkomst, aangezien diens vluchtelingenpaspoort niet geldig is voor zijn land van herkomst.

Indien de vreemdeling die in het bezit is van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, van oordeel is dat hij niet meer behoeft te vrezen voor vervolging in zijn land van herkomst, bijvoorbeeld vanwege een regimewijziging, dan kan hij zich tot de eigen autoriteiten wenden voor het verkrijgen van een nieuw nationaal document voor grensoverschrijding, waarmee hij naar het land van herkomst kan reizen.

Kosten terugkeervisa

Voor de behandeling van een aanvraag voor een terugkeervisum zijn leges verschuldigd (zie verder A2/4.3.5).

Ad b Visum voor verblijf van langere duur (mvv) (type D)

Visa voor een verblijf van langere duur (type D) zijn visa die door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van een Schengenstaat overeenkomstig de eigen wetgeving worden afgegeven. In de Nederlandse situatie geeft het D-visum de houder het recht tot inreis in Nederland om vervolgens een verblijfsvergunning aan te vragen voor een verblijf van langer dan drie maanden.

Een dergelijk visum geeft de houder bovendien het recht op doorreis over het grondgebied van de overige Schengenstaten te reizen, teneinde zich te begeven naar het Schengenstaat dat het visum heeft verleend. Voor een dergelijke doorreis dient de vreemdeling overigens te voldoen aan de normale voorwaarden voor binnenkomst als bedoeld in A2/4.2, met uitzondering van het middelenvereiste (zie ook hoofdstuk I, paragraaf 2.2 en hoofdstuk V, paragraaf 5, BNL-kader, GVI).

De mvv is een nationaal visum dat wordt afgegeven door een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland (artikel 1, onder h, Vw).

Een mvv-verklaring, in de vorm van een voorbedrukt formulier (zie BNL-bijlage VI, GVI), kan in de plaats komen van de mvv gesteld in het paspoort. In dat geval moet de houder van de verklaring steeds in het bezit zijn van het daarin aangegeven reisdocument.

Zie voor bepalingen omtrent aanvraag, afgifte en vrijstellingen van een mvv B1/1.1, B1/1.2 en B1/4.1.1 van de Vc.

Ad c Mvv gecombineerd met visum kort verblijf (D+C-visum)

De aanvraag om afgifte van een mvv leidt in de praktijk veelal tot afgifte van een D+C-visum. Dit is een combinatie van een nationaal visum voor langere duur met een reisvisum (zie artikel 18, SUO, hoofdstuk I, paragraaf 2.2, GVI en B1/1).

Het C-deel van dit combinatievisum is geldig voor een periode van maximaal negentig dagen vanaf de dag van afgifte en wordt verstrekt als multi-entry visum. Het D-deel van het combinatievisum is geldig voor een periode van honderdtachtig dagen vanaf de datum van afgifte.

4.3.4. Verplichting tot aanmelding

Vreemdelingen aan wie verblijf in de vrije termijn is toegestaan en die naar Nederland zijn gekomen voor een verblijf van ten hoogste drie maanden, zijn in beginsel verplicht zich binnen drie dagen in persoon te melden bij de vreemdelingenpolitie van de gemeente waar zij verblijven (zie artikel 4.48 Vb). Het kan daarbij zowel om niet-visumplichtige als om visumplichtige vreemdelingen gaan. De verplichting tot aanmelding bij de vreemdelingenpolitie voor deze laatste groep hoeft niet expliciet op de visumsticker te zijn vermeld. Niet nakoming van een verplichting tot aanmelding is een strafbaar feit (zie artikel 108, eerste lid, Vw).

Bij afgifte van een visum kan de verplichting worden opgelegd zich binnen 3 dagen na aankomst bij de vreemdelingenpolitie te melden (artikel 4.49 Vb). In dat geval wordt onder het visum een aantekening gesteld (zie bijlage 9 GVI).

4.3.5. Kosten

De kosten voor een aanvraag tot het verlenen van een visum zijn vastgelegd in bijlage 12 GVI.

Dit is nader uitgewerkt in de Regeling van de Minister van BuZa van 12 december 2003, nr. DJZ/BR-1003/2003 tot vaststelling van de tarieven voor consulaire dienstverlening (Regeling op de consulaire tarieven), zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van 29 mei 2007, nr. DJZ/BR/0201/2007, waarin nader is bepaald dat voor de aanvraag of wijziging van een visum dan wel verlenging van de geldigheidsduur van een visum kosten in rekening worden gebracht.

Indien aan de vreemdeling bij één gelegenheid verschillende visumfaciliteiten worden verleend, dan wordt éénmaal (het hoogste bedrag) geheven.

De ZHP maakt de geheven visumgelden in verband met het verlengen en wijzigen van visa voor in de regio Rotterdam-Rijnmond verblijvende zeelieden ten minste éénmaal per maand over op de rekening van de IND. Het totaalbedrag van elke storting of overschrijving wordt aan de IND gespecificeerd verantwoord.

De (overige) door de KMar en de ZHP aan de grens geheven visumgelden worden wekelijks, vergezeld van een gespecificeerde verantwoording, overgemaakt op de rekening van het ministerie van BuZa.

Vrijstelling van kosten

Visa worden op grond van artikel 3 Rijksbesluit op de consulaire tarieven kosteloos verleend aan de vreemdeling die houder is van een diplomatiek paspoort.

Daarnaast zijn vrijgesteld van kosten de in artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vw bedoelde familieleden van een onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland die zijn recht op vrij verkeer uitoefent (zie hoofdstuk VII, § 4 en BNL-kader, GVI).

Voorts kan de Minister van BuZa in andere gevallen waarin overwegingen van internationale hoffelijkheid of reciprociteit besluiten om visa kosteloos te verstrekken (zie artikel 3 Rijksbesluit op de consulaire tarieven). In de visumfacilitatieovereenkomst tussen de EU en Rusland is op basis van reciprociteit vastgelegd dat bepaalde categorieën personen zijn vrijgesteld van de plicht om leges te betalen voor visa.

Indien het visum kosteloos is verstrekt, wordt een eventuele wijziging of verlenging van het visum eveneens kosteloos verleend.

Terugkeervisa worden op grond van artikel 3a, eerste lid, Regeling op de consulaire tarieven kosteloos afgegeven aan vreemdelingen op wie de Wet betreffende de positie van Molukkers van toepassing is, op grond waarvan zij voor terugkeer naar Nederland geen visum behoeven.

4.3.6. Wijziging en verlenging van visa

Het verblijf op basis van een visum kan in geen geval de termijn van drie maanden overschrijden. Ook bij wijziging of verlenging is die maximale termijn van drie maanden relevant, dat wil zeggen de duur van het oorspronkelijke visum met inbegrip van de verlenging. Dit is alleen anders bij een nationale verlenging (zie hieronder). Zie voor nadere bepalingen omtrent wijziging en verlenging hoofdstuk I, § 2.6, BNL-kader en BNL-bijlage II en III, GVI.

Voor de in te vullen aanvraag om verlenging of wijziging van de geldigheidsduur van een visum, wordt verwezen naar model M5-A. Voor de beschikking waarmee een dergelijke aanvraag wordt afgewezen, wordt verwezen naar model M5-C.

4.3.6.1. Wijziging

Omzetten enkelvoudig in meervoudig reisvisum

Een reisvisum dat is afgegeven door één van de Schengenstaten voor één binnenkomst kan, indien zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen, bij wijze van uitzondering voor bepaalde categorieën van personen en onder bepaalde voorwaarden worden omgezet naar een reisvisum voor meer binnenkomsten. De Visadienst zet deze reisvisa om. Het omzetten van visa voor in de regio Rotterdam-Rijnmond verblijvende zeelieden geschiedt door de ZHP.

Bij het omzetten wordt terughoudendheid betracht, aangezien de integriteit en betrouwbaarheid van de aanvrager in principe slechts in het land van herkomst afdoende kan worden getoetst. Het omzetten naar een meervoudig visum kan worden gezien als een verlenging van de geldigheidsduur: het maakt de facto een langer verblijf in het Schengengebied mogelijk dan indien het visum niet zou worden omgezet.

De aanvraag van het omzetten van enkelvoudige naar meervoudige visa ziet dan ook in het bijzonder op overmacht, humanitaire, ernstige beroepsmatige of persoonlijke redenen (zie Besluit van het Uitvoerend Comité van 14 december 1993 betreffende de Verlenging van het Eenvormig Visum).

Bij de beoordeling van de aanvraag voor het omzetten naar een meervoudig reisvisum wordt allereerst de noodzaak van de omzetting getoetst:

  • a. de vreemdeling maakt voldoende aannemelijk dat het bij de aanvraag van het enkelvoudige visum niet reeds in rede lag een meervoudig visum aan te vragen;

  • b. de vreemdeling toont aan dat er sprake is van overmacht, van onvoorziene en ernstige beroepsmatige of persoonlijke redenen.

Daarbij is het van belang dat de vreemdeling in de laatste zes maanden niet reeds langer dan drie maanden in het Schengengebied heeft verbleven (zie GVI, hoofdstuk II, § 2, punt 2.1.3).

Vervolgens worden de bijzondere redenen getoetst die worden aangevoerd voor het omzetten naar een visum voor meer binnenkomsten. Hiervan is sprake indien de aanvrager aantoont aan dat hij om bijzondere redenen belang heeft bij de mogelijkheid meer dan een keer het Schengengebied binnen te reizen en de aangevoerde redenen, die kunnen zijn gelegen in de zakelijke of persoonlijke omstandigheden, van voldoende zwaarwegende aard zijn.

Tenslotte worden bij de omzetting de overige voorwaarden voor de afgifte van een visum (nogmaals) getoetst:

  • a. d e vreemdeling voldoet aan de toelatingsvoorwaarden zoals gesteld in artikel 5, lid 1, onder a, c, d en e, SGC;

  • b. de vreemdeling beschikt over een geldige ziektekostenverzekering;

  • c. de vreemdeling heeft het voornemen werkelijk naar het land van herkomst terug te keren; en

  • d. heeft een gewaarborgde toelating in een ander land.

Het gevolg van een omzetting mag niet zijn dat, meer dan op grond van de aangevoerde omstandigheid noodzakelijk wordt geacht, gebruik kan worden gemaakt van meervoudige binnenkomsten en van de initieel toegekende vrije termijn.

Het gevolg van een omzetting mag evenmin zijn dat de duur aangegeven in initieel visum wordt overschreden of bij de herhaalde binnenkomst meer dan drie maanden per zes maanden in het Schengengebied wordt verbleven (zie artikel 11, eerste lid, onder a, SUO).

Het gevolg van een omzetting mag in ieder geval niet zijn dat het visum voor een oneigenlijk doel wordt gebruikt.

Indien een reisvisum voor meer reizen geldig gemaakt wordt, wordt in het reisdocument van de vreemdeling een nieuw Schengenvisumsticker aangebracht. Indien de vreemdeling houder is van een visumverklaring, wordt de visumsticker op een afzonderlijk vel papier aangebracht.

Omzetting doorreisvisum in reisvisum

Aan houders van een doorreisvisum wordt na het verstrijken van de geldigheidsduur van het visum in beginsel geen verder verblijf toegestaan. Indien de Visadienst, de ZHP of de KMar echter van mening is dat er bijzondere redenen zijn om aan de houder van een doorreisvisum verder verblijf in de vrije termijn toe te staan, wordt het doorreisvisum omgezet in een reisvisum. In dat geval wordt gebruik gemaakt van een Schengenvisumsticker.

Informeren van diplomatieke posten en van centrale autoriteiten van Schengenstaten

De visumautoriteit die een visum wijzigt, informeert de diplomatieke vertegenwoordiging die het visum heeft afgegeven.

Voor zover het een door een andere Schengenstaat afgegeven visum betreft, stelt de visumautoriteit in beginsel binnen 72 uur de centrale autoriteiten van de Schengenstaat die het visum heeft afgegeven in kennis van de wijziging.

4.3.6.2. Verlenging van geldigheidsduur

In bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden kunnen door één van de Schengenstaten afgegeven visa worden verlengd door de Visadienst. Het verlengen van visa voor in de regio Rotterdam-Rijnmond verblijvende zeelieden geschiedt bij de doorlaatpost Rotterdam-Havens door de ZHP. Voor zover het een door een andere Schengenstaat afgegeven visum betreft, stelt de Visadienst in beginsel binnen 72 uur de centrale autoriteiten van de Schengenstaat dat het visum heeft afgegeven in kennis van de verlenging.

De geldigheidsduur kan worden verlengd indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • De vreemdeling voldoet aan de in artikel 12, eerste lid, Vw genoemde voorwaarden;

  • De vreemdeling kan aantonen dat hij er om bijzondere redenen belang bij heeft langer in het Schengengebied te verblijven dan de duur waarvoor het oorspronkelijke visum geldig was. Zulke bijzondere omstandigheden kunnen bijvoorbeeld gelegen zijn in onvoorziene wijziging in de omstandigheden sinds de binnenkomst. Een aanvraag tot visumverlenging moet voldoende gemotiveerd zijn en in het bijzonder gebaseerd zijn op overmacht, humanitaire, ernstige beroepsmatige of persoonlijke redenen. Het gevolg van een verlenging mag in ieder geval niet zijn dat het visum voor een oneigenlijk doel wordt gebruikt;

  • De duur van de visumverlenging en de duur waarvoor het oorspronkelijke visum verblijf toestond, mogen samen niet meer dan drie maanden bedragen. Binnen Schengen is een verdergaande verlenging van het eenvormige visum niet mogelijk;

  • Toelating van de vreemdeling in een ander land moet zijn gewaarborgd;

  • Er moet een reisbiljet voorhanden zijn dat geldig is voor de reis naar een land waar toelating van de vreemdeling is gewaarborgd; dit reisbiljet kan zo nodig tot aan het vertrek van de vreemdeling worden ingehouden;

  • De reeds bij afgifte van het visum voor kort verblijf afgesloten ziektekostenverzekering moet zijn verlengd; en

  • Tussen de datum tot welke het visum verlengd wordt en de uiterste datum waarop toelating van de vreemdeling in een ander land is gewaarborgd moet een termijn van ten minste drie maanden liggen. Bij de bepaling van deze termijn moet niet alleen gelet worden op de geldigheidsduur van het paspoort, maar ook op de in dat reisdocument eventueel gestelde visa voor terugkeer naar het land van herkomst of doorreis door derde landen.

In geval van een nationale verlenging van de geldigheidsduur van het visum, waarbij de geldigheid van het visum wordt beperkt tot de Benelux, kan de geldigheidsduur van een visum, indien zeer bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, nog eens worden verlengd met maximaal negentig dagen (zie artikel 11, tweede lid, SUO). De duur van het eerste oorspronkelijke visum (inclusief de eventuele eerdere verlenging voor het gehele Schengengebied) en de nationale verlenging mogen samen niet meer dan zes maanden bedragen. Deze zeer bijzondere omstandigheden moeten in ieder geval gebaseerd zijn op overmacht of op strikt humanitaire redenen.

Ook het wezenlijk Nederlands belang kan aanleiding vormen om tot een nationale verlenging van de geldigheidsduur van een visum over te gaan. Het betreft hier zeer bijzondere gevallen waarbij nationale belangen, zoals bijvoorbeeld het internationaal aanzien van Nederland, economische en/of culturele belangen, in het geding zijn.

De geldigheid van het visum wordt hier beperkt tot Nederland. In deze gevallen dient soepel met de nationale verlenging met nog eens negentig dagen te worden omgegaan. Hiervoor geldt dat de duur van het eerste visum en de nationale verlenging samen niet meer dan zes maanden mogen bedragen, voor zover het verblijf boven de drie maanden is ingegeven door voorafgaande verblijven in andere Schengenlanden, waardoor niet zou kunnen worden voldaan aan het criterium van drie maanden verblijf per periode van zes maanden.

Studenten die op basis van het Erasmus Mundus programma langer in het Schengengebied willen verblijven en deelnemers van internationale gezelschappen zoals Cirque du Soleil worden in dit verband aangemerkt als zeer bijzondere gevallen. Verlenging boven de drie maanden is in die gevallen dan ook noodzakelijk ten einde het programma of voorstelling ook hier te lande te kunnen volbrengen c.q. geven. In de overige gevallen dient er sprake te zijn van zeer bijzondere omstandigheden die gebaseerd zijn op overmacht of op strikt humanitaire redenen.

In geval van visumverlenging wordt in het reisdocument van de vreemdeling een Schengenvisumsticker aangebracht. Indien de vreemdeling houder is van een visumverklaring wordt de sticker op een afzonderlijk vel papier aangebracht.

Bijzondere categorieën

  • Houders van een geprivilegieerdendocument afgegeven door het ministerie van BuZa; de geldigheidsduur van het visum van deze personen hoeft niet te worden verlengd.

  • Houders van een diplomatiek paspoort die niet in het bezit zijn van een door het ministerie van Buza afgegeven geprivilegieerdendocument: verlenging van de geldigheidsduur van het visum geschiedt door de directie Kabinet en Protocol van het ministerie van BuZa.

4.3.7. Intrekking van visa

Indien de Korpschef constateert dat de houder van een nog geldig visum niet of niet meer aan de voorwaarden van artikel 12 Vw voldoet, moeten maatregelen getroffen worden ten behoeve van de verwijdering van de vreemdeling in kwestie.

De Korpschef dient hiertoe contact op te nemen met de Visadienst in verband met de intrekking van het visum. Indien het visum wordt ingetrokken, komt daarmee de resterende geldigheidsduur van het visum te vervallen (zie ook hoofdstuk I, § 2.7, BNL-kader en BNL-bijlage III).

De intrekking geschiedt door, bij voorkeur met rode inkt, op het visum de volgende vermelding aan te brengen:

“INGETROKKEN op ……. (datum), omdat niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 12 Vw.”

Deze aantekening moet worden voorzien van een dienststempel en een paraaf van de desbetreffende ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen. De vreemdeling wordt aangezegd om Nederland onmiddellijk te verlaten.

Bij verwijdering van de vreemdeling die houder is van een visumverklaring moet deze verklaring worden ingehouden en worden toegezonden aan de Visadienst.

Voor zover het een door een andere Schengenstaat afgegeven visum betreft, stelt de Visadienst in beginsel binnen 72 uur de centrale autoriteiten van de Schengenstaat dat het visum heeft afgegeven in kennis van de intrekking.

Intrekking van een visum dient te worden onderscheiden van annulering (zie daarvoor A2/4.3.8.4).

4.3.8. Visumfaciliteiten aan de grens

Ook aan de grens worden onder voorwaarden reis- en doorreisvisa afgegeven. Bevoegd inzake visumafgifte aan de grens zijn de ambtenaren belast met grensbewaking.

4.3.8.1. Soorten visa

Aan de grens kunnen (in individuele of collectieve vorm) onder bepaalde voorwaarden (zie Verordening 415/2003 en BNL-bijlage I GVI) worden afgegeven:

  • eenvormige visa, zonder territoriaal beperkte geldigheid;

  • visa met territoriaal beperkte geldigheid;

  • doorreisvisa voor transiterende zeelieden.

4.3.8.2. Voorwaarden verlening van visa aan de grens

De voorwaarden voor verlening van een visum aan de grens zijn opgenomen in artikel 1 van Verordening 415/2003 (zie ook BNL-bijlage I GVI). De belangrijkste voorwaarde hierbij is dat de vreemdeling kan aantonen dat door onvoorziene en dringende redenen hij niet in de gelegenheid is geweest een visum aan te vragen voorafgaand aan zijn komst naar de betreffende Schengenstaat. Overigens kan dit niet worden tegengeworpen aan familieleden van EU, EER of Zwitserse onderdanen die vallen onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer van personen.

Zie voor de visumafgifte aan de grens aan zeelieden Verordening Nr. 415/2003 en hoofdstuk V, § 4, BNL-kader, GVI.

4.3.8.3. Praktische handelingen

Invulling

Invulling van visa mag alleen plaatsvinden met gebruikmaking van speciale pennen, die voorzien zijn van onuitwisbare inkt. Indien de betreffende grensdoorlaatpost is geautomatiseerd, vindt afgifte plaats met behulp van speciale visumprinters. De visumsticker dient eerst volledig te worden ingevuld, alvorens zij in het betreffende document mag worden aangebracht. Voor wat betreft de invulling van de visumsticker zie hoofdstuk VI GVI.

Aanbrengen van wijzigingen

Het aanbrengen van wijzigingen in visumstickers is niet toegestaan (zie ook hoofdstuk VI, § 5.2, GVI). Indien er aanleiding bestaat om een doorreisvisum in een reisvisum om te zetten, betekent dit, dat het aanwezige visum dient te worden geannuleerd (zie A2/4.3.8.4) en een nieuw visum dient te worden afgegeven.

Wijziging van de geldigheidsduur van een visum

Indien de houder van een visum bij binnenkomst niet beschikt over voldoende bestaansmiddelen voor de gehele periode waarvoor zijn visum geldig is of wanneer de datum van terugreis van zijn retourpassagebiljet valt voor de datum van afloop van de geldigheidsduur van het visum, dient de geldigheidsduur van zijn visum aangepast te worden aan hetzij de voor handen zijnde bestaansmiddelen hetzij de datum van de terugvlucht.

Voor de in te vullen aanvraag om wijziging van de geldigheidsduur van een visum wordt verwezen naar model M5-A. Voor de beschikking waarmee een dergelijke aanvraag wordt afgewezen wordt verwezen naar model M5-C.

Voor de wijziging van de geldigheidsduur dient vooraf toestemming te worden verleend door de Visadienst. Voorzover het een door een andere Schengenstaat afgegeven visum betreft, stelt de Visadienst in beginsel binnen 72 uur de centrale autoriteiten van de Schengenstaat dat het visum heeft afgegeven in kennis van de wijziging.

4.3.8.4. Annulering van visa

Indien een vreemdeling nog geen toegang tot het Schengengebied heeft verkregen, kan het visum worden geannuleerd. Annulering kan alleen aan de grens geschieden en dient te geschieden door de ambtenaar belast met de grensbewaking. De annulering werkt terug tot en met het tijdstip van de verlening (zie bijlage 14 GVI en BNL-bijlage III GVI).

Het visum wordt in de volgende gevallen geannuleerd:

  • indien de houder van het visum met het oog op weigering van toegang in het (N)SIS staat gesignaleerd, tenzij de betrokkene houder is van een door een van de lidstaten afgegeven visum of terugkeervisum en hij toegang wenst met het oog op doorreis tot het grondgebied van de lidstaat die het document heeft afgegeven;

  • indien er ernstige redenen bestaan om aan te nemen dat het visum op onrechtmatige/frauduleuze wijze is verkregen (bijvoorbeeld indien het evident is dat de houder van het visum valse of vervalste documenten heeft gebruikt voor verkrijging van het visum, of indien het opgegeven reisdoel een ander is, dan bij de visumaanvraag is aangegeven);

  • indien het opgegeven land van hoofdverblijf niet in overeenstemming is met het land van visumafgifte en de vreemdeling het door hem opgegeven doel en duur van het verblijf niet alsnog aannemelijk kan maken (zie A2/4.2.3.1).

Het feit dat de onderdaan van een derde land aan de grens niet alle in artikel 5, tweede lid, SGC bedoelde bewijsstukken kan overleggen, leidt niet automatisch tot een besluit tot annulering van het visum. Annulering dient te worden onderscheiden van weigering van toegang, welke procedure inhoudt dat het visum niet wordt geannuleerd maar dat de ambtenaar belast met grensbewaking de houder van het visum de toegang tot het grondgebied weigert, bijvoorbeeld doordat de houder van het visum niet de bewijsstukken met betrekking tot het reisdoel kan tonen (zie BNL-bijlage III), of indien bij een reisvisum voor meerdere binnenkomsten betrokkene niet in het bezit blijkt te zijn van voldoende middelen van bestaan.

Voorafgaand aan het annuleren van het nog geldige visum (zowel visa afgegeven door de Nederlandse vertegenwoordiging als visa afgegeven door een andere Schengenstaat) dient toestemming door de Visadienst te worden verleend.

De annulering van het visum dient te geschieden door het aanbrengen van een stempel ‘GEANNULEERD’. In dat geval worden het optisch variabel kenmerk van de visumsticker, het veiligheidskenmerk “latent-beeldeffect” en het woord “visum” ter voorkoming van verder misbruik vernietigd door middel van een doorhaling.

De ambtenaar belast met de grensbewaking stelt de Visadienst van deze beslissing onverwijld in kennis (zie bijlage 14 GVI en BNL-bijlage III GVI). Van geannuleerde visa dienen de volgende gegevens aan de Visadienst te worden verstrekt:

  • datum en reden van annulering;

  • naam van de houder van het visum;

  • nationaliteit van de houder van het visum;

  • aard en nummer van het reisdocument;

  • nummer van de visumsticker;

  • soort visum;

  • datum en plaats waarop het visum werd afgegeven;

  • vreemdelingennummer.

Voor zover het een door een andere Schengenstaat afgegeven visum betreft, stelt de Visadienst in beginsel binnen 72 uur de centrale autoriteiten van de Schengenstaat dat het visum heeft afgegeven in kennis van de annulering.

Annulering van een visum dient te worden onderscheiden van de intrekking van een visum (zie daarvoor A2/4.3.7).

4.3.8.5. Registratie en informatie

Indien een territoriaal beperkt visum aan de grens wordt verleend – in gevallen waarin raadpleging vereist was – dienen de betrokken Schengenstaten onverwijld te worden ingelicht. De Visadienst dient dan ook zo spoedig mogelijk in kennis te worden gesteld van alle aan de grens afgegeven visa.

Tevens dient opgave te worden gedaan van de visumstickers die zijn vervallen als gevolg van verschrijvingen of die anderszins onbruikbaar zijn geworden. Bedoelde stickers mogen niet worden vernietigd. Ten aanzien van stickers die onverhoopt toch worden vernietigd, bijvoorbeeld door storingen bij het printen, wordt een proces-verbaal opgemaakt en wordt verslag uitgebracht aan het ministerie van Buza.

4.4. Vrije termijn

4.4.1. Voorwaarden voor verblijf in de vrije termijn

Verblijf in de vrije termijn is van rechtswege toegestaan aan vreemdelingen, indien en zolang zij voldoen aan de in artikel 12 Vw gestelde voorwaarden.

Het recht op verblijf in de vrije termijn wordt ingevolge dit artikel van rechtswege verkregen zodra de vreemdeling aan de volgende voorwaarden voldoet:

  • hebben voldaan aan de verplichtingen in verband met de grensoverschrijding;

  • inachtneming van het bij en krachtens de Vw bepaalde;

  • beschikken over voldoende middelen van bestaan;

  • geen arbeid verrichten in strijd met de Wav;

  • geen gevaar opleveren voor de openbare orde of de nationale veiligheid.

Het recht op verblijf in de vrije termijn vervalt van rechtswege zodra:

  • de vreemdeling niet meer aan de gestelde voorwaarden voldoet, of

  • de duur van de vrije termijn is verstreken.

Sinds de implementatie op 29 april 2006 van Richtlijn 2004/38 wordt ten aanzien van onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland die hun recht op vrij verkeer van personen uitoefenen niet langer onderscheid gemaakt tussen rechtmatig verblijf in de vrije termijn en rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan (zie A2/6.2.2 en B10).

4.4.3. Het bepaalde bij en krachtens de Vw

Met deze voorwaarde voor verblijf in de vrije termijn wordt gedoeld op het feit dat de vreemdeling de verplichtingen in acht neemt waaraan hij in het belang van het toezicht op vreemdelingen is onderworpen (zie A3).

Voor verblijf in de vrije termijn zijn vooral van belang de:

4.4.4. Middelen van bestaan

Voor een toelichting op deze voorwaarde wordt verwezen naar het gestelde in A2/4.2.3.2. In aanvulling daarop wordt in het kader van verblijf in de vrije termijn opgemerkt dat voldoende middelen van bestaan ook blijken uit inkomsten uit hier te lande te verrichten werkzaamheden of te verlenen diensten. Voor bepaalde werknemers is een tewerkstellingsvergunning vereist, zie hiervoor B5. De duur van de te verrichten werkzaamheden of diensten zal die van de vrije termijn niet mogen overschrijden.

Ook voor wat betreft het stellen van zekerheid wordt verwezen naar het gestelde onder A2/4.2.3.2. Naar het stellen van zekerheid wordt doorgaans gevraagd bij binnenkomst door de ambtenaar belast met grensbewaking. Is dit niet bij binnenkomst gebeurd, dan kan de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen in de daarvoor in aanmerking komende gevallen alsnog aan de vreemdeling vragen om zekerheid te stellen.

4.4.6. Gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid

Aan vreemdelingen die gevaar opleveren voor de openbare orde of de nationale veiligheid is geen verblijf tijdens de vrije termijn toegestaan. Onder gevaar voor de openbare orde zijn mede begrepen gevaar voor de openbare rust, de goede zeden, de volksgezondheid en de internationale betrekkingen. Voor een toelichting op deze voorwaarde wordt verwezen naar A2/4.2.5.

Van gevaar voor de openbare orde zal sprake zijn indien de vreemdeling in het OPS staat gesignaleerd als ‘ongewenst vreemdeling’ of als ‘ongewenstverklaarde vreemdeling’. Tevens kan een vreemdeling ter fine van weigering van toegang tot Nederland dan wel het Schengengebied in het (N)SIS geregistreerd staan. Wat betreft bijzonderheden met betrekking tot signaleringen zie A3/9.

4.4.7. De duur van de vrije termijn

Verblijf in de vrije termijn is toegestaan voor een bij artikel 3.3 Vb bepaalde duur, indien en zolang aan de in artikel 12 Vw gestelde voorwaarden wordt voldaan.

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • a. vreemdelingen die een verblijf van ten hoogste drie maanden beogen; en

  • b. vreemdelingen die een verblijf van langer dan drie maanden beogen.

Het verblijf in de vrije termijn bedraagt ten hoogste drie maanden binnen een tijdvak van zes maanden. Het tijdvak van zes maanden vangt aan op het moment van eerste binnenkomst van de vreemdeling in het Schengengebied (eventueel) met het op dat moment geldige visum.

De termijn van drie maanden wordt berekend door op de datum van inreis in Nederland vast te stellen of de vreemdeling in de voorafgaande zes maanden in het Schengengebied heeft verbleven. Indien dat niet het geval is kan de volle termijn van drie maanden worden benut vanaf de datum van inreis in Nederland. Indien de vreemdeling in de voorafgaande zes maanden reeds in het Schengengebied heeft verbleven wordt aan de hand van de datum van inreis in het Schengengebied berekend hoeveel dagen van de in totaal drie maanden vrije termijn resteert, ook al ligt deze datum van inreis vóór de zes maanden vanaf datum binnenkomst. Na deze eerste termijn van zes maanden, gaat er dan een nieuwe termijn van zes maanden lopen waarbinnen een derdelander drie maanden in het Schengengebied mag verblijven. De eerder binnen de tweede termijn verbleven periode wordt dan afgetrokken van de drie maanden vrije termijn. Bij de berekening van de vrije termijn zijn inreisstempels in één van de Schengenlanden leidend.

Ad a Een beoogd verblijf van ten hoogste drie maanden

Categorieën van vreemdelingen: duur vrije termijn niet-visumplichtigen: drie maanden (zie artikel 3.3, eerste lid, aanhef, onder c en d, Vb);

  • visumplichtigen (C-visum): voor de duur aangegeven in het visum;

  • houders van een luchthaventransitvisum (A-visum): geen;

  • houders van een doorreisvisum met recht van oponthoud (B-visum): voor de duur aangegeven in het visum (ten hoogste vijf dagen. Zie artikel 3.3, eerste lid, aanhef en onder b, Vb);

  • houders van een reisvisum: voor de duur aangegeven in het visum (ten hoogste drie maanden. Zie artikel 3.3, eerste lid, aanhef en onder b, Vb);

  • houders van een reisvisum geldig voor meerdere reizen: voor de duur aangegeven in het visum waarbij voor elke binnenkomst geldt dat deze ten hoogste drie maanden per zes maanden bedraagt (zie artikel 11, eerste lid, onder a, SUO);

  • houders van een bijzonder doorlaatbewijs: voor de duur aangegeven in het bewijs (zie model M6).

Zie voor de geldigheidsduur van visa A2/4.3.

Op grond van artikel 3.3, derde lid, Vb kan de vrije termijn van niet-visumplichtige vreemdelingen in geval van bijzondere omstandigheden worden verlengd tot zes maanden. De Minister van Justitie is hiertoe bevoegd. Hierbij kan worden gedacht aan situaties van overmacht, zoals ernstige ziekte van familieleden of van de vreemdeling zelf of een zeer gewichtige zakelijk belang, waardoor een verblijf ná de drie maanden van de vrije termijn gewenst is. Ook op grond van het criterium wezenlijk Nederlands belang, zoals dat bij verlenging van de geldigheidsduur van visa staat beschreven (zie A2/4.3.6.2), kan tot verlenging van de vrije termijn tot zes maanden worden overgegaan.

Om deze verlenging van de vrije termijn zichtbaar te maken wordt gebruik gemaakt van de sticker verblijfsaantekening algemeen, die in het paspoort wordt aangebracht. Voor deze verlenging van de vrije termijn worden geen kosten in rekening gebracht.

Ad b Beoogd verblijf van langer dan drie maanden

Vreemdelingen die een verblijf in Nederland beogen van langer dan drie maanden moeten in beginsel in het bezit zijn van een geldige mvv. Bij ontbreken van de vereiste mvv komt de vreemdeling in beginsel niet voor een verblijfsvergunning in aanmerking (zie artikel 16, eerste lid, onder a, Vw).

De vrije termijn van vreemdelingen die voor een verblijf van langer dan drie maanden naar Nederland zijn gekomen, bedraagt acht dagen (zie artikel 3.3, eerste lid, aanhef en onder e, Vb).

Voor niet-visumplichtige vreemdelingen en houders van een reisvisum die aanvankelijk naar Nederland zijn gekomen voor een verblijf van ten hoogste drie maanden, verstrijkt de vrije termijn uiterlijk op de achtste dag nadat zich omstandigheden hebben voorgedaan waaruit kan worden afgeleid dat zij het voornemen hebben langer dan drie maanden in Nederland te verblijven (zie artikel 3.3, tweede lid, Vb). Dit voornemen kan bijvoorbeeld blijken uit het indienen van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning, het huren van woonruimte of het aanvaarden van werk voor langer dan drie maanden.

5. Toezicht aan de buitengrens, toegangsverlening en toegangsweigering

5.1. Algemene aandachtspunten

Alvorens op de verschillende aspecten van toezicht aan de buitengrens wordt ingegaan, wordt een drietal algemene opmerkingen geplaatst.

Het is niet mogelijk om een aanvraag om een mvv dan wel een verblijfsvergunning regulier aan een grensdoorlaatpost of door tussenkomst van een ambtenaar belast met de grensbewaking in te dienen. Dit, om tegen te gaan dat het mvv-vereiste en de bijbehorende aanvraagprocedure vanuit het buitenland worden omzeild.

Het bovenstaande doet niet af aan de mogelijkheid om aangifte te doen inzake mensenhandel. Een dergelijke aangifte wordt ambtshalve aangemerkt als een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier. De procedure als beschreven in B9 is van toepassing.

Indien een vreemdeling bij een ambtenaar belast met de grensbewaking aangeeft een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel te willen indienen, dient gehandeld te worden overeenkomstig het gestelde in C9/2.1.1.1.

5.2. Minimumcontrole en grondige controle

Ingevolge artikel 7 SGC zijn er twee basisvormen van grenscontrole te onderscheiden: de minimumcontrole en de grondige controle.

5.2.2. Grondige controle

Bij binnenkomst en uitreis worden onderdanen van derde landen (zie A2/1) aan een grondige controle onderworpen. Wat een grondige controle bij inreis en een grondige controle bij uitreis behelst, is uitgewerkt in artikel 7 derde lid, respectievelijk artikel 7, vierde lid, SGC.

5.3. Stempelen

Op grond van artikel 10 SGC dient bij overschrijding van de buitengrenzen van het Schengengebied in de in artikel 5, eerste lid, onder a, SGC bedoelde reisdocumenten van onderdanen van derde landen systematisch een in- of uitreisstempel te worden aangebracht.

Voor de nadere bepalingen inzake het afstempelen zij verder verwezen naar artikel 10 SGC en bijlage IV SGC.

In artikel 11 SGC is verder uitgewerkt hoe gehandeld dient te worden als in het grensoverschrijdingsdocument van een onderdaan van een derde land die onderworpen wordt aan een grenscontrole geen inreisstempel is aangebracht, terwijl deze stempel op grond van de SGC wel aangebracht zou moeten zijn.

In artikel 11 SGC wordt tevens ingegaan op de situatie dat een onderdaan van een derde land geen inreisstempel in zijn reisdocument heeft, terwijl dat wel het geval zou moeten zijn, maar het vermoeden dat hij niet (langer) voldoet aan de voorwaarden inzake rechtmatig verblijf kan weerleggen. Er wordt melding gemaakt van een in de bijlage VIII SGC opgenomen formulier, dat de vreemdeling in een dergelijke situatie overhandigd kan worden. Overhandiging van dit formulier hoeft niet standaard te gebeuren, maar enkel als de betrokken vreemdeling erom verzoekt.

Voorts wordt verwezen naar artikel 4.24 tot en met artikel 4.26 Vb voor het plaatsen van aantekeningen in reis- of identiteitspapieren, alsmede artikel 8.9 Vb voor wat betreft de onderdanen van derde landen die vallen onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer van personen.

Tevens wordt verwezen naar hetgeen in A3/3.6.3 is opgenomen in het kader van (het ontbreken van) in en uitreisstempels.