Besluit buitenslands gediplomeerden volksgezondheid

Geraadpleegd op 21-02-2024.
Geldend van 01-10-2020 t/m heden

Besluit van 12 mei 1995, houdende uitvoering van de artikelen 41, vijfde lid, 42, tweede lid, en 45, derde lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 24 november 1994, PAO/BOG 9414146;

Gelet op de artikelen 41, vijfde lid, 42, tweede lid, en 45, derde lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg;

De Raad van State gehoord (advies van 1 maart 1995, no. W13.94.0726);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 2 mei 1995, DGVgz/PAO/BOG-953685;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • a. wet: de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg;

  • b. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

  • c. commissie: de Commissie buitenslands gediplomeerden volksgezondheid;

  • d. EER-overeenkomst: de overeenkomst van Oporto van 2 mei 1992 betreffende de Europese Economische Ruimte (Trb. 1992, 132);

  • e. EER-gebied: het grondgebied van de staten die partij zijn bij de EER-overeenkomst.

Artikel 2

  • 1 De commissie bestaat uit een voorzitter, tevens lid, alsmede uit minimaal twee en maximaal vier leden-deskundigen per in artikel 3 van de wet genoemd, onderscheidenlijk krachtens artikel 34 van de wet aangewezen, beroep. De leden-deskundigen zijn deskundig ter zake van de opleiding tot het desbetreffende beroep of ter zake van de uitoefening van dat beroep.

  • 2 Onze Minister benoemt en ontslaat de voorzitter en de andere leden van de commissie.

  • 3 De leden worden voor vier jaar benoemd. Zij zijn herbenoembaar. De zittingsduur van een tussentijds benoemd lid eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van degene in wiens plaats hij is benoemd, eindigt.

  • 4 De leden, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, worden niet benoemd dan nadat Onze Minister de organisatie die naar zijn oordeel voldoende representatief is voor de instellingen die opleiden tot het desbetreffende beroep onderscheidenlijk voor de beoefenaren van dat beroep, heeft uitgenodigd binnen een door hem aan te geven termijn een voordracht tot benoeming te doen en deze termijn is verstreken.

  • 5 Onze Minister benoemt voor de voorzitter en voor elk van de andere leden een plaatsvervanger. Zij worden door Onze Minister ontslagen. Het derde en vierde lid zijn ten aanzien van de plaatsvervangende leden van overeenkomstige toepassing.

  • 6 Onze Minister kan een of meer ambtenaren aanwijzen als adviserend lid van de commissie.

  • 7 Onze Minister voorziet in het secretariaat van de commissie.

Artikel 3

  • 2 De commissie heeft voorts tot taak Onze Minister van advies te dienen over de vraag of werkervaring als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel c, van de wet, welke is opgedaan buiten het EER-gebied en buiten Zwitserland, kan meetellen bij het vaststellen van het aantal uren waarbinnen de werkzaamheden zijn verricht op het terrein van het desbetreffende beroep binnen de individuele gezondheidszorg.

  • 3 Op verzoek van Onze Minister adviseert de commissie Onze Minister over de vraag of de werkervaring die een fysiotherapeut, een gezondheidszorgpsycholoog, een psychotherapeut, een physician assistant, een orthopedagoog-generalist of een klinisch technoloog heeft opgedaan buiten Nederland, doch binnen het EER-gebied of in Zwitserland, kan meetellen bij het vaststellen van het aantal uren waarbinnen de werkzaamheden zijn verricht op het terrein van de fysiotherapie, de gezondheidszorgpsychologie, de psychotherapie, de physician assistant, de orthopedagoog-generalist onderscheidenlijk het terrein van de klinisch technoloog.

Artikel 3a

  • 1 De commissie kan bepalen dat de buitenslands gediplomeerde die beschikt over een getuigschrift dat is afgegeven door de autoriteiten van een staat die is gelegen buiten het EER-gebied, een kennis- en vaardighedentoets dient af te leggen ten behoeve van het advies, bedoeld in artikel 3.

  • 2 Onze Minister stelt per beroepsgroep een tarief vast voor de kennis- en vaardighedentoets.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde buitenslands gediplomeerde voldoet voor het afleggen van de kennis- en vaardighedentoets het in het tweede lid genoemde tarief.

Artikel 4

De commissie heeft voorts tot taak Onze Minister met betrekking tot de toepassing van artikel 41, eerste lid, onder c, dan wel artikel 45, eerste lid, onder c, van de wet van advies te dienen over de vraag of voor de beoordeling van de aanvraag tot erkenning van beroepskwalificaties, bedoeld in de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, een proeve van bekwaamheid dan wel een aanpassingsstage als bedoeld in de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties vereist is. Indien dat het geval is, adviseert de commissie Onze Minister over de inhoud van de af te leggen proeve van bekwaamheid dan wel over de inhoud en de duur van de aanpassingsstage.

Artikel 6

  • 1 De commissie regelt haar werkwijze met inachtneming van dit besluit.

  • 2 De commissie kan externe deskundigen raadplegen.

  • 3 De commissie beraadslaagt en brengt advies uit in de overeenkomstig artikel 2, eerste lid, voor het desbetreffende beroep bedoelde samenstelling.

Artikel 6a

  • 1 Bij een aanvraag om erkenning van een getuigschrift als bedoeld in artikel 41, eerste lid, onder a, van de wet, worden de volgende bescheiden overgelegd:

    • a. een door Onze Minister beschikbaar te stellen formulier, dat door de aanvrager is ingevuld;

    • b. het in artikel 41, eerste lid, onder a, van de wet bedoelde getuigschrift;

    • c. een bewijs van zijn nationaliteit alsmede:

      • indien de aanvrager een onder 2° aangewezen migrerende beroepsbeoefenaar is, als bedoeld in artikel 1, Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, een door Nederland afgegeven EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 8 van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU 2004, L 16), of een door een andere betrokken staat dan Nederland afgegeven zodanige EG-verblijfsvergunning en een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000;

      • indien de aanvrager een onder 3° aangewezen migrerende beroepsbeoefenaar is, als bedoeld in artikel 1, Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie of een duurzame verblijfskaart of een ander bewijsmiddel waaruit blijkt dat de aanvrager het verblijfsrecht of het duurzaam verblijfsrecht heeft verkregen als bedoeld in hoofdstuk III, respectievelijk hoofdstuk IV van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (PbEU 2004, L 158 en L 229).

  • 2 Van een getuigschrift als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt het originele exemplaar verstrekt dan wel een kopie die is gewaarmerkt door een in Nederland gevestigde notaris, de instelling die het betreffende getuigschrift heeft afgegeven, of door de daartoe bevoegde autoriteit in een lidstaat van de Europese Unie of andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland.

Artikel 7

  • 1 Bij een aanvrage om een verklaring als bedoeld in artikel 41, eerste lid, onder b, van de wet, of een verklaring als bedoeld in artikel 45, eerste lid, onder b, van de wet worden de volgende bescheiden overgelegd:

    • a. het desbetreffende door Onze Minister beschikbaar te stellen aanvraagformulier, dat door de aanvrager is ingevuld;

    • b. een fotokopie van het deel van een geldig identiteitsbewijs dat de persoonsgegevens bevat;

    • c. het getuigschrift inzake het betreffende beroep dat door het in het land van herkomst daartoe bij of krachtens de wet bevoegd verklaarde gezag aan de aanvrager is afgegeven;

    • d. het op naam gestelde programma van de opleiding tot het betreffende beroep, onderverdeeld in theorie- en praktijkvakken, met een omschrijving van die vakken, met opgave van de duur van het onderwijs in die vakken, afkomstig van de instelling waarbij de aanvrager het getuigschrift heeft behaald;

    • e. indien in het land van herkomst een door een overheidsorgaan of een organisatie van beoefenaren van het desbetreffende beroep ingesteld register in stand wordt gehouden: een bewijs van inschrijving van de aanvrager in dat register, niet ouder dan drie maanden;

    • f. bewijsstukken van eventuele beroepservaring.

  • 2 De bescheiden, bedoeld in het eerste lid, onder c tot en met f, zijn gesteld, dan wel door een beëdigd vertaler vertaald, in het Nederlands of Engels.

  • 3 De fotokopie, bedoeld in het eerste lid, onder b, dient te zijn gewaarmerkt door de uitgevende instantie of een in Nederland gevestigde notaris.

  • 4 Van de bescheiden, bedoeld in het eerste lid, onder c tot en met e, wordt een origineel verstrekt, dan wel een fotokopie die is gewaarmerkt door de instelling die het document heeft afgegeven of een in Nederland gevestigde notaris. Van de bescheiden als bedoeld in het eerste lid, onder f, wordt een originele verklaring door de werkgever verstrekt, een fotokopie die is gewaarmerkt door een in Nederland gevestigde notaris, danwel, indien geen sprake is van een dienstverband, enig ander document op grond waarvan aannemelijk kan worden gemaakt dat de beroepservaring is opgedaan.

  • 5 De minister kan ter vaststelling van de getrouwheid van een fotokopie van een getuigschrift, verzoeken om het originele getuigschrift als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel c.

Artikel 9

Het Besluit commissies buitenlandse apothekers en apothekersassistenten en het Besluit buitenslands gediplomeerde verpleegkundigen worden ingetrokken.

Artikel 10

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 11

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit buitenslands gediplomeerden volksgezondheid.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage, 12 mei 1995

Beatrix

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. Borst-Eilers

Uitgegeven de achtste februari 1996

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

Naar boven