Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

Geldend van 01-02-2019 t/m heden

Wet van 8 oktober 1992, houdende bepalingen met betrekking tot het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de versterking van de kwaliteit, het vernieuwend vermogen alsmede de maatschappelijke gerichtheid van het bestel van het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek wenselijk is de zelfstandigheid van de instellingen te vergroten en daartoe de toedeling van bevoegdheden aan de rijksoverheid en de desbetreffende instellingen te herzien;

dat het voorts gewenst is dat de bestuurlijke betrekkingen die de rijksoverheid onderhoudt met die instellingen zo goed mogelijk op elkaar zijn afgestemd;

dat het daarvoor wenselijk is de afzonderlijke regelingen op het gebied van het bestel van het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek samen te voegen tot een Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Titel 1. Definities en taakomschrijving

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In deze wet wordt verstaan onder:

  • a. Onze minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voorzover het betreft het onderwijs en het onderzoek op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, Onze Minister van Economische Zaken;

  • b. hoger onderwijs: wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs;

  • c. wetenschappelijk onderwijs: onderwijs dat is gericht op de voorbereiding tot de zelfstandige beoefening van de wetenschap of de beroepsmatige toepassing van wetenschappelijke kennis en dat het inzicht in de samenhang van de wetenschappen bevordert;

  • d. hoger beroepsonderwijs: onderwijs dat is gericht op de overdracht van theoretische kennis en op de ontwikkeling van vaardigheden in nauwe aansluiting op de beroepspraktijk;

  • e. initieel onderwijs: hoger onderwijs als bedoeld in artikel 7.3a;

  • f. [Red: vervallen;]

  • g. instelling voor hoger onderwijs: een bekostigde instelling, opgenomen in de bijlage van deze wet onder a tot en met i of een rechtspersoon voor hoger onderwijs, tenzij uit deze wet het tegendeel blijkt;

  • h. openbare instelling: een instelling die uitgaat van een publiekrechtelijke rechtspersoon;

  • i. bijzondere instelling: een instelling die uitgaat van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid;

  • j. instellingsbestuur:

    • van een bekostigde instelling: het college van bestuur, tenzij anders bepaald;

    • van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die geaccrediteerde opleidingen verzorgt: het orgaan dat als zodanig in de statuten is aangewezen;

  • k. studiejaar: het tijdvak dat aanvangt op 1 september en eindigt op 31 augustus van het daaropvolgende jaar;

  • l. inspectie: de inspectie, bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht;

  • m. opleiding: een associate degree-opleiding, een bacheloropleiding of een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3a waarvoor accreditatie is verleend, tenzij uit deze wet het tegendeel blijkt;

  • n. duale opleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 7.7, tweede lid,;

  • o. faculteit der geneeskunde: de faculteit waarin de opleidingen voor het beroep van arts zijn ingesteld;

  • p. accreditatieorgaan: de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie, bedoeld in artikel 1 van het Accreditatieverdrag;

  • q. accreditatie: het keurmerk dat tot uitdrukking brengt dat de kwaliteit van een opleiding door het accreditatieorgaan positief is beoordeeld;

  • q1. accreditatiekader: het kader waarin het accreditatieorgaan zijn werkwijze met betrekking tot de taken, genoemd in artikel 5.2, eerste en tweede lid, vastlegt;

  • q2. accreditatie nieuwe opleiding: accreditatie als bedoeld in artikel 5.8;

  • q3. accreditatie bestaande opleiding: accreditatie als bedoeld in artikel 5.11;

  • r. [Red: vervallen;]

  • r1. [Red: vervallen;]

  • s. erkenning ITK: de erkenning die tot uitdrukking brengt dat de interne kwaliteitszorg en de inzet tot verbetering van de resultaten van een instelling voor hoger onderwijs, voor zover betrekking hebbend op de kwaliteit van haar opleidingen, positief is beoordeeld;

  • t. visitatiegroep: opleidingen die onderwijsinhoudelijk met elkaar overeenkomen;

  • u. studiepunt: een studiepunt in de zin van artikel 7.4, eerste lid;

  • v. Accreditatieverdrag: het op 3 september 2003 te Den Haag totstandgekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en Vlaamse hoger onderwijs (Trb. 2003, 167);

  • w. persoonsgebonden nummer: burgerservicenummer als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer, dan wel het door Onze Minister uitgegeven onderwijsnummer, bedoeld in artikel 7.31d, derde lid;

  • x. basisregister onderwijs: basisregister onderwijs als bedoeld in artikel 24b van de Wet op het onderwijstoezicht;

  • y. college van bestuur:

    • van een bijzondere instelling: het orgaan van de instelling dat als zodanig in de statuten is aangewezen;

    • van een openbare instelling: het orgaan van de instelling dat op grond van deze wet terzake bevoegd is;

  • z. graad: de graad Bachelor of Master met of zonder toevoeging, de graad Associate degree of de graad Doctor, Doctor honoris causa of Doctor of Philosophy;

  • aa. rechtspersoon voor hoger onderwijs: een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die initiële opleidingen verzorgt met uitzondering van de Staat of een instelling of een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die postinitiële masteropleidingen verzorgt met uitzondering van de Staat;

  • bb. openbaar lichaam BES: openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba;

  • cc. titel: een titel als bedoeld in artikel 7.20, eerste en tweede lid (ingenieur, afgekort tot ir., meester, afgekort tot mr., doctorandus, afgekort tot drs., ingenieur, afgekort tot ing., baccalaureus, afgekort tot bc.) of de titel als bedoeld in artikel 7.22, tweede en derde lid (doctor, afgekort tot dr.).

Artikel 1.2. Instellingen en academische ziekenhuizen

Deze wet heeft betrekking op de volgende instellingen en academische ziekenhuizen:

  • a. de in artikel 1.8 bedoelde universiteiten, hogescholen, de Open Universiteit en de levensbeschouwelijke universiteiten,

  • b. rechtspersonen voor hoger onderwijs met volledige rechtsbevoegdheid die initiële opleidingen verzorgen met uitzondering van de Staat en rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die postinitiële masteropleidingen verzorgen met uitzondering van de Staat,

  • c. de in artikel 1.13, eerste lid, bedoelde academische ziekenhuizen, en

  • d. de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen te Amsterdam en de Koninklijke Bibliotheek te ’s-Gravenhage.

Artikel 1.3. Instellingen voor hoger onderwijs

  • 1 Universiteiten zijn gericht op het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs en het verrichten van wetenschappelijk onderzoek. In elk geval verzorgen zij initiële opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs, verrichten zij wetenschappelijk onderzoek, voorzien zij in de opleiding tot wetenschappelijk onderzoeker of technologisch ontwerper en dragen zij kennis over ten behoeve van de maatschappij.

  • 2 Levensbeschouwelijke universiteiten zijn gericht op het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs voor een levensbeschouwelijk ambt of beroep. Zij verrichten wetenschappelijk onderzoek op levensbeschouwelijk terrein, voorzien in de opleiding tot wetenschappelijk onderzoeker en dragen kennis over ten behoeve van de maatschappij.

  • 3 Hogescholen zijn gericht op het verzorgen van hoger beroepsonderwijs. Zij verrichten ontwerp- en ontwikkelactiviteiten of onderzoek gericht op de beroepspraktijk. Zij verzorgen in elk geval bacheloropleidingen in het hoger beroepsonderwijs, zij verzorgen in voorkomende gevallen associate degree-opleidingen en masteropleidingen in het hoger beroepsonderwijs en zij dragen in elk geval kennis over ten behoeve van de maatschappij. Zij dragen bij aan de ontwikkeling van beroepen waarop het onderwijs is gericht.

  • 4 De Open Universiteit is gericht op het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs, het, in overeenstemming met het profiel van de Open Universiteit, verrichten van wetenschappelijk onderzoek en onderzoek gericht op de beroepspraktijk, alsmede het leveren van een bijdrage aan de vernieuwing van het hoger onderwijs. Zij verzorgt in elk geval initiële opleidingen. Zij verzorgt deze in de vorm van afstandsonderwijs.

  • 5 De instellingen voor hoger onderwijs schenken mede aandacht aan de persoonlijke ontplooiing van hun studenten en de bevordering van hun maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef. De bevordering van maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef houdt ten minste in dat de instellingen, met inbegrip van degenen die hen formeel of informeel vertegenwoordigen, zich onthouden van discriminatoire gedragingen en uitlatingen. De instellingen richten zich in het kader van hun werkzaamheden op het gebied van het onderwijs wat betreft Nederlandstalige studenten mede op de bevordering van de uitdrukkingsvaardigheid in het Nederlands.

Artikel 1.4. Academische ziekenhuizen

  • 1 Academische ziekenhuizen zijn werkzaam op het gebied van de patiëntenzorg en staan mede ten dienste van het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek aan de universiteiten waaraan zij zijn verbonden. Zij vervullen mede topklinische en topreferentiefuncties in de gezondheidszorg. Voorts verlenen zij medewerking aan de opleiding tot medisch specialist.

  • 2 De academische ziekenhuizen dragen er zorg voor dat er een educatieve voorziening is die het onderwijs aan een leerling die is opgenomen in het academisch ziekenhuis, kan ondersteunen, en die aan personeel van een schoolbegeleidingsdienst als bedoeld in artikel 180 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 166 van de Wet op de expertisecentra informatie verstrekt, die relevant is voor de door dat personeel te verlenen ondersteuning bij het onderwijs.

  • 3 Het ondersteunen van leerlingen, bedoeld in het tweede lid, kan in overeenstemming tussen de educatieve voorziening en de school waarbij de leerling is ingeschreven, mede het geven van onderwijs aan de leerling betreffen.

  • 4 Het academisch ziekenhuis, de rechtspersoon die de educatieve voorziening, bedoeld in het tweede lid, in stand houdt en het personeel van de educatieve voorziening zijn gehouden aan de inspectie, alle gevraagde inlichtingen te geven omtrent de ondersteuning bij het onderwijs, bedoeld in het tweede en het derde lid.

Artikel 1.5. Instellingen voor wetenschappelijk onderzoek

  • 1 De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen is werkzaam op het gebied van het wetenschappelijk onderzoek. In elk geval bevordert zij de uitwisseling van gedachten en informatie tussen haar leden onderling en tussen deze leden en andere wetenschapsbeoefenaren en wetenschappelijke organisaties, adviseert zij Onze minister desgevraagd of uit eigen beweging over aangelegenheden op het gebied van de wetenschapsbeoefening en bevordert zij de wetenschapsbeoefening door werkzaamheden op dat gebied te verrichten of te doen verrichten.

  • 2 De Koninklijke Bibliotheek is als de nationale bibliotheek werkzaam op het gebied van het bibliotheekwezen en de informatieverzorging, zowel ten behoeve van het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek als ten behoeve van het openbaar bestuur en de uitoefening van beroep of bedrijf. In dat kader draagt zij in elk geval zorg voor de nationale bibliotheekverzameling, bevordert zij de totstandkoming en instandhouding van nationale voorzieningen op het vorengenoemde gebied en bevordert zij de afstemming met de overige wetenschappelijke bibliotheken.

Artikel 1.6. Academische vrijheid

Aan de instellingen voor hoger onderwijs en aan de academische ziekenhuizen wordt de academische vrijheid in acht genomen.

Artikel 1.7. Richtlijnen ethiek

Het instellingsbestuur stelt richtlijnen vast met betrekking tot de ethische aspecten verbonden aan de werkzaamheden van de instelling. Het stelt die richtlijnen niet vast dan na het advies te hebben ingewonnen van een door hem daartoe ingestelde commissie. Indien ten behoeve van de werkzaamheden van de instelling gebruik wordt gemaakt van dieren dan wel mensen voor proeven, onderscheidenlijk voor demonstraties of proeven, hebben de richtlijnen daar mede betrekking op.

Titel 1a. Ruimte voor innovatie

Artikel 1.7a. Ruimte voor innovatie

  • 2 In geval van toepassing van het eerste lid worden bij algemene maatregel van bestuur in ieder geval bepaald:

    • a. het doel van het experiment,

    • b. op welke wijze van welke artikelen van de in het eerste lid genoemde hoofdstukken, titels of paragrafen wordt afgeweken,

    • c. de duur van het experiment, en

    • d. op welke wijze en aan de hand van welke criteria de met het experiment beoogde effecten worden geëvalueerd.

    De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

  • 3 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van een experiment.

  • 4 Een experiment duurt ten hoogste zes jaar, tenzij een langere duur gezien de bijzondere aard van het experiment noodzakelijk is. Alsdan wordt de duur van het experiment op ten hoogste acht jaar bepaald. Indien, voordat een experiment is afgelopen, een voorstel van wet is ingediend bij de Staten-Generaal om het experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling, kan Onze minister het experiment verlengen tot het tijdstip waarop het wetsvoorstel tot wet is verheven en in werking treedt.

  • 5 Onze minister zendt drie maanden voor het einde van de werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, evenals een standpunt over de voortzetting van die algemene maatregel van bestuur, anders dan een voortzetting als experiment.

  • 6 Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband tussen een instelling voor hoger onderwijs en een school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs dan wel een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, of artikel 1.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs. In geval van een samenwerkingsverband met een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs kan voor die instelling worden afgeweken van artikel 8.1.1 van die wet, indien hoofdstuk 7, titel 3, paragraaf 1, van deze wet van toepassing wordt verklaard.

Titel 2. De instellingen

Paragraaf 1. Bekostigde instellingen voor hoger onderwijs

Artikel 1.8. Opsomming bekostigde instellingen voor hoger onderwijs

  • 3 Een wijziging van de statutaire naam van een stichting of vereniging, genoemd in de bijlage, is van kracht met ingang van het tijdstip waarop de wijziging schriftelijk aan Onze minister is medegedeeld.

Artikel 1.9. Bekostiging en graadverlening

  • 1 Ten behoeve van het verzorgen van initieel onderwijs en, voorzover het universiteiten betreft, mede ten behoeve van het verrichten van wetenschappelijk onderzoek hebben de in de bijlage van deze wet onder a, c, h en j opgenomen instellingen, onderscheidenlijk rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, waarvan de overige in de bijlage van deze wet opgenomen instellingen uitgaan, aanspraak op bekostiging uit ’s Rijks kas, voorzover aan de aan die instellingen verbonden opleidingen accreditatie is verleend of die opleidingen de toets nieuwe opleiding met positief gevolg hebben ondergaan. Voor de toepassing van dit lid worden de ontwerp- en ontwikkelactiviteiten en onderzoek gericht op de beroepspraktijk, aan hogescholen gerekend tot het daarop betrekking hebbende onderwijs.

  • 2 Aan de met goed gevolg afgelegde examens van initiële opleidingen, verzorgd door bekostigde instellingen, is een graad verbonden. Degenen aan wie een dergelijke graad is verleend onderscheidenlijk degenen die hebben voldaan aan de vereisten, gesteld in artikel 7.18, zijn gerechtigd in de daarvoor in aanmerking komende gevallen de graden, genoemd in de artikelen 7.10a en 7.18, in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen.

  • 3 Voorwaarde voor het bepaalde in het eerste en tweede lid is dat de desbetreffende instelling in acht neemt hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van:

    • a. de kwaliteitszorg,

    • b. de planning en bekostiging,

    • c. het personeel,

    • d. het onderwijsaanbod, de registratie, het onderwijs, de examens en de promoties,

    • e. de vooropleidings-, selectie- of toelatingseisen,

    • f. de studenten en extraneï,

    • g. de rechtsbescherming van studenten en extraneï, en

    • h. het bestuur en de inrichting.

Artikel 1.10. Aard bepalingen

De bepalingen in deze wet die het openbaar hoger onderwijs regelen, gelden voor het bekostigde bijzonder hoger onderwijs als bekostigingsvoorwaarden, tenzij anders is bepaald.

Paragraaf 2. Rechtspersonen met geaccrediteerd initieel onderwijs.

Artikel 1.12. Graadverlening

  • 1 Aan de met goed gevolg afgelegde examens van initiële opleidingen, verzorgd door rechtspersonen voor hoger onderwijs, is een graad als bedoeld in artikel 7.10a verbonden.

  • 2 Voorwaarde voor het bepaalde in het eerste lid is dat de desbetreffende rechtspersoon in acht neemt hetgeen is bepaald in het derde lid, alsmede hetgeen is bepaald bij of krachtens deze wet ten aanzien van:

    • a. de kwaliteitszorg,

    • b. de registratie, het onderwijs en de examens,

    • c. de vooropleidingseisen,

    • d. het gebruik van het persoonsgebonden nummer.

  • 3 Het bestuur van de rechtspersoon verstrekt Onze minister de nodige inlichtingen omtrent de rechtspersoon. Het bestuur van de rechtspersoon doet Onze minister jaarlijks een verslag toekomen omtrent de werkzaamheden van de rechtspersoon en betrekt daarbij de uitkomsten van kwaliteitsbeoordeling als bedoeld in artikel 1.18, alsmede andere gegevens omtrent de kwaliteit van de werkzaamheden van de rechtspersoon.

  • 4 Onder de nodige inlichtingen, bedoeld in het derde lid, eerste volzin, worden in ieder geval begrepen informatie over wijzigingen in de eigendomsverhoudingen, de financiële soliditeit of de bestuursstructuur van de rechtspersoon alsmede alle wijzigingen van de gegevens betreffende de rechtspersoon bij de Kamer van Koophandel.

Paragraaf 2a. Graadverlening postinitiële masteropleidingen

Artikel 1.12a. Graadverlening postinitiële masteropleidingen door rechtspersonen voor hoger onderwijs

Aan de met goed gevolg afgelegde examens van een postinitiële masteropleiding, verzorgd door rechtspersonen voor hoger onderwijs is een mastergraad als bedoeld in artikel 7.10a verbonden. Artikel 1.12, tweede, derde en vierde lid, is van toepassing.

Artikel 1.12b. Graadverlening postinitiële masteropleidingen door bekostigde instellingen

Aan de met goed gevolg afgelegde examens van een postinitiële masteropleiding, verzorgd door instellingen als bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, is een mastergraad als bedoeld in artikel 7.10a verbonden.

Paragraaf 3. Academische ziekenhuizen

Artikel 1.13. Academische ziekenhuizen; rechtspersoonlijkheid

  • 1 Bij elke in artikel 1.8 bedoelde universiteit die een opleiding voor het beroep van arts verzorgt, is een academisch ziekenhuis. De academische ziekenhuizen zijn opgenomen in onderdeel j van de bijlage van deze wet.

Artikel 1.14. Bekostiging academische ziekenhuizen

  • 1 De academische ziekenhuizen hebben ten behoeve van het vervullen van hun in deze wet opgedragen werkzaamheden ten dienste van het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek aanspraak op een door Onze minister te bepalen deel van de rijksbijdrage die op grond van artikel 2.5 is vastgesteld voor de universiteit waaraan het academisch ziekenhuis is verbonden.

  • 2 Voorwaarde voor het bepaalde in het eerste lid is, dat de desbetreffende instelling in acht neemt het bij of krachtens deze wet voor de academische ziekenhuizen bepaalde ten aanzien van:

    • a. de planning en bekostiging,

    • b. het personeel, en

    • c. het bestuur en de inrichting.

Artikel 1.15. Aard bepalingen

Paragraaf 4. Instellingen voor wetenschappelijk onderzoek

Artikel 1.16. Rechtspersoonlijkheid KNAW en KB

De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek bezitten rechtspersoonlijkheid.

Artikel 1.17. Bekostiging

  • 1 De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen heeft aanspraak op een bijdrage uit ’s Rijks kas ten behoeve van het vervullen van haar bij deze wet opgedragen werkzaamheden. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de Koninklijke Bibliotheek, onverminderd haar aanspraak op een bijdrage op grond van artikel 9 van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen.

  • 2 Voorwaarde voor het bepaalde in het eerste lid is dat de desbetreffende instelling in acht neemt het bij of krachtens deze wet bepaalde ten aanzien van:

    • a. de kwaliteitszorg,

    • b. de planning en bekostiging,

    • c. het personeel, en

    • d. het bestuur en de inrichting.

  • 3 De voorwaarden, bedoeld in het tweede lid onder a, en onder b voor wat betreft de planning, hebben geen betrekking op de adviestaak van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.

Artikel 1.17a. Kwaliteitszorg instellingen voor wetenschappelijk onderzoek

  • 1 Het instellingsbestuur van een instelling voor wetenschappelijk onderzoek als bedoeld in artikel 1.5 draagt er zorg voor dat wordt voorzien in een regelmatige beoordeling, mede door onafhankelijke deskundigen, van de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling. Voor zover die beoordeling mede geschiedt door onafhankelijke deskundigen worden de uitkomsten van dat deel van de beoordeling door het instellingsbestuur openbaar gemaakt.

  • 2 Onze Minister ziet toe op de uitvoering van het eerste lid. Hij kan onderzoek laten verrichten naar de kwaliteit van de werkzaamheden van de instellingen.

Titel 3. Kwaliteitszorg

Artikel 1.18. Algemene kwaliteitszorg

Het instellingsbestuur van een instelling voor hoger onderwijs draagt er zorg voor dat, zoveel mogelijk in samenwerking met andere instellingen, wordt voorzien in een regelmatige beoordeling, mede door onafhankelijke deskundigen, van de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling. De beoordeling geschiedt mede aan de hand van het oordeel van studenten over de kwaliteit van het onderwijs van de instelling. Het deel van de beoordeling dat is uitgevoerd door onafhankelijke deskundigen wordt door het instellingsbestuur openbaar gemaakt. Bij de beoordeling worden de uitkomsten van eerdere beoordelingen betrokken.

Titel 4. Overige voorschriften

Artikel 1.19. Opleidingen in het buitenland

  • 1 Voor een opleiding die in het buitenland wordt verzorgd, bestaat geen aanspraak op bekostiging.

  • 2 Op het verzorgen van een opleiding in het buitenland is van toepassing hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van het verzorgen van een opleiding door een rechtspersoon voor hoger onderwijs. Daarbij wordt voor de bekostigde instellingen als bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, afgeweken van de artikelen 1.9, derde lid, 2.1, 4.1, 6.1, 7.1, 8.1, 9.1, 9.29 en 10.1.

Artikel 1.19a. Opleidingen in het buitenland; toestemmingsvereiste

  • 1 Voor het verzorgen van een opleiding in het buitenland is toestemming van Onze minister vereist.

  • 2 In het belang van de kwaliteit van het hoger onderwijs in Nederland en van de profilering van het Nederlandse hoger onderwijs in het buitenland kan Onze minister toestemming weigeren of intrekken.

  • 3 Onze minister weigert de toestemming in ieder geval indien de opleiding niet ook in Nederland wordt verzorgd.

  • 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de gronden voor weigering of intrekking van de toestemming nader geregeld en worden nadere voorschriften vastgesteld voor het verzorgen van opleidingen in het buitenland. Daarin worden in ieder geval voorschriften vastgesteld met betrekking tot de aanwending van de rijksbijdrage voor die opleidingen en worden eisen gesteld aan de academische vrijheid aan de opleiding in het land of de landen waar de opleiding wordt verzorgd. Voorts worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorschriften vastgesteld met betrekking tot de wijze waarop de veiligheid en de rechten van studenten en personeel, voor zover zij die rechten ontlenen aan deze wet, worden gewaarborgd. Tevens kunnen voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot het indienen van aanvragen om toestemming.

  • 5 De bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen weigeringsgronden hebben in ieder geval betrekking op:

    • a. de wijze waarop de opleiding in Nederland is geaccrediteerd;

    • b. de wijze waarop de kwaliteitszorg van het onderwijs in het land van vestiging zal worden geborgd;

    • c. de financiële positie van de aanvrager en de wijze waarop financiële risico’s zullen worden tegengegaan;

    • d. de maatregelen die door de aanvrager zullen worden getroffen om te voorkomen dat de rijksbijdrage wordt aangewend voor de opleiding in het buitenland;

    • e. de omvang en schaal van het initiatief waarop de aanvraag betrekking heeft, in het bijzonder uit een oogpunt van aantallen studenten;

    • f. de wijze waarop de continuïteit van de opleiding in Nederland is gewaarborgd;

    • g. de veiligheid en de rechten van de bij het onderwijs in het land van vestiging betrokken personen, voor zover zij die rechten ontlenen aan deze wet;

    • h. de aard van de diplomatieke betrekkingen tussen Nederland en het desbetreffende land;

    • i. de wijze waarop in het desbetreffende land rekening wordt gehouden met mensenrechten en sociale verhoudingen;

    • j. indien van toepassing: de wijze waarop de samenwerking met een partnerorganisatie of met partnerorganisaties zal worden vormgegeven;

    • k. de opvattingen van de bevoegde overheidsinstanties in het land van vestiging over de opleiding;

    • l. de wijze waarin is voorzien in het afbouwen van de opleiding in financiële en personele zin en ten opzichte van studenten, indien de opleiding zou worden beëindigd, en

    • m. de wijze waarop de inkomsten die met de opleiding in het buitenland worden gegenereerd, worden herbestemd en de mate waarin die herbestemming in het belang is van de kwaliteit van het hoger onderwijs in Nederland.

  • 6 Onze minister kan de toestemming onder voorwaarden verlenen en kan aan de toestemming voorschriften verbinden.

  • 7 Onze minister legt het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vierde en vijfde lid voor aan beide Kamers der Staten-Generaal. De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat vier weken na die voorlegging zijn verstreken.

Artikel 1.19b. Promoties in het buitenland

[Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Dit onderdeel is (nog) niet in werking getreden; zie het overzicht van wijzigingen

Artikel 1.20. Verplichting tot overleg en aangifte inzake zedenmisdrijven

  • 1 Indien het instellingsbestuur op enigerlei wijze bekend is geworden dat een ten behoeve van zijn instelling met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht jegens een minderjarige student van de instelling, treedt het bevoegd gezag onverwijld in overleg met de vertrouwensinspecteur, bedoeld in artikel 6 van de Wet op het onderwijstoezicht.

  • 2 Indien uit het overleg, bedoeld in het eerste lid, moet worden geconcludeerd dat er sprake is van een redelijk vermoeden dat de desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een minderjarige student van de instelling, doet het instellingsbestuur onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 127 juncto artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, en stelt het instellingsbestuur de vertrouwensinspecteur daarvan onverwijld in kennis. Voordat het instellingsbestuur overgaat tot het doen van aangifte, stelt het de ouders van de betrokken student, onderscheidenlijk de betreffende ten behoeve van de instelling met taken belaste persoon, hiervan op de hoogte.

  • 3 Indien een personeelslid bekend is geworden dat een ten behoeve van de instelling met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een minderjarige student van de instelling, stelt het personeelslid het instellingsbestuur daarvan onverwijld in kennis.

Artikel 1.21. Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

  • 1 Het instellingsbestuur stelt voor het personeel een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.

  • 4 Het instellingsbestuur bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode.

  • 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat.

Artikel 1.22. Bescherming naam universiteit

  • 1 Het voeren van de naam universiteit is voorbehouden aan de instellingen voor hoger onderwijs die zijn opgenomen in de bijlage van deze wet onder a, b, h en i, de universiteiten, bedoeld in artikel 18.75, derde lid en de transnationale Universiteit Limburg. Onder het voeren van de naam universiteit wordt tevens verstaan het voeren van deze naam in samenstellingen, alsmede het voeren van de naam universiteit in vertalingen.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, mag een instelling voor hoger onderwijs die in Nederland is gevestigd als nevenvestiging van een buitenlandse universiteit, de naam universiteit voeren, indien de instelling:

    • a. haar hoofdvestiging heeft in een land dat behoort tot de Europese Economische Ruimte; en

    • b. in het land van hoofdvestiging als universiteit is gevestigd conform de daar geldende onderwijs- en vestigingsregels, daar het recht heeft graden te verlenen, waaronder de graad Doctor of Doctor of Philosophy en ook in Nederland toegang tot promotie biedt; en

    • c. op haar website duidelijk kenbaar maakt in welk land de hoofdvestiging is, welke graden op grond van welke opleidingen worden verleend en op grond van welke regeling een graad wordt verleend, met dien verstande dat de instelling deze gegevens, bij afwezigheid van een website, anderszins kenbaar maakt aan aanstaande studenten; en

    • d. op ieder getuigschrift dat wordt verstrekt ten bewijze dat een graad is behaald, de naam van de instelling vermeldt en de regeling op grond waarvan de graad wordt verleend.

  • 3 De bewijslast dat is voldaan aan de voorwaarden van het tweede lid, rust op de instelling.

  • 4 Onze Minister kan besluiten dat nevenvestigingen van buitenlandse instellingen die hun hoofdvestiging buiten de Europese Economische Ruimte hebben, zich hier universiteit mogen noemen indien zij voldoen aan bij ministeriële regeling vast te leggen criteria. Het tweede en derde lid zijn hierop van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1.23. Bescherming naam hogeschool

  • 1 Het voeren van de naam hogeschool is voorbehouden aan de instellingen voor hoger onderwijs die zijn opgenomen in de bijlage van deze wet onder g, en aan rechtspersonen voor hoger onderwijs. Onder het voeren van de naam hogeschool wordt tevens het voeren van deze naam in samenstellingen verstaan, alsmede het voeren van de naam hogeschool in vertalingen. In afwijking van artikel 1.22, eerste lid, wordt de naam hogeschool in het Engels aangeduid met «university of applied sciences» dan wel, bij hogescholen die opleiden tot een bepaald beroepsprofiel, «university» met daarachter het vakgebied.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, mag een onderwijsinstelling die in Nederland is gevestigd als nevenvestiging van een buitenlandse instelling, de naam hogeschool voeren indien de instelling:

    • a. haar hoofdvestiging heeft in een land dat behoort tot de Europese Economische Ruimte; en

    • b. in het land van hoofdvestiging als instelling voor hoger onderwijs is gevestigd conform de daar geldende onderwijs- en vestigingsregels en daar het recht heeft graden te verlenen; en

    • c. op haar website duidelijk kenbaar maakt in welk land de hoofdvestiging is, welke graden op grond van welke opleidingen worden verleend en op grond van welke regeling een graad wordt verleend, met dien verstande dat de instelling deze gegevens, bij afwezigheid van een website, anderszins kenbaar maakt aan aanstaande studenten; en

    • d. op ieder getuigschrift dat wordt verstrekt ten bewijze dat een graad is behaald, de naam van de instelling vermeldt en de regeling op grond waarvan de graad wordt verleend.

  • 3 De bewijslast dat is voldaan aan de voorwaarden van het tweede lid, rust op de instelling.

  • 4 Onze Minister kan besluiten dat nevenvestigingen van buitenlandse instellingen die hun hoofdvestiging buiten de Europese Economische Ruimte hebben, zich hier hogeschool mogen noemen indien zij voldoen aan bij ministeriële regeling vast te leggen criteria. Het tweede en derde lid zijn hierop van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1.24. Uitzonderingen gebruik naam hogeschool en universiteit

  • 1 In afwijking artikel 1.22, eerste lid, mag de naam universiteit worden gevoerd door:

    • a. de volksuniversiteiten;

    • b. een persoon of rechtspersoon die geen graden verleent, noch in het vooruitzicht stelt en die geen betaling vraagt voor onderwijs of certificaten.

  • 2 In afwijking van artikel 1.23, eerste lid, mag de naam hogeschool worden gevoerd door:

    • a. de volkshogescholen;

    • b. de Evangelische Hogeschool in Amersfoort en de Vrije Hogeschool in Zeist;

    • c. een persoon of rechtspersoon die geen graden verleent, noch in het vooruitzicht stelt en die geen betaling vraagt voor onderwijs of certificaten.

Hoofdstuk 2. Planning en bekostiging

Artikel 2.1. Reikwijdte

  • 1 Dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 2.13 en titel 5, heeft betrekking op de bekostigde universiteiten en hogescholen, de Open Universiteit, de levensbeschouwelijke universiteiten, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek.

Titel 1. Planning

Artikel 2.2. Instellingsplan

Het instellingsbestuur stelt eenmaal per zes jaren een plan met betrekking tot de instelling vast. Het plan geeft een omschrijving van de inhoud en de specificatie van het voorgenomen beleid van de instelling voor de duur van het plan. In het plan wordt aandacht besteed aan de voornemens in verband met de bevordering van de kwaliteit van het onderwijs en het verbeteren van de inrichting van de opleidingen aan de instelling. Het instellingsbestuur maakt het plan openbaar.

Artikel 2.2a. Procedure en inhoud instellingsplan onderzoekinstellingen

  • 1 Het instellingsbestuur van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en het instellingsbestuur van de Koninklijke Bibliotheek stellen in afwijking van artikel 2.2 een instellingsplan vast uiterlijk vier jaar na het tijdstip van vaststelling van het vorige plan en zenden dit na vaststelling onverwijld aan Onze minister.

  • 2 In het instellingsplan wordt rekening gehouden met het wetenschapsbudget, bedoeld in artikel 16a van de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek, de instellingsplannen van universiteiten, verkenningen, rapporten, adviezen en aanbevelingen een en ander voorzover die naar het oordeel van het instellingsbestuur van belang zijn voor de uitvoering van de taken van de instelling.

  • 3 Het instellingsplan omvat in elk geval:

    • a. de doelstellingen van de instelling voor wetenschappelijk onderzoek op middellange termijn,

    • b. de hoofdlijnen van het te voeren beleid en de daarin te stellen prioriteiten, en

    • c. de financiële, personele, materiële en organisatorische voorwaarden die moeten worden vervuld.

  • 4 Onze minister brengt zijn standpunt over het instellingsplan binnen zes maanden na ontvangst van het plan ter kennis van het instellingsbestuur. Onze minister doet daarvan en van het instellingsplan afschrift toekomen aan de beide Kamers der Staten-Generaal.

  • 5 Onze minister kan zijn standpunt over het instellingsplan gedurende de looptijd daarvan wijzigen, indien de vaststelling van een nieuw wetenschapsbudget daartoe aanleiding geeft. Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.3. Hoger onderwijs- en onderzoekplan

  • 1 Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, voor onderwijs en onderzoek op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken, stelt mede op grondslag van de gegevens vermeld in de jaarverslagen omtrent het voorgenomen beleid ten aanzien van de werkzaamheden van de instellingen een hoger onderwijs- en onderzoekplan vast. Het plan heeft betrekking op een tijdvak van ten minste vier jaren.

  • 2 Het hoger onderwijs- en onderzoekplan bevat de voornemens ten aanzien van het door Onze minister te voeren beleid met betrekking tot het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

  • 3 Het hoger onderwijs- en onderzoekplan bevat voorts in ieder geval:

    • a. een overzicht van omstandigheden en gegevens die van belang zijn voor het met betrekking tot het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek te voeren beleid, en van de gewenste ontwikkelingen, daaronder mede begrepen wijzigingen ten aanzien van de maatschappelijke behoeften aan hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,

    • b. algemene voornemens die in de beleidregels, bedoeld in artikel 6.2, vierde lid, worden opgenomen, en

    • c. een financiële raming in verband met de bekostiging van de daarvoor in aanmerking komende werkzaamheden van de instellingen.

Artikel 2.4. Vaststelling hoger onderwijs- en onderzoekplan

  • 1 Het hoger onderwijs- en onderzoekplan wordt vastgesteld uiterlijk vier jaar na het tijdstip van vaststelling van het vorige hoger onderwijs- en onderzoekplan. Na overleg met de beide Kamers der Staten-Generaal kan het hoger onderwijs- en onderzoekplan uiterlijk zes maanden na het tijdstip, bedoeld in de eerste volzin, worden vastgesteld.

  • 2 Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap biedt uiterlijk zes maanden voorafgaand aan het moment waarop het hoger onderwijs- en onderzoekplan uiterlijk moet zijn vastgesteld, een ontwerp van dat plan aan de beide Kamers der Staten-Generaal aan.

  • 3 Over de wijze waarop het vastgestelde plan wordt openbaar gemaakt, doet Onze minister mededeling in de Staatscourant.

Titel 2. Bekostiging

Artikel 2.5. Rijksbijdrage aan instellingen voor hoger onderwijs

  • 1 De rijksbijdrage waarop de in artikel 1.9, eerste lid, bedoelde aanspraak betrekking heeft, wordt berekend op de grondslag van een algemene berekeningswijze. In afwijking van de eerste volzin kan de rijksbijdrage worden berekend op de grondslag van een bijzondere berekeningswijze, voorzover dit voortvloeit uit de artikelen 5 en 7 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de transnationale Universiteit Limburg (Trb. 2001, 38).

  • 2 Onze minister kan aan de bekostiging van onderzoek aan universiteiten voorwaarden verbinden, verband houdend met de kwaliteitszorg.

  • 3 De rijksbijdrage wordt jaarlijks door Onze minister vastgesteld in overeenstemming met het desbetreffende onderdeel van de voor dat begrotingsjaar vastgestelde rijksbegroting.

  • 4 Indien het in het derde lid bedoelde onderdeel van de voor het desbetreffende begrotingsjaar vastgestelde rijksbegroting wordt gewijzigd, wordt de rijksbijdrage door Onze minister nader vastgesteld.

  • 5 De rijksbijdrage wordt betaald volgens een door Onze minister te bepalen kasritme.

  • 6 Zolang de rijksbijdrage niet is vastgesteld of nader vastgesteld, wordt daarop door Onze minister een voorschot verstrekt. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.6. Berekening rijksbijdrage

  • 1 De in artikel 2.5, eerste lid, bedoelde algemene berekeningswijze wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld. De algemene berekeningswijze bevat voor alle instellingen of voor groepen van instellingen gelijkelijk geldende maatstaven. Deze maatstaven hebben betrekking op de aard en omvang van de werkzaamheden en op de uitvoering daarvan.

  • 2 De bijzondere berekeningswijze, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld. In die algemene maatregel van bestuur wordt tevens vastgesteld ten aanzien van welk onderwijs dat artikellid toepassing vindt. De bijzondere berekeningswijze bevat maatstaven die in elk geval betrekking hebben op de studieresultaten.

  • 3 Wat betreft de instellingen voor hoger onderwijs, met uitzondering van de Open Universiteit, hebben de maatstaven in elk geval betrekking op het aantal studenten en op de studieresultaten. De maatstaven kunnen verschillen per opleiding of groep van opleidingen.

  • 4 De maatstaven voor bekostiging van het wetenschappelijk onderzoek aan de universiteiten hebben in ieder geval betrekking op de maatschappelijke en wetenschappelijke behoefte aan het onderzoek, waarbij rekening wordt gehouden met het profiel van de instellingen alsmede op de kwaliteit van het onderzoek.

  • 5 Met het oog op de bevordering van de kwaliteit van het hoger onderwijs of het wetenschappelijk onderzoek kan Onze minister in afwijking van de algemene berekeningswijze, bedoeld in het eerste lid, aan de rijksbijdrage waarop de in artikel 1.9, eerste lid, bedoelde aanspraak betrekking heeft, een bedrag toevoegen in verband met de door een instelling in het vooruitzicht gestelde of gerealiseerde kwaliteit van het hoger onderwijs of het wetenschappelijk onderzoek.

  • 6 Bij de berekening van het bedrag dat op grond van het vijfde lid aan de rijksbijdrage wordt toegevoegd, worden in ieder geval de bij algemene maatregel van bestuur te bepalen maatstaven voor onderwijsdifferentiatie, onderwijsintensiteit, docentkwaliteit en studiesucces gehanteerd. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen andere bij de berekening te hanteren maatstaven worden vastgesteld. Bij algemene maatregel van bestuur wordt voorts vastgesteld voor welk tijdvak de berekeningswijze, bedoeld in het vijfde lid, geldt.

  • 7 Onze minister legt het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste, tweede en zesde lid voor aan beide Kamers der Staten-Generaal. De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat vier weken na die voorlegging zijn verstreken.

  • 8 Een ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het zesde lid wordt niet aan beide Kamers der Staten-Generaal voorgelegd dan nadat over dat ontwerp overleg heeft plaatsgevonden met een vertegenwoordiging van de instellingsbesturen van de bekostigde universiteiten, hogescholen en Open Universiteit en met de daarvoor in aanmerking komende belangenorganisaties van studenten.

Artikel 2.6a. Rijksbijdrage aan instellingen voor wetenschappelijk onderzoek

  • 1 De inkomsten van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en van de Koninklijke Bibliotheek bestaan uit:

    • a. de bijdrage uit 's Rijks kas,

    • b. inkomsten, die samenhangen met voorzieningen waarvoor de rijksbijdrage is verleend, en

    • c. andere inkomsten.

  • 2 De rijksbijdrage wordt vastgesteld of nader vastgesteld door de vaststelling of nadere vaststelling bij de wet van het hoofdstuk van de rijksbegroting waarop zij is voorgesteld.

  • 3 De rijksbijdrage wordt betaald in zodanige termijnen en tot zodanige bedragen als voor het doen van de betalingen door de instelling nodig is.

  • 4 Zolang de rijksbijdrage niet is vastgesteld of nader vastgesteld, wordt daarop een voorschot betaald overeenkomstig door Onze minister te stellen regels.

  • 5 Bij vaststelling van de rijksbijdrage blijven inkomsten als bedoeld in het eerste lid, onder c, buiten beschouwing.

  • 6 Onze minister stelt regels met betrekking tot de bestemming van saldi die voortvloeien uit de inkomsten, bedoeld in het eerste lid, onder a en b.

Artikel 2.7. Mededeling geraamde en bekendmaking vastgestelde rijksbijdrage

  • 1 Onze minister maakt aan elke instelling, bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, jaarlijks uiterlijk in oktober bekend welke rijksbijdrage voor het komende begrotingsjaar voorlopig kan worden verwacht. Hij deelt daarbij mede op welke wijze de geraamde rijksbijdrage is berekend.

  • 2 Onze minister maakt aan elke instelling zo spoedig mogelijk na de in artikel 2.5, derde lid, bedoelde vaststelling bekend, welke rijksbijdrage voor de instelling is vastgesteld.

  • 3 Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de in artikel 2.5, vierde lid, bedoelde nadere vaststelling van de rijksbijdrage.

Artikel 2.7a. Rijksbijdrage en private activiteiten

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de besteding van de rijksbijdrage aan private activiteiten ten behoeve van het onderwijs of het onderzoek.

Artikel 2.8. Begroting

  • 1 Het instellingsbestuur stelt jaarlijks, voorafgaand aan het desbetreffende begrotingsjaar, voor de instelling een begroting vast. Het begrotingsjaar valt samen met het kalenderjaar. Het bestuur van een in artikel 1.13, eerste lid, bedoelde universiteit, neemt bij de vaststelling van de begroting, onderscheidenlijk wijziging van de begroting de vastgestelde rijksbijdrage ten behoeve van het academisch ziekenhuis in acht. De besturen van de instellingen, genoemd in artikel 1.5, zenden de begroting, alsmede wijzigingen van de begroting, binnen veertien dagen na de vaststelling ter kennis aan Onze minister.

  • 2 De begroting behelst een raming van de inkomsten en uitgaven alsmede van de baten en lasten van de instelling en dient in evenwicht te zijn. In de begroting van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en die van de Koninklijke Bibliotheek is een allocatie van middelen opgenomen die in overeenstemming is met het instellingsplan, bedoeld in artikel 2.2a. De in de begroting voorziene inkomsten uit de rijksbijdrage sluiten aan op de voor het desbetreffende begrotingsjaar door Onze minister geraamde, onderscheidenlijk vastgestelde en in voorkomende gevallen nader vastgestelde rijksbijdrage.

  • 3 Het instellingsbestuur draagt zorg voor wijziging van de begroting indien de vastgestelde rijksbijdrage afwijkt van de in de begroting opgenomen geraamde rijksbijdrage, alsmede in geval van een nader vastgestelde rijksbijdrage.

  • 4 Het instellingsbestuur doet de noodzakelijke uitgaven binnen de grenzen van de vastgestelde of gewijzigde begroting.

  • 5 Af- en overschrijving op de uitgaafposten van de begroting kunnen door het instellingsbestuur geschieden in de gevallen, voorzien in de door dat bestuur terzake vast te stellen regels.

Artikel 2.9. Verslaglegging

  • 1 Het instellingsbestuur dient jaarlijks voor 1 juli bij Onze minister een verslag in. Het verslag bestaat uit de jaarrekening met bijbehorende begroting, het bestuursverslag en overige financiële gegevens, alsmede een verantwoording over de wijze waarop van een branchecode voor goed bestuur is afgeweken, voor zover een zodanige code overeenkomstig artikel 2.14 is aangewezen. Uit het verslag dient te blijken in hoeverre sprake is van een behoorlijke uitvoering van de werkzaamheden ten behoeve waarvan de rijksbijdrage is verleend en van een doelmatige aanwending van de rijksbijdrage, mede in het licht van het instellingsplan. Van niet doelmatige aanwending van de rijksbijdrage is in ieder geval sprake, voorzover bedragen daaruit worden aangewend voor het uitvoeren van de procedure voor erkenning van verworven competenties of het op enigerlei wijze compenseren van studenten of extraneï voor collegegeld, examengeld, cursusgeld of voor de bijdrage bedoeld in artikel 7.50, tweede lid, tenzij er sprake is van een financiële ondersteuning als bedoeld in de artikelen 7.50, derde lid, of 7.51 tot en met 7.51k.

  • 2 In de jaarrekening wordt rekening en verantwoording afgelegd van het financiële beheer van de instelling over het voorafgaande begrotingsjaar. Het bestuursverslag omvat mede het voorgenomen beleid ten aanzien van de werkzaamheden van de instelling, mede in het licht van de uitkomsten van kwaliteitsbeoordeling als bedoeld in artikel 1.18 en andere gegevens omtrent de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling. Aan het bestuursverslag van een universiteit waaraan een academisch ziekenhuis is verbonden, wordt het in artikel 12.21 bedoelde document toegevoegd, dan wel, indien het een bijzondere universiteit betreft, een overzicht van de voornemens betreffende de onderlinge afstemming van de werkzaamheden van de universiteit en het academisch ziekenhuis op het gebied van het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek. Toepassing van de voorgaande volzin blijft achterwege indien het document, onderscheidenlijk het overzicht reeds aan een eerder bestuursverslag is toegevoegd en het sindsdien niet is gewijzigd of opnieuw is vastgesteld.

  • 3 Indien uitgaven zijn geschied in strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet, dan wel indien werkzaamheden ten behoeve waarvan de rijksbijdrage is verleend, niet behoorlijk zijn uitgevoerd of de rijksbijdrage ondoelmatig is aangewend, kan Onze minister bepalen, dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de rijksbijdrage.

  • 4 Het resultaat van het verslagjaar wordt verrekend met de algemene reserve van de instelling.

  • 5 De leden van het college van bestuur of het algemeen bestuur van een rechtspersoonlijkheid bezittende openbare instelling zijn persoonlijk aansprakelijk jegens de instelling voor schade ten gevolge van uitgaven die zijn geschied in strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet, voorzover Onze minister heeft bepaald dat de met die uitgaven gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de rijksbijdrage, tenzij blijkt dat zij aan het doen van die uitgaven niet hebben medegewerkt. Indien binnen een door Onze minister te bepalen termijn geen rechtsvordering van de zijde van de instelling terzake is gesteld, kan Onze minister daartoe overgaan namens en ten behoeve van de instelling.

  • 6 In afwijking van het eerste lid dient het algemeen bestuur van de Koninklijke Bibliotheek jaarlijks voor 15 maart het verslag in bij Onze minister.

Artikel 2.9a. Verrekening van vorderingen

Onze Minister is bevoegd tot verrekening van vorderingen krachtens deze wet van of op het bevoegd gezag van een instelling met vorderingen van of op Onze Minister krachtens een andere wet.

Artikel 2.10. Informatieplicht en doelmatigheidscontrole ministeriële accountant

De accountant die door Onze minister is belast met het onderzoek van de ministeriële jaarrekening, heeft met het oog op het verrichten van dat onderzoek toegang tot elke instelling. De accountant kan door Onze minister tevens worden belast met een onderzoek naar de doelmatigheid van het beheer van de instelling. Aan de accountant worden alle inlichtingen verstrekt die hij voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt.

Artikel 2.10a. Accountantsprotocol

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven omtrent de controle van de jaarrekening, de besteding van de rijksbijdrage en de door de instellingen opgegeven bekostigingsgegevens.

Artikel 2.11. Bijzondere bepaling universitaire eerstegraadslerarenopleidingen

[Vervallen per 01-09-2010]

Artikel 2.12. Bijzondere bepaling academische ziekenhuizen

Het bestuur van een in artikel 1.13, eerste lid, bedoelde universiteit betaalt, zodra de in artikel 2.5 bedoelde betaling van de rijksbijdrage dan wel betaling van een voorschot daarop is ontvangen, aan het met dieuniversiteit verbonden academisch ziekenhuis onverwijld het gedeelte van de rijksbijdrage waarop het academisch ziekenhuis op grond van artikel 1.14, eerste lid, aanspraak heeft.

Artikel 2.13. Buitengebruikstelling gebouwen en terreinen

  • 1 Het instellingsbestuur dat voornemens is om gebouwen of terreinen ten behoeve waarvan een rijksbijdrage is verleend, blijvend niet meer voor de instelling te gebruiken, doet hiervan onverwijld mededeling aan Onze minister.

  • 2 Onze minister kan binnen negentig dagen na ontvangst van de mededeling, bedoeld in het eerste lid, beslissen dat de gebouwen of terreinen worden overgedragen aan het Rijk dan wel ten behoeve van onderwijs of onderzoek aan een andere door hem aan te wijzen rechtspersoon. De overdracht geschiedt door de inschrijving van de desbetreffende beslissing van Onze minister in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 3 Het instellingsbestuur kan de gebouwen of terreinen niet verhuren, vervreemden of aan enig beperkt recht onderwerpen tenzij Onze minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, mededeelt van zijn in het tweede lid bedoelde bevoegdheid geen gebruik te maken.

  • 4 Bij de overgang van de eigendom van gebouwen of terreinen ingevolge het tweede lid, vergoedt het Rijk, voorzover deze gebouwen of terreinen door de rechtspersoon uit eigen middelen zijn betaald en hiervoor geen rijksbijdrage werd verstrekt, een door Onze minister te bepalen bedrag. Onze minister stelt dit bedrag vast in verhouding tot de waarde in het economisch verkeer van die gebouwen of terreinen.

Titel 3. Inrichting verslag en aanwijzing branchecode

Artikel 2.14. Inrichting verslag en aanwijzing branchecode

Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld voor de inrichting van het verslag en bij algemene maatregel van bestuur kunnen een of meer branchecodes voor goed bestuur worden aangewezen.

Titel 4. Bijzondere bepalingen in verband met het financieel beheer

Artikel 2.16. Opheffing instellingen

  • 1 Bij de opheffing van een openbare instelling en bij de beëindiging van de bekostiging van een bijzondere instelling, draagt het instellingsbestuur zo spoedig mogelijk na de opheffing dan wel beëindiging van de bekostiging, zorg voor de vaststelling van een eindafrekening. De eindafrekening wordt aan Onze minister gezonden en gaat vergezeld van een verklaring van een door hem aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 2 Tenzij met Onze minister een andere regeling wordt getroffen, is het instellingsbestuur aan het Rijk een bedrag verschuldigd, indien de eindafrekening een batig saldo bevat. Het bedrag wordt door Onze minister vastgesteld en mag niet hoger zijn dan het saldo van de eindafrekening. Bij de vaststelling van het bedrag wordt rekening gehouden met door het instellingsbestuur uit de eigen middelen aan investeringen bestede gelden.

  • 3 Bij de opheffing dan wel beëindiging van de bekostiging als bedoeld in het eerste lid, maakt het instellingsbestuur zo spoedig mogelijk aan Onze minister bekend welke maatregelen het heeft genomen teneinde te waarborgen dat de aan die instelling ingeschreven studenten de opleiding aan een andere instelling kunnen voltooien.

Artikel 2.17. Beheer van de middelen

  • 1 Het instellingsbestuur beheert de middelen van de instelling op zodanige wijze dat een behoorlijke exploitatie en het voortbestaan van de instelling zijn verzekerd.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het door het instellingsbestuur uitzetten van gelden, het aangaan van geldleningen en het aangaan van verbintenissen voor financiële producten.

Titel 5. Subsidiëring academische ziekenhuizen ten behoeve van de educatieve voorziening

Artikel 2.18. Subsidie educatieve voorziening

  • 2 De hoogte van de subsidie aan het academisch ziekenhuis dan wel aan het bestuur van de rechtspersoon die de educatieve voorziening in stand houdt, wordt bepaald op basis van het leerlingenaantal dat het gemiddelde is van de hoogste dagtellingen in de maanden september tot en met april van het schooljaar 1994–1995 van leerlingen van scholen als bedoeld in artikel 2, tweede lid onderdeel g, van de Wet op de expertisecentra, zoals dat artikel luidde op 31 juli 1999, die waren opgenomen in het desbetreffende academisch ziekenhuis, en een bedrag per leerling.

  • 3 Het bestuur van het academisch ziekenhuis dan wel de rechtspersoon die een educatieve voorziening in stand houdt, ontvangt de subsidie, bedoeld in het tweede lid, onder de voorwaarde dat op de aan deze subsidie gerelateerde formatieplaatsen personeel wordt benoemd, dat op 31 juli 1999 was benoemd aan een of meer van de scholen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel g, van de Wet op de expertisecentra, zoals dat artikel luidde op 31 juli 1999, tenzij het bestuur van het academisch ziekenhuis dan wel de rechtspersoon die de educatieve voorziening in stand houdt aantoont dat met betrekking tot een formatieplaats geen lid van dat personeel beschikbaar was dat de formatieplaats aanvaardde. Deze benoemingsverplichting geldt voor de betrekkingsomvang die voor de desbetreffende personeelsleden gold aan die scholen.

Artikel 2.19. Begroting en verslaglegging

Met betrekking tot de educatieve voorziening, bedoeld in artikel 1.4, tweede lid, stelt het bestuur van een academisch ziekenhuis dan wel het bestuur van de rechtspersoon die de educatieve voorziening in stand houdt, jaarlijks voor 1 juli een begroting voor het volgende jaar en een jaarverslag over het afgelopen jaar vast en zendt die aan Onze minister. Onze minister kan een richtlijn vaststellen voor de inrichting van de begroting en het jaarverslag.

Artikel 2.20. Controle en terugvordering

  • 1 Binnen tien maanden na afloop van het kalenderjaar waarover de subsidie is toegekend, legt het bestuur van het academisch ziekenhuis dan wel het bestuur van de rechtspersoon die de educatieve voorziening in stand houdt, een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek over aan Onze minister, waaruit blijkt in hoeverre de toegekende subsidie is besteed in overeenstemming met de bepalingen van deze wet.

  • 2 Voorzover niet uit de verklaring, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de subsidie is besteed in overeenstemming met de bepalingen van deze wet, vordert Onze minister het desbetreffende bedrag terug.

Hoofdstuk 3. Overleg

Artikel 3.1. Algemeen overleg

  • 1 Onze minister pleegt geregeld overleg met een vertegenwoordiging van de instellingsbesturen van de bekostigde universiteiten en hogescholen, de Open Universiteit, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek over aangelegenheden van algemeen beleid met betrekking tot die instellingen.

  • 2 Onze minister pleegt geregeld overleg met een vertegenwoordiging van de instellingsbesturen van de bekostigde universiteiten waaraan een academisch ziekenhuis is verbonden en van de academische ziekenhuizen over aangelegenheden van algemeen beleid betreffende de academische ziekenhuizen dan wel betreffende de academische ziekenhuizen en de universiteiten gezamenlijk.

Artikel 3.2. Overleg met afzonderlijke instellingen

Onze minister neemt besluiten als bedoeld in de artikelen 2.9, vierde lid, 2.13, tweede en vierde lid, en 7.56, eerste lid, onder b, niet dan na het betrokken instellingsbestuur in de gelegenheid te hebben gesteld met hem te overleggen over zijn desbetreffend voornemen.

Artikel 3.3. Overleg met studentenorganisaties

  • 1 Onze minister pleegt geregeld overleg met de daarvoor in aanmerking komende belangenorganisaties van studenten over aangelegenheden van algemeen belang voor studenten.

  • 2 Onze minister treft een regeling ter financiële ondersteuning van de vertegenwoordigers van de in het eerste lid bedoelde belangenorganisaties, in verband met door hen te verrichten werkzaamheden.

Hoofdstuk 4. Het personeel

Artikel 4.1. Reikwijdte

  • 1 Dit hoofdstuk heeft betrekking op universiteiten, hogescholen, de Open Universiteiten en de levensbeschouwelijke universiteiten.

  • 2 Dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 4.2, tweede en derde lid, heeft tevens betrekking op de academische ziekenhuizen, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek.

Artikel 4.2. Personeelsbeleid

  • 1 Het instellingsbestuur bepaalt het personeelsbeleid en voert het personeelsbeheer. Het neemt daarbij de bij of krachtens de wet gegeven voorschriften alsmede de eisen van zorgvuldigheid in acht.

  • 2 Het instellingsbestuur van een universiteit, een hogeschool of de Open Universiteit stelt ten behoeve van de leidinggevende functies op het gebied van onderwijs onderscheidenlijk onderzoek van elke van het instellingsbestuur uitgaande instelling, indien daaraan van een ondervertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies op het gebied van onderwijs onderscheidenlijk onderzoek sprake is, eenmaal in de 4 jaar een document inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies vast.

  • 3 Het document bevat streefcijfers, met inbegrip van een bepaald tijdvak waarbinnen deze streefcijfers worden gerealiseerd, aan de hand waarvan door het instellingsbestuur een beleid inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies wordt gevoerd, opdat in deze functies vrouwen en mannen naar evenredigheid werkzaam zullen zijn. Voor de evenredige vertegenwoordiging wordt uitgegaan van de verhouding mannen en vrouwen voor wat betreft het personeel op het gebied van onderwijs en onderzoek dat werkzaam is in het door de instelling verzorgde onderwijs en onderzoek, zoals die blijkt uit de daarover jaarlijks door Onze minister gepubliceerde cijfers. Het document vermeldt tevens de maatregelen die het instellingsbestuur heeft genomen en zal nemen teneinde de in de eerste volzin bedoelde streefcijfers te realiseren en geeft een overzicht van de beoogde en bereikte resultaten van het beleid inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies gedurende de periode waarvoor het document geldt, onderscheidenlijk de periode waarvoor het vorige document gold.

  • 4 Het instellingsbestuur draagt er zorg voor dat een exemplaar van het document in het gebouw van de instelling ter inzage wordt gelegd op een voor het personeel en de studenten toegankelijke plaats, alsmede dat een exemplaar wordt bewaard bij de administratie van de instelling.

Artikel 4.5. Regeling van de rechtspositie

  • 1 Met inachtneming van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels als bedoeld in het tweede en derde lid regelt het instellingsbestuur van een openbare instelling de rechtspositie van het personeel en draagt het instellingsbestuur van een bijzondere instelling zorg voor de regeling van de rechtspositie van het personeel.

  • 2 Bij algemene maatregel van bestuur onderscheidenlijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende:

    • a. salarisschalen en uitgangspunten waaraan een door het instellingsbestuur in te richten functiewaarderingssysteem moet voldoen, onderscheidenlijk

    • b. rechten en plichten van het personeel en het instellingsbestuur bij ziekte, bevalling, zwangerschap, arbeidsongeschiktheid en ontslag, voorzover deze bij wet voorgeschreven rechten en verplichtingen te boven gaan, dan wel de voorwaarden waaronder het instellingsbestuur deze rechten en plichten zelf regelt dan wel voor de regeling daarvan zorg draagt.

  • 3 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende algemene arbeidsduur.

  • 4 Onder regeling van de rechtspositie als bedoeld in het eerste lid wordt tevens begrepen het vaststellen van bepalingen inzake benoeming, schorsing, disciplinaire maatregelen en ontslag van personeel. De bepalingen omtrent ontslag mogen het personeel van de openbare instellingen niet minder rechten verschaffen dan die welke voor werknemers met een arbeidsovereenkomst voortvloeien uit de bepalingen van dwingend recht van titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 5 Over de regelingen, bedoeld in het eerste en vierde lid, alsmede over andere aangelegenheden van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel van de desbetreffende instelling, wordt door of namens het instellingsbestuur overleg gevoerd met de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel, op een met deze schriftelijk overeengekomen wijze. In geval van een geschil over de deelneming aan het overleg, bedoeld in de vorige volzin, alsmede in geval van een geschil over de aard, de inhoud en de organisatie van het overleg leggen de betrokken partijen het geschil voor aan een geschillencommissie. Deze geschillencommissie bestaat uit drie personen, die door de partijen gezamenlijk worden aangewezen. De uitspraak van de geschillencommissie heeft bindende kracht.

Hoofdstuk 5. Accreditatie in het hoger onderwijs

Artikel 5.1. Reikwijdte

Dit hoofdstuk heeft betrekking op de instellingen voor hoger onderwijs en op rechtspersonen die door het aanbieden van opleidingen rechtspersoon voor hoger onderwijs willen worden.

Titel 1. Accreditatieorgaan

Artikel 5.2. Instelling en taken accreditatieorgaan

  • 1 Er is een accreditatieorgaan dat is belast met het verlenen van accreditatie en de erkenning ITK, en de overige hem bij of krachtens deze wet opgedragen taken. Het accreditatieorgaan bezit rechtspersoonlijkheid.

  • 2 Activiteiten die het accreditatieorgaan verricht in het kader van het verlenen van accreditatie en de erkenning ITK zijn:

    • a. het indelen van opleidingen in visitatiegroepen op voorstel van de instelling;

    • b. het instellen van een commissie van deskundigen die adviseert over een aanvraag toets nieuwe opleiding of instellingstoets kwaliteitszorg en het aanwijzen van een secretaris daarvan;

    • c. het instemmen met de door instellingsbesturen binnen een visitatiegroep gezamenlijk samengestelde commissie van deskundigen en de daarvoor voorgestelde secretaris;

    • d. het doen van een bindende voordracht aan de instelling voor de samenstelling van een commissie als bedoeld in onderdeel c, indien en voor zover de instellingsbesturen niet komen tot het gezamenlijk samenstellen van een dergelijke commissie;

    • e. het op diens verzoek adviseren van Onze Minister over het gebruik van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 5.20, eerste lid, respectievelijk artikel 5.29, eerste lid; en

    • f. het opstellen van een accreditatiekader.

  • 3 Het accreditatieorgaan rapporteert desgevraagd aan Onze Minister over de kwaliteit van opleidingen in het hoger onderwijs met het oog op de vergelijkbaarheid van opleidingen aan de hand van zijn beoordelingen op grond van dit hoofdstuk. Het accreditatieorgaan doet eventueel voorstellen die hij in het belang van de kwaliteit van opleidingen in het hoger onderwijs nodig acht.

  • 4 Bij ministeriële regeling worden de werkzaamheden bepaald die het accreditatieorgaan verricht in verband met het beoordelen van ander onderwijs dan hoger onderwijs of in verband met opdrachten als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het Accreditatieverdrag.

Artikel 5.3. Accreditatiekader

  • 1 Het accreditatieorgaan neemt in het accreditatiekader in ieder geval een uitwerking op van:

    • a. de wijze van indeling van opleidingen in visitatiegroepen, het wijzigen van die indeling en de aanvraagprocedure voor wijziging van visitatiegroep door het instellingsbestuur;

    • b. de wijze waarop, onverminderd artikel 5.14, de onafhankelijkheid en deskundigheid van de commissies, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, en hun secretarissen wordt gewaarborgd;

    • c. de kwaliteitsaspecten, bedoeld in de artikelen 5.7, 5.12 en 5.23, waarbij ten minste onderscheid wordt gemaakt tussen het wetenschappelijk onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, tussen associate degree-opleidingen, bacheloropleidingen en masteropleidingen en waarbij rekening wordt gehouden met het verschil in de wijze van beoordeling van opleidingen van instellingen met en zonder een erkenning ITK;

    • d. de aanvraagprocedure voor het verkrijgen van accreditatie en de erkenning ITK, met dien verstande dat de uitwerking van de verzwaarde toets nieuwe opleiding voor de eerste opleiding die wordt verzorgd door een rechtspersoon die geaccrediteerde opleidingen wil verzorgen ten minste inhoudt dat deze plaatsvindt op basis van het volledige curriculum van de opleiding, waarop de aanvraag betrekking heeft, welke ten tijde van de aanvraag ten minste één maal recent in Nederland is verzorgd en waaraan studenten zijn afgestudeerd; en

    • e. de voorwaarden voor het verlenen van de oordelen onvoldoende en voldoende aan de kwaliteitsaspecten van een opleiding, bedoeld in artikel 5.10, eerste lid, onderdeel d, en artikel 5.15, zesde lid.

  • 2 Alvorens het accreditatiekader vast te stellen of te wijzigen, voert het accreditatieorgaan overleg met vertegenwoordigers van de gezamenlijke instellingen voor hoger onderwijs en andere betrokkenen, waaronder studentenorganisaties als bedoeld in artikel 3.3 en de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel.

  • 3 Het accreditatiekader of een wijziging daarvan behoeft de goedkeuring van Onze Minister. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  • 4 Onze Minister verleent zijn goedkeuring niet dan nadat vier weken zijn verstreken nadat zijn voornemen daartoe aan de beide kamers der Staten-Generaal is voorgelegd. Het besluit omtrent goedkeuring wordt binnen 17 weken na de verzending ter goedkeuring bekendgemaakt aan het accreditatieorgaan.

  • 5 Het accreditatiekader of de wijziging daarvan wordt bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant.

  • 6 Het accreditatieorgaan bespreekt het accreditatiekader met instanties in de Europese landen, in het bijzonder met instanties in de grenslanden.

Artikel 5.4. Voordracht bestuursleden accreditatieorgaan

  • 1 Voordat Onze Minister een voordracht doet voor bestuursleden als bedoeld in artikel 5 van het Accreditatieverdrag, worden de vertegenwoordigers van de gezamenlijke instellingen voor hoger onderwijs en de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel gehoord.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het horen van de gezamenlijke studentenorganisaties, bedoeld in artikel 3.3, in verband met de voordracht van twee bestuursleden.

  • 3 De bestuursleden die door Onze Minister worden voorgedragen zijn geen aan Onze Minister ondergeschikte ambtenaren.

  • 4 Voordat het Comité van Ministers, bedoeld in het Accreditatieverdrag, een door Onze Minister voorgedragen bestuurslid schorst of ontslaat, worden de vertegenwoordigers van de gezamenlijke instellingen voor hoger onderwijs en de vakorganisaties, bedoeld in het eerste lid, door Onze Minister gehoord.

Artikel 5.5. Financiële middelen

  • 1 Onze Minister stelt jaarlijks aan het accreditatieorgaan ten laste van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap overeenkomstig de artikelen 14 en 15, derde lid, van het Accreditatieverdrag financiële middelen ter beschikking voor de vervulling van zijn taken, voortvloeiend uit artikel 1, eerste en tweede lid, van het Accreditatieverdrag.

  • 2 Onze Minister stelt jaarlijks voor 1 september van enig kalenderjaar, doch niet dan nadat hij daarover met het accreditatieorgaan heeft overlegd, het bedrag vast dat voor het daaropvolgende kalenderjaar aan het accreditatieorgaan ter beschikking zal worden gesteld en neemt dit bedrag op in het voorstel van wet tot vaststelling van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

  • 3 Het boekjaar van het accreditatieorgaan valt samen met het kalenderjaar.

  • 4 Zolang de wet tot vaststelling van de begroting, bedoeld in het eerste en tweede lid, niet in werking is getreden, verstrekt Onze Minister met ingang van het kalenderjaar waarop de begroting betrekking heeft, in de vorm van maandelijkse termijnen een voorschot aan het accreditatieorgaan tot een maximum van het bedrag, bedoeld in het tweede lid.

  • 5 Overeenkomstig artikel 15, eerste en tweede lid, van het Accreditatieverdrag stelt Onze Minister, na overleg met het accreditatieorgaan, de tarieven vast die het instellingsbestuur aan het accreditatieorgaan verschuldigd is voor de door hem ten behoeve van het instellingsbestuur verrichte werkzaamheden.

Titel 2. Toets nieuwe opleiding en accreditatie nieuwe opleiding

Artikel 5.6. Aanvraag toets nieuwe opleiding

  • 1 Een toets nieuwe opleiding is de toets van een opleiding, zonder accreditatie, op de kwaliteit in het kader van verkrijging van accreditatie.

  • 2 Een toets nieuwe opleiding wordt uitgevoerd op aanvraag van het instellingsbestuur.

  • 3 Bij de aanvraag vermeldt het instellingsbestuur tevens de door hem beoogde:

    • a. visitatiegroep waartoe de opleiding kan behoren;

    • b. naam van de opleiding; en

    • c. toevoeging aan de graad als bedoeld in artikel 7.10a, tweede lid, voor zover het een opleiding in het hoger beroepsonderwijs betreft.

  • 4 Een toets nieuwe opleiding is niet vereist indien sprake is van:

    • a. het samenvoegen van geaccrediteerde opleidingen, voor zover het accreditatieorgaan in het kader van de aanvraag voor instemming met het verzorgen van de samengevoegde opleiding, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, onderdeel b, heeft geoordeeld dat de samengevoegde opleiding geen nieuwe opleiding is als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid;

    • b. het ongedaan maken van een samenvoeging van geaccrediteerde opleidingen als bedoeld in artikel 6.2, vijfde lid;

    • c. het gezamenlijk verzorgen van een opleiding als bedoeld in artikel 7.3c, voor zover het accreditatieorgaan in het kader van de aanvraag voor instemming met het verzorgen van de gezamenlijke opleiding, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, onderdeel e, heeft geoordeeld dat de gezamenlijke opleiding geen nieuwe opleiding is als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid; en

    • d. het verzorgen van een nieuwe masteropleiding, die de voortzetting vormt van een bestaande geaccrediteerde postinitiële masteropleiding.

Artikel 5.7. Beoordeling kwaliteitsaspecten aanvraag toets nieuwe opleiding

  • 1 In het kader van een toets nieuwe opleiding wordt de kwaliteit van een opleiding beoordeeld aan de hand van de volgende kwaliteitsaspecten:

    • a. het beoogde eindniveau van de opleiding, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is;

    • b. de inhoud en opzet van het onderwijsprogramma;

    • c. de wijze van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten;

    • d. de kwaliteit van het docententeam;

    • e. de opleidingsspecifieke voorzieningen alsmede de instellingsbrede voorzieningen die van invloed zijn op de kwaliteit van de opleiding, daaronder mede begrepen voldoende studiebegeleiding en voorzieningen die de toegankelijkheid en studeerbaarheid voor studenten met een functiebeperking bevorderen; en

    • f. de vormgeving en effectiviteit van de interne kwaliteitszorg gericht op de systematische verbetering van de opleiding.

  • 2 In het kader van een toets nieuwe opleiding wordt de kwaliteit van een opleiding, waarvan het accreditatieorgaan vast stelt dat daaraan feitelijk al onderwijs wordt verzorgd, beoordeeld aan de hand van de kwaliteitsaspecten, genoemd in de onderdelen a, b en d tot en met f, van het eerste lid alsmede aan de hand van:

    • a. het gerealiseerde niveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is; en

    • b. de deugdelijkheid van de beoordeling, toetsing en examinering van de studenten.

  • 3 Het accreditatieorgaan baseert zijn oordeel of een positief besluit op de aanvraag kan worden genomen op een advies van de commissie van deskundigen, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, onderdeel b. Van de commissie maakt ten minste een student deel uit.

  • 4 Het accreditatieorgaan beoordeelt tevens of:

    • a. de naam van de opleiding voldoende inzicht biedt in de inhoud van de opleiding en aansluit bij hetgeen gebruikelijk is binnen de sector waartoe de opleiding behoort en binnen de beoogde visitatiegroep; en

    • b. de toevoeging aan de graad, bedoeld in artikel 5.6, derde lid, onderdeel c, internationaal herkenbaar is aan de hand van een referentielijst, die bij ministeriële regeling wordt vastgesteld.

  • 5 Het accreditatieorgaan neemt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een besluit.

  • 6 Het instellingsbestuur is het accreditatieorgaan een vergoeding verschuldigd van de kosten van de beoordeling van de aanvraag, waaronder de beoordeling van de opleiding door de commissie van deskundigen.

Artikel 5.8. Verlening van accreditatie nieuwe opleiding

  • 1 Indien bij de toets nieuwe opleiding de kwaliteit van de opleiding door het accreditatieorgaan op alle kwaliteitsaspecten, genoemd in artikel 5.7, eerste, respectievelijk tweede lid, positief wordt beoordeeld, wordt aan de opleiding accreditatie nieuwe opleiding verleend voor de duur van zes jaar, met dien verstande dat:

    • a. het instellingsbestuur van een bekostigde instelling de opleiding aanmeldt voor registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.14, rekening houdend met de termijn, genoemd in artikel 6.2, zevende lid;

    • b. het instellingsbestuur van een niet-bekostigde instelling de opleiding binnen zes maanden aanmeldt voor registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.14; en

    • c. een opleiding, waaraan bij accreditatieverlening feitelijk nog geen onderwijs wordt verzorgd, drie jaar nadat accreditatie verkregen is, wordt beoordeeld op de kwaliteitsaspecten, genoemd in artikel 5.7, tweede lid, en bij die gelegenheid op die aspecten positief wordt beoordeeld.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan de termijn waarvoor accreditatie wordt verleend door het accreditatieorgaan worden bekort in verband met gelijktijdige beoordeling binnen de visitatiegroep waartoe de opleiding gaat behoren.

  • 3 In het besluit tot verlening van accreditatie nieuwe opleiding vermeldt het accreditatieorgaan de datum waarop een aanvraag voor accreditatie bestaande opleiding moet worden ingediend.

  • 4 Onze Minister kan de termijn waarvoor accreditatie is verleend in geval van onvoorziene omstandigheden verlengen.

Artikel 5.9. Weigering accreditatie nieuwe opleiding en verlening accreditatie nieuwe opleiding onder voorwaarden

  • 1 Accreditatie nieuwe opleiding wordt door het accreditatieorgaan geweigerd indien:

    • a. uit de aanvraag blijkt dat de opleiding die de instelling verzorgt of voornemens is te verzorgen geheel of in hoofdzaak overeenstemt met een opleiding, verzorgd door dezelfde instelling, waarvoor accreditatie is geweigerd of is ingetrokken als bedoeld in artikel 5.19 of artikel 5.20, minder dan drie jaar voorafgaand aan de aanvraag; of

    • b. de kwaliteit van de opleiding negatief wordt beoordeeld op een of meer kwaliteitsaspecten, genoemd in artikel 5.7.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, kan het accreditatieorgaan accreditatie nieuwe opleiding onder voorwaarden verlenen, indien de tekortkomingen op de kwaliteitsaspecten naar zijn oordeel binnen afzienbare tijd kunnen worden weggenomen.

  • 3 Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen accreditatie nieuwe opleiding onder voorwaarden kan worden verleend en welke voorschriften aan accreditatie nieuwe opleiding onder voorwaarden kunnen worden verbonden. De voordracht voor de algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 5.10. Accreditatierapport

  • 1 Het accreditatieorgaan legt in het accreditatierapport vast:

    • a. het advies van de commissie van deskundigen over de kwaliteitsaspecten;

    • b. zijn bevindingen;

    • c. de te verbeteren kwaliteitsaspecten, voor zover zich naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer van die aspecten tekortkomingen voordoen die binnen afzienbare tijd kunnen worden weggenomen;

    • d. het eindoordeel voldoende of onvoldoende;

    • e. het onderdeel van het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, dat naar zijn oordeel voor de opleiding passend is;

    • f. het oordeel over de naam en de toevoeging aan de graad, bedoeld in artikel 5.6, derde lid, onderdelen b en c;

    • g. de bijzondere kenmerken van de opleiding, voor zover van toepassing.

  • 2 Het accreditatierapport is onderdeel van het besluit op de aanvraag voor een toets nieuwe opleiding.

  • 3 Alvorens een besluit te nemen op de aanvraag stelt het accreditatieorgaan binnen een door hem te bepalen termijn het instellingsbestuur in de gelegenheid zijn zienswijze over het voorgenomen besluit naar voren te brengen.

  • 4 Gelijktijdig met de bekendmaking aan het instellingsbestuur van het besluit op de aanvraag, publiceert het accreditatieorgaan het besluit op een voor ieder kenbare wijze.

Titel 3. Accreditatie bestaande opleiding, commissie van deskundigen en visitatie

Artikel 5.11. Verkrijging van accreditatie bestaande opleiding

  • 1 Accreditatie bestaande opleiding kan worden verkregen door een opleiding waaraan accreditatie nieuwe opleiding is verleend en waarvan de kwaliteit voor het eind van de accreditatietermijn van accreditatie nieuwe opleiding is beoordeeld op de kwaliteitsaspecten, genoemd in artikel 5.12, overeenkomstig de procedure genoemd in artikel 5.13.

  • 2 Accreditatie bestaande opleiding wordt de eerste keer verleend op aanvraag van het instellingsbestuur, die voor een door het accreditatieorgaan te bepalen datum moet worden ingediend, rekening houdend met de periode waarin visitatie, binnen de visitatiegroep waartoe de opleiding behoort, doorgaans plaatsvindt.

  • 3 Indien van toepassing vermeldt het instellingsbestuur bij de aanvraag tevens de door hem beoogde gewijzigde

    • a. naam van de opleiding; en

    • b. toevoeging aan de graad als bedoeld in artikel 7.10a, tweede en derde lid, voor zover het een opleiding in het hoger beroepsonderwijs betreft.

Artikel 5.12. Beoordeling kwaliteitsaspecten accreditatie bestaande opleiding

In het kader van een aanvraag voor accreditatie bestaande opleiding wordt de kwaliteit van de opleiding beoordeeld aan de hand van de volgende kwaliteitsaspecten:

  • a. het beoogde eindniveau van de opleiding, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is;

  • b. de inhoud en opzet van het onderwijsprogramma;

  • c. de kwaliteit van het docententeam;

  • d. de opleidingsspecifieke voorzieningen alsmede de instellingsbrede voorzieningen die van invloed zijn op de kwaliteit van de opleiding, daaronder mede begrepen voldoende studiebegeleiding en voorzieningen die de toegankelijkheid en studeerbaarheid voor studenten met een functiebeperking bevorderen;

  • e. de vormgeving en effectiviteit van de interne kwaliteitszorg gericht op de systematische verbetering van de opleiding;

  • f. het gerealiseerde eindniveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is; en

  • g. de deugdelijkheid van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten.

Artikel 5.13. Visitatie van opleidingen in het kader van accreditatie bestaande opleiding

  • 1 Onverminderd artikel 1.18, draagt het instellingsbestuur er zorg voor dat de kwaliteit van de opleiding ter verkrijging van accreditatie bestaande opleiding wordt gevisiteerd, in samenwerking met andere instellingen binnen de visitatiegroep. Daarbij bevordert het instellingsbestuur een brede inbreng van studenten.

  • 3 De visitatie vindt plaats op basis van een zelfevaluatie van de opleiding door het instellingsbestuur die in beginsel een door studenten aan de opleiding geschreven bijdrage bevat.

  • 4 Van de visitatie wordt door de commissie van deskundigen een rapport opgesteld. Het visitatierapport bevat:

    • a. een oordeel over de kwaliteitsaspecten, genoemd in artikel 5.12;

    • b. een samenvatting van de beoordeling, alsmede een eindoordeel;

    • c. een bijlage waarin de aanbevelingen voor verdere ontwikkeling van de opleiding zijn opgenomen.

  • 6 De bijlage, bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, wordt binnen een jaar nadat het accreditatieorgaan het accreditatierapport heeft vastgesteld door het instellingsbestuur openbaar gemaakt.

Artikel 5.14. Commissie van deskundigen en instemming

  • 1 Het accreditatieorgaan stemt in met de samenstelling van de commissie van deskundigen, bedoeld in 5.2, tweede lid, onderdeel c, indien de commissie:

    • a. ten minste één student-lid heeft;

    • b. bestaat uit leden die niet verbonden zijn aan de instelling die de opleiding verzorgt;

    • c. haar werkzaamheden aantoonbaar zo inricht dat de beoordeling van de kwaliteit van de opleiding ten behoeve van verkrijging van accreditatie bestaande opleiding apart wordt verricht van de beoordeling van de opleiding ten behoeve van aanbevelingen voor verdere ontwikkeling; en

    • d. voldoet aan de overige waarborgen voor de onafhankelijkheid en voor deskundigheid, die in het accreditatiekader zijn opgenomen.

  • 2 Het instellingsbestuur doet tevens een voorstel voor een secretaris voor de commissie. Het accreditatieorgaan stemt in met de voorgestelde secretaris indien hij voldoet aan de waarborgen voor de onafhankelijkheid en voor deskundigheid die in het accreditatiekader zijn opgenomen.

  • 3 Het instellingsbestuur dient voor een door het accreditatieorgaan te bepalen datum een aanvraag in om de instemming te verkrijgen.

  • 4 Het accreditatieorgaan beslist binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag.

Artikel 5.15. Beoordeling aanvraag accreditatie bestaande opleiding

  • 1 Het accreditatieorgaan beoordeelt op basis van het door hem ontvangen deel van het visitatierapport of een positief besluit op de aanvraag kan worden genomen.

  • 2 In het geval, bedoeld in artikel 5.11, derde lid, alsmede indien er zich anderszins wijzigingen hebben voorgedaan in de opleiding, de sector, de visitatiegroep of de toevoeging aan de graad, beoordeelt het accreditatieorgaan tevens de naam en de toevoeging aan de graad. Artikel 5.7, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3 Het accreditatieorgaan beslist binnen drie maanden na de uiterste aanvraagdatum op de aanvraag en verricht de beoordeling van de aanvragen van alle opleidingen binnen een visitatiegroep gezamenlijk en in dezelfde periode.

  • 4 Indien op een aanvraag voor accreditatie bestaande opleiding pas kan worden beslist nadat de termijn van accreditatie nieuwe opleiding is verstreken, wordt de accreditatie nieuwe opleiding stilzwijgend verlengd totdat het besluit op de aanvraag voor accreditatie bestaande opleiding in werking treedt.

  • 5 Het instellingsbestuur is het accreditatieorgaan een vergoeding verschuldigd van de kosten van de beoordeling van de aanvraag met dien verstande dat het instellingsbestuur het accreditatieorgaan geen vergoeding verschuldigd is voor de beoordeling door de commissie van deskundigen.

  • 6 Artikel 5.10 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in het accreditatierapport tevens de visitatiegroep wordt vastgelegd waarin de opleiding wordt ingedeeld.

Artikel 5.16. Verlening en behoud van accreditatie bestaande opleiding

  • 1 Indien de opleiding door het accreditatieorgaan op alle kwaliteitsaspecten, genoemd in artikel 5.12 positief wordt beoordeeld, wordt accreditatie bestaande opleiding verleend, met dien verstande dat de opleiding elke zes jaar wordt herbeoordeeld en de kwaliteit van de opleiding bij die gelegenheid door het accreditatieorgaan telkens positief moet worden beoordeeld. De artikelen 5.11 tot en met 5.15 zijn op de herbeoordeling van overeenkomstige toepassing.

  • 2 In het besluit tot verlening van accreditatie bestaande opleiding en de bevestiging daarvan, bedoeld in het derde lid, vermeldt het accreditatieorgaan de datum waarop het visitatierapport moet worden overgelegd met het oog op de eerstvolgende herbeoordeling.

  • 3 Voor zover de opleiding telkens op alle kwaliteitsaspecten door het accreditatieorgaan positief wordt beoordeeld en de opleiding accreditatie bestaande opleiding behoudt, stuurt het accreditatieorgaan het instellingsbestuur daarvan een bevestiging binnen drie maanden na de datum, bedoeld in het tweede lid, waarop het visitatierapport moet worden overgelegd, tenzij Onze Minister uitstel heeft verleend als bedoeld in het vierde lid in welk geval de door Onze Minister bepaalde datum in de plaats treedt van de datum, bedoeld in het tweede lid. Hij stuurt daarbij een besluit met betrekking tot het eindoordeel bedoeld in artikel 5.15, zesde lid, en in voorkomend geval met betrekking tot een wijziging in de naam en de toevoeging aan de graad, bedoeld in artikel 5.15, tweede lid.

  • 4 Indien wegens onvoorziene omstandigheden het visitatierapport niet tijdig door het instellingsbestuur kan worden overgelegd, kan Onze Minister besluiten hem daarvan uitstel te verlenen.

Artikel 5.17. Weigering accreditatie bestaande opleiding en verlening accreditatie bestaande opleiding onder voorwaarden

  • 1 Accreditatie bestaande opleiding wordt door het accreditatieorgaan geweigerd indien de kwaliteit van de opleiding negatief wordt beoordeeld op een of meer van de kwaliteitsaspecten, genoemd in artikel 5.12.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, kan het accreditatieorgaan accreditatie bestaande opleiding onder voorwaarden verlenen, indien de tekortkomingen op de kwaliteitsaspecten naar zijn oordeel binnen afzienbare tijd kunnen worden weggenomen. Artikel 5.9, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.18. Behoud accreditatie bestaande opleiding onder voorwaarden

Onverminderd artikel 5.16, derde lid, kan het accreditatieorgaan besluiten dat de opleiding accreditatie bestaande opleiding behoudt, ingeval de opleiding bij een herbeoordeling als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, door het accreditatieorgaan op een of meer van de kwaliteitsaspecten genoemd in artikel 5.12 negatief wordt beoordeeld maar de tekortkomingen naar zijn oordeel binnen afzienbare tijd kunnen worden weggenomen. Artikel 5.9, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Titel 4. Intrekking van accreditatie en de gevolgen van intrekking

Artikel 5.19. Intrekking van accreditatie

  • 2 In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan het accreditatieorgaan besluiten dat de opleiding accreditatie nieuwe opleiding behoudt:

    • a. indien de tekortkomingen naar zijn oordeel binnen afzienbare tijd kunnen worden weggenomen; en

    • b. voor zover de opleiding niet eerder accreditatie onder voorwaarden is verleend als bedoeld in artikel 5.9, tweede lid. Artikel 5.9, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3 Accreditatie bestaande opleiding wordt ingetrokken indien niet wordt voldaan aan de voorschriften, genoemd in artikel 5.16, eerste lid, of indien het visitatierapport niet is ingediend op de datum, bedoeld in artikel 5.16, tweede of vierde lid, indien Onze Minister daaraan toepassing heeft gegeven.

  • 5 Artikel 5.10 is van overeenkomstige toepassing op het besluit tot intrekken van accreditatie.

Artikel 5.20. Tussentijdse intrekking van accreditatie

  • 1 Onze Minister kan, na advies van het accreditatieorgaan, accreditatie nieuwe opleiding of accreditatie bestaande opleiding tussentijds intrekken, indien de kwaliteit van de opleiding zodanig is gewijzigd dat een beoordeling op de kwaliteitsaspecten, bedoeld in artikel 5.7, eerste, respectievelijk tweede lid, artikel 5.12 of artikel 5.23, tot een weigering of intrekking van accreditatie zou leiden.

Artikel 5.21. Gevolgen weigering of intrekking van accreditatie

  • 1 Indien accreditatie bestaande opleiding wordt geweigerd als bedoeld in artikel 5.17 of accreditatie wordt ingetrokken als bedoeld in artikel 5.19 en artikel 5.20, kan vanaf de datum waarop accreditatie nieuwe opleiding vervalt, dan wel vanaf de datum waarop het besluit tot intrekking van accreditatie in werking treedt:

    • a. aan de examens geen graad als bedoeld in artikel 7.10a meer worden verbonden; en

    • b. een bekostigde instelling geen aanspraak meer maken op bekostiging als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid.

  • 2 De instelling draagt er zorg voor dat studenten, ingeschreven aan de opleiding, de gelegenheid wordt geboden de opleiding te voltooien aan een andere instelling.

  • 3 Voor die studenten, die de opleiding niet aan een andere instelling kunnen voltooien, wordt de opleiding aan de instelling zelf voortgezet voor een termijn van de resterende nominale studieduur van deze studenten, vermeerderd met een jaar, met dien verstande dat deze studenten de opleiding zonder onderbreking blijven volgen. In afwijking van het eerste lid, kan de instelling aan de examens graden verlenen en behoudt een bekostigde instelling aanspraak op bekostiging van de opleiding gedurende die termijn.

  • 4 Het instellingsbestuur deelt het besluit, bedoeld in het eerste lid, binnen zes weken na de bekendmaking ervan mee aan de betrokken studenten en vermeldt daarbij op welke wijze en aan welke instelling zij de opleiding kunnen voltooien.

  • 5 Onze Minister kan een last onder dwangsom opleggen ter hoogte van 500 euro voor iedere dag dat het instellingsbestuur de termijn van zes weken, genoemd in het vierde lid, overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van 50.000 euro.

  • 6 In afwijking van het eerste tot en met vierde lid, kan Onze Minister, in het belang van instandhouding van een doelmatig onderwijsaanbod, besluiten dat een bekostigde instelling gedurende een door Onze Minister vast te stellen termijn aanspraak behoudt op bekostiging als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, dat aan de examens een graad als bedoeld in artikel 7.10a blijft verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, niet wordt beëindigd.

Titel 6. Instellingstoets kwaliteitszorg en erkenning ITK

Artikel 5.23. Aanvraag en beoordeling instellingstoets kwaliteitszorg

  • 1 Een instellingstoets kwaliteitszorg is de toets op de interne kwaliteitszorg en de inzet tot verbetering van de resultaten van een instelling voor hoger onderwijs, voor zover betrekking hebbend op de kwaliteit van haar opleidingen.

  • 2 Een instellingstoets kwaliteitszorg wordt uitgevoerd op aanvraag van het instellingsbestuur.

  • 3 De kwaliteitszorg wordt beoordeeld aan de hand van de volgende kwaliteitsaspecten:

    • a. de visie van de instelling op de kwaliteit van haar onderwijs;

    • b. de vormgeving en de effectiviteit van de interne kwaliteitszorg van een instelling;

    • c. het gevoerde beleid op het gebied van personeel en voorzieningen; en

    • d. de voorzieningen die de toegankelijkheid en studeerbaarheid voor studenten met een functiebeperking bevorderen.

  • 4 Het accreditatieorgaan baseert zijn oordeel of een positief besluit op de aanvraag voor de instellingstoets kwaliteitszorg kan worden genomen op een advies van de commissie van deskundigen, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, onderdeel b. Van de commissie maakt ten minste een student deel uit.

  • 5 Het accreditatieorgaan neemt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een besluit.

  • 6 Het instellingsbestuur is het accreditatieorgaan een vergoeding verschuldigd van de kosten van de beoordeling van de aanvraag, waaronder de beoordeling van de kwaliteitszorg door de commissie van deskundigen.

Artikel 5.24. Verlening erkenning ITK

Indien de kwaliteitszorg door het accreditatieorgaan op de aspecten, genoemd in artikel 5.23, derde lid, positief wordt beoordeeld, wordt de erkenning ITK verleend voor de duur van zes jaar.

Artikel 5.25. Gevolgen erkenning ITK

  • 1 In geval van een erkenning ITK wordt in afwijking van artikel 5.7, eerste lid, de kwaliteit van een opleiding bij een aanvraag voor een toets nieuwe opleiding beoordeeld aan de hand van de volgende kwaliteitsaspecten:

    • a. het beoogde eindniveau van de opleiding, gelet op hetgeen internationaal gewenst of gangbaar is;

    • b. de inhoud en opzet van het onderwijsprogramma en de kwaliteit van het docententeam; en

    • c. de wijze van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten.

  • 2 In afwijking van artikel 5.7, tweede lid, wordt de kwaliteit van een opleiding, waaraan feitelijk al onderwijs wordt verzorgd, bij een aanvraag voor een toets nieuwe opleiding beoordeeld op de kwaliteitsaspecten, genoemd in het eerste lid, onderdelen a en b, alsmede aan de hand van:

    • a. het gerealiseerde niveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is; en

    • b. de deugdelijkheid van de beoordeling, toetsing en examinering van de studenten.

  • 3 In afwijking van artikel 5.12 wordt de kwaliteit van een opleiding bij een aanvraag voor accreditatie bestaande opleiding en bij de herbeoordelingen, bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, beoordeeld aan de hand van de kwaliteitsaspecten, genoemd in het eerste lid, onderdeel a en b, het kwaliteitsaspect, genoemd in het tweede lid, onderdeel b, alsmede aan de hand van het gerealiseerde eindniveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is.

  • 4 Het instellingsbestuur kan het accreditatieorgaan verzoeken een of meer opleidingen in afwijking van het eerste tot en met derde lid te beoordelen op de kwaliteitsaspecten, genoemd in artikel 5.7, respectievelijk artikel 5.12.

  • 5 In afwijking van artikel 5.8, eerste lid, wordt bij het verlenen van accreditatie nieuwe opleiding niet de voorwaarde gesteld tot aanvullende beoordeling als bedoeld in onderdeel c van dat artikellid.

Artikel 5.26. Verlenging erkenning ITK

  • 1 De erkenning ITK kan bij besluit door het accreditatieorgaan worden verlengd, indien de verlenging ten minste een jaar voor het eind van de termijn van verlening van de erkenning ITK door het instellingsbestuur is aangevraagd.

  • 3 Indien op de aanvraag tot verlenging pas kan worden beslist nadat de verleningstermijn van de erkenning ITK is verstreken, wordt het besluit waarbij de erkenning ITK was verleend stilzwijgend verlengd totdat het besluit over verlenging van de erkenning ITK in werking treedt.

  • 4 Indien wegens onvoorziene omstandigheden de aanvraag door het instellingsbestuur niet tijdig kan worden gedaan, kan Onze Minister de erkenning met maximaal twee jaar verlengen.

Artikel 5.27. Weigering erkenning ITK en erkenning ITK onder voorwaarden

  • 1 De erkenning ITK of verlenging van de erkenning ITK wordt door het accreditatieorgaan geweigerd indien:

    • a. binnen drie jaar voorafgaand aan de aanvraag voor een instellingstoets kwaliteitszorg de erkenning ITK is geweigerd of ingetrokken; of

    • b. de kwaliteitszorg negatief wordt beoordeeld op een of meer kwaliteitsaspecten, genoemd in artikel 5.23, derde lid.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan het accreditatieorgaan besluiten de erkenning ITK of de verlenging van de erkenning ITK onder voorwaarden te verlenen, indien de tekortkomingen op de kwaliteitszorg naar zijn oordeel binnen afzienbare tijd kunnen worden weggenomen. Artikel 5.9, derde lid is van overeenkomstige toepassing.

  • 3 Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen een erkenning ITK onder voorwaarden als bedoeld in artikel 5.27, tweede lid, wordt ingetrokken.

Artikel 5.28. ITK-Rapport

  • 1 Het accreditatieorgaan legt in het ITK-rapport vast:

    • a. het advies van de commissie van deskundigen over de kwaliteitsaspecten;

    • b. zijn bevindingen; en

    • c. het eindoordeel voldoende of onvoldoende.

  • 2 Het ITK-rapport is onderdeel van het besluit op de aanvraag voor een instellingstoets kwaliteitszorg.

  • 3 Alvorens een besluit te nemen op de aanvraag stelt het accreditatieorgaan binnen een door hem te bepalen termijn het instellingsbestuur in de gelegenheid zijn zienswijze over het voorgenomen besluit naar voren te brengen.

  • 4 Gelijktijdig met de bekendmaking aan de instelling van het besluit op de aanvraag, publiceert het accreditatieorgaan het besluit op een voor ieder kenbare wijze.

Artikel 5.29. Intrekking van de erkenning ITK

  • 1 Onze Minister kan, na advies van het accreditatieorgaan, de erkenning ITK tussentijds intrekken, indien de kwaliteitszorg zodanig is gewijzigd dat een beoordeling op de kwaliteitsaspecten, bedoeld in artikel 5.23, derde lid, tot een weigering van de erkenning ITK zou leiden.

Artikel 5.30. Gevolgen weigering verlenging of intrekking van de erkenning ITK

  • 1 Aanvragen voor een toets nieuwe opleiding als bedoeld in artikel 5.6, dan wel voor accreditatie bestaande opleiding als bedoeld in artikel 5.11, ingediend voorafgaand aan het moment dat het besluit tot weigering van verlenging of het besluit tot intrekking van de erkenning ITK onherroepelijk is geworden, worden beoordeeld overeenkomstig artikel 5.25, eerste, respectievelijk tweede lid, voor zover geen toepassing is gegeven aan het vierde lid. Op een aanvraag voor een toets nieuwe opleiding wordt beslist overeenkomstig artikel 5.25, vijfde lid.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op visitatierapporten overgelegd ter voldoening aan het voorschrift, bedoeld in artikel 5.16, eerste lid.

Titel 7. Overige bepalingen

Artikel 5.31. Wijziging in visitatiegroep, naam of toevoeging graad

  • 1 Het accreditatieorgaan kan, al dan niet op aanvraag van het instellingsbestuur, besluiten de opleiding in een andere visitatiegroep in te delen indien dit beter past bij de aard van de opleiding of indien dit vanwege de planning van de werkzaamheden van het accreditatieorgaan redelijk is. Het accreditatieorgaan bepaalt voor welke datum een aanvraag moet worden ingediend.

  • 3 In verband met een wijziging van de visitatiegroep kan Onze Minister besluiten de accreditatie nieuwe opleiding maximaal twee jaar te verlengen, dan wel besluiten maximaal twee jaar uitstel te verlenen van de datum, bedoeld in artikel 5.16, tweede lid, waarop het visitatierapport moet worden overgelegd.

Artikel 5.32. Gevolgen vernietiging van besluiten

Onze Minister kan bij toepassing van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, bepalen dat een instelling gedurende een door Onze Minister te bepalen termijn aanspraak behoudt op bekostiging, dat aan de examens een graad blijft verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, niet wordt beëindigd.

Hoofdstuk 5a. Accreditatie in het hoger onderwijs

[Vervallen per 01-02-2019]

Titel 1. Accreditatieorgaan

[Vervallen per 01-02-2019]

Titel 2. Accreditatie en toets nieuwe opleiding

[Vervallen per 01-02-2019]

Artikel 5a.8. Uitgebreide beoordelingscriteria voor verlenen van accreditatie

[Vervallen per 01-02-2019]

Artikel 5a.10a. Uitgebreide beoordelingscriteria voor verlenen toets nieuwe opleiding

[Vervallen per 01-02-2019]

Titel 2a. Instellingstoets kwaliteitszorg

[Vervallen per 01-02-2019]

Artikel 5a.13f. Beperkte beoordelingscriteria accreditatie bij instellingen met een instellingstoets kwaliteitszorg

[Vervallen per 01-02-2019]

Artikel 5a.13g. Beperkte beoordelingscriteria toets nieuwe opleiding bij instellingen met een instellingstoets kwaliteitszorg

[Vervallen per 01-02-2019]

Hoofdstuk 6. Onderwijsaanbod

Artikel 6.1. Reikwijdte

  • 1 De titels 1 en 3 van dit hoofdstuk hebben betrekking op bekostigde universiteiten en hogescholen, op de Open Universiteit en op de levensbeschouwelijke universiteiten.

  • 2 Titel 2 heeft uitsluitend en titel 3 heeft tevens betrekking op rechtspersonen voor hoger onderwijs.

Titel 1. Opleidingen bekostigde instellingen voor hoger onderwijs

Artikel 6.2. Onderwijsaanbod

  • 1 Het instellingsbestuur legt het voornemen tot:

    • a. het verzorgen van een nieuwe opleiding, of

    • b. het samenvoegen van bestaande opleidingen, of

    • c. het gezamenlijk verzorgen van een opleiding of afstudeerrichting als bedoeld in artikel 7.3c,

    ter instemming aan Onze minister voor met het oog op de beoordeling van een doelmatig onderwijsaanbod en de beoordeling van een doelmatige taakverdeling tussen de instellingen, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het hoger onderwijs. Artikel 7.17, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 2 Onze minister kan zich bij de beoordeling van het voornemen, bedoeld in het eerste lid, laten bijstaan door een adviescommissie. Bij het samenvoegen van bestaande opleidingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, of bij het gezamenlijk verzorgen van een opleiding als bedoeld in artikel 7.3c oordeelt het accreditatieorgaan of er sprake is van een nieuwe opleiding.

  • 3 Met inachtneming van de aanvraag kan Onze minister zijn instemming voor het verzorgen van een nieuwe opleiding beperken tot het verzorgen van een voltijdse, deeltijdse of duale opleiding. Onze minister kan zijn instemming ook onder andere beperkingen verlenen.

  • 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere eisen worden gesteld aan de aanvraag om instemming.

  • 5 In geval Onze Minister instemt met het samenvoegen van bestaande opleidingen en het accreditatieorgaan heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een nieuwe opleiding:

    • a. dient het instellingsbestuur van de samengevoegde opleiding de aanvraag voor accreditatie bestaande opleiding in, onderscheidenlijk legt het visitatierapport voor het eerst over, op de datum waarop ten behoeve van de opleidingen die worden samengevoegd als eerste de aanvraag accreditatie bestaande opleiding zou moeten worden ingediend, onderscheidenlijk als eerste het visitatierapport zou moeten worden overgelegd; en

    • b. kan Onze Minister desgevraagd bepalen dat het instellingsbestuur uiterlijk bij de aanvang van het zesde studiejaar, nadat de samenvoeging heeft plaatsgevonden, deze ongedaan maakt zonder dat daarvoor instemming als bedoeld in het eerste lid noodzakelijk is. Alsdan legt het instellingsbestuur voor de afzonderlijke opleidingen het visitatierapport over op de datum waarop het instellingsbestuur van de samengevoegde opleiding het visitatierapport zou moeten overleggen.

  • 6 Onze Minister kan het instellingsbestuur maximaal twee jaar uitstel verlenen van de data, bedoeld in het vorige lid.

  • 7 Indien sprake is van het samenvoegen van bestaande opleidingen kan Onze minister bij het verlenen van de instemming desgevraagd bepalen dat het instellingsbestuur uiterlijk bij de aanvang van het zesde studiejaar nadat de samenvoeging heeft plaatsgevonden deze ongedaan kan maken zonder dat daarvoor instemming als bedoeld in het eerste lid noodzakelijk is.

  • 8 Ingeval van een nieuwe opleiding in een van de openbare lichamen BES wordt bij de beoordeling gelet op de voorzieningen op het gebied van hoger onderwijs in Nederland en Aruba, Curaçao en Sint Maarten.

  • 9 De instemming van Onze minister vervalt, indien de opleiding niet binnen tien maanden nadat de instemming is verleend, is geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13.

  • 10 Onze minister stelt beleidsregels vast op grond waarvan hij de aanvragen beoordeelt. Wijzigingen van de beleidsregels worden meegedeeld aan beide Kamers der Staten-Generaal.

Artikel 6.5. Ontneming rechten aan opleidingen

  • 1 Onze minister kan besluiten dat aan een opleiding de rechten, genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, worden ontnomen, indien:

    • a. de verzorging van die opleiding, gelet op de spreiding en de mate van verscheidenheid van de voorzieningen in het hoger onderwijs, en het profiel van de instelling die de desbetreffende opleiding verzorgt, in redelijkheid niet of niet meer doelmatig kan worden geacht, of

    • b. niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald over de kwaliteitszorg, de registratie, het onderwijs, de examens, de promoties of de vooropleidingseisen of toelatingseisen.

  • 2 Bij een besluit als bedoeld in het eerste lid bepaalt Onze minister het tijdstip waarop dat besluit van kracht wordt. Artikel 5.21, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.6. Procedure ontneming rechten aan opleidingen

  • 1 Onze minister neemt een besluit op grond van artikel 6.5, eerste lid, onderdeel a, uiterlijk acht weken na de datum waarop hij het voornemen tot het ontnemen van rechten aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal bekend heeft gemaakt. Hij zendt gelijktijdig een afschrift van deze bekendmaking aan de instelling die het aangaat. Onze minister stelt ten minste drie maanden voordat hij het voornemen aan de Tweede Kamer bekendmaakt, de instelling van zijn voornemen tot ontneming van rechten op de hoogte.

  • 2 Voordat Onze minister een besluit neemt op de grond, genoemd in artikel 6.5, eerste lid, onderdeel b, geeft hij het instellingsbestuur een waarschuwing onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven, bedraagt ten minste drie maanden.

Artikel 6.7. Toestemming voor specifieke selectiecriteria en hoger collegegeld

  • 1 Onze minister kan op aanvraag van het instellingsbestuur toestemming verlenen gegadigden bij de inschrijving voor een opleiding te selecteren volgens door het instellingsbestuur vast te stellen criteria en in samenhang daarmee voor de geselecteerde studenten een collegegeld vast te stellen dat hoger is dan het wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste of vijfde lid.

  • 2 De toestemming van Onze minister heeft betrekking op een bepaalde opleiding of op een bepaald programma binnen een opleiding waarvan de studielast en eindtermen gelijk zijn aan die van de opleiding.

  • 3 Onze minister verleent uitsluitend zijn toestemming, indien:

    • a. de aanvraag kleinschalig en intensief onderwijs betreft, dat is gericht op een bovengemiddeld onderwijsrendement en waarbij de activiteiten binnen en buiten het curriculum met elkaar zijn verbonden; en

    • b. de toestemming geen afbreuk doet aan de kwaliteit of de toegankelijkheid van het hoger onderwijs.

Artikel 6.7a. Aan toestemming verbonden verplichtingen

  • 1 Aan de toestemming, bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, zijn de volgende verplichtingen voor het instellingsbestuur verbonden:

    • a. het selecteren van gegadigden;

    • b. het vaststellen van een regeling voor de selectiecriteria en -procedure;

    • c. het vaststellen van een regeling voor de criteria en procedure voor dispensatie van betaling van het hogere collegegeld; en

    • d. het meewerken aan een eenmalige toetsing aan de praktijk als bedoeld in artikel 6.7c.

  • 3 Het instellingsbestuur selecteert de gegadigden uitsluitend op grond van kwalitatieve criteria. Het aantal soorten kwalitatieve selectiecriteria bedraagt ten minste twee.

Artikel 6.7b. Aanvraag voor toestemming en advisering door accreditatieorgaan

  • 2 Na ontvangst van een aanvraag stelt het accreditatieorgaan ten behoeve van de beslissing van Onze minister, bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, een advies op over:

    • a. het aspect, bedoeld in artikel 6.7, derde lid, onder a, en;

    • b. de vraag, of de desbetreffende opleiding of het desbetreffende programma binnen een opleiding als bedoeld in artikel 6.7, tweede lid, ondanks de kwalificatie door het instellingsbestuur, moet worden beschouwd als een nieuwe opleiding

  • 3 Het accreditatieorgaan zendt het advies, bedoeld in het tweede lid, vergezeld van de aanvraag, binnen zes maanden na indiening van de aanvraag aan Onze minister.

  • 4 Onze minister kan nadere regels stellen met betrekking tot het indienen van aanvragen en de daarbij over te leggen gegevens en bescheiden.

  • 5 In het accreditatiekader legt het accreditatieorgaan het advieskader en zijn werkwijze vast.

Artikel 6.7c. Toetsing aan de praktijk

  • 1 Indien Onze minister aan het instellingsbestuur toestemming als bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, heeft verleend, laat het instellingsbestuur het aspect, bedoeld in artikel 6.7, derde lid, onder a, van de desbetreffende opleiding of het programma binnen de opleiding, bedoeld in artikel 6.7, tweede lid, door het accreditatieorgaan zes jaar na de verlening éénmalig toetsen aan de praktijk.

  • 2 Bij het verlenen van de toestemming, bedoeld in artikel 6.7, kan Onze minister bepalen dat de toetsing aan de praktijk op een ander tijdstip dan het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt dan wel dat de toetsing achterwege kan blijven, omdat daarvan geen nieuwe inzichten zijn te verwachten.

  • 3 Het accreditatieorgaan zendt zijn bevindingen naar aanleiding van een toetsing aan de praktijk aan Onze minister.

  • 4 Onze minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de toetsing aan de praktijk, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid.

Artikel 6.7d. Intrekking toestemming

Onze minister kan de toestemming, bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, intrekken, indien:

  • a. de opleiding dan wel het programma binnen een opleiding, bedoeld in artikel 6.7, tweede lid, niet langer voldoet aan het aspect, bedoeld in artikel 6.7, derde lid, onder a;

  • b. de opleiding of het programma binnen een opleiding, bedoeld in artikel 6.7, tweede lid, moet worden beschouwd als een nieuwe opleiding;

  • c. de kwaliteit of de toegankelijkheid van het hoger onderwijs in gevaar komt; of

  • d. het instellingsbestuur de verplichtingen, bedoeld in artikel 6.7a, niet naleeft.

Titel 2. Opleidingen rechtspersonen voor hoger onderwijs

Artikel 6.9. Verlening rechten verbonden aan een eerste opleiding van een rechtspersoon

  • 1 Een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die de bevoegdheid wenst te verkrijgen om graden te verlenen als bedoeld in artikel 7.10a, dient daartoe een verzoek in bij Onze Minister onder overlegging van een verzwaarde toets nieuwe opleiding voor een bacheloropleiding of een masteropleiding.

  • 2 Naar aanleiding van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, adviseert de inspectie Onze minister over de continuïteit van de desbetreffende rechtspersoon en de naleving door de desbetreffende rechtspersoon van de artikelen 1.12, tweede lid en 1.12a.

  • 3 Naar aanleiding van het verzoek en mede op grond van het advies beslist Onze minister of de artikelen 1.12, eerste lid, of 1.12a op de opleiding, verzorgd door de desbetreffende rechtspersoon, van toepassing zijn. Onze minister wijst het verzoek om graden te mogen verlenen in ieder geval af indien de continuïteit van de desbetreffende rechtspersoon of de naleving van de artikelen 1.3, vijfde lid, en 1.12, tweede lid en derde lid, in onvoldoende mate zijn gewaarborgd. Onze minister neemt binnen 16 weken na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, een besluit.

  • 4 Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien de desbetreffende rechtspersoon de opleiding overdraagt aan een andere rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid waarop de artikelen 1.12 of 1.12a op het moment van de overdracht niet van toepassing zijn.

  • 5 Indien door de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon geen in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, geregistreerde opleidingen meer worden verzorgd, naast een associate degree-opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel a, niet langer een bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel b, of uitsluitend een opleiding in afbouw als bedoeld in artikel 5.21, derde lid, wordt verzorgd dan wel door de rechtspersoon uitsluitend een opleiding in afbouw als bedoeld in artikel 5.21, derde lid, wordt verzorgd, kan deze rechtspersoon slechts opnieuw graden verlenen na toepassing van het eerste tot en met derde lid.

Artikel 6.10. Ontneming rechten verbonden aan opleidingen, verzorgd door rechtspersonen voor hoger onderwijs

  • 1 Onze minister kan besluiten dat aan een opleiding of aan alle opleidingen, verzorgd door een rechtspersoon voor hoger onderwijs, de rechten, genoemd in artikel 1.12, eerste lid, worden ontnomen, indien de continuïteit van de desbetreffende rechtspersoon of de naleving van de artikelen 1.3, vijfde lid, en 1.12, tweede en derde lid, niet of niet langer is gewaarborgd.

  • 2 Een besluit op grond van het eerste lid houdt in dat aan de examens van de desbetreffende opleiding of van alle opleidingen geen graad als bedoeld in artikel 7.10a is verbonden, dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, wordt beëindigd en dat de instelling niet meer het recht heeft zich universiteit te noemen, als bedoeld in artikel 1.22, eerste lid, dan wel hogeschool als bedoeld in artikel 1.23, eerste lid.

  • 4 Voordat Onze minister een besluit op grond van het eerste lid neemt, geeft hij het instellingsbestuur een waarschuwing onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem dienaangaande plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven, bedraagt ten minste drie maanden.

  • 5 Indien Onze minister een besluit als bedoeld in het eerste lid heeft genomen ten aanzien van alle opleidingen verzorgd door de desbetreffende rechtspersoon, kan deze rechtspersoon slechts opnieuw graden als bedoeld in artikel 7.10a verlenen na toepassing van artikel 6.9.

Artikel 6.11. Commissie van advies

  • 2 Onze Minister neemt geen besluit als bedoeld in het eerste lid dan nadat hij advies heeft gevraagd aan de commissie van advies.

  • 4 Over de samenstelling, werkwijze en bezoldiging van de commissie worden regels gesteld bij ministeriële regeling.

Titel 3. Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs

Artikel 6.13. Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs

  • 1 Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs is een systematisch geordende verzameling gegevens met betrekking tot de opleidingen die door de instellingen voor hoger onderwijs verzorgd worden. Onze Minister is belast met de aanleg, het beheer en de bekendmaking van het register en met het verstrekken van informatie uit het register.

  • 2 [Red: Vervallen.]

  • 3 Bij algemene maatregel van bestuur worden de inrichting en de werking van het Centraal register opleidingen hoger onderwijs geregeld. Deze bevat bepalingen omtrent het verstrekken van informatie uit het register. Daarbij kan worden bepaald dat voor het verstrekken van informatie aan anderen dan de besturen van de instellingen waarop deze wet betrekking heeft, een in de algemene maatregel van bestuur vastgestelde vergoeding verschuldigd is. De algemene maatregel van bestuur bevat de indeling van het register in onderdelen en voorzover nodig subonderdelen. De onderdelen betreffen gebieden van onderwijs. De indeling bevat ten minste onderdelen voor de volgende gebieden van onderwijs: onderwijs, landbouw en natuurlijke omgeving, techniek, recht, taal en cultuur, en gezondheidszorg. De indeling bevat voorts voor het onderdeel onderwijs in elk geval het subonderdeel lerarenopleidingen op het gebied van de kunst en voor het onderdeel taal en cultuur in elk geval het subonderdeel opleidingen op het gebied van de kunst.

  • 4 Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs bevat van elke opleiding als bedoeld in artikel 7.3a de volgende gegevens:

    • a. de naam van de opleiding en de instelling die de opleiding verzorgt, gesteld in het Nederlands en desgewenst in het Engels of in een andere internationale taal die gangbaar is,

    • b. of het hoger beroepsonderwijs dan wel wetenschappelijk onderwijs betreft,

    • c. of de opleiding is geaccrediteerd dan wel de toets nieuwe opleiding met positief gevolg heeft ondergaan alsmede de geldigheidsduur daarvan,

    • d. de indeling in het register,

    • e. indien het een gezamenlijke opleiding, een gezamenlijke afstudeerrichting of een gezamenlijk Ad-programma als bedoeld in artikel 7.3c betreft: aan welke instellingen de opleiding, de afstudeerrichting of het Ad-programma wordt verzorgd,

    • f. het voltijdse, deeltijdse of duale karakter,

    • g. de studielast waarbij ten aanzien van masteropleidingen is aangegeven of deze is vastgesteld van rechtswege, door het instellingsbestuur of, wat betreft masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs, op zijn verzoek door Onze minister,

    • h. of aan een bacheloropleiding een propedeutisch examen is verbonden,

    • i. of het een opleiding gericht op een bepaald beroep betreft, waarvoor bij of krachtens de wet vereisten zijn vastgesteld,

    • j. of toepassing is gegeven aan artikel 7.25, vierde lid,

    • k. of eisen omtrent het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel 7.27 gesteld worden,

    • l. de gemeente, de gemeenten, het openbaar lichaam BES, de openbare lichamen BES of de plaats in het buitenland waar de opleiding is gevestigd,

    • m. de door de instelling op grond van artikel 5.21, tweede lid vastgestelde termijn,

    • n. de door Onze minister op grond van artikel 5.21, zesde lid, of artikel 5.32, vastgestelde termijn,

    • o. of toepassing is gegeven aan artikel 5.9, tweede lid, artikel 5.17, tweede lid, respectievelijk artikel 5.18,

    • p. het tijdstip waarop voor het eerst inschrijving voor de opleiding mogelijk is,

    • q. indien de opleiding niet langer zal worden verzorgd, het tijdstip waarop de registratie zal worden beëindigd, alsmede het tijdstip waarop voor het eerst inschrijving in de propedeutische fase van de opleiding of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in een associate degree-opleiding of een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs met een studielast van 60 studiepunten, niet meer mogelijk is,

    • r. indien toepassing is gegeven aan artikel 5.31, derde lid, de termijn waarvoor accreditatie nieuwe opleiding wordt verlengd,

    • s. of Onze minister met betrekking tot een opleiding toestemming heeft verleend voor het hanteren van specifieke selectiecriteria, bedoeld in artikel 6.7, en in samenhang daarmee voor het vaststellen van een hoger collegegeld als bedoeld in dat artikel,

    • t. of binnen de opleiding een programma wordt aangeboden ten aanzien waarvan Onze minister toestemming heeft verleend voor het hanteren van specifieke selectiecriteria, bedoeld in artikel 6.7, en in samenhang daarmee voor het vaststellen van een hoger collegegeld als bedoeld in dat artikel,

    • u. of Onze minister toestemming heeft verleend voor het vaststellen van een hoger collegegeld als bedoeld in artikel 6.8,

    • v. of binnen de opleiding een versneld traject wordt aangeboden als bedoeld in artikel 7.9a,

    • w. de graad en de toevoeging ingevolge artikel 7.10a, eerste en tweede lid.

  • 5 Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs bevat van elke opleiding als bedoeld in artikel 7.3b:

    • a. de naam van de opleiding en de rechtspersoon waarvan de opleiding uitgaat, en

    • b. de gegevens, bedoeld in het vierde lid, onderdelen b tot en met g, m, n, o, q, v en w.

  • 6 Onze minister legt het ontwerp van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het derde lid, voor aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat dertig dagen na die voorlegging zijn verstreken.

Artikel 6.14. De registratieprocedure

  • 1 Het instellingsbestuur doet een aanvraag tot registratie van een opleiding waaraan accreditatie is verleend. Indien er sprake is van het ongedaan maken van een samenvoeging als bedoeld in artikel 6.2, vijfde lid, onderdeel b, doet het instellingsbestuur een nieuwe aanvraag tot registratie van de oorspronkelijke opleidingen. Voor zover er sprake is van het behoud van accreditatie bestaande opleiding doet het accreditatieorgaan een melding tot het registreren van de bevestiging, bedoeld in artikel 5.16, derde lid, en het daarbij vermelden van de datum waarop het eerstvolgende visitatierapport moet worden overgelegd.

  • 3 Onze Minister registreert binnen een redelijke termijn de opleiding overeenkomstig de door het instellingsbestuur verstrekte gegevens in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs.

  • 4 Indien de gegevens niet volledig zijn of de indeling in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs naar het oordeel van Onze minister in redelijkheid niet passend kan worden geacht voor de opleiding stelt Onze Minister het instellingsbestuur in de gelegenheid om, binnen een door Onze Minister te bepalen termijn, te voorzien in de ontbrekende gegevens onderscheidenlijk de indeling te herzien. Hij houdt daarbij rekening met de termijn, bedoeld in artikel 5.8, eerste lid, onderdelen a en b. Onverminderd artikel 6.15 weigert Onze Minister registratie in het register uitsluitend, indien Onze Minister de gegevens binnen deze termijn niet of niet volledig heeft ontvangen, indien hij constateert dat de gegevens niet juist zijn, of indien de herziene indeling naar het oordeel van Onze minister in redelijkheid niet passend geoordeeld kan worden voor de opleiding.

  • 5 Indien Onze minister constateert dat de gegevens in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs onvolledig of onjuist zijn of de indeling niet passend is voor de opleiding, kunnen de gegevens of de indeling door Onze minister aangepast worden.

Artikel 6.15. Beëindiging registratie

  • 1 Onze Minister beëindigt de registratie van een opleiding als bedoeld in artikel 7.3a indien:

  • 4 De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, onder a, geschiedt uiterlijk op 28 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het eerste studiejaar waarin de inschrijving voor de propedeutische fase van de bacheloropleiding of, indien die fase niet is ingesteld, de inschrijving voor een opleiding niet meer openstaat.

Hoofdstuk 7. Onderwijs

Artikel 7.1. Reikwijdte

  • 1 Dit hoofdstuk heeft betrekking op bekostigde universiteiten en hogescholen, op de Open Universiteit en op de levensbeschouwelijke universiteiten.

  • 3 Van titel 3 van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de rechtspersonen voor hoger onderwijs:

    • a. artikel 7.52, eerste lid, tweede lid, met uitzondering van onderdeel h, voor zover het betreft de reden van de beëindiging van de inschrijving, en onderdeel i, derde lid en vijfde tot en met achtste lid, met dien verstande dat artikel 7.52, tweede lid, onderdeel e, wordt gelezen als: de opleiding of opleidingen dan wel de onderwijseenheid of onderwijseenheden waarvoor de student of extraneus is ingeschreven;

    • b. artikel 7.52a;

    • c. artikel 7.52b, eerste, derde en vierde lid, met dien verstande dat artikel 7.52b, eerste lid, onderdeel a, wordt gelezen als: Onze Minister voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de planning van de instellingen en de beleidsvoorbereiding.

Titel 1. Het onderwijs, de examens en de promoties

Paragraaf 1. Het onderwijs en de examens

Artikel 7.2. Taal

Het onderwijs wordt gegeven en de examens worden afgenomen in het Nederlands. In afwijking van de eerste volzin kan een andere taal worden gebezigd:

  • a. wanneer het een opleiding met betrekking tot die taal betreft,

  • b. wanneer het onderwijs betreft dat in het kader van een gastcollege door een anderstalige docent gegeven wordt, of

  • c. indien de specifieke aard, de inrichting of de kwaliteit van het onderwijs dan wel de herkomst van de studenten daartoe noodzaakt, overeenkomstig een door het instellingsbestuur vastgestelde gedragscode.

Artikel 7.3. Opleidingen en onderwijseenheden

  • 1 Het onderwijs wordt door de instelling aangeboden in de vorm van opleidingen.

  • 2 Een opleiding is een samenhangend geheel van onderwijseenheden, gericht op de verwezenlijking van welomschreven doelstellingen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden waarover degene die de opleiding voltooit, dient te beschikken. Een onderwijseenheid kan betrekking hebben op de praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening en op de beroepsuitoefening in verband met het onderwijs in een duale opleiding, voorzover deze activiteiten onder begeleiding van het instellingsbestuur plaatsvinden.

  • 3 Aan elke opleiding is een examen verbonden. Aan elke onderwijseenheid is een tentamen verbonden.

  • 4 Elke opleiding wordt op de voet van titel 3 van hoofdstuk 6 geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs.

  • 5 Het examen, bedoeld in het derde lid, dat met goed gevolg is afgelegd en de met het oog daarop vervaardigde werkstukken worden door het instellingsbestuur gedurende een periode van ten minste zeven jaar bewaard.

  • 6 Indien het instellingsbestuur besluit een opleiding, te beëindigen, worden de aan die opleiding ingeschreven studenten in de gelegenheid gesteld hun opleiding zonder onderbreking bij die instelling te vervolgen. Daarbij wordt een termijn in acht genomen die ten hoogste de voor de betrokken studenten resterende, aan de studielast van de opleiding gerelateerde studieduur vermeerderd met een jaar bedraagt.

Artikel 7.3a. Associate degree-, bachelor- en masteropleidingen

  • 1 Binnen het wetenschappelijk onderwijs worden onderscheiden:

    • a. bacheloropleidingen, en

    • b. masteropleidingen, volgend op de bacheloropleidingen, bedoeld onder a.

  • 2 Binnen het hoger beroepsonderwijs worden onderscheiden:

    • a. associate degree-opleidingen,

    • b. bacheloropleidingen, en

    • c. masteropleidingen volgend op de bacheloropleidingen, bedoeld onder b.

Artikel 7.3b. Postinitiële masteropleidingen

Naast de opleidingen, bedoeld in artikel 7.3a, worden binnen het hoger onderwijs onderscheiden:

  • a. postinitiële masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs, en

  • b. postinitiële masteropleidingen in het hoger beroepsonderwijs.

Artikel 7.3c. Gezamenlijk onderwijs

  • 1 Een instelling voor hoger onderwijs kan gezamenlijk met een of meer Nederlandse of buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs een opleiding of een afstudeerrichting verzorgen.

  • 2 Indien een gezamenlijke opleiding of een gezamenlijke afstudeerrichting uitsluitend door Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs wordt verzorgd, is daaraan een gezamenlijke graad verbonden.

  • 3 Indien een gezamenlijke opleiding of een gezamenlijke afstudeerrichting mede door een buitenlandse instelling voor hoger onderwijs wordt verzorgd, kan daaraan een gezamenlijke graad of kunnen daaraan twee of meer afzonderlijke graden worden verbonden, afhankelijk van het aantal daarbij betrokken instellingen voor hoger onderwijs.

  • 4 Een instelling voor hoger onderwijs kan uitsluitend gezamenlijk met een buitenlandse instelling voor hoger onderwijs een opleiding of een afstudeerrichting verzorgen, indien het instellingsbestuur met betrekking tot dat onderwijs met de buitenlandse instelling voor hoger onderwijs een overeenkomst heeft afgesloten.

  • 5 In de overeenkomst, bedoeld in het vierde lid, maakt het instellingsbestuur in ieder geval afspraken met betrekking tot:

    • a. de inhoud van het gezamenlijke onderwijs;

    • b. de onderscheiden onderwijsactiviteiten van de betrokken instellingen voor hoger onderwijs daarbij;

    • c. de wijze van graadverlening;

    • d. de inschrijving van studenten; en

    • e. de collegegeldverplichtingen voor studenten.

Artikel 7.3d. Naleving wettelijke voorschriften in geval van gezamenlijk onderwijs

  • 2 Voor de naleving van andere dan de in het eerste lid bedoelde voorschriften op grond van deze wet die betrekking hebben op een opleiding of een afstudeerrichting leggen de betrokken instellingsbesturen in een overeenkomst vast welk instellingsbestuur daarvoor verantwoordelijk is.

Artikel 7.3e. Bijzonder inschrijvingsregime gezamenlijk onderwijs

  • 1 Als een student of een aspirant-student zich voor een gezamenlijke opleiding of een gezamenlijke afstudeerrichting bij een Nederlandse instelling voor hoger onderwijs laat inschrijven, draagt die instelling er zorg voor dat die student ook wordt ingeschreven bij de andere betrokken Nederlandse instelling of instellingen voor hoger onderwijs.

  • 2 In geval van een gezamenlijke opleiding of een gezamenlijke afstudeerrichting met een of meer buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs kan het instellingsbestuur een student of een aspirant-student verplichten zich gedurende die opleiding of die afstudeerrichting onafgebroken bij de Nederlandse instelling of instellingen voor hoger onderwijs in te schrijven.

Artikel 7.3f. Bijzonder collegegeldregime gezamenlijk onderwijs

  • 1 Het bestuur van de betrokken Nederlandse instelling voor hoger onderwijs is ten aanzien van studenten die zich hebben ingeschreven bij een gezamenlijke opleiding of een gezamenlijke afstudeerrichting met een buitenlandse instelling, bevoegd het collegegeld op nihil te stellen dan wel lager vast te stellen dan het bedrag van het collegegeld bedoeld in artikel 7.45.

Artikel 7.3g. Uitvoeringsvoorschriften gezamenlijk onderwijs

Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden vastgesteld ter uitvoering van de artikelen 7.3c tot en met 7.3f.

Artikel 7.3h. Vrij onderwijsprogramma in het wetenschappelijk onderwijs

Een student die is ingeschreven voor een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs, kan, zelf uit onderwijseenheden die door een instelling worden verzorgd, een programma samenstellen waaraan een examen is verbonden. Indien nodig wijst het instellingsbestuur een examencommissie aan die met de in de eerste volzin bedoelde beslissing is belast.

Artikel 7.4. Studielast en studiepunten

  • 1 De studielast van elke opleiding en elke onderwijseenheid wordt door het instellingsbestuur uitgedrukt in studiepunten. De studielast voor een studiejaar bedraagt zestig studiepunten. Zestig studiepunten is gelijk aan 1680 uren studie.

  • 2 Een opleiding wordt zodanig ingericht dat een student in staat is het aantal studiepunten te behalen waarop de studielast voor een studiejaar gebaseerd is.

  • 3 Het instellingsbestuur bepaalt de jaarlijkse studielast van deeltijdopleidingen.

Artikel 7.4a. Studielast opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs

  • 1 De studielast van een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs bedraagt 180 studiepunten. In afwijking van de eerste volzin kan de studielast van een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs ten hoogste 240 studiepunten bedragen, indien Onze minister voor die opleiding daartoe een besluit heeft genomen dat gebaseerd is op het accreditatierapport van die opleiding. In het besluit, bedoeld in de tweede volzin, wordt de studielast van de opleiding bepaald.

  • 2 Behoudens het bepaalde in het derde tot en met zevende lid bedraagt de studielast van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs 60 studiepunten.

  • 3 De studielast van de masteropleidingen tot leraar voor de periode van voorbereidend hoger onderwijs in vakken van voortgezet onderwijs bedraagt ten minste 60 studiepunten en ten hoogste 120 studiepunten. In afwijking van de eerste volzin bedraagt de studielast van door Onze minister aan te wijzen opleidingen als bedoeld in die volzin ten minste 120 studiepunten en ten hoogste 180 studiepunten. Het instellingsbestuur bepaalt de studielast van de opleiding.

  • 4 De studielast van de masteropleiding voor het beroep van wijsgeer van een bepaald wetenschapsgebied bedraagt 120 studiepunten.

  • 5 De studielast van de door Onze minister aan te wijzen masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs bedraagt 120 studiepunten. Onze minister kan bepalen dat de studielast van de masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs die mede zijn gericht op een levensbeschouwelijk ambt of beroep, 180 studiepunten bedraagt en dat de studielast van de masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs met een buitenlandse instelling als bedoeld in artikel 7.3c 90 studiepunten bedraagt.

  • 6 De studielast van de masteropleidingen voor het beroep van arts, voor het beroep van dierenarts, voor het beroep van apotheker, voor het beroep van tandarts en voor het beroep van klinisch technoloog bedraagt 180 studiepunten.

  • 7 De studielast van de masteropleidingen geneeskunde, klinisch onderzoeker bedraagt 240 studiepunten.

  • 8 Het instellingsbestuur kan bepalen dat een opleiding als bedoeld in het tweede lid een grotere studielast heeft dan 60 studiepunten.

Artikel 7.4b. Studielast opleidingen in het hoger beroepsonderwijs

  • 1 De studielast van een associate degree-opleiding bedraagt 120 studiepunten.

  • 2 De studielast van een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs bedraagt 240 studiepunten.

  • 3 De studielast van een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs bedraagt 60 studiepunten.

  • 4 De studielast van de masteropleidingen op het gebied van de kunst bedraagt ten minste 60 studiepunten en ten hoogste 120 studiepunten. Het instellingsbestuur bepaalt de studielast van de opleiding.

  • 5 De studielast van de masteropleidingen tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in algemene vakken bedraagt 90 studiepunten.

  • 6 De studielast van de masteropleidingen advanced nurse practitioner bedraagt 120 studiepunten.

  • 7 De studielast van de masteropleidingen physician assistant bedraagt 150 studiepunten.

  • 8 De studielast van de masteropleidingen op het gebied van de bouwkunst bedraagt 240 studiepunten.

  • 9 Het instellingsbestuur kan bepalen dat een opleiding als bedoeld in het eerste lid een grotere studielast heeft dan 120 studiepunten en een opleiding als bedoeld in het derde lid een grotere studielast heeft dan 60 studiepunten.

Artikel 7.5. Verzorging van universitaire eerstegraads lerarenopleidingen; bijzondere voorwaarden

[Vervallen per 01-09-2002]

Artikel 7.6. Beroepsvereisten

  • 1 Indien een instelling een opleiding aanbiedt, gericht op een bepaald beroep, en bij of krachtens de wet vereisten zijn gesteld ten aanzien van de kennis, het inzicht en de vaardigheden die betrokkenen zich op grond van de opleiding tot dat beroep moeten hebben verworven, draagt het instellingsbestuur er zorg voor dat degenen die deze opleiding volgen, ten minste in de gelegenheid zijn aan die vereisten te voldoen.