Burgerlijk Wetboek Boek 7A

Geraadpleegd op 24-05-2022.
Geldend van 01-01-2017 t/m 31-12-2018

Burgerlijk Wetboek Boek 7A, Bijzondere overeenkomsten (vervolg)

Boek 7a. Bijzondere overeenkomsten; vervolg

Vijfde titel A. Van koop en verkoop op afbetaling

[Vervallen per 01-01-2017]

Afdeling 1. Van koop en verkoop op afbetaling in het algemeen

[Vervallen per 01-01-2017]

Afdeling 2. Van huurkoop

[Vervallen per 01-01-2017]

Zevende titel. Van huur en verhuur

Tweede afdeeling. Van de regelen, welke gemeen zijn aan verhuringen van huizen en van andere zaken

[Vervallen per 01-08-2003]

Derde afdeeling. Van de regelen welke bijzonder betrekkelijk zijn tot huur van huizen en huisraad

[Vervallen per 01-08-2003]

Vierde afdeling. Van de regelen welke bijzonder betrekkelijk zijn tot huur en verhuur van woonruimte

[Vervallen per 01-08-2003]

Vijfde afdeling. Van de regelen welke bijzonder betrekkelijk zijn tot huur en verhuur van bedrijfsruimte

[Vervallen per 01-05-2004]

Zevende titel A

Eerste afdeeling. Algemeene bepalingen

Tweede afdeeling. Van de arbeidsovereenkomst in het algemeen

Derde afdeeling. Van de verplichtingen des werkgevers

Vierde afdeeling. Van de verplichtingen des arbeiders

Vijfde afdeeling. Van de verschillende wijzen waarop de dienstbetrekking, door arbeidsovereenkomst ontstaan, eindigt

Vijfde afdeling A

Zesde afdeeling. Van aanneming van werk

[Vervallen per 01-09-2003]

Negende titel. Van maatschap

Eerste afdeeling. Algemeene bepalingen

Artikel 1655

Maatschap is eene overeenkomst, waarbij twee of meerdere personen zich verbinden om iets in gemeenschap te brengen, met het oogmerk om het daaruit ontstaande voordeel met elkander te deelen.

Artikel 1658

De wet kent slechts de algeheele maatschap van winst. Zij verbiedt alle maatschappen, het zij van alle de goederen, het zij van een bepaald gedeelte van dezelve, onder eenen algemeenen titel; onverminderd de bepalingen, vastgesteld in den zevenden en achtsten titel van het eerste boek van dit Wetboek.

Artikel 1660

De bijzondere maatschap is de zoodanige welke slechts betrekking heeft tot zekere bepaalde goederen, of tot derzelver gebruik, of tot de vruchten die daarvan zullen getrokken worden, of tot eene bepaalde onderneming, of tot de uitoefening van eenig bedrijf of beroep.

Tweede afdeeling. Van de verbindtenissen der vennooten onderling

Artikel 1662

  • 1 De inbreng van de vennoot kan bestaan in geld, goederen, genot van goederen en arbeid.

  • 2 Op de inbreng van een goed zijn de bepalingen omtrent koop, op de inbreng van genot van een goed de artikelen 1584-1623 van overeenkomstige toepassing, voor zover de aard van de rechtsverhouding zich daartegen niet verzet.

Artikel 1665

Wanneer een der vennooten, voor zijne eigene rekening, eene opeischbare som te vorderen heeft van iemand die mede eene insgelijks opeischbare som verschuldigd is aan de maatschap, moet de betaling, welke hij ontvangt, op de inschuld der maatschap en op die van hemzelven, naar evenredigheid van beide die vorderingen, toegerekend worden, al ware het ook dat hij, bij de kwijting, alles in mindering of voldoening van zijne eigene inschuld mogt gebragt hebben; maar indien hij bij de kwijting bepaald heeft dat de geheele betaling zoude strekken voor de inschuld der maatschap, zal deze bepaling worden nagekomen.

Artikel 1666

Indien een der vennooten zijn geheel aandeel in eene gemeene inschuld der maatschap ontvangen heeft, en de schuldenaar naderhand onvermogend is geworden, is die vennoot gehouden het ontvangene in de gemeene kas in te brengen, al had hij ook voor zijn aandeel kwijting gegeven.

Artikel 1670

  • 1 Indien bij de overeenkomst van maatschap het aandeel van ieder vennoot in de winsten en de verliezen niet is bepaald, is elks aandeel geëvenredigd aan hetgeen hij in de maatschap heeft ingebragt.

  • 2 Ten aanzien van degenen die slechts zijne nijverheid heeft ingebragt, wordt het aandeel in de winsten en de verliezen berekend gelijk te staan met het aandeel van dengenen der vennooten die het minst heeft ingebragt.

Artikel 1671

  • 1 De vennooten kunnen niet bedingen dat zij de regeling der hoegrootheid van hun aandeel aan een hunner of aan eenen derde zullen overlaten.

  • 2 Een zoodanig beding wordt voorondersteld niet geschreven te zijn, en zullen alzoo de verordeningen van het voorgaande artikel worden in acht genomen.