Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen

Geldend van 01-01-2002 t/m 31-12-2002

Wet van 24 april 1997, houdende verzekering tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid en een uitkeringsregeling in verband met bevalling voor zelfstandigen, beroepsbeoefenaren en meewerkende echtgenoten (Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in verband met de intrekking van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet een regeling te treffen met betrekking tot een arbeidsongeschiktheidsverzekering alsmede om een regeling te treffen ter zake van een uitkering in verband met bevalling voor personen die als zelfstandige werkzaam zijn, voor beroepsbeoefenaren en voor meewerkende echtgenoten;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Algemene begrippen

  • 2 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:

    • a. echtgenoot: geregistreerde partner;

    • b. echtgenoten: geregistreerde partners;

    • c. gehuwd: als partner geregistreerd.

  • 3 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:

    • a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;

    • b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

  • 4 Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

  • 5 Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:

    • a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld;

    • b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander;

    • c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of

    • d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het vierde lid.

  • 6 Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vijfde lid, onderdeel d.

  • 7 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander, zoals bedoeld in het vierde lid.

Artikel 2. Begrip arbeidsongeschiktheid

  • 1 Arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, is de verzekerde die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

  • 2 De verzekerde die op en sedert het tijdstip dat zijn verzekering een aanvang neemt, reeds gedeeltelijk arbeidsongeschikt is in de zin van het eerste lid, wordt voor wat de door hem aan deze wet te ontlenen aanspraken betreft als geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt aangemerkt, indien hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen soortgelijke personen, die in dezelfde mate arbeidsongeschikt zijn in de zin van het eerste lid, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

  • 3 Indien de bij de aanvang van de verzekering aanwezige arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste lid naderhand is afgenomen vindt het tweede lid vervolgens overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de aanvang van de verzekering in de plaats treedt het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste lid is afgenomen.

  • 4 Onder de in het eerste en tweede lid eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.

  • 5 Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt buiten beschouwing gelaten of de verzekerde de arbeid feitelijk kan verkrijgen.

  • 6 Bij de toepassing van dit artikel wordt buiten beschouwing gelaten, hetgeen wordt of kan worden ontvangen voor arbeid verricht bij wijze van sociale werkvoorziening.

  • 7 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste tot en met zesde lid nadere en zonodig afwijkende regels worden gesteld.

  • 8 Van een ontwerp van een besluit tot vaststelling, wijziging of intrekking van:

    • a. een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het zevende lid;

    • b. een krachtens de in onderdeel a bedoelde algemene maatregel van bestuur getroffen ministeriële regeling, wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. Een voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in onderdeel a, wordt niet gedaan en de vaststelling, wijziging of intrekking van een regeling als bedoeld in onderdeel b, geschiedt niet eerder dan nadat tien weken na die mededeling zijn verstreken.

  • 9 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent een afwijkende wijze van vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in gevallen waarin recht bestaat op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een andere wettelijke regeling ter verzekering tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid.

Hoofdstuk 2. Kring van verzekerden

Artikel 3. De verzekerde

  • 1 Verzekerd op grond van deze wet is:

    • a. de zelfstandige;

    • b. de beroepsbeoefenaar; en

    • c. de meewerkende echtgenoot.

  • 2 Tevens is verzekerd de persoon:

    • a. die aanspraak maakt op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, doch uitsluitend omdat de wachttijd, bedoeld in artikel 7, tweede lid, op hem van toepassing is, geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft;

    • b. die na afloop van de wachttijd, bedoeld in artikel 7, tweede lid, niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is binnen vier weken na afloop van dat tijdvak;

    • c. die recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering dan wel die door de toepassing van artikel 7a, eerste lid, of 7b, eerste lid, geen recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering doch met toepassing van artikel 7a, tweede of derde lid, of 7b, tweede of vierde lid, in aanmerking komt voor toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering;

    • d. wiens recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering is geëindigd op grond van artikel 19, eerste lid, onderdeel b, of vierde lid, of 19a doch met toepassing van artikel 20, 21, 21a of 21b in aanmerking komt voor toekenning of heropening van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering;

    • e. die aan het einde van de wachttijd, bedoeld in artikel 7, tweede lid, ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling, en met toepassing van artikel 20 in aanmerking komt voor toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering;

    • f. die recht heeft op een uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 2, van de Wet arbeid en zorg.

    • g. die recht heeft op een toelage als bedoeld in artikel 28 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten.

  • 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste en derde lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring van verzekerden.

Artikel 3a. Afwijking kring verzekerden

Zo nodig in afwijking van artikel 3 en de daarop berustende bepalingen:

  • a. wordt als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie;

  • b. wordt niet als verzekerde aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.

Artikel 4. Zelfstandige

Zelfstandige is de persoon, jonger dan 65 jaar:

  • a. die in Nederland woont en die winst uit onderneming geniet, tenzij hij de onderneming niet voor eigen rekening feitelijk drijft;

  • b. die niet in Nederland woont en die winst uit Nederlandse onderneming geniet, tenzij hij de onderneming niet voor eigen rekening feitelijk drijft.

Artikel 4a. Zelfstandigheidsverklaring

  • 1 De beschikking, bedoeld in artikel 3.156 van de Wet inkomstenbelasting 2001, waarin de voordelen, die de belastingplichtige geniet of zal gaan genieten uit een arbeidsrelatie of uit arbeidsrelaties waarin sprake is van hetzelfde soort van werkzaamheden die onder overeenkomstige condities worden verricht, worden aangemerkt als winst uit een onderneming, heeft voor de termijn waarvoor deze beschikking geldt als gevolg dat de belastingplichtige, met betrekking tot die arbeidsrelaties, wordt aangemerkt als zelfstandige als bedoeld in artikel 4.

  • 2 Indien de beschikking, bedoeld in het eerste lid, wordt herzien, laat dat het in het eerste lid bedoelde gevolg onverlet, voor de termijn waarvoor die beschikking gold.

Artikel 5. Beroepsbeoefenaar

Beroepsbeoefenaar is de persoon, jonger dan 65 jaar, die:

  • a. anders dan uit dienstbetrekking inkomsten uit tegenwoordige arbeid geniet;

  • b. anders dan in dienstbetrekking arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij een aanmerkelijk belang heeft.

Artikel 6. Meewerkende echtgenoot

Meewerkende echtgenoot is de persoon jonger dan 65 jaar die anders dan in dienstbetrekking, als zelfstandige of als beroepsbeoefenaar, meewerkt in de onderneming van zijn echtgenoot.

Hoofdstuk 3. De uitkeringen

Afdeling 1. Het recht op en de hoogte van de uitkering

§ 1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering

Artikel 7. Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering

  • 1 Recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft de verzekerde die arbeidsongeschikt wordt indien hij in de 52 weken onmiddellijk voorafgaande aan de dag, waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven heeft verricht gericht op het verwerven van winst of inkomsten. Als eerste dag van de arbeidsongeschiktheid geldt de eerste werkdag waarop wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan regels stellen inzake welke dag als eerste werkdag wordt aangemerkt.

  • 2 Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat niet eerder in dan nadat de arbeidsongeschiktheid onafgebroken 52 weken heeft geduurd en na afloop van dat tijdvak voortduurt.

  • 3 Voor het bepalen van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het tweede lid, worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Bij de vaststelling van de periode van vier weken blijven perioden, waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:18, eerste lid, of 3:19 van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten beschouwing.

  • 4 Recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft eveneens de verzekerde die na afloop van het in het tweede lid bedoelde tijdvak van 52 weken niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is binnen vier onafgebroken weken na afloop van dat tijdvak.

  • 5 Voor het bepalen van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het tweede lid, worden steeds in aanmerking genomen tijdvakken, gedurende welke de verzekerde recht zou hebben gehad op ziekengeld op grond van de Ziektewet, indien hij op grond van die wet zou zijn verzekerd.

  • 6 Voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid wordt niet als arbeidsongeschikt beschouwd de verzekerde die minder dan 25% arbeidsongeschikt is alsmede de verzekerde die een uitkering geniet als bedoeld in het derde lid.

Artikel 7a. Geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering bij niet in Nederland wonen

  • 1 De verzekerde, bedoeld in artikel 7, heeft geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien de dag waarop het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering zou ingaan, is gelegen in een periode dat hij niet in Nederland woont.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien de verzekerde op die dag woont in een land waarin op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering kan bestaan.

  • 3 De verzekerde, die op grond van het eerste lid geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft, heeft vanaf de dag:

    • a. dat hij in Nederland woont; of

    • b. waarop een verdrag in werking is getreden dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie van kracht is geworden in het land waar betrokkene woont, op grond waarvan recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering kan bestaan;

    met inachtneming van de bepalingen van deze wet recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij op die dag arbeidsongeschikt is. Artikel 7, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 4 De verzekerde, bedoeld in het derde lid, die op de in dat lid bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dat wel het geval is binnen vier weken na die dag, heeft met inachtneming van de bepalingen van deze wet recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering. Artikel 7, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van het eerste lid afwijkende regels worden gesteld ten gunste van:

    • a. de verzekerde, die tevens werkzaamheden verricht in het algemeen belang en niet in Nederland woont;

    • b. de verzekerde, die op de Nederlandse Antillen of Aruba woont; of

    • c. de gezinsleden van de in de onderdelen a of b bedoelde verzekerde.

  • 6 Voor de toepassing van dit artikel wordt met wonen in Nederland onderscheidenlijk niet wonen in Nederland gelijkgesteld het langer dan drie maanden onafgebroken in Nederland verblijven onderscheidenlijk het langer dan drie maanden onafgebroken niet in Nederland verblijven. Voor de toepassing van de eerste zin worden perioden van verblijf samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.

  • 7 Onze Minister maakt de landen bekend waarin op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering kan bestaan.

Artikel 7b. Geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering tijdens vrijheidsontneming

  • 1 De verzekerde, bedoeld in artikel 7, heeft geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de dag waarop het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering zou ingaan, is gelegen in een periode dat hem rechtens zijn vrijheid is ontnomen.

  • 2 De verzekerde, die op grond van het eerste lid geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft, heeft vanaf de dag dat hij in vrijheid wordt gesteld met inachtneming van de bepalingen van deze wet recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij op die dag arbeidsongeschikt is. Artikel 7, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3 Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.

  • 4 De verzekerde, bedoeld in het tweede lid, die op de in dat lid bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is binnen vier weken na die dag, heeft met inachtneming van de bepalingen van deze wet recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering. Artikel 7, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 5 Het eerste lid is niet van toepassing en het tweede en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiële inrichting plaatsvindt.

Artikel 8. Grondslag van de uitkering

  • 1 De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt berekend naar de grondslag.

  • 2 Voor de verzekerde, bedoeld in artikel 4, is de grondslag:

    • a. hetgeen hij in het boekjaar, onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid als zelfstandige gemiddeld per dag aan winst heeft genoten; of, indien dit leidt tot een hoger bedrag,

    • b. hetgeen hij in de vijf boekjaren, onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid als zelfstandige gemiddeld per dag aan winst heeft genoten.

  • 3 Voor de verzekerde, bedoeld in artikel 5, is de grondslag:

    • a. hetgeen hij in het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid als beroepsbeoefenaar gemiddeld per dag aan inkomsten heeft genoten; of, indien dit leidt tot een hoger bedrag,

    • b. hetgeen hij in de vijf kalenderjaren onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid als beroepsbeoefenaar gemiddeld per dag aan inkomsten heeft genoten.

  • 4 Voor de verzekerde, bedoeld in artikel 6, is de grondslag hetgeen hij over een tijdvak, gelegen in de in het tweede lid genoemde perioden, op basis van de geleverde arbeidsinbreng gemiddeld per dag aan inkomsten geacht kan worden te hebben genoten.

  • 5 Indien de verzekerde, bedoeld in artikel 4 en 6, tevens verzekerde is op grond van artikel 5 wordt de grondslag bepaald op een bedrag dat de uitkomst vormt van de samentelling van de gemiddelde winst of inkomsten per dag als bedoeld in het tweede lid en vierde lid en de gemiddelde inkomsten per dag als bedoeld in het derde lid.

  • 6 Voor personen die op grond van artikel 3, vierde lid, zijn verzekerd kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, zonodig in afwijking van het tweede tot en met vierde lid, een grondslag worden vastgesteld.

  • 7 De grondslag bedraagt ten hoogste het minimumloon.

  • 9 Indien het minimumloon wordt herzien wordt de grondslag, bedoeld in het tweede tot en met zesde lid naar evenredigheid herzien.

  • 11 Indien de verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van dezelfde dag recht heeft op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt het bedrag van de overeenkomstig het tweede tot en met zesde lid vastgestelde grondslag, doch ten hoogste het op grond van artikel 72, tweede lid, aangewezen bedrag gedeeld door 261, verminderd met een bedrag dat gelijk is aan het dagloon dat aan de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ten grondslag ligt.

  • 12 Indien de verzekerde die recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid tevens verzekerde was op grond van artikel 3, 4 of 5 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt het bedrag van de overeenkomstig het tweede tot en met zesde lid vastgestelde grondslag, doch ten hoogste het op grond van artikel 72, tweede lid, aangewezen bedrag gedeeld door 261, verminderd met een bedrag dat gelijk is aan het loon dat hij als werknemer genoot, voor zover dat loon als dagloon aan de toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ten grondslag zou liggen als hij arbeidsongeschikt zou zijn geworden in de zin van die wet.

  • 13 Indien de verzekerde die recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering op de dag van het intreden van de arbeidsongeschiktheid recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, ziekengeld op grond van de Ziektewet, uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg of een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, wordt het bedrag van de overeenkomstig het tweede tot en met zesde lid vastgestelde grondslag, doch ten hoogste het op grond van artikel 72, tweede lid, aangewezen bedrag gedeeld door 261, verminderd met het bedrag van genoemde uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Ziektewet, de Wet arbeid en zorg of de Werkloosheidswet waarop hij recht heeft op de dag voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid.

  • 14 Indien het in het elfde lid bedoelde dagloon, het in het twaalfde lid bedoelde loon of het in het dertiende lid bedoelde bedrag van de uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Ziektewet, de Wet arbeid en zorg of de Werkloosheidswet, alsmede het in die leden genoemde bedrag van de overeenkomstig het tweede tot en met zesde lid vastgestelde grondslag lager is dan het minimumloon, bedoeld in het achtste lid, bedraagt de grondslag voor de arbeidsongeschiktheidsuitkering het minimumloon, verminderd met dat dagloon, loon of bedrag, tenzij de grondslag, berekend op grond van het tweede tot en met zesde lid tot een lager bedrag leidt, in welk geval laatstgenoemd bedrag als grondslag geldt.

  • 15 De toepassing van het elfde, twaalfde en dertiende lid geldt onverminderd het zevende lid.

  • 16 Voor de toepassing van het elfde tot en met het dertiende lid wordt onder loon, arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, ziekengeld op grond van de Ziektewet, uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg of uitkering op grond van de Werkloosheidswet tevens verstaan de vakantie-uitkering waarop uit hoofde van dat loon of die uitkering recht bestaat, voorzover die vakantie-uitkering over dezelfde periode is berekend. Voor de toepassing van het veertiende lid wordt onder loon, arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, ziekengeld op grond van de Ziektewet, uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg of uitkering op grond van de Werkloosheidswet niet verstaan de vakantie-uitkering waarop uit hoofde van dat loon of die uitkering recht bestaat en wordt onder dagloon verstaan het dagloon maal 100/108.

  • 18 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld met betrekking tot de winst, de inkomsten en de periode waarover de winst en de inkomsten worden berekend, bedoeld in het tweede tot en met het zesde lid.

Artikel 9. Percentage arbeidsongeschiktheidsuitkering

  • 1 De arbeidsongeschiktheidsuitkering bedraagt per dag, de zaterdagen en zondagen niet meegerekend, bij een arbeidsongeschiktheid van:

    25–35%:

    21% van de grondslag;

    35–45%:

    28% van de grondslag;

    45–55%:

    35% van de grondslag;

    55–65%:

    42% van de grondslag;

    65–80%:

    50,75% van de grondslag;

    80% of meer:

    70% van de grondslag.

  • 2 Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt, zoveel doenlijk, rekening gehouden met verkregen nieuwe bekwaamheden.

Artikel 10. Verhoging arbeidsongeschiktheidsuitkering

Een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, wordt, indien de verzekerde verkeert in een althans voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid, die geregeld oppassing en verzorging nodig maakt, voor de duur van die hulpbehoevendheid tot ten hoogste zijn grondslag verhoogd. De eerste zin vindt geen toepassing, indien de verzekerde in een inrichting is opgenomen en de kosten van verblijf ten laste van een verzekering inzake ziektekosten komen.

Artikel 11. Buiten aanmerking laten van arbeidsongeschiktheid

  • 1 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan met betrekking tot uit deze wet voortvloeiende aanspraken geheel of ten dele, tijdelijk of blijvend, buiten aanmerking laten:

    • a. gehele arbeidsongeschiktheid, die bestond op het tijdstip, dat de verzekering een aanvang nam;

    • b. arbeidsongeschiktheid, die binnen een half jaar na het tijdstip, dat de verzekering een aanvang nam, is ingetreden, terwijl de gezondheidstoestand van de verzekerde ten tijde van de aanvang van zijn verzekering het intreden van arbeidsongeschiktheid binnen een half jaar kennelijk moest doen verwachten.

  • 2 De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde bevoegdheid strekt zich mede uit tot toeneming van de arbeidsongeschiktheid, voor zover deze toeneming kennelijk is voortgekomen uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid die binnen een half jaar na de aanvang van de verzekering is ingetreden.

  • 3 Zolang het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van het eerste lid arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking laat, vindt artikel 2, tweede lid, overeenkomstige toepassing met betrekking tot de door de verzekerde aan deze wet nog te ontlenen aanspraken, met dien verstande, dat voor de aanvang van de verzekering in de plaats treedt het tijdstip, met ingang waarvan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking laat.

Artikel 12. Herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering

  • 1 De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt herzien wanneer de verzekerde, aan wie zij is toegekend, op grond van deze wet voor een hogere of lagere uitkering in aanmerking komt.

  • 2 Onverminderd hetgeen overigens in deze wet is bepaald ter zake van herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, beziet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen binnen een jaar na ingang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, niet zijnde een voortzetting als bedoeld in artikel 35, vierde lid, of er gronden aanwezig zijn voor herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.

  • 3 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan, onder goedkeuring van Onze Minister, ten aanzien van bepaalde groepen arbeidsongeschikten bepalen dat geen tijdvak geldt dan wel een tijdvak zal gelden, dat afwijkt van het in het tweede lid genoemde tijdvak.

  • 4 Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering plaats met inachtneming van de artikelen 13 tot en met 16.

  • 5 De arbeidsongeschiktheidsuitkering van de verzekerde die deelneemt aan een voor hem gewenste opleiding of scholing, wordt gedurende deze opleiding of scholing niet herzien in verband met een daaruit voortvloeiende afneming van de arbeidsongeschiktheid, tenzij artikel 9, derde lid, van toepassing is. Indien de verzekerde tijdens de opleiding of scholing inkomsten uit arbeid verwerft, is artikel 58, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 13. Herziening bij minder dan 45% arbeidsongeschiktheid

  • 1 Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, onverminderd de artikelen 15 en 16, plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken 52 weken heeft geduurd.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde herziening vindt niet plaats, indien de toeneming kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit de ongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten, is voortgekomen.

  • 3 Indien de uitkeringsgerechtigde bij het intreden van de toeneming van de arbeidsongeschiktheid of in de 52 weken onmiddellijk voorafgaande aan de toeneming van de arbeidsongeschiktheid arbeid verricht of heeft verricht als bedoeld in artikel 7, eerste lid, vindt de in het eerste lid bedoelde herziening plaats, ook indien de toeneming kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit de ongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten, is voortgekomen.

  • 4 Voor het bepalen van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Bij de vaststelling van zowel het tijdvak van 52 weken als de periode van vier weken blijven perioden, waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:18, eerste lid, of 3:19 van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten beschouwing.

Artikel 14. Herziening bij 45% arbeidsongeschiktheid of meer

  • 1 Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, onverminderd artikel 15, plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.

  • 2 Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, doch minder dan 80%, wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, doch binnen vier weken na de dag, met ingang waarvan die uitkering is herzien, de arbeidsongeschiktheid weer toeneemt, is het eerste lid van toepassing, onder afwijking van artikel 13.

  • 3 Voor het bepalen van het tijdvak van vier weken, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Bij de vaststelling van zowel de eerstgenoemde als de laatstgenoemde periode van vier weken blijven perioden, waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:18, eerste lid, of 3:19 van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten beschouwing.

Artikel 15. Herziening uitkering zonder wachttijd

  • 1 Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats zodra de toeneming van de arbeidsongeschiktheid optreedt, indien deze intreedt:

    • a. binnen vier weken na de dag, met ingang waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend;

    • b. binnen vier weken na de dag, met ingang waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid werd herzien;

    • c. binnen vier weken na de dag, met ingang waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering, die voordien was berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%;

    • d. binnen een bij ministeriële regeling aan te geven tijdvak in daarbij aan te wijzen gevallen.

  • 2 Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend, onderscheidenlijk wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid werd herzien, met toepassing van artikel 36, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 38, tweede lid, geldt met betrekking tot het eerste lid, onderdeel a en b, als dag met ingang waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend onderscheidenlijk herzien de dag, met ingang waarvan die uitkering zou zijn toegekend, onderscheidenlijk zou zijn herzien, indien artikel 36, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 38, tweede lid, geen toepassing zou hebben gevonden.

  • 3 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor gevallen waarbij direct herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering plaatsvindt. Op grond van deze regels kan bedoelde herziening slechts plaatsvinden ten behoeve van de verzekerde die bij hervatting van de arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven winst of inkomsten geniet, die minder bedragen dan evenredig is aan zijn nog bestaande arbeidsgeschiktheid.

Artikel 16. Herziening bij toeneming arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar

  • 1 Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid die intreedt binnen vijf jaar na de datum van toekenning of herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en die voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten, is voortgekomen, vindt herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats, zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.

  • 2 Voor het bepalen van het tijdvak van vier weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Bij de vaststelling van zowel de eerstgenoemde als de laatstgenoemde periode van vier weken blijven perioden, waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:18, eerste lid, of 3:19 van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten beschouwing.

  • 3 Dit artikel vindt geen toepassing, indien recht bestaat op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 14 of 15, eerste lid, onderdelen a tot en met c.

Artikel 17. Grondslagvaststelling bij toeneming arbeidsongeschiktheid

  • 1 Indien wegens toeneming van de arbeidsongeschiktheid herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft plaatsgevonden, vindt hernieuwde vaststelling van een grondslag plaats overeenkomstig artikel 8 en de daarop berustende bepalingen, mits dat leidt tot een hogere grondslag dan die, welke laatstelijk aan de arbeidsongeschiktheidsuitkering ten grondslag werd gelegd.

  • 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt in artikel 8 in plaats van «het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid» gelezen: de toeneming van zijn arbeidsongeschiktheid.

Artikel 18. Overige gronden voor herziening of intrekking

  • 1 Onverminderd hetgeen overigens in deze wet is bepaald ter zake van herziening of intrekking van een beschikking tot toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering, alsook ter zake van een weigering van een zodanige uitkering, herziet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een dergelijke beschikking of trekt het deze in:

    • a. ter uitvoering van een beslissing als bedoeld in artikel 11;

    • b. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 45, 46 of 70 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van een uitkering;

    • c. indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;

    • d. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 45, 46 of 70 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat.

  • 2 Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.

Artikel 19. Einde van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering

  • 1 Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt:

    • a. met ingang van de eerste dag van de maand, waarin de verzekerde de leeftijd van 65 jaar bereikt;

    • b. wanneer de arbeidsongeschiktheid is geëindigd, of beneden 25% is gedaald, met ingang van de dag, aangegeven in de daartoe strekkende beschikking van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

  • 2 De arbeidsongeschiktheidsuitkering van de verzekerde die deelneemt aan een voor hem gewenste opleiding of scholing, wordt gedurende deze opleiding of scholing niet ingetrokken in verband met een daaruit voortvloeiende afneming van de arbeidsongeschiktheid, tenzij artikel 9, derde lid, van toepassing is. Indien de verzekerde tijdens de opleiding of scholing inkomsten uit arbeid verwerft, is artikel 58, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.

  • 3 Indien de intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering verband houdt met een voltooide scholing of opleiding, gaat deze intrekking niet eerder in dan een jaar na voltooiing van die scholing of opleiding. Indien de verzekerde eerder inkomsten uit arbeid verwerft, is artikel 58, eerste lid, tot uiterlijk het einde van dat jaar van overeenkomstige toepassing.

  • 4 Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt, indien de verzekerde rechtens zijn vrijheid is ontnomen, vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming één maand heeft geduurd.

  • 5 Voor de toepassing van het vierde lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.

Artikel 19a. Einde van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering bij niet in Nederland wonen

  • 1 Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt, indien de verzekerde niet meer in Nederland woont dan wel niet in Nederland verblijft, vanaf de dag dat dit verblijf onafgebroken drie maanden heeft geduurd.

  • 2 Artikel 7a, tweede, vijfde, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 20. Toekenning uitkering binnen vijf jaar na intrekking of niet-toekenning

  • 1 Indien de verzekerde:

    • a. wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 19, eerste lid, onderdeel b, is ingetrokken; of

    • b. die aan het einde van de wachttijd, bedoeld in artikel 7, tweede lid, ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling, maar geen recht had op arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt was;

    binnen vijf jaar na de datum van die intrekking dan wel binnen vijf jaar na het bereiken van het einde van die wachttijd arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten dan wel als die op grond waarvan hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling voortkomt, vindt toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats, zodra die arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.

  • 2 Voor het bepalen van het tijdvak van vier weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Bij de vaststelling van zowel de eerstgenoemde als de laatstgenoemde periode van vier weken blijven perioden, waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:18, eerste lid, of 3:19 van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten beschouwing.

  • 3 Dit artikel vindt geen toepassing:

    • a. indien op grond van artikel 21 aanspraak bestaat op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering; of

    • b. indien artikel 29b van de Ziektewet toepassing kan vinden, tenzij de toe te kennen arbeidsongeschiktheidsuitkering het ziekengeld overtreft.

  • 4 In de gevallen, waarin dit artikel toepassing vindt wordt de grondslag van de toe te kennen arbeidsongeschiktheidsuitkering niet lager gesteld dan de grondslag die voor de berekening van de laatstelijk ontvangen arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking werd genomen, dan wel de grondslag die in aanmerking zou zijn genomen, indien na het einde van de wachttijd, bedoeld in artikel 7, eerste lid, recht zou hebben bestaan op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals die sinds de beëindiging van de uitkering onderscheidenlijk sinds het einde van die wachttijd op grond van artikel 8 zou zijn herzien.

  • 5 Artikel 7b en de daarop berustende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 21. Heropening van de uitkering

  • 1 De verzekerde, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, in verband met artikel 19, eerste lid, onderdeel b, is ingetrokken, heeft, indien hij binnen vier weken na de dag, met ingang waarvan de uitkering is ingetrokken, weer arbeidsongeschikt wordt, aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.

  • 2 Het eerste lid is mede van toepassing ten aanzien van de verzekerde, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45% in verband met artikel 19, eerste lid, onderdeel b, is ingetrokken, indien hij weer arbeidsongeschikt wordt binnen vier weken na de dag, met ingang waarvan die uitkering, die voordien was berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%.

  • 3 De verzekerde, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, in verband met artikel 19, eerste lid, onderdeel b, is ingetrokken met ingang van een dag, gelegen binnen vier weken na de dag, met ingang waarvan die uitkering werd toegekend of wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid werd herzien, heeft, indien hij binnen die vier weken weer arbeidsongeschikt wordt, aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Artikel 15, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 4 De verzekerde, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, in verband met artikel 19, eerste lid, onderdeel b, is ingetrokken, heeft, onverminderd het tweede en het derde lid, indien hij binnen vier weken na de dag, met ingang waarvan de uitkering is ingetrokken, weer arbeidsongeschikt wordt, niet kennelijk uit een andere oorzaak dan die, waaruit de arbeidsongeschiktheid, ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten, is voortgekomen, aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.

  • 5 De heropening vindt plaats naar de mate van arbeidsongeschiktheid op de dag, waarop de heropening ingaat.

  • 6 Voor de toepassing van het eerste tot en met vijfde lid wordt niet als arbeidsongeschikt beschouwd de verzekerde die minder dan 25% arbeidsongeschikt is.

  • 7 Artikel 7b en de daarop berustende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 21a. Heropening van de uitkering bij terugkomst naar Nederland en na de inwerkingtreding van een verdrag

  • 1 De verzekerde, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met artikel 19a, eerste lid, is geëindigd, heeft vanaf de dag:

    • a. dat hij in Nederland woont; of

    • b. waarop een verdrag in werking is getreden dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie van kracht is geworden in het land waar betrokkene woont, op grond waarvan recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering kan bestaan;

    met inachtneming van de bepalingen van deze wet aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij op die dag arbeidsongeschikt is. Artikel 7a, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 2 Aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft eveneens de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, die op de in dat lid bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is binnen vier weken na afloop van dat tijdvak.

  • 3 De artikelen 7, zesde lid, 36 en 37, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in dit artikel.

Artikel 21b. Heropening van de uitkering na afloop vrijheidsontneming

  • 1 De verzekerde, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met artikel 19, vierde lid, is geëindigd, heeft vanaf de dag dat hij in vrijheid wordt gesteld met inachtneming van de bepalingen van deze wet aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij op die dag arbeidsongeschikt is. Artikel 7, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 2 Aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft eveneens de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, die op de in dat lid bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is binnen vier weken na afloop van dat tijdvak.

  • 3 De artikelen 7, zevende lid, 36 en 37, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in dit artikel.

  • 4 Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiële inrichting plaatsvindt.

§ 3. Vakantie-uitkering

Artikel 25. Recht op vakantie-uitkering

De verzekerde die over een maand recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering, heeft over die maand recht op vakantie-uitkering.

Artikel 26. Hoogte van de vakantie-uitkering

  • 1 De vakantie-uitkering bedraagt acht procent van het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering, waarop recht bestond in het tijdvak van twaalf maanden, voorafgaande aan de maand mei.

  • 2 Indien artikel 58 of 59 is toegepast, wordt onder het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in het eerste lid, verstaan het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, nadat dat artikel toepassing heeft gevonden.

  • 3 Indien het percentage van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt gewijzigd, treedt dit gewijzigde percentage in de plaats van het in het eerste lid genoemde percentage. Het gewijzigde percentage wordt in aanmerking genomen over de uitkering waarop recht bestaat over het tijdvak aanvangende met de dag waarop de wijziging ingaat.

Artikel 27. Recht op vakantie-uitkering over overlijdensuitkering

De artikelen 25 en 26, eerste tot en met derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 61.

§ 4. Garantie voor oudere arbeidsongeschikten

Artikel 29. Garantie voor oudere arbeidsongeschikten

Indien een verzekerde van 45 jaar of ouder die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en die als verzekerde bedoeld in artikel 3, eerste lid, winst of inkomsten gaat genieten in verband waarmee zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt beëindigd, wordt, indien hij binnen vijf jaar na de datum van aanvang van zijn werkzaamheden opnieuw recht heeft op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, de grondslag van die uitkering niet lager gesteld dan de grondslag die voor de berekening van de laatstelijk ontvangen arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking werd genomen, zoals die sinds de beëindiging van de uitkering op grond van artikel 8 zou zijn herzien.

Afdeling 2. Het geldend maken van het recht op uitkering

§ 1. Melding

Artikel 33. Melding gedurende wachttijd

  • 1 Ten einde een recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering geldend te kunnen maken meldt de verzekerde zijn arbeidsongeschiktheid binnen dertien weken na het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

  • 2 Voor het bepalen van het tijdvak van dertien weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Bij de vaststelling van zowel het tijdvak van dertien weken als de periode van vier weken blijven perioden, waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:18, eerste lid, of 3:19 van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten beschouwing.

§ 2. Toekenning

Artikel 35. Toekenning arbeidsongeschiktheidsuitkering

  • 1 Onverminderd hetgeen in deze wet ter zake van herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering is bepaald, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering op aanvraag toegekend over tijdvakken van drie jaar.

  • 2 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt de verzekerde schriftelijk in kennis van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag uiterlijk vier maanden voor de datum waarop:

    • a. het in artikel 7, tweede lid, genoemde tijdvak van 52 weken eindigt;

    • b. een tijdvak van drie jaar als bedoeld in het eerste lid, verstrijkt.

  • 3 Het tweede lid, onderdeel a, is niet van toepassing, indien de verzekerde de melding, bedoeld in artikel 33, eerste lid, niet of niet tijdig heeft gedaan. Indien de verzekerde deze melding niet tijdig heeft gedaan, geldt de in het tweede lid bedoelde verplichting voor het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen uiterlijk drie maanden nadat de verzekerde de melding heeft gedaan.

  • 4 De verzekerde die in aanmerking wenst te komen voor toekenning dan wel voortzetting van de uitkering, doet zijn aanvraag binnen negen maanden na aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid, onderscheidenlijk uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van een tijdvak als bedoeld in het eerste lid.

  • 5 Indien niet binnen de termijn ingevolge artikel 95a, eerste lid, een beschikking is gegeven op een tijdig ingediende aanvraag tot voortzetting van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt de uitkering voortgezet tot het tijdstip waarop de beschikking op de aanvraag is bekendgemaakt.

  • 6 Een aanvraag is tijdig ingediend, indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, niet heeft gedaan dan wel indien bij een latere kennisgeving dan bedoeld in het tweede lid de aanvraag wordt ingediend binnen vier weken nadat deze kennisgeving is ontvangen.

  • 7 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan, onder goedkeuring van Onze Minister, ten aanzien van bepaalde groepen arbeidsongeschikten bepalen dat geen tijdvak geldt dan wel een tijdvak zal gelden dat afwijkt van het in het eerste lid genoemde tijdvak.

  • 8 Indien de toepassing van het vierde lid zou leiden tot kennelijke hardheid, is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bevoegd de uitkering ambtshalve toe te kennen of voort te zetten.

Artikel 36. Ingangsdatum uitkering

  • 1 De arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat in op de dag, met ingang waarvan de verzekerde aan de vereisten voor het recht op toekenning van die uitkering voldoet.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan de uitkering niet vroeger ingaan dan een jaar voor de dag, waarop de aanvraag om toekenning dan wel voortzetting van de uitkering werd ingediend. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan voor bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken.

  • 3 Toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt niet plaats, indien deze zou ingaan op of na de in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, bedoelde dag.

Artikel 37. Herziening en heropening op aanvraag of ambtshalve

  • 1 Herziening dan wel heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt op aanvraag of ambtshalve plaats.

  • 2 Herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt in elk geval ambtshalve plaats in geval van een beslissing op grond van artikel 12, tweede lid.

Artikel 38. Ingangsdatum herziening en heropening uitkering

  • 1 De herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat in op de dag, waarop de verzekerde op grond van deze wet voor een hogere of lagere uitkering in aanmerking komt.

  • 2 Met betrekking tot de herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, die een verhoging van die uitkering tot gevolg heeft, alsmede met betrekking tot de heropening van de uitkering is artikel 36, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

  • 3 De herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering ter zake van afneming van de arbeidsongeschiktheid gaat in op de dag, aangegeven in de daartoe strekkende beschikking van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

  • 4 Indien de herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering verband houdt met een voltooide scholing of opleiding, gaat deze herziening niet eerder in dan een jaar na voltooiing van die scholing of opleiding. Indien de verzekerde eerder inkomsten uit arbeid verwerft, is artikel 58, eerste lid, tot uiterlijk het einde van dat jaar van overeenkomstige toepassing.

  • 5 De heropening van de uitkering, bedoeld in artikel 21, gaat in op de dag, met ingang waarvan de verzekerde weer arbeidsongeschikt is geworden.

  • 6 Heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt niet plaats, indien deze zou ingaan op of na de in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, bedoelde dag.

Artikel 40. Toekenning vakantie-uitkering

De vakantie-uitkering wordt ambtshalve of, ingeval artikel 60, eerste lid, tweede zin, toepassing vindt, op aanvraag door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen toegekend.

Artikel 41. Oproep en onderzoek door of namens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

  • 1 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan, telkens wanneer het dat nodig oordeelt, oproepen of doen oproepen en op een door of namens hem te bepalen plaats ondervragen of doen ondervragen:

    • a. de verzekerde;

    • b. de verzekerde, die de wachttijd van 52 weken, bedoeld in artikel 7, tweede lid, doormaakt;

    • c. de verzekerde, die aanspraak maakt op of recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering;

    • d. de verzekerde ten aanzien van wie of ten behoeve van wie reïntegratie-instrumenten als bedoeld in hoofdstuk 3 of hoofdstuk 4 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten zijn toegekend of waarvan toekenning wordt overwogen.

  • 2 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de in het eerste lid bedoelde personen op een door of namens hem te bepalen plaats door een of meer daartoe door hem aangewezen deskundigen doen onderzoeken.

  • 3 De daartoe door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aangewezen deskundige kan, ook zonder opdracht van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de in het eerste lid bedoelde personen oproepen, ondervragen, doen oproepen, doen ondervragen en onderzoeken of doen onderzoeken door een of meer door hem daartoe aangewezen deskundigen.

Artikel 42. Vergoeding kosten en tijdverlies

Opgeroepenen en, indien hun toestand geleide nodig maakt, mede hun geleiders, worden reiskosten, verblijfkosten en tijdverlies vergoed in de gevallen en volgens regels die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen worden vastgesteld.

Artikel 43. Voorschriften van medische of administratieve aard

  • 1 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de door hem daartoe aangewezen deskundige kunnen de personen, bedoeld in artikel 41, eerste lid, voorschriften geven in het belang van een behandeling of van genezing of tot behoud, herstel en bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid.

  • 2 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan voorschrijven dat de personen, bedoeld in artikel 41, eerste lid, zich laten registreren als werkzoekende bij de Centrale organisatie voor werk en inkomen.

Artikel 44. Controlevoorschriften

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan controlevoorschriften vaststellen. Deze voorschriften mogen niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze wet.

§ 3. Maatregelen en boeten

Artikel 45. Gevolgen weigeren onderzoek

  • 1 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen weigert de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk, indien een verzekerde als bedoeld in artikel 41, eerste lid, na tijdig te zijn opgeroepen niet is verschenen of heeft geweigerd:

    • a. vragen te beantwoorden die zijn gesteld door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de door hem daartoe aangewezen deskundige;

    • b. zich te laten onderzoeken door de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen daartoe aangewezen deskundige; of

    • c. te voldoen aan het voorschrift, gegeven door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de door hem daartoe aangewezen deskundige, om zich ter observatie te doen opnemen of te verblijven in een aangewezen inrichting.

  • 2 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen handelt overeenkomstig het eerste lid bij toeneming van de arbeidsongeschiktheid, voor zover deze toeneming kennelijk is voortgekomen uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid, ter zake waarvan het niet voldoen aan de oproeping of de weigering plaatsvond.

Artikel 46. Gevolgen niet-naleving voorschriften

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen handelt overeenkomstig artikel 45, indien de verzekerde:

  • a. de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de door hem daartoe aangewezen deskundige krachtens artikel 43 in het belang van een behandeling of genezing of tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid en tot registratie als werkzoekende bij de Centrale organisatie voor werk en inkomen gegeven voorschriften zonder deugdelijke grond niet opvolgt;

  • b. zich niet, zolang als het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de door hem daartoe aangewezen deskundige te kennen heeft gegeven dit noodzakelijk te achten, onder geneeskundige behandeling stelt of indien hij de voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt;

  • c. zich schuldig maakt aan gedragingen, waardoor zijn genezing wordt belemmerd of nalaat voldoende mee te werken om aanpassing aan zijn ziekte of gebrek te verkrijgen;

  • d. de controlevoorschriften, bedoeld in artikel 44, of de verplichting, bedoeld in artikel 55, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet behoorlijk is nagekomen of de verplichting, bedoeld in artikel 70, niet binnen de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen;

  • e. zijn arbeidsongeschiktheid opzettelijk heeft veroorzaakt;

  • f. zich niet houdt aan het voorschrift, bedoeld in artikel 35, vierde lid;

  • g. indien de belanghebbende zonder redelijke gronden niet meewerkt aan een scholing of opleiding die wenselijk wordt geacht voor zijn inschakeling in de arbeid.

Artikel 47. Afstemming maatregel op ernst gedraging

  • 1 Een maatregel als bedoeld in artikel 45 of 46 wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de verzekerde de gedraging kan worden verweten. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

  • 2 Indien het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 70, niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van een uitkering als genoemd in dat artikel, of indien de verzekerde zich niet houdt aan het voorschrift, bedoeld in artikel 35, vierde lid, kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen afzien van het opleggen van een maatregel en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting, of het zich niet houden aan het voorschrift, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting, of het zich niet houden aan de voorschriften, plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de verzekerde een zodanige waarschuwing is gegeven.

  • 3 Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten van het opleggen van een maatregel af te zien.

  • 4 Het opleggen van een maatregel blijft achterwege, indien voor dezelfde gedraging een boete als bedoeld in artikel 48 wordt opgelegd.

  • 5 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt nadere regels met betrekking tot het derde en vierde lid.

Artikel 48. Boete bij niet-nakoming inlichtingenverplichting

  • 1 Indien de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger de verplichting, bedoeld in artikel 70, niet of niet behoorlijk is nagekomen, legt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hem een boete op van ten hoogste € 2 269.

  • 2 De hoogte van de boete wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een boete wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

  • 3 Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 70, niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van een uitkering als genoemd in dat artikel, kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen afzien van het opleggen van een boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger een zodanige waarschuwing is gegeven.

  • 4 Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten van het opleggen van een boete af te zien.

  • 5 De persoon aan wie een boete is opgelegd is verplicht desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de boete van belang zijn.

  • 6 Voor zover de boete nog niet is geïnd vervalt zij door het overlijden van de persoon aan wie zij is opgelegd.

  • 7 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste en het tweede lid.

Artikel 49. Voorschriften rond voorgenomen boete-oplegging

  • 1 Indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen jegens de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger een handeling verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat hem wegens een bepaalde gedraging een boete zal worden opgelegd, is verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger niet langer verplicht ter zake van die gedragingen enige verklaring af te leggen, voor zover het betreft de boeteoplegging. De verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.

  • 2 Indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voornemens is aan de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger een boete op te leggen, wordt hiervan kennis gegeven aan de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust. De kennisgeving is een handeling als bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Op verzoek van de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger die de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen er zoveel mogelijk zorg voor dat de in die kennisgeving vermelde gronden aan de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger worden meegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.

  • 4 In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd.

  • 5 Indien de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger zijn zienswijze mondeling naar voren brengt, draagt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen er op verzoek van de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger die de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, zorg voor dat een tolk wordt benoemd die hem kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.

Artikel 50. Voorschriften rond boetebesluit

  • 1 Het besluit waarbij de boete wordt opgelegd vermeldt de termijn of de termijnen waarbinnen deze moet worden betaald, alsmede de wijze waarop het besluit bij gebreke van tijdige betaling, overeenkomstig artikel 54 zal worden tenuitvoergelegd.

  • 2 Op verzoek van de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger die het in het eerste lid bedoelde besluit wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen er zoveel mogelijk zorg voor dat de in dat besluit vermelde informatie aan de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt meegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.

  • 3 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste lid.

Artikel 51. Niet-oplegging van boete

  • 1 Een boete wordt niet opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het openbaar ministerie.

  • 2 De oplegging van een boete blijft definitief achterwege indien ter zake van de gedraging tegen de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is vervallen op grond van artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.

  • 3 Het openbaar ministerie doet van een omstandigheid als bedoeld in het eerste en het tweede lid mededeling aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Artikel 52. Termijnstelling van boete

  • 1 Een boete wordt opgelegd binnen een jaar nadat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger overeenkomstig artikel 49, vierde lid, in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Indien ter zake aangifte is gedaan of proces-verbaal is opgemaakt en ingezonden vangt het tijdvak van een jaar aan op de dag na die waarop het openbaar ministerie aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft meegedeeld dat geen strafvervolging wordt ingesteld.

  • 2 Een boete wordt in elk geval niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de desbetreffende gedraging heeft plaatsgevonden.

Artikel 53. Afwijking 8:69 Awb

In afwijking van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep het bedrag waarop de boete is vastgesteld ook ten nadele van de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger wijzigen.

Artikel 54. Boetebesluit executoriale titel

  • 1 Het besluit waarbij een boete is opgelegd levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De titel heeft mede betrekking op de rente en kosten, bedoeld in het zesde lid.

  • 4 Indien de persoon aan wie een boete is opgelegd geen uitkering of toeslag als bedoeld in het tweede of derde lid ontvangt, of meer ontvangt, dan wel ten aanzien van zodanige uitkering of toeslag toepassing van het tweede of derde lid niet mogelijk is, wordt het besluit waarbij de boete is opgelegd bij gebreke van tijdige betaling met toepassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op zijn kosten betekend en tenuitvoergelegd.

  • 5 De tenuitvoerlegging van een besluit waarbij een boete is opgelegd vindt plaats met toepassing van het tweede of derde lid, dan wel van het vierde lid, dan wel van het tweede of derde lid in combinatie met het vierde lid.

  • 6 Bij gebreke van tijdige betaling wordt de verschuldigde boete verhoogd met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten.

  • 7 Op het executoriaal beslag op grond van dit artikel door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op loon, sociale uitkeringen of andere periodieke betalingen, die derden verschuldigd zijn of worden aan de persoon aan wie een boete is opgelegd, zijn de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. De in artikel 479g aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

  • 9 Het achtste lid geldt niet, zolang de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger zijn verplichting, bedoeld in artikel 48, vijfde lid, niet of niet behoorlijk nakomt.

Afdeling 3. De betaling van de uitkering

Artikel 55. Betaalbaarstelling

  • 1 De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt betaalbaar gesteld door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De betaling geschiedt als regel in tijdvakken van een maand.

  • 2 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan een uitkering als bedoeld in het eerste lid, over een door hem te bepalen tijdvak bij wege van voorschot betaalbaar stellen, indien onzekerheid bestaat over het recht op of de hoogte van de uitkering of de hoogte van het te betalen bedrag aan uitkering. Een verleend voorschot wordt verrekend met het definitief vastgestelde bedrag aan uitkering dat over het desbetreffende tijdvak wordt betaald.

  • 3 Onverminderd het tweede lid, schort het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op of schorst het de betaling, indien het op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat:

    • a. het recht op uitkering niet of niet meer bestaat;

    • b. recht op een lagere uitkering bestaat;

    • c. de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger een verplichting als bedoeld in artikel 45, 46 of 70 niet of niet behoorlijk is nagekomen.

  • 4 Ingeval de arbeidsongeschiktheidsuitkering in het buitenland wordt betaald worden de daaraan verbonden kosten van overmaking op de uitkering in mindering gebracht.

  • 5 Wanneer de verzekerde, aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, een ander machtigt om de uitkering in ontvangst te nemen, onderscheidenlijk een verleende machtiging intrekt, wordt daaraan gevolg gegeven met ingang van een betalingstijdvak, aanvangende na de dag waarop de machtiging wordt ingediend, onderscheidenlijk waarop van haar intrekking mededeling wordt gedaan, doch niet later dan de eerste dag van de tweede maand na de dag van indiening onderscheidenlijk de mededeling.

Artikel 55a. Opschorting en hervatting betaalbaarstelling

  • 1 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen schort de betaling van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op indien de persoon aan wie de uitkering is toegekend een vreemdeling is die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000.

  • 2 De betaling van een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt hervat indien de betrokkene daartoe een aanvraag indient en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is gebleken dat hij feitelijk buiten Nederland woont of verblijf houdt.

Artikel 56. Inhouding vereveningsbijdrage

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen houdt op de arbeidsongeschiktheidsuitkering, op de vakantie-uitkering en op de toeslag op de uitkering op grond van de Toeslagenwet een bedrag in, dat gelijk is aan het bedrag van de premie die een werkgever op grond van de Werkloosheidswet op het overeenkomstige loon van een werknemer, die verzekerd is op grond van die wet, inhoudt.

Artikel 57. Betaling aan instellingen

  • 2 Indien de verzekerde, aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, in een inrichting ter verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van de desbetreffende inrichting of van de gemeente die de opnamekosten betaalt, het verzoek ontvangt om de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan die inrichting of die gemeente uit te betalen, kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dat verzoek zonder het stellen van andere voorwaarden inwilligen.

  • 3 Indien het eerste lid toepassing vindt, heeft de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid betrekking op het gedeelte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, dat niet aan het College voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel 1a van de Ziekenfondswet wordt betaald.

Artikel 58. Inkomsten uit arbeid tijdens uitkering

  • 1 Indien de verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering inkomsten uit arbeid geniet, wordt, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 2, vierde lid, kan worden aangemerkt, de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt de uitkering:

    • a. niet betaald, indien de inkomsten uit arbeid zodanig zijn, dat als die arbeid wel arbeid als bedoeld in artikel 2, vierde lid, zou zijn, niet langer sprake zou zijn van arbeidsongeschiktheid van ten minste 25%; of

    • b. indien onderdeel a niet van toepassing is, betaald tot een bedrag ter grootte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals deze zou zijn vastgesteld, indien die arbeid wel arbeid als bedoeld in artikel 2, vierde lid, zou zijn.

  • 2 Toepassing van het eerste lid kan ten hoogste plaatsvinden over een aaneengesloten tijdvak van drie jaar, vanaf de eerste dag waarover de inkomsten uit arbeid worden genoten. Dit tijdvak wordt niet onderbroken indien gedurende perioden van korter dan vier weken geen inkomsten uit arbeid worden genoten. Na afloop van het in de eerste zin genoemde tijdvak wordt de in het eerste lid bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel 2, vierde lid.

  • 4 Na afloop van een kalenderkwartaal wordt het gezamenlijke bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, die op grond van het derde lid niet zijn uitbetaald wegens het genieten van dat loon, alsmede van de dientengevolge niet uitbetaalde vakantie-uitkeringen, vermeerderd met het bedrag aan premies dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bij uitbetaling daarover op grond van enige wet verschuldigd zou zijn en dat niet op de uitkeringen in mindering kan worden gebracht, aan ’s Rijks kas afgedragen.

  • 5 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het eerste lid. Deze regels hebben in elk geval betrekking op de gelijkstelling van inkomsten in verband met arbeid met inkomsten als bedoeld in het eerste lid.

  • 6 Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het tweede lid geen toepassing vindt ten aanzien van andere vormen van arbeid die de verzekerde gaat verrichten.

Artikel 59. Samenloop met andere uitkeringen

  • 1 Indien ter zake van arbeidsongeschiktheid zowel recht bestaat op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met de artikelen 12 tot en met 17 als op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering uit hoofde van een na ingang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering aangevangen dienstbetrekking, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering uitbetaald voor zover deze de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering overtreft, doch in ieder geval uitbetaald tot de hoogte van het bedrag onmiddellijk voorafgaande aan de herziening.

  • 2 Indien ter zake van arbeidsongeschiktheid zowel recht bestaat op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering in verband met de artikelen 36 tot en met 40 van die wet als op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering uit hoofde van na ingang van eerstbedoelde arbeidsongeschiktheidsuitkering aangevangen werkzaamheden als verzekerde, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering uitbetaald voor zover deze de herziene arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering overtreft.

  • 3 Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt onder arbeidsongeschiktheidsuitkering en arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering tevens verstaan de vakantie-uitkering waarop uit hoofde van die arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en die uitkering recht bestaat, voor zover die vakantie-uitkering over dezelfde periode is berekend.

  • 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld:

    • a. met betrekking tot het eerste tot en met derde lid;

    • b. ter voorkoming of beperking van samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering met de in het eerste tot en met vijfde lid bedoelde uitkeringen in situaties waarin deze leden niet of onvoldoende voorzien;

    • c. ter voorkoming of beperking van samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet met uitkering op grond van andere wetten.

  • 6 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ter voorkoming of beperking van samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering met uitkering op grond van de sociale wetgeving van de Nederlandse Antillen, Aruba of van een andere Mogendheid.

Artikel 60. Betaling van vakantie-uitkering

  • 1 De betaling van de vakantie-uitkering vindt eenmaal per jaar plaats in de maand mei over de aan die maand voorafgaande 12 maanden, of, indien het recht op uitkering eerder dan in de maand mei eindigt, in de desbetreffende maand. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de vakantie-uitkering op een ander tijdstip betalen, mits die betaling plaatsvindt over een of meer voorliggende maanden waarover reeds recht op vakantie-uitkering bestaat.

  • 2 De artikelen 55, 57 en 61 zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de vakantie-uitkering, voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald.

Artikel 61. Overlijdensuitkering

  • 1 Na het overlijden van de verzekerde, aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, wordt met ingang van de dag na het overlijden, de uitkering in de vorm van een overlijdensuitkering betaald:

    • a. aan de langstlevende van de echtgenoten;

    • b. bij ontstentenis van de in onderdeel a bedoelde persoon, de minderjarige kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond;

    • c. bij ontstentenis van de in de onderdelen a en b bedoelde personen degenen ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de kosten van bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde.

  • 2 Met de verzekerde aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, wordt voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld, de persoon wiens overlijden heeft plaatsgevonden in de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar zou hebben bereikt, doch voor het bereiken van deze leeftijd is overleden, en die uitsluitend op grond van artikel 19, eerste lid, onderdeel a, over de dag van zijn overlijden geen recht op uitkering had.

  • 3 De overlijdensuitkering is gelijk aan het bedrag van de uitkering over één maand, doch niet over de zaterdagen en de zondagen, berekend naar de hoogte van die uitkering op de dag of laatstelijk voor de dag van overlijden van de verzekerde.

  • 5 De overlijdensuitkering wordt op aanvraag aan de rechthebbende of rechthebbenden, bedoeld in het eerste lid, door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betaald.

  • 6 De overlijdensuitkering wordt in een bedrag ineens betaald.

  • 7 Het bedrag van de overlijdensuitkering wordt verminderd met het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering dat over na het overlijden gelegen dagen reeds is betaald.

Artikel 62. Verjaringstermijn

Uitkeringen op grond van deze wet die niet in ontvangst zijn genomen of zijn ingevorderd binnen twee jaren na de dag van betaalbaarstelling, worden niet meer betaald.

Artikel 63. Terugvordering

  • 1 De uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 18 onverschuldigd is verstrekt, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van de belanghebbende teruggevorderd.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien de belanghebbende:

    • a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;

    • b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;

    • c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of

    • d. een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.

  • 3 De in het tweede lid, onder a en b, genoemde termijn is drie jaar indien:

  • 4 Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

  • 5 Het besluit tot terugvordering vermeldt hetgeen wordt teruggevorderd, de termijn of termijnen waarbinnen moet worden betaald, alsmede dat het besluit bij gebreke van tijdige betaling zal worden tenuitvoergelegd op de wijze als omschreven in artikel 64.

  • 6 De persoon van wie of de instelling waarvan wordt teruggevorderd is verplicht desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de inlichtingen te verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn.

  • 7 In afwijking van het eerste lid kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onder voorwaarden die Onze Minister kan stellen, besluiten van terugvordering af te zien indien het terug te vorderen bedrag een door Onze Minister vast te stellen bedrag niet te boven gaat.

Artikel 64. Besluit als executoriale titel

  • 1 Het besluit tot terugvordering levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

  • 2 Artikel 54 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien het gemiddeld inkomen van de belanghebbende gedurende drie jaar de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de aflossingsbedragen lager vaststelt.

Artikel 65. Nadere regels

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de artikelen 63, eerste, tweede, derde, vierde, vijfde, zesde en zevende lid, en 64.

Artikel 66. Onvervreemdbaarheid van verstrekkingen

  • 1 De arbeidsongeschiktheidsuitkering, de verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in artikel 10 en de vakantie-uitkering zijn:

    • a. onvervreemdbaar;

    • b. niet vatbaar voor verpanding of belening.

  • 2 Volmacht tot ontvangst van een uitkering onder welke vorm of welke benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.

  • 3 Elk beding, strijdig met dit artikel, is nietig.

Artikel 67. Niet voor beslag vatbare verstrekkingen

Niet vatbaar voor beslag zijn:

Hoofdstuk 4. De invloed van de verzekering op het burgerlijk recht

Artikel 68. Samenloop aanspraken

Bij de vaststelling van de schadevergoeding, waarop de verzekerde naar burgerlijk recht aanspraak kan maken ter zake van zijn arbeidsongeschiktheid, houdt de rechter rekening met de aanspraken, die hij op grond van deze wet heeft.

Artikel 69. Regresrecht

  • 1 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft voor de op grond van deze wet gemaakte kosten verhaal op de persoon die in verband met het veroorzaken van arbeidsongeschiktheid jegens de verzekerde naar burgerlijk recht tot schadevergoeding is verplicht, doch ten hoogste tot het bedrag, waarvoor deze bij het ontbreken van de aanspraken krachtens deze wet naar burgerlijk recht aansprakelijk zou zijn, verminderd met een bedrag, gelijk aan dat van de schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijke persoon jegens de verzekerde naar burgerlijk recht is gehouden.

  • 2 Overeenkomstig door Onze Minister te stellen regels kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in plaats van het bedrag van de periodieke verstrekkingen de contante waarde daarvan vorderen.

Hoofdstuk 5. Het verstrekken van inlichtingen

Artikel 70. Verplichting tot verstrekken van inlichtingen

  • 1 De verzekerde, diens wettelijke vertegenwoordiger alsmede de instelling, bedoeld in artikel 57, waaraan arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt betaald, zijn verplicht aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering of op het bedrag van de uitkering, dat wordt betaald.

  • 2 Op de verzekerde die aanspraak maakt op of recht heeft op vakantie-uitkering alsmede op diens wettelijke vertegenwoordiger, rusten overeenkomstige verplichtingen als omschreven in het eerste lid.

Hoofdstuk 6. Financiering

Artikel 71. Premieplicht

  • 1 De verzekerde, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen a en b, en derde lid, is premie verschuldigd over zijn premie-inkomen.

  • 2 De premieplicht eindigt met ingang van de eerste dag van de maand waarin de premieplichtige de leeftijd van 65 jaar bereikt.

Artikel 72. Maatstaf voor premieheffing

  • 1 Het premie-inkomen is het gezamenlijke bedrag van de in het kalenderjaar genoten winst uit onderneming, winst uit Nederlandse onderneming en zuivere inkomsten uit buiten dienstbetrekking verrichte tegenwoordige arbeid. Voor de toepassing van dit artikel worden onder zuivere inkomsten uit buiten dienstbetrekking verrichte tegenwoordige arbeid verstaan andere dan uit dienstbetrekking genoten inkomsten uit tegenwoordige arbeid nadat deze zijn verminderd met de werknemersaftrek bedoeld in artikel 3.85 van de Wet inkomstenbelasting 2001, die betrekking heeft op de inkomsten uit tegenwoordige arbeid.

  • 2 Het premie-inkomen wordt voor de premieheffing tot geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan het door Onze Minister in overeenstemming met de Minister van Financiën bij ministeriële regeling aan te wijzen bedrag.

  • 3 Ten aanzien van de verzekerde die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij een aanmerkelijk belang heeft, worden de in een kalenderjaar genoten zuivere inkomsten uit buiten dienstbetrekking verrichte tegenwoordige arbeid uit die arbeidsverhouding voor de toepassing van dit artikel ten minste gesteld op het in het tweede lid bedoelde premie-inkomen dat ten hoogste in aanmerking wordt genomen, dan wel, indien hij aannemelijk maakt dat ter zake van soortgelijke arbeidsverhoudingen waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, in het economische verkeer een lagere beloning gebruikelijk is, gesteld op die lagere beloning verminderd met de in het eerste lid bedoelde werknemersaftrek.

Artikel 72a. Middeling van premie-inkomen over 3 jaar

  • 1 Op aanvraag wordt aan de verzekerde die gedurende een tijdvak van drie aaneengesloten gehele kalenderjaren, hierna te noemen het middelingstijdvak, premieplichtig is geweest op grond van deze wet een teruggaaf van premie, hierna te noemen een middelingsteruggaaf, verleend. Het kalenderjaar waarin de verzekerde de leeftijd van 65 jaar bereikt wordt niet in een middelingstijdvak betrokken. Een kalenderjaar behorende tot een tijdvak waarover een middelingsteruggaaf is verleend, wordt niet in een ander middelingstijdvak betrokken.

  • 2 De teruggaaf van betaalde premie bedraagt het verschil van de premie die over het middelingstijdvak is geheven en de premie die verschuldigd zou zijn indien het premie-inkomen in elk van die jaren een derde gedeelte zou bedragen van het totaal van de premie-inkomens in die jaren, voor zover dit verschil groter is dan € 545. Voor de toepassing van de eerste zin wordt een premie-inkomen in een kalenderjaar ten minste op nihil gesteld.

  • 3 De aanvraag wordt gedaan bij de inspecteur van de rijksbelastingdienst binnen 36 maanden nadat de op de jaren van het middelingstijdvak betrekking hebbende aanslagen inzake premie onherroepelijk zijn geworden. Ingeval over een jaar van het middelingstijdvak wordt nagevorderd of bij beschikking een aanslag wordt verminderd, terwijl op het tijdstip van het onherroepelijk worden van de navorderingsaanslag of de beschikking de in de eerste zin bedoelde termijn van 36 maanden voor meer dan 34 maanden is verstreken, kan een aanvraag van teruggaaf tevens worden gedaan binnen twee maanden na dat tijdstip.

  • 4 De inspecteur van de rijksbelastingdienst beslist op de aanvraag bij voor bezwaar vatbare beschikking.

Artikel 73. Franchise en tarief

  • 1 De premie voor de verzekering wordt vastgesteld op een percentage van het in aanmerking te nemen premie-inkomen verminderd met een door Onze Minister in overeenstemming met de Minister van Financiën bij ministeriële regeling aan te wijzen bedrag dan wel met het bedrag van de inkomsten uit dienstbetrekking indien dit hoger is.

  • 2 Onze Minister stelt het premiepercentage vast, alsmede het tijdvak waarvoor dat percentage geldt, voor de verzekering op grond van deze wet.

Artikel 74. Gemiddeld premiepercentage

Indien een wijziging van een premiepercentage ingaat op een ander tijdstip dan met ingang van 1 januari, wordt bij ministeriële regeling, in overeenstemming met de Minister van Financiën, een gemiddeld premiepercentage vastgesteld voor door Onze Minister aan te wijzen tijdvakken.

Artikel 75. Heffing en invordering van premie

  • 1 De op grond van dit hoofdstuk verschuldigde premie wordt geheven en ingevorderd overeenkomstig de voor de heffing en de invordering van de inkomstenbelasting geldende regels, met dien verstande dat de artikelen 3.154 en 9.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 buiten toepassing blijven.

  • 2 De premie wordt geheven en ingevorderd door de rijksbelastingdienst.

  • 3 De aanslag premie en de aanslag inkomstenbelasting kunnen op een aanslagbiljet worden verenigd. In dat geval worden de bedragen van de aanslagen afzonderlijk vermeld.

  • 4 Indien geen aanslag inkomstenbelasting wordt vastgesteld wordt evenmin een aanslag premie vastgesteld. De eerste zin is niet van toepassing ingeval aan loonbelasting onderworpen inkomsten uit tegenwoordige arbeid worden genoten, anders dan uit dienstbetrekking.

Artikel 76. Rijksbijdragen

Indien de premie die op grond van dit hoofdstuk is verschuldigd door de verzekerden, bedoeld in artikel 5, met uitzondering van de verzekerden die op grond van artikel 6 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering als directeur-grootaandeelhouder worden beschouwd, onvoldoende is om de uitgaven, bedoeld in artikel 80, met betrekking tot deze verzekerden in een kalenderjaar te bekostigen, komt het verschil ten laste van het Rijk.

Artikel 77. Nadere regels

Bij ministeriële regeling kunnen in overeenstemming met de Minister van Financiën nadere en zonodig afwijkende regels worden gesteld met betrekking tot de artikelen 71 tot en met 76.

Artikel 78. Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen

  • 1 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen beheert en administreert afzonderlijk de in artikel 79 bedoelde middelen tot dekking van de uitgaven en de uitgaven, bedoeld in artikel 80, alsmede de middelen benodigd voor het vormen en in stand houden van een reserve, in de vorm van een Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen dat deel uitmaakt van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

  • 2 De middelen voor het vormen en instandhouden van een reserve worden gevonden uit de ten gunste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen komende premies.

  • 3 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bezigt de op grond van het eerste lid gereserveerde gelden niet tot bestrijding van uitgaven ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen dan met toestemming van Onze Minister.

Artikel 79. Bedragen ten gunste van Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen

Ten gunste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen komen:

  • a. de premie, bedoeld in artikel 73, en de premievervangende belasting, bedoeld in artikel 91;

  • b. het bedrag, bedoeld in artikel 56;

  • c. de boeten, bedoeld in artikel 48;

  • d. de bedragen die het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ontvangt met toepassing van verhaal als bedoeld in artikel 69;

  • e. de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 76.

Artikel 80. Uitgaven ten laste van Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen

Ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen komen:

Hoofdstuk 7. Uitvoering

Artikel 81

  • 1 De verzekerde, bedoeld in artikel 3, is verzekerd bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

  • 2 In de uitvoering van de in deze wet geregelde verzekering wordt, behoudens de uitvoering die op grond van enig artikel van deze wet aan een ander is opgedragen, voorzien door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Artikel 83. Werkzaamheden verricht door de uitvoeringsinstelling bij samenloop

[Vervallen per 01-01-2002]

Artikel 84. Werkzaamheden verricht door de uitvoeringsinstelling bij herziening

[Vervallen per 01-01-2002]

Artikel 85. Werkzaamheden verricht door de uitvoeringsinstelling bij toekenning binnen vijf jaar na intrekking of niet-toekenning

[Vervallen per 01-01-2002]

Artikel 86. Werkzaamheden verricht door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bij heropening

De heropende arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt beschouwd als een voortzetting van de ingetrokken uitkering. Voor de toepassing van de artikelen 14, tweede lid, 15, eerste lid, onderdeel c, en 16 wordt daarbij met herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid gelijkgesteld intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Hoofdstuk 8. Gemoedsbezwaren

Artikel 89. Ontheffing wegens gemoedsbezwaren

  • 1 Van verplichtingen die bij of krachtens hoofdstuk 6 zijn opgelegd, wordt op zijn aanvraag ontheven de persoon, die gemoedsbezwaren heeft tegen de in deze wet geregelde verzekering.

  • 2 Een ontheffing wordt verleend door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

  • 3 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen doet van het verlenen van een ontheffing, alsmede van het intrekken van een ontheffing mededeling aan de inspecteur van de rijksbelastingdienst binnen wiens ambtsgebied de persoon, ten aanzien van wie ontheffing is verleend dan wel is ingetrokken, woont of is gevestigd.

Artikel 90. Heffing van premievervangende inkomstenbelasting

Indien op grond van artikel 89 ontheffing is verleend, wordt geen premie geheven, doch vindt voor de verzekering op grond van deze wet heffing en invordering van een premievervangende inkomstenbelasting plaats op zodanige wijze dat van de persoon, van wie anders premie zou worden geheven, inkomstenbelasting wordt geheven tot een bedrag van die premie.

Artikel 91. Belasting beschouwd als premie voor bepaalde wetten

De op de voet van artikel 90 verschuldigde premievervangende inkomstenbelasting wordt geheven en ingevorderd op de voet van hoofdstuk 6, als ware de premievervangende inkomstenbelasting premie.

Artikel 92. Premie ten laste van het Rijk

Premie voor de verzekering op grond van deze wet, die als gevolg van een ontheffing als bedoeld in artikel 89, niet wordt geheven, komt ten laste van het Rijk.

Artikel 93. Nadere regels

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit hoofdstuk. Deze regels betreffen:

  • a. de voorschriften, waaronder een ontheffing wordt verleend;

  • b. de verdere gevolgen die voor de toepassing van deze wet aan een ontheffing zijn verbonden;

  • c. de gevallen, waarin een ontheffing wordt ingetrokken; en

  • d. de gevolgen die voor de toepassing van deze wet zijn verbonden aan een ontheffing en aan een intrekking van een ontheffing.

HOOFDSTUK 9. BEPALINGEN IN VERBAND MET DE ALGEMENE WET BESTUURSRECHT EN HET BEROEP IN CASSATIE

Artikel 94. Begrip belanghebbende

Bij een besluit op grond van deze wet dat betrekking heeft op het al dan niet bestaan of voortbestaan dan wel de mate van arbeidsongeschiktheid is belanghebbende de persoon op wiens aanspraken het besluit betrekking heeft.

Artikel 95. Beslistermijnen

  • 1 Onverminderd de artikelen 72a, 75 en 95a, worden de beschikkingen op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen gegeven binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.

  • 2 De redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking is gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in het derde of vierde lid is gedaan.

  • 3 Indien een beschikking niet binnen de termijn van acht weken kan worden gegeven, wordt die termijn met een redelijke termijn verlengd en wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis gesteld.

  • 4 Indien in verband met het geven van een beschikking als bedoeld in het eerste lid informatie is gevraagd aan een persoon of instantie buiten Nederland en om die reden de beschikking niet binnen acht weken gegeven kan worden, wordt die termijn verlengd met ten hoogste zes maanden en wordt de aanvrager van deze verlenging schriftelijk in kennis gesteld.

Artikel 95a. Bijzondere beslistermijnen

  • 1 Een beschikking over het verzekerd zijn op grond van deze wet, over de toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, over voortzetting van een arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in artikel 35, vierde lid, dan wel over herziening, intrekking of heropening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt gegeven binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 2 Indien in verband met het geven van een beschikking als bedoeld in het eerste lid advies is gevraagd aan een deskundige die niet onder verantwoordelijkheid van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen werkzaam is en om die reden de beschikking niet binnen dertien weken gegeven kan worden, wordt die termijn verlengd met ten hoogste vier weken en wordt de aanvrager van deze verlenging schriftelijk in kennis gesteld.

  • 3 Indien in verband met het geven van een beschikking als bedoeld in het eerste lid informatie is gevraagd aan een persoon of instantie buiten Nederland en om die reden de beschikking niet binnen dertien weken gegeven kan worden, wordt die termijn verlengd met ten hoogste zes maanden en wordt de aanvrager van deze verlenging schriftelijk in kennis gesteld.

  • 4 Indien een beschikking als bedoeld in het eerste lid om andere dan de in het tweede en derde lid bedoelde redenen niet binnen dertien weken kan worden gegeven, wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis gesteld onder vermelding van een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

Artikel 96. Beslistermijnen Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bij bezwaarschriften

  • 2 Indien bezwaar wordt gemaakt tegen een besluit waaraan een medische of arbeidskundige beoordeling ten grondslag ligt, beslist het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen binnen zeventien weken of, indien het advies vraagt aan een deskundige die niet onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam is binnen een en twintig weken, na ontvangst van het bezwaarschrift.

Artikel 97. Medische bezwaarschriftprocedure

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de behandeling van bezwaarschriften tegen besluiten, waaraan een medische of arbeidskundige beoordeling ten grondslag ligt.

Artikel 98. Beroep in cassatie

  • 2 Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van een gerechtshof.

Hoofdstuk 10. Strafbepalingen

Artikel 99. Strafbepaling

Overtreding van bepalingen van een krachtens deze wet uitgevaardigde algemene maatregel van bestuur voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van dit artikel aangeduid, wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.

Artikel 99c. Strafbepaling inzake opzettelijke opgave in strijd met waarheid

[Vervallen per 01-07-2000]

Artikel 100. Verval van recht tot strafvordering

Het recht tot strafvordering vervalt indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger ter zake van hetzelfde feit reeds een boete heeft opgelegd.

Artikel 101. Misdrijven en overtredingen

De in de artikelen 99b en 99c bedoelde strafbare feiten worden als misdrijven, de in de artikelen 99 en 99a bedoelde strafbare feiten worden als overtredingen beschouwd.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage, 24 april 1997

Beatrix

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

F. H. G. de Grave

Uitgegeven de negenentwintigste april 1997

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

Terug naar begin van de pagina