Per 1 januari 2026 is een groot aantal regelingen gewijzigd. Mogelijk zijn deze wijzigingen nog niet doorgevoerd in de geconsolideerde tekst en ziet u nog een oude versie. Raadpleeg bij twijfel de bekendmaking.

Uitvoeringsregeling motorrijtuigenbelasting 1994

Geraadpleegd op 02-01-2026.
Toekomstige tekst vanaf 01-01-2027.
Ga naar eerste onderdeel, gewijzigd per 01-01-2027.

Uitvoeringsregeling motorrijtuigenbelasting 1994

De Staatssecretaris van Financiën,

Gelet op de artikelen 3, tweede lid, en 15, tweede lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 en artikel XI, eerste lid, van de Invoeringswet Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994.

Besluit:

Artikel 1

Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 3, derde lid, 7, tweede lid, 15, tweede en derde lid, 23, zesde lid, 24, vierde lid, 24a, achtste lid, 24b, tweede en vijfde lid, en 37f van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 en artikel XII, eerste lid, van de Invoeringswet Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994.

Artikel 2

In deze regeling wordt verstaan onder:

wet:

Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994;

belasting:

motorrijtuigenbelasting.

Artikel 3a

Artikel 7, tweede lid, eerste volzin, van de wet is van toepassing voor motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Regeling uitzondering kentekenplicht voor leden aangewezen krijgsmacht of civiele dienst.

Artikel 4

  • 1 De belasting voor een motorrijtuig behoeft niet bij de aanvang van een tijdvak te zijn betaald indien het een ander tijdvak betreft dan:

    • a. een tijdvak als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de wet, met uitzondering van het tijdvak dat aanvangt met ingang van de dag van dagtekening van de eerste tenaamstelling van het motorrijtuig in het kentekenregister;

    • b. een tijdvak als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet.

  • 2 Bij toepassing van het eerste lid dient de belasting te zijn betaald binnen veertien dagen na de aanvang van het tijdvak, doch uiterlijk vóór het door de inspecteur daarvoor bepaalde tijdstip.

Artikel 4bis

  • 1 Tegenbewijs als bedoeld in de artikelen 23, vijfde lid, en 24, derde lid, van de wet houdt in dat belastingplichtige als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet de Dienst Wegverkeer, bedoeld in artikel 4a van de Wegenverkeerswet 1994, verzoekt tot wijziging of opneming van gegevens inzake de fijnstofuitstoot in het kentekenregister. Artikel 43e van de Wegenverkeerswet 1994 is van toepassing.

  • 2 Indien de Dienst Wegverkeer naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in het eerste lid beslist dat in het kentekenregister een fijnstofuitstoot wordt geregistreerd van niet meer dan 5 milligram per kilometer, onderscheidenlijk 10 milligram per kilowattuur, heeft belastingplichtige recht op teruggaaf van de door hem betaalde fijnstoftoeslag, bedoeld in de artikelen 23, vierde lid, onderscheidenlijk 24, tweede lid, van de wet.

  • 3 Op verzoek van belastingplichtige verleent de inspecteur aan de belastingplichtige teruggaaf als bedoeld in het tweede lid.

  • 4 Bij het verzoek om teruggaaf overlegt de belastingplichtige een afschrift van zijn verzoek als bedoeld in het eerste lid en een afschrift van het bericht van de Dienst Wegverkeer, bedoeld in artikel 43e, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

  • 5 Het recht op teruggaaf vervalt na vijf jaren na afloop van het belastingtijdvak waarin dat recht is ontstaan.

  • 6 De inspecteur neemt de beslissing op het verzoek, bedoeld in het derde lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking.

Artikel 4ter

  • 1 Tegenbewijs als bedoeld in de artikelen 23, vijfde lid, en 24, derde lid, van de wet houdt in dat een belastingplichtige als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel c, van de wet de inspecteur verzoekt tot toepassing van een specifieke fijnstofuitstoot.

  • 2 Indien de inspecteur naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in het eerste lid beslist dat de fijnstofuitstoot van het motorrijtuig niet meer bedraagt dan 5 milligram per kilometer, onderscheidenlijk 10 milligram per kilowattuur, heeft de belastingplichtige recht op teruggaaf van de door hem betaalde fijnstoftoeslag, bedoeld in de artikelen 23, vierde lid, onderscheidenlijk 24, tweede lid, van de wet.

  • 3 De inspecteur neemt de beslissing op het verzoek en de daarmee samenhangende teruggaaf bij één voor bezwaar vatbare beschikking.

  • 4 Bij een verzoek als bedoeld in het eerste of derde lid overlegt de belastingplichtige een afschrift van het kentekenregister waarin het motorrijtuig is geregistreerd en waaruit de fijnstofuitstoot van het motorrijtuig onomstotelijk blijkt.

  • 5 Het recht op teruggaaf vervalt na vijf jaren na afloop van het belastingtijdvak waarin dat recht is ontstaan.

Artikel 4a

  • 1 Onder een niet-opvouwbare rolstoel wordt voor de toepassing van artikel 24a van de wet mede verstaan een ander in verband met de handicap noodzakelijk hulpmiddel van een dusdanige omvang of een dusdanig gewicht, dat de gehandicapte, rekening houdend met zijn specifieke handicap, voor zijn vervoer is aangewezen op het gebruik van een bestelauto.

  • 2 Onder een bestelauto, ingericht voor het vervoer als bedoeld in artikel 24a, eerste lid, van de wet, wordt verstaan een bestelauto die voorzieningen bevat ten behoeve van het vervoer van een niet-opvouwbare rolstoel of het vervoer van een ander hulpmiddel als bedoeld in het eerste lid en het gelijktijdige vervoer van de gehandicapte, zoals voorzieningen voor het met of vanuit een rolstoel of een ander hulpmiddel kunnen plaatsnemen in en verlaten van de bestelauto, voor het vastzetten van een rolstoel of een ander hulpmiddel in de cabine op de plaats van een zitplaats, en voor het vastzetten van een rolstoel of een ander hulpmiddel zonder passagier in de laadruimte.

Artikel 4b

  • 1 De in artikel 24b, tweede lid, van de wet bedoelde periode van terbeschikkingstelling van een bestelauto bedraagt vier weken, verminderd met voorafgaande aansluitende periodes van terbeschikkingstelling van enige bestelauto door de ondernemer aan dezelfde persoon.

  • 2 Indien een ondernemer een bestelauto waarvoor de belasting wordt geheven op de voet van artikel 24b van de wet ter beschikking stelt aan een derde, neemt hij in zijn administratie de volgende gegevens en bescheiden op:

    • a. de naam, het adres en een kopie van het legitimatiebewijs van degene aan wie de bestelauto ter beschikking wordt gesteld; en

    • b. een kopie van het contract tussen de ondernemer en degene aan wie de bestelauto ter beschikking wordt gesteld, waaruit het kenteken van de bestelauto en de periode van terbeschikkingstelling blijkt.

  • 3 Ingeval de in het tweede lid bedoelde ondernemer de bestelauto langer dan de in het eerste lid bedoelde periode ter beschikking stelt aan een derde die voldoet aan het gestelde in artikel 24b, tweede lid, van de wet, verstrekt degene aan wie de bestelauto ter beschikking wordt gesteld aan de ondernemer een verklaring:

    • a. dat hij ondernemer is als bedoeld in artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968;

    • b. dat het geen ondernemerschap betreft als bedoeld in artikel 7, zesde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968;

    • c. dat de bestelauto meer dan bijkomstig in zijn onderneming zal worden gebruikt; en

    • d. dat hij bij een wijziging in deze omstandigheden onmiddellijk de ondernemer die de bestelauto aan hem ter beschikking stelt zal informeren en de verklaring zal intrekken.

  • 4 De ondernemer die een bestelauto langer dan de in het eerste lid bedoelde periode ter beschikking stelt aan een derde als bedoeld in het derde lid, neemt in zijn administratie naast de in het tweede lid bedoelde gegevens en bescheiden de volgende gegevens en bescheiden op:

    • a. het BTW-identificatienummer van degene aan wie de bestelauto ter beschikking wordt gesteld, en een afdruk van de verificatie van dit nummer uit het Europese datasysteem van BTW-identificatienummers; en

    • b. de in het derde lid bedoelde verklaring van degene aan wie de bestelauto ter beschikking wordt gesteld.

  • 5 Indien de in het derde lid bedoelde verklaring niet langer juist is, brengt degene aan wie de bestelauto ter beschikking wordt gesteld onmiddellijk de ondernemer die de bestelauto aan hem ter beschikking stelt daarvan op de hoogte, onder intrekking van de eerder afgegeven verklaring.

Artikel 4c

  • 1 De belastingplichtige betaalt de belasting voor nog niet aangevangen tijdvakken in maandelijkse termijnen indien de belastingplichtige de ontvanger machtigt tot automatische incasso van toekomstige verplichtingen tot betaling van de belasting.

  • 2 De machtiging heeft betrekking op:

    • a. elk motorrijtuig dat op naam van de belastingplichtige is of wordt gesteld, tenzij de machtiging uitsluitend geldt voor een bepaald motorrijtuig; of

    • b. elk kenteken als bedoeld in artikel 37, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 dat op naam van de belastingplichtige is gesteld of wordt gesteld.

Artikel 5a

  • 1 Het verzoek om toepassing van artikel 37a, tweede lid, van de wet gaat vergezeld van een afschrift van de beschikking, bedoeld in artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, onderscheidenlijk in artikel 7, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968.

  • 2 Het verzoek om toepassing van artikel 37b, eerste lid, van de wet gaat vergezeld van

    • a. afschriften van de kentekenbewijzen van de vrachtauto’s en aanhangwagens die deel uit zullen maken van het bedrijfsvoertuigenpark;

    • b. een schriftelijke verklaring van de houder dat geen van de vrachtauto’s die deel zullen uitmaken van het bedrijfsvoertuigenpark zal worden verbonden met een aanhangwagen die daarvan geen deel uitmaakt; en

    • c. een schriftelijke verklaring van de houder dat hij wijzigingen met betrekking tot de in het bedrijfsvoertuigenpark opgenomen vrachtauto’s en aanhangwagens terstond aan de inspecteur zal melden.

Artikel 6

  • 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 1995.

  • 2 Deze regeling kan worden aangehaald als Uitvoeringsregeling motorrijtuigenbelasting 1994.

Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlage, die ter inzage wordt gelegd. Van deze terinzagelegging zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

De

Staatssecretaris

van Financiën,

W.A.F.G. Vermeend