Frequentiebesluit

[Regeling vervallen per 15-03-2013.]
Geldend van 29-07-2005 t/m 02-03-2008

Besluit van 10 november 1998, houdende regels betreffende toewijzing en gebruik van frequentieruimte (Frequentiebesluit)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 20 mei 1998, nr. HDTP/98/1550/HW, Hoofddirectie Telecommunicatie en Post;

Gelet op richtlijn nr. 97/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 10 april 1997 betreffende een gemeenschappelijk kader voor algemene machtigingen en individuele vergunningen op het gebied van telecommunicatiediensten (PbEG L 117/15) en op de artikelen 3.1, 3.3, zevende lid, 3.4, tweede lid, en artikel 3.5, derde en vierde lid, van de Telecommunicatiewet;

De Raad van State gehoord (advies van 19 augustus 1998 no. W09.98.0214);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 3 november 1998, nr HDTP/98/3248/HW, Hoofddirectie Telecommunicatie en Post;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 2. Besluitvorming met betrekking tot de procedure van vergunningverlening

[Vervallen per 15-03-2013]

Paragraaf 1. algemeen

[Vervallen per 15-03-2013]

Artikel 2

[Vervallen per 15-03-2013]

  • 1 In het frequentieplan worden de frequentiebestemmingen onderverdeeld in de volgende hoofdcategorieën van gebruik:

    • a. zakelijk gebruik;

    • b. gebruik voor vitale overheidstaken;

    • c. omroep, bestaande uit de categorieën publieke en commerciële omroep;

    • d. overig gebruik.

  • 2 In het frequentieplan wordt voor de hoofdcategorieën zakelijk gebruik en overig gebruik, alsmede voor de categorie commerciële omroep, per eenheid van frequentieruimte, met in achtneming van het bepaalde in het derde en vierde lid, vastgesteld of bij de verlening van een vergunning hetzij de procedure van op volgorde van binnenkomst hetzij de procedure van veiling of vergelijkende toets wordt toegepast.

  • 3 De procedure van veiling of vergelijkende toets wordt alleen toegepast terzake van de verdeling van frequentieruimte voor de hoofdcategorie zakelijk gebruik en de categorie commerciële omroep. De hiervoor genoemde procedures worden niet toegepast indien het redelijkerwijs te verwachten is dat er met betrekking tot de vraag naar de frequentieruimte sprake zal zijn van een voldoende aanbod van de frequentieruimte.

  • 4 In de gevallen waarin de veiling of de vergelijkende toets op grond van het derde lid niet wordt toegepast, alsmede bij de hoofdcategorie overig gebruik, geschiedt de verlening van de vergunningen op volgorde van binnenkomst van de aanvraag.

Paragraaf 2. veiling en vergelijkende toets

[Vervallen per 15-03-2013]

Artikel 3

[Vervallen per 15-03-2013]

  • 1 De procedure voor het verlenen van een vergunning die door middel van een veiling of een vergelijkende toets zal worden verleend, vangt aan op een door Onze Minister te bepalen tijdstip. Hiervan wordt in de Staatscourant mededeling gedaan alsmede van het besluit van Onze Minister welke van beide procedures zal worden toegepast.

  • 2 Ten aanzien van het in het eerste lid bedoelde besluit tot vaststelling van de procedure door middel waarvan een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte zal worden verleend, geldt dat de procedure van vergelijkende toets slechts wordt toegepast indien het algemeen maatschappelijk, cultureel of economisch belang dit vordert.

  • 3 Uiterlijk zeven dagen nadat de mededeling, bedoeld in het eerste lid, is gedaan, maakt Onze Minister bekend:

  • 4 Het tweede lid is niet van toepassing op frequentieruimte die is bestemd voor commerciële omroep.

  • 5 De bekendmaking, bedoeld in het derde lid, onderdeel c, geschiedt hetzij in de Staatscourant, hetzij op een andere wijze die door Onze Minister is aangegeven in de mededeling, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 4

[Vervallen per 15-03-2013]

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de indiening van de aanvraag om een vergunning en omtrent de inhoud van de aanvragen en de daarbij te overleggen gegevens. Deze regels kunnen per te verlenen vergunning verschillen.

Artikel 5

[Vervallen per 15-03-2013]

  • 2 Indien de ontwerpen niet worden geplaatst in de Staatscourant, deelt Onze Minister in de Staatscourant mede op welke wijze inzage in de ontwerpen kan worden verkregen.

Artikel 6

[Vervallen per 15-03-2013]

  • 1 Tot de veiling en de vergelijkende toets worden slechts toegelaten aanvragers die voldoen aan bij ministeriële regeling te stellen eisen. Deze eisen kunnen per te verlenen vergunning verschillen.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde eisen kunnen slechts betrekking hebben op de:

    • a. rechtsvorm van de aanvrager;

    • b. financiële positie van de aanvrager;

    • c. kennis en ervaring van de aanvrager;

    • d. technische middelen waarover de aanvrager kan beschikken;

    • e. hoedanigheid van de aanvrager als commerciële omroep.

  • 3 Indien een te verlenen vergunning betrekking heeft op het gebruik van frequentieruimte die is bestemd voor commerciële omroep, kunnen de in het eerste lid bedoelde eisen tevens betrekking hebben op het waarborgen van democratische, sociale, taalkundige en culturele belangen die een rol spelen bij het gebruik van frequentieruimte, waarbij rekening kan worden gehouden met pluralisme in de media.

Artikel 7

[Vervallen per 15-03-2013]

Indien voor een vergunning slechts een aanvrager voldoet aan de op grond van artikel 6 gestelde eisen wordt aan deze aanvrager de vergunning verleend zonder toepassing van een veiling of een vergelijkende toets.

Artikel 8

[Vervallen per 15-03-2013]

  • 1 Bij ministeriële regeling worden in het kader van de behandeling van een aanvraag om een vergunning regels gesteld omtrent de wijze waarop de veiling of de vergelijkende toets plaatsvindt. Deze regeling kan per te verlenen vergunning verschillen.

  • 2 In het geval van een veiling hebben de in het eerste lid bedoelde regels in elk geval betrekking op:

    • a. de wijze waarop een bod wordt uitgebracht;

    • b. de eisen die aan een geldig bod worden gesteld;

    • c. de zekerheidstelling dat een bod gestand wordt gedaan of kosten en schade kunnen worden verhaald;

    • d. maatregelen ten behoeve van een ongestoord verloop van de veiling;

    • e. de bij veiling toe te passen methode ter vaststelling van het bod waarvan de uitbrenger in aanmerking komt voor verlening van de vergunning;

    • f. de eisen die gesteld worden met betrekking tot de wijze van betaling en het tijdstip waarop degene aan wie de vergunning wordt verleend deze betaling moet hebben verricht;

    • g. de gevallen waarin, de termijn waarbinnen en de voorwaarden waaronder er opnieuw wordt geveild zonder dat er sprake is van een nieuwe veilingprocedure.

  • 3 In het geval van een vergelijkende toets hebben de in het eerste lid bedoelde regels in elk geval betrekking op de criteria waarmee de kwaliteit van de aanvraag of de kwaliteit van de aanvrager wordt bepaald.

  • 4 In het geval van een vergelijkende toets met inbegrip van een financieel bod, kunnen de in het eerste lid bedoelde regels eveneens betrekking hebben op:

    • a. de gevallen waarin een financieel bod wordt uitgebracht alsmede de wijze waarop dat bod wordt uitgebracht;

    • b. de eisen die aan een geldig financieel bod worden gesteld;

    • c. de zekerheidstelling dat een financieel bod gestand wordt gedaan of kosten en schade kunnen worden verhaald;

    • d. de eisen die gesteld worden met betrekking tot de wijze van betaling van het financieel bod en het tijdstip waarop degene aan wie de vergunning wordt verleend deze betaling moet hebben verricht.

  • 5 In het geval van een vergelijkende toets houdt Onze Minister bij het opstellen van de criteria rekening met de doelstellingen, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van de wet.

Artikel 9

[Vervallen per 15-03-2013]

  • 1 Onze Minister kan een vergunning die is verleend door middel van een veiling of een vergelijkende toets niet verlengen, tenzij het algemeen maatschappelijk, cultureel of economisch belang verlenging naar het oordeel van Onze Minister vordert en de vergunninghouder uiterlijk een jaar, doch niet eerder dan twee jaar voor het tijdstip waarop de periode waarvoor de vergunning is verleend, is verstreken, schriftelijk om verlenging heeft verzocht.

  • 2 Indien de vergunning betrekking heeft op frequentieruimte bestemd voor de categorie commerciële omroep besluit Onze Minister over een verzoek tot verlenging als bedoeld in het eerste lid, niet dan in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

  • 3 In het geval een vergunning wordt verlengd kunnen de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen worden gewijzigd en kunnen nieuwe voorschriften en beperkingen aan de vergunning worden toegevoegd.

Artikel 10

[Vervallen per 15-03-2013]

  • 1 In het geval de te verlenen vergunning betrekking heeft op frequentieruimte bestemd voor de categorie commerciële omroep en de verlening van de vergunning plaatsvindt door middel van een vergelijkende toets worden de in deze paragraaf aan Onze Minister opgedragen taken en toegekende bevoegdheden uitgeoefend, voorzover het niet betreft de vaststelling van de frequentieruimte waarvoor de vergunning wordt verleend, door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in overeenstemming met Onze Minister.

  • 2 Onze Minister verleent een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte bestemd voor de categorie commerciële omroep op voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, indien die voordracht tot stand is gekomen na uitvoering van de vergelijkende toets.

Paragraaf 3. procedure waarbij aanvragen op volgorde van binnenkomst worden behandeld

[Vervallen per 15-03-2013]

Artikel 11

[Vervallen per 15-03-2013]

  • 1 Bij ministeriële regeling kunnen eisen worden gesteld waaraan de aanvrager moet voldoen om in aanmerking te komen voor een vergunning. Deze eisen kunnen slechts inhouden dat:

    • a. de aanvrager een bepaalde leeftijd heeft bereikt;

    • b. de aanvrager met goed gevolg een voor het gebruik van de gevraagde frequentieruimte, in samenhang met het doel waarvoor die frequentieruimte wordt gebruikt, vereist examen heeft afgelegd;

    • c. de aanvrager in het bezit is van een certificaat van bediening;

    • d. de aanvrager een redelijk belang heeft bij het voorgenoemen gebruik van de gevraagde frequentieruimte.

  • 2 Ten aanzien van het verkrijgen van een certificaat van bediening en het examen genoemd in het eerste lid kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld die betrekking hebben op:

    • a. het afleggen en het afnemen van het examen;

    • b. de eisen van het examen;

    • c. de ontheffing van het examen;

    • d. de wijze waarop de vergoeding voor een examen dan wel een ontheffing moet worden voldaan;

    • e. het verkrijgen van een certificaat van bediening.

  • 3 Voorzover de aard, de omvang of het maatschappelijk belang van de vergunning daartoe naar het oordeel van Onze Minister aanleiding geeft, kunnen naast de eisen genoemd in het eerste lid bij ministerële regeling tevens de eisen worden gesteld bedoeld in artikel 6, tweede lid.

Artikel 12

[Vervallen per 15-03-2013]

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de indiening van de aanvraag om een vergunning en omtrent de inhoud van de aanvragen en de daarbij te overleggen gegevens. Deze regeling kan per te verlenen vergunning verschillen.

Artikel 13

[Vervallen per 15-03-2013]

  • 1 Een vergunning wordt op aanvraag verlengd, tenzij een doelmatige ordening van het frequentiespectrum zich daartegen verzet.

  • 2 Bij verlenging van een vergunning kunnen de aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen worden gewijzigd en kunnen nieuwe voorschriften of beperkingen aan de vergunning worden toegevoegd.

Paragraaf 4. procedure waarbij vergunningen bij voorrang worden verleend

[Vervallen per 15-03-2013]

Artikel 14

[Vervallen per 15-03-2013]

Op aanvragen om een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte ten behoeve van de uitvoering van vitale overheidstaken, van het verzorgen van taken op het terrein van de publieke omroep als bedoeld in artikel 1, onder t, van de Mediawet, of ter uitvoering van een wettelijk voorschrift, zijn de artikelen 12 en 13 van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 5. termijn vergunningverlening

[Vervallen per 15-03-2013]

Artikel 15

[Vervallen per 15-03-2013]

  • 1 In het geval de verlening van een vergunning betrekking heeft op frequentieruimte die is bestemd voor het aanbieden van openbare elektronische communicatienetwerken of openbare elektronische communicatiediensten beslist Onze Minister op een aanvraag om verlening van de vergunning binnen 6 weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 2 Indien de duur van de procedure van veiling of vergelijkende toets tot gevolg heeft dat niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn kan worden beslist, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en geeft daarbij een termijn waarbinnen zal worden beslist, welke termijn niet langer is dan 32 weken na afloop van de in het eerste lid genoemde termijn.

  • 3 Van de termijnen, genoemd in het eerste en tweede lid, kan worden afgeweken indien op grond van het Internationale Telecommunicatieverdrag internationale frequentie- en satellietcoördinatie daartoe nopen.

Hoofdstuk 3. De vergunning

[Vervallen per 15-03-2013]

Artikel 16

[Vervallen per 15-03-2013]

  • 1 De aan een vergunning te verbinden voorschriften en beperkingen kunnen slechts betrekking hebben op:

    • a. het doelmatig gebruik van de toegewezen frequentieruimte;

    • b. de aard van de radiozendapparaten en de daarbij behorende antenne-inrichtingen alsmede het vermogen waarmee mag worden uitgezonden;

    • c. bescheiden die de vergunninghouder ter beschikking moet houden;

    • d. verplichtingen die voortvloeien uit de toezeggingen die de vergunninghouder in het kader van de vergelijkende toets heeft gedaan, ook indien toepassing wordt gegeven aan artikel 7;

    • e. het veroorzaken van belemmeringen in radiozend- of ontvangapparaten of in elektrische of elektronische inrichtingen door het gewenste signaal van een radiozendapparaat;

    • f. het waarborgen van de in artikel 6, derde lid, bedoelde belangen;

    • g. de diensten die moeten worden aangeboden, het soort elektronisch communicatienetwerk dat moet worden aangeboden of de technologie die moet worden gebruikt;

    • h. de naleving van relevante internationale overeenkomsten aangaande het gebruik van frequentieruimte.

  • 2 De in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde voorschriften en beperkingen kunnen onder meer betrekking hebben op de termijn waarop en het geografisch gebied waarbinnen de in het eerste lid, onderdeel g, bedoelde diensten moeten worden aangeboden.

Artikel 17

[Vervallen per 15-03-2013]

Onze Minister kan een vergunning en de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen gedurende de looptijd van de vergunning slechts wijzigen:

  • a. op verzoek van de vergunninghouder;

  • b. indien de naleving van een internationale overeenkomst aangaande het gebruik van frequentieruimte dit vordert;

  • c. in de gevallen bedoeld in artikel 3.7, derde lid, van de wet, en

  • d. indien door het gebruik van de vergunning ontoelaatbare belemmeringen worden veroorzaakt in radiozend- of ontvangapparaten of in elektrische of elektronische inrichtingen.

Hoofdstuk 4. Gebruik van frequentieruimte zonder dat daarvoor een vergunning is vereist

[Vervallen per 15-03-2013]

Artikel 18

[Vervallen per 15-03-2013]

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ter zake van het gebruik van frequentieruimte waarvoor geen vergunning is vereist. Deze regels kunnen betrekking hebben op:

  • a. het doelmatig gebruik van de desbetreffende frequentieruimte;

  • b. de aard van de te gebruiken radiozendapparaten en de daartoe behorende antenne-inrichting, alsmede het vermogen waarmee mag worden uitgezonden;

Artikel 20

[Vervallen per 15-03-2013]

De aanwijzing van categorieën radiozendapparaten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder a, van de wet kan uitsluitend geschieden voorzover het radiozendapparaten betreft, die door de aard van de toepassing alsmede door de technische constructie geen of vrijwel geen storing of belemmering kunnen veroorzaken in elektrische of elektronische apparaten.

Hoofdstuk 5. Overgangs- en slotbepalingen

[Vervallen per 15-03-2013]

Artikel 21

[Vervallen per 15-03-2013]

  • 1 In dit artikel wordt verstaan onder de inwerkingtredingsdatum: de datum waarop het Besluit van 8 maart 2005, houdende enkele technische wijzigingen van het Frequentiebesluit en het Besluit beveiliging gegevens aftappen telecommunicatie, alsmede een wijziging van het Besluit medegebruik omroepzendernetwerken teneinde het regime van medegebruik uit te breiden tot aanbieders van antenne-opstelpunten die bestemd zijn voor omroep in werking treedt.

  • 2 Dit besluit, zoals dat luidde voor de inwerkingtredingsdatum, blijft, met uitzondering van artikel 19, van toepassing op:

    • a. vergunningen die zijn verleend voor de inwerkingtredingsdatum;

    • b. veiling- of vergelijkende toetsprocedures die zijn aangevangen voor de inwerkingtredingsdatum, en

    • c. vergunningen die op of na de inwerkingtredingsdatum zijn verleend door middel van een veiling- of vergelijkende toetsprocedure die is aangevangen voor de inwerkingtredingsdatum.

  • 3 Artikel 17 is van toepassing op de in het eerste lid bedoelde vergunningen.

Artikel 23

[Vervallen per 15-03-2013]

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage, 10 november 1998

Beatrix

De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,

J. M. de Vries

Uitgegeven de negentiende november 1998

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

Terug naar begin van de pagina