Besluit gebruik meststoffen

Geldend van 01-01-2019 t/m heden

Besluit van 1 december 1997, houdende regels betreffende het op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen (Besluit gebruik dierlijke meststoffen 1998)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 25 juni 1997, No. J. 975376, gedaan mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Gelet op de artikelen 6, 7, 15 en 65 van de Wet bodembescherming;

De Raad van State gehoord (advies van 14 oktober 1997, nr. W11.97.0391);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 20 november 1997, No. J. 9712655, uitgebracht mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§ 1. Algemeen

Artikel 1

  • 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder grond, meststoffen, bedrijf, landbouwer, landbouwgrond, fosfaat, hectare, veengrond, zand- of lössgrond en kleigrond hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Meststoffenwet, wordt verstaan onder zuiveringsslib, compost, herwonnen fosfaten en overige organische meststoffen hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet en wordt verstaan onder:

    • a. dierlijke meststoffen: uitwerpselen van dieren, daaronder begrepen de geheel of gedeeltelijk verteerde maag- of darminhoud van deze dieren en mengsels van strooisel met de uitwerpselen, alsook producten daarvan;

    • b. gebruiken van meststoffen: meststoffen op of in de bodem brengen;

    • c. grasland: grond die voor ten minste 50 procent is beteeld met gras dat blijkens het gebruik van de grond is bestemd om te worden gebruikt als veevoer door beweiding van de grond met dieren of door de winning van het gewas voor vervoedering aan dieren;

    • d. bouwland: grond waarop ten minste een deel van het jaar een gewas wordt geteeld, niet zijnde grasland;

    • e. natuurterrein: grond met een houtopstand die de hoofdfunctie natuur heeft, heideveld, ven, hoogveenterrein, zandverstuiving, duinterrein, kwelder, schor, gors, slik, riet- en ruigtland, griend en laagveenmoeras, alsmede grasland of bouwland dat de hoofdfunctie natuur heeft;

    • f. beheer: beheer, gericht op de instandhouding van natuurwaarden, dat

      • 1°. is vastgesteld krachtens de Wet natuurbescherming,

      • 2°. geldt als voorwaarde voor de verlening van een subsidie op grond van de Kaderwet EZ-subsidies;

      • 3°. tot stand is gekomen met instemming van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

    • g. overige grond: andere grond dan natuurterrein en dan landbouwgrond die tot een bedrijf behoort;

    • h. stikstofkunstmest: anorganische meststoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel j, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, die meer dan 0,5 gewichtsprocenten van de droge stof aan stikstof bevatten;

    • i. vaste mest: dierlijke meststoffen die niet verpompbaar zijn;

    • j. drijfmest: dierlijke meststoffen die verpompbaar zijn;

    • k. steekvast zuiveringsslib: zuiveringsslib dat niet verpompbaar is;

    • l. vloeibaar zuiveringsslib: zuiveringsslib dat verpompbaar is;

    • m. fruitteelt: bedrijfsmatige teelt op bouwland van vruchten, bestemd voor menselijke consumptie en groeiend aan houtige gewassen;

    • n. veenkoloniaal gebied: gronden in de provincie Drenthe, de provincie Groningen ten zuiden van het Eemskanaal, de provincie Overijssel ten noorden van de lijn Zwolle-Ommen-Nijverdal-Almelo-Albergen-Tubbergen en de provincie Friesland ten oosten van de lijn Elsloo-Oosterwolde-Haulerwijk;

    • o. hellingspercentage: quotiënt van het hoogteverschil en de horizontale afstand, uitgedrukt in procenten, volgens de in bijlage II bij dit besluit aangegeven meetmethode;

    • p. niet-beteelde grond: grond waarvan niet kan worden waargenomen dat deze gelijkmatig met een gewas is bedekt;

    • q. vaste strorijke mest: vaste mest waarin zichtbaar een substantiële hoeveelheid stro aanwezig is;

    • r. biologische productiemethode: de bij of krachtens Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 (PbEU L 189) en de bij of krachtens artikel 10 van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 gestelde voorschriften inzake de biologische productiemethode.

  • 2 Voor de toepassing van artikel 1b, derde lid, is de situatie op 15 mei van het jaar waarin zuiveringsslib wordt gebruikt, bepalend voor de vraag of sprake is van bouwland of grasland, met dien verstande dat indien op 15 mei van het desbetreffende jaar landbouwgrond niet wordt beteeld, deze grond wordt aangemerkt als bouwland, tenzij de grond het gehele jaar niet wordt beteeld, in welk geval de grond wordt aangemerkt als overige grond.

  • 3 Voor de toepassing van artikel 4b wordt onder grasland verstaan: grond die voor tenminste 50 procent is beteeld met gras dat is of wordt gebruikt voor beweiding met dieren of voor de winning van het gewas voor vervoedering aan dieren.

  • 4 Voor de toepassing van de artikelen 4, 4a, 5 en 6d wordt onder bouwland niet verstaan grond waarop tuinbouw in glasopstanden wordt uitgeoefend, of waarop een anderszins bedekte teelt plaatsvindt.

Artikel 1a

  • 1 Het is verboden meststoffen te gebruiken.

§ 1a. Gebruik van zuiveringsslib, herwonnen fosfaten en overige organische meststoffen

Artikel 1b

  • 1 Het is verboden zuiveringsslib, herwonnen fosfaten en overige organische meststoffen te gebruiken.

  • 2 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor het gebruik van herwonnen fosfaten en overige organische meststoffen op landbouwgrond.

  • 3 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor het gebruik van zuiveringsslib op percelen landbouwgrond waarvan overeenkomstig de krachtens artikel 1c gestelde regels is vastgesteld dat een of meer van de in de bodem aanwezige stoffen de in bijlage III opgenomen toetsingswaarden niet overschrijden, en voor zover:

    • a. indien het vloeibaar zuiveringslib betreft, de gebruikte hoeveelheid niet groter is dan:

      • i. twee ton droge stof per hectare per jaar op bouwland; of

      • ii. één ton droge stof per hectare per jaar op grasland; of

    • b. indien het steekvast zuiveringslib betreft, de gebruikte hoeveelheid niet groter is dan:

      • i. vier ton droge stof per hectare per twee jaren op bouwland; of

      • ii. twee ton droge stof per hectare per twee jaren op grasland.

  • 4 Gedurende de in het derde lid bedoelde perioden blijft het grondgebruik voor het desbetreffende aantal hectaren ongewijzigd.

Artikel 1c

  • 1 Voordat op landbouwgrond zuiveringsslib wordt gebruikt, wordt de bodem bemonsterd en geanalyseerd.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld inzake de in het eerste lid bedoelde bemonstering en analyse, die onder meer betrekking kunnen hebben op de methode van bemonstering en analyse, de frequentie waarin de bemonstering en analyse moeten plaatsvinden, de bevoegdheid tot het verrichten van de bemonstering en analyse, alsmede het bewaren en overleggen van de analyseresultaten.

Artikel 1d

Het is verboden zuiveringsslib te gebruiken:

  • a. op weideland: gedurende de periode van beweiding;

  • b. op grond die wordt gebruikt voor de teelt van voedergewassen: minder dan drie weken voor de oogst;

  • c. op grond die wordt gebruikt voor groente- of fruitaanplant, met uitzondering van fruitbomen: gedurende de groeiperiode van de groente onderscheidenlijk het fruit;

  • d. op grond die is bestemd voor de teelt van groenten of vruchten, die gewoonlijk in rechtstreeks contact met de bodem staan en rauw worden geconsumeerd: minder dan tien maanden voor de oogst alsmede tijdens de oogst.

§ 2. Gebruik van dierlijke meststoffen, herwonnen fosfaten, compost en overige organische meststoffen op natuurterrein en overige grond

Artikel 2

  • 1 Het is verboden dierlijke meststoffen, herwonnen fosfaten, compost of overige organische meststoffen te gebruiken op natuurterrein of op overige grond.

  • 2 Het in het eerste lid gesteld verbod geldt niet voor het gebruik van dierlijke meststoffen of compost op natuurterrein waarop een beheer wordt gevoerd, indien aan het beheer beperkingen zijn verbonden ten aanzien van de gebruikte hoeveelheid dierlijke meststoffen of compost en het gebruik daarmee in overeenstemming is.

  • 3 Het in het eerste lid gesteld verbod geldt niet voor het gebruik van dierlijke meststoffen of compost op natuurterrein, indien op dat terrein geen beheer wordt gevoerd waaraan beperkingen ten aanzien van de gebruikte hoeveelheid dierlijke meststoffen zijn verbonden en ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan:

    • a. het totaal van de gebruikte hoeveelheid dierlijke meststoffen en compost, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, is niet groter dan 20 kilogram fosfaat per hectare per jaar;

    • b. het natuurterrein is grasland en het totaal van de daarop gebruikte hoeveelheid dierlijke meststoffen en compost, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat en stikstof, is niet groter dan 70 kilogram fosfaat, onderscheidenlijk 170 kilogram stikstof per hectare per jaar.

  • 4 Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op overige grond indien ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan:

    • a. het totaal van de gebruikte hoeveelheid dierlijke meststoffen, compost, herwonnen fosfaten en overige organische meststoffen die uitsluitend zijn geproduceerd uit materialen van plantaardige herkomst, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, is niet groter dan 20 kilogram fosfaat per hectare per jaar;

    • b. de overige grond is grasland of bouwland en het totaal van de daarop gebruikte hoeveelheid dierlijke meststoffen, compost, herwonnen fosfaten en overige organische meststoffen die uitsluitend zijn geproduceerd uit materialen van plantaardige herkomst, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat en stikstof, is niet groter dan 80 kilogram fosfaat, onderscheidenlijk 170 kilogram stikstof per hectare per jaar.

  • 5 Bij de bepaling van de in het derde en vierde lid bedoelde hoeveelheid meststoffen wordt de hoeveelheid fosfaat in compost slechts voor het krachtens artikel 12, vijfde lid, van de Meststoffenwet bepaalde deel in aanmerking genomen.

Artikel 2a

  • 1 In afwijking van artikel 2, vierde lid, is het toegestaan op overige grond compost te gebruiken bij wijze van eenmalige gift in een hoeveelheid van ten hoogste 200 ton droge stof per hectare, indien tenminste voorafgaande aan het gebruik een melding daarvan aan Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft plaatsgevonden.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde melding bevat:

    • a. naam en adres van de gebruiker;

    • b. een kadastrale of topografische aanduiding van het desbetreffende perceel alsmede een opgave van de oppervlakte ervan;

    • c. naam en adres van de leverancier van het product; en

    • d. de te gebruiken hoeveelheid.

  • 3 Met het in het eerste lid bedoelde gebruik mag eerst worden aangevangen, zodra een bevestiging van ontvangst van de melding door de gebruiker is ontvangen.

  • 4 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de melding wordt gedaan.

§ 3. Gebruik van dierlijke meststoffen, stikstofkunstmest, zuiveringsslib, compost, herwonnen fosfaten en overige organische meststoffen

Artikel 3

  • 1 Het is verboden dierlijke meststoffen, stikstofkunstmest, zuiveringsslib, herwonnen fosfaten of een mengsel met deze meststoffen te gebruiken indien de bodem geheel of gedeeltelijk is bevroren of geheel of gedeeltelijk is bedekt met sneeuw.

  • 2 Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het gebruik van vaste mest op grasland waarop een beheer wordt gevoerd, indien het gebruik van vaste mest onderdeel is van het op het desbetreffende grasland van toepassing zijnde beheersregime.

  • 3 Het in het eerste lid gestelde verbod is, voor zover het betreft het gebruik indien de bodem geheel of gedeeltelijk is bevroren, niet van toepassing op het gebruik van stikstofkunstmest op kleigrond waarop graan wordt geteeld, mits in het algemeen weerbericht, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet taken meteorologie en seismologie, voor de desbetreffende regio van het land is voorspeld dat de maximumtemperatuur op de dag waarop de meststoffen worden gebruikt ten minste 5° Celsius bedraagt en dat de minimumtemperatuur gedurende het etmaal volgend op die dag ten minste 0° Celsius bedraagt.

Artikel 3a

Het is verboden dierlijke meststoffen, stikstofkunstmest, zuiveringsslib, compost, herwonnen fosfaten, overige organische meststoffen of een mengsel met deze meststoffen te gebruiken indien de bovenste bodemlaag met water verzadigd is.

Artikel 3b

  • 1 Het is verboden in de periode van 1 september tot en met 31 januari dierlijke meststoffen, stikstofkunstmest, zuiveringsslib, compost, herwonnen fosfaten, overige organische meststoffen of een mengsel met deze meststoffen te gebruiken indien de bodem tegelijkertijd wordt bevloeid, beregend of geïnfiltreerd.

  • 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder infiltreren verstaan: aanvoeren van water op of onder het grondoppervlak door middel van een buizen- of slangenstelsel.

Artikel 4

  • 1 Het is verboden in de periode van 1 september tot en met 31 januari vaste mest of steekvast zuiveringsslib te gebruiken.

  • 2 Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op:

    • a. grasland, gelegen op kleigrond of veengrond:

      • 1°. in de periode van 1 september tot en met 15 september;

      • 2°. in de periode van 1 december tot en met 31 januari, indien het vaste strorijke mest betreft;

    • b. bouwland, gelegen op kleigrond of veengrond;

    • c. bouwland, gelegen op zandgrond of lössgrond, indien op de desbetreffende grond bomen worden geteeld, voor zover het gebruik direct voorafgaand aan de aanplant van de bomen plaatsvindt.

  • 3 Het is verboden in de periode van 1 augustus tot en met 15 februari drijfmest of vloeibaar zuiveringsslib te gebruiken.

  • 4 Het in het derde lid gestelde verbod is niet van toepassing op:

    • a. grasland, in de periode van 1 augustus tot en met 31 augustus;

    • b. bouwland, in de periode van 1 augustus tot en met 15 september, indien:

      • 1°. uiterlijk op 15 september op de desbetreffende grond winterkoolzaad voor zaadwinning in het daaropvolgende jaar wordt gezaaid,

      • 2°. uiterlijk op 15 september op de desbetreffende grond een bij ministeriële regeling aangewezen gewas wordt ingezaaid of geplant dat niet eerder dan acht weken na de datum van inzaaien of planten wordt vernietigd, of

      • 3°. in de desbetreffende grond in het daarop aansluitende najaar bloembollen worden geplant.

  • 5 Het in het eerste en derde lid gestelde verbod is niet van toepassing op het gebruik van zuiveringsslib dat niet meer dan 70 gram stikstof per kilogram droge stof bevat, indien:

    • a. het zuiveringsslib door de producent of namens hem door tussenkomst van ten hoogste één vervoerder rechtstreeks aan de gebruiker is afgeleverd;

    • b. het zuiveringsslib wordt gebruikt op de dag waarop het aan de gebruiker is afgeleverd; en

    • c. het zuiveringsslib, nadat overeenkomstig de krachtens artikel 21, eerste lid, onderdeel d, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet gestelde regels, de samenstelling ervan is bepaald, niet is gemengd met ander zuiveringsslib of andere stoffen.

  • 6 Bij ministeriële regeling kan het gebruik van dierlijke meststoffen of zuiveringsslib in de periode van 1 augustus tot 15 augustus, dan wel in de periode van 1 september tot 15 september indien het het gebruik van drijfmest of vloeibaar zuiveringsslib op grasland, gelegen op kleigrond of veengrond betreft, van het bij die regeling te bepalen jaar en in het bij die regeling te bepalen gebied worden toegestaan, indien naar het oordeel van Onze Minister, de Technische commissie bodem gehoord:

    • a. daarvoor een landbouwkundige noodzaak bestaat; en

    • b. dit in het desbetreffende gebied door extreme weersomstandigheden is gerechtvaardigd.

Artikel 4a

  • 1 Het is verboden in de periode van 16 september tot en met 31 januari stikstofkunstmest te gebruiken op bouwland en op grasland.

  • 2 Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op bouwland dat gelijkmatig is beteeld met een vollegrondsgroente.

  • 3 Het in het eerste lid gestelde verbod is in de periode van 16 september tot en met 15 oktober niet van toepassing op bouwland waarop uitsluitend fruitteelt wordt uitgeoefend of op bouwland dat gelijkmatig is beteeld met winterkoolzaad of dat gelijkmatig is beteeld met zaad behorend tot rassen van de grassoorten rietzwenkgras, roodzwenkgras of veldbeemdgras, ten behoeve van een tweede of latere zaadoogst in het daaropvolgende jaar.

  • 4 Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het gebruik van ureum op bouwland waarop uitsluitend fruitteelt wordt uitgeoefend.

  • 5 Het in het eerste lid gestelde verbod is in de periode van 16 januari tot en met 31 januari niet van toepassing op bouwland dat gelijkmatig is beteeld met hyacinten of tulpen.

Artikel 4b

  • 1 Het is verboden op grasland de graszode te vernietigen.

  • 2 Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing:

    • a. in de periode van 1 februari tot en met 15 september op grasland, gelegen op kleigrond of veengrond; en

    • b. op grasland, gelegen op zand- of lössgrond:

      • 1°. in de periode van 1 februari tot en met 10 mei, indien direct aansluitend op de vernietiging van de graszode op de desbetreffende grond de teelt van gras of een ander bij ministeriële regeling aangewezen relatief stikstofbehoeftig gewas aanvangt;

      • 2°. in de periode van 11 mei tot en met 31 mei, indien direct aansluitend op de vernietiging van de graszode op de desbetreffende grond de teelt van gras aanvangt;

      • 3°. in de periode 1 juni tot en met 31 augustus, indien direct aansluitend op de vernietiging van de graszode op de desbetreffende grond de teelt van gras aanvangt en de vernietiging vooraf wordt gemeld aan Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

  • 3 Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing in de periode van 1 juni tot en met 15 juli, indien in de desbetreffende grond direct aansluitend op het vernietigen van de graszode, maar uiterlijk op 16 juli, een of meerdere bij ministeriële regeling aangewezen gewassen worden geteeld ten behoeve van een vervolgteelt waarvoor aaltjesbeheersing nodig is en deze vervolgteelt uiterlijk in het volgende voorjaar wordt geplant of gezaaid. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de teeltperiode en de toegestane bewerkingsmethoden van de gewassen, die per gewas kunnen verschillen.

  • 4 Het gebruik van stikstofhoudende meststoffen na vernietiging van de graszode, vindt in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, onder 1° en 2°, slechts plaats voor zover uit een representatief grondmonster blijkt dat de aanwezige hoeveelheid stikstof, rekening houdend met de minerale stikstof en met de toevoer van stikstof door netto-mineralisatie van voorraden organische stikstof in de bodem, onvoldoende is om te voldoen aan de behoefte van het aansluitend op de vernietiging geteelde gewas. Artikel 1c, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 5 Het in het eerste lid gestelde verbod is in de periode van 16 september tot en met 30 november niet van toepassing op grasland, indien direct na de vernietiging van de graszode in de desbetreffende grond tulp, krokus, iris of muscari wordt geplant.

  • 6 Het in het eerste lid gestelde verbod is in de periode van 1 november tot en met 31 december niet van toepassing op grasland, gelegen op kleigrond, indien na de vernietiging van de graszode als eerstvolgend gewas een ander gewas dan gras wordt geplant of gezaaid.

  • 9 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de melding, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, onder 3°.

Artikel 5

  • 1 Het is verboden dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of een mengsel met deze meststoffen te gebruiken op grasland, bouwland of niet-beteelde grond, tenzij de dierlijke meststoffen of het zuiveringsslib worden gebruikt overeenkomstig bij ministeriële regeling aangewezen methoden die de ammoniakemissie beperken doordat:

    • a. de dierlijke meststoffen of het zuiveringsslib in de grond worden gebracht, of op de grond worden gebracht en aansluitend in de grond worden gewerkt;

    • b. de dierlijke meststoffen of het zuiveringsslib worden gebruikt in combinatie met water of andere stoffen, of

    • c. een emissiebeperkend bedrijfssysteem wordt toegepast.

  • 2 Het in het eerste lid gestelde verbod is in de periode van 1 maart tot en met 31 mei niet van toepassing op het gebruik van drijfmest afkomstig van runderen ter voorkoming van schade aan gewassen door winderosie op bouwland gelegen op zandgrond in veenkoloniaal gebied of op Texel en indien op het perceel een gewas is ingezaaid, geplant of gepoot.

  • 3 Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het gebruik van vaste mest onderscheidenlijk steekvast zuiveringsslib op grond waarop gras wordt geteeld of waarop uitsluitend fruitteelt wordt uitgeoefend, tenzij de grond een hellingspercentage heeft van 7 of meer.

  • 4 Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld betreffende het gebruik van de aangewezen methoden en de wijze waarop de emissiebeperking wordt gecontroleerd.

Artikel 6

Het is verboden dierlijke meststoffen, stikstofkunstmest, zuiveringsslib, compost, herwonnen fosfaten, overige organische meststoffen of een mengsel met deze meststoffen te gebruiken anders dan door een zo gelijkmatig mogelijke verspreiding over het perceel waarop de meststoffen worden gebruikt.

§ 4. Gebruik van dierlijke meststoffen, stikstofkunstmest, zuiveringsslib, compost, herwonnen fosfaten en overige organische meststoffen op steile hellingen

Artikel 6a

  • 1 Het is verboden dierlijke meststoffen, stikstofkunstmest, zuiveringsslib, compost, herwonnen fosfaten, overige organische meststoffen of een mengsel met deze meststoffen te gebruiken op grond met een hellingspercentage van 7 of meer indien de desbetreffende grond is aangetast door geulenerosie.

  • 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder geulenerosie verstaan: de versnelde afvoer van bodemmateriaal door oppervlakkig afstromend water, waarbij geulen van meer dan 30 centimeter diepte zijn ontstaan.

Artikel 6b

  • 1 Het is verboden dierlijke meststoffen, zuiveringsslib, compost, herwonnen fosfaten, overige organische meststoffen of een mengsel met deze meststoffen te gebruiken op niet-beteelde grond met een hellingspercentage van 7 of meer.

  • 2 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor niet-beteelde grond met een hellingspercentage van minder dan 18 indien deze grond uiterlijk acht dagen na het gebruik van de dierlijke meststoffen gelijkmatig is ingezaaid met een ander gewas dan maïs, aardappelen of bieten.

  • 3 De in het tweede lid genoemde uitzondering voor maïs, aardappelen of bieten geldt niet voor een perceel met een aaneengesloten lengte van ten hoogste 300 meter dat aan beide einden over de volle breedte door een duidelijk waarneembare kavelgrens is afgebakend, dan wel over de volle breedte wordt begrensd door grond die gelijkmatig is bedekt met een ander gewas dan maïs, aardappelen of bieten over een aaneengesloten lengte van ten minste 100 meter.

  • 4 Voor de toepassing van het derde lid wordt verstaan onder:

    • a. lengte van een perceel: zijde van een perceel die de grootste hoek vormt met de hoofdrichting van de hoogtelijnen;

    • b. breedte van een perceel: zijde van een perceel, die de kleinste hoek vormt met de hoofdrichting van de hoogtelijnen.

Artikel 6c

Het is verboden stikstofkunstmest te gebruiken op niet-beteelde grond met een hellingspercentage van 7 of meer.

Artikel 6d

Het verboden dierlijke meststoffen, stikstofkunstmest, zuiveringsslib, compost, herwonnen fosfaten, overige organische meststoffen of een mengsel met deze meststoffen te gebruiken op bouwland met een hellingspercentage van 18 of meer.

§ 5. Ontheffingen

Artikel 7

  • 1 Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kan in overeenstemming met Onze Minister, op aanvraag en gehoord de Technische commissie bodem, ten behoeve van onderzoek ontheffing verlenen van de in de artikelen 4, 4a, 4b, 5, 6, 6b en 6d gestelde verboden, op basis van een ingediend onderzoeksplan.

  • 2 Een ontheffing kan slechts worden verleend indien naar het oordeel van Onze Ministers:

    • - de ontheffing noodzakelijk is voor het te verrichten onderzoek,

    • - het onderzoeksplan voldoende duidelijk en onderbouwd is,

    • - het voldoende aannemelijk is dat het onderzoek daadwerkelijk zal leiden tot het in het onderzoeksplan geformuleerde onderzoeksresultaat,

    • - het onderzoek voldoende innovatief is,

    • - het onderzoek voldoende beperkt in duur en omvang is, en

    • - het belang van de bescherming van de bodem zich niet verzet tegen de ontheffing.

Artikel 8

  • 1 Gedeputeerde staten kunnen voor de periode van 1 tot en met 15 september ten behoeve van experimenten met het gebruik van dierlijke meststoffen op bouwland of niet-beteelde grond, gelegen op zand- of lössgrond, of ten behoeve van experimenten met het gebruik van compost, zuiveringsslib, herwonnen fosfaten of overige organische meststoffen op bouwland, gelegen op zand- of lössgrond, op aanvraag, ontheffing verlenen van het in artikel 4 gestelde verbod, op basis van een ingediend voorstel voor een experiment.

  • 2 De ontheffing kan slechts worden verleend na kennisgeving door gedeputeerde staten aan Onze Minister van de in het eerste lid bedoelde aanvraag en nadat Onze Minister ter zake de Technische commissie bodem heeft gehoord.

§ 6. Overige bepalingen

Artikel 8a

  • 1 Op zand- en lössgronden wordt na de teelt van maïs:

    • a. direct aansluitend en uiterlijk op 1 oktober van het desbetreffende jaar een bij ministeriële regeling aangewezen gewas geteeld, of

    • b. uiterlijk op 31 oktober een bij ministeriële regeling aangewezen gewas geteeld als hoofdteelt voor het volgende jaar.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, wordt na de teelt van maïs overeenkomstig de biologische productiemethode en maïs, niet zijnde snijmaïs, direct aansluitend en uiterlijk op 31 oktober van het desbetreffende jaar een bij ministeriële regeling aangewezen gewas geteeld.

  • 3 De gewassen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, en tweede lid, worden niet vernietigd voor 1 februari van het volgende jaar.

  • 4 De landbouwer meldt de teelt van een aangewezen gewas als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, uiterlijk op 1 oktober aan Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit met gebruikmaking van een door die minister beschikbaar gesteld middel.

Artikel 9

Met een laboratorium als bedoeld in artikel 4b, derde lid, wordt gelijk gesteld een vergelijkbare instelling, gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie, dan wel in een andere staat die partij is bij een daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, die een verklaring verstrekt op basis van onderzoekingen die voldoen aan een kwaliteitsborgingniveau dat tenminste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd.

Artikel 11

Dit besluit treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage, 1 december 1997

Beatrix

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

J. J. van Aartsen

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Margaretha de Boer

Uitgegeven de negende december 1997

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

Bijlage II. , behorende bij het Besluit gebruik meststoffen

I Bepaling hellingspercentage van gewaspercelen met één hoogste en één laagste punt

1. Bepaling van de richting van de steilste helling in het gewasperceel (L = lengte van het gewasperceel).

De steilste helling in het gewasperceel is maatgevend voor L.

Figuur A

Bijlage 2563.png

L van gewasperceel a = 400 meter

L van gewasperceel b = 200 meter

2. Bepaling van het gemiddelde hellingspercentage over de in 1 vermelde L (lengte gewasperceel).

Figuur B

Bijlage 2564.png

Gemiddeld hellingspercentage = 1.

Figuur C

Bijlage 2565.png

Gemiddeld hellingspercentage: 300/500 x 6 + 200/500 x 1 = 4

Figuur D

Bijlage 2566.png

Gemiddeld hellingspercentage: 150/500 x 2 + 200/500 x 12/500 + 150/500 x 2 = 6

II Bepaling hellingspercentage van gewaspercelen met meer dan één hoogste punt of laagste punt (holle en bolle percelen)

1. Holle percelen: vanuit het laagste punt het gemiddelde van twee hellingen bepalen.

Figuur E

Bijlage 2567.png

Gemiddeld hellingspercentage van helling 1: 200/300 x 6 + 100/300 x 9 = 7

helling 2: idem

Gemiddeld hellingspercentage gewasperceel:

300/600 x 7 + 300/600 x 7 = 7

2. Bolle percelen: vanuit het hoogste punt het gemiddelde van twee hellingen bepalen.

Bijlage III. , behorende bij het Besluit gebruik meststoffen

Toetsingswaarden voor de bodem bij het gebruik van zuiveringsslib

Cd (Cadmium)

ten hoogste 0,4 + 0,007 (L + 3H) mg/kg ds

Cr (Chroom)

ten hoogste 50 + 2 L mg/kg ds

Cu (Koper)

ten hoogste 15 + 0,6 (L + H) mg/kg ds

Hg (Kwik)

ten hoogste 0,2 + 0,0017 (2 L + H) mg/kg ds

Ni (Nikkel)

ten hoogste 10 + L mg/kg ds

Pb (Lood)

ten hoogste 50 + L + H mg/kg ds

Zn (Zink)

ten hoogste 50 + 1,5 (2 L + H) mg/kg ds

As (Arseen)

ten hoogste 15 + 0,4 (L + H) mg/kg ds

L = % Lutum

H = % organische stof

Terug naar begin van de pagina