Wet op de accijns

Toekomstige wijziging(en) op 01-01-2025.
Wijziging(en) op nader te bepalen datum(s); laatste bekendgemaakt in 2022.
Zie het overzicht van wijzigingen.
Geraadpleegd op 19-07-2024.
Geldend van 01-04-2024 t/m heden

Wet van 31 oktober 1991, houdende vereenvoudiging en uniformering van de accijnswetgeving

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de accijnswetgeving te moderniseren, te vereenvoudigen en op een aantal punten technisch te herzien en dat het voorts wenselijk is de heffing van de accijnzen onder te brengen in één heffingswet en het stelsel zodanig te uniformeren dat een einde wordt gemaakt aan de grote verscheidenheid in regelgeving welke kenmerkend is voor de huidige accijnswetgeving;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen

Afdeling 1. Belastbaar feit

Artikel 1

  • 1 Onder de naam accijns wordt een belasting geheven van:

    • a. bier;

    • b. wijn;

    • c. tussenproducten;

    • d. overige alcoholhoudende producten;

    • e. minerale oliën; en

    • f. tabaksproducten.

  • 2 De accijns wordt verschuldigd ter zake van de uitslag tot verbruik van de in het eerste lid bedoelde goederen.

Artikel 1a

  • 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • accijnsgoed: een goed als bedoeld in artikel 1;

    • accijnsgoederenplaats: iedere plaats in Nederland waar op grond van de bepalingen van deze wet accijnsgoederen onder schorsing van accijns mogen worden geproduceerd, mogen worden verwerkt, voorhanden mogen zijn, mogen worden opgeslagen, mogen worden ontvangen of mogen worden verzonden;

    • accijnsschorsingsregeling: belastingregeling die geldt voor het produceren, verwerken, voorhanden hebben, opslaan en overbrengen van accijnsgoederen waarbij de accijns is geschorst;

    • belastingentrepot: iedere plaats op het grondgebied van de Unie buiten Nederland waar op grond van de wettelijke bepalingen van de lidstaat waar de plaats zich bevindt, accijnsgoederen onder schorsing van accijns mogen worden geproduceerd, mogen worden verwerkt, voorhanden mogen zijn, mogen worden opgeslagen, mogen worden ontvangen of mogen worden verzonden;

    • derdeland: elke staat of elk grondgebied waarop het Verdragen betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie niet van toepassing zijn;

    • derdelandsgebieden: de gebieden, genoemd in artikel 4, tweede en derde lid, van Richtlijn 2020/262 van de Raad van 19 december 2020 houdende een algemene regeling inzake accijns (PbEU 2020, L 58);

    • gecertificeerde afzender: een natuurlijke- of rechtspersoon, die op grond van een ingevolge deze wet afgegeven vergunning dan wel ingevolge de wettelijke bepalingen van de lidstaat van verzending staat geregistreerd om bij de bedrijfsuitoefening van die persoon accijnsgoederen te verzenden die op het grondgebied van de ene lidstaat tot verbruik zijn uitgeslagen en vervolgens naar het grondgebied van een andere lidstaat zijn overgebracht;

    • gecertificeerde geadresseerde: een natuurlijk of rechtspersoon, die op grond van een ingevolge deze wet afgegeven vergunning dan wel ingevolge de wettelijke bepalingen van de lidstaat van bestemming staat geregistreerd om bij de bedrijfsuitoefening van die persoon accijnsgoederen te ontvangen die op het grondgebied van de ene lidstaat tot verbruik zijn uitgeslagen en vervolgens naar het grondgebied van een andere lidstaat zijn overgebracht;

    • geregistreerde afzender: een natuurlijke - of rechtspersoon, die op grond van een ingevolge deze wet afgegeven vergunning dan wel ingevolge de wettelijke bepalingen van een andere lidstaat van invoer gemachtigd is om bij de bedrijfsuitoefening van die persoon en onder de door de inspecteur onderscheidenlijk de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat vastgestelde voorwaarden, accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling te verzenden wanneer zij overeenkomstig artikel 201 van het Douanewetboek van de Unie in het vrije verkeer worden gebracht;

    • geregistreerde geadresseerde: een natuurlijke - of rechtspersoon, die op grond van een ingevolge deze wet afgegeven vergunning dan wel ingevolge de wettelijke bepalingen van een andere lidstaat gemachtigd is om bij de bedrijfsuitoefening van die persoon accijnsgoederen in ontvangst te nemen die vanuit het grondgebied van een andere lidstaat onder een accijnsschorsingsregeling worden overgebracht;

    • GN-code: de code, bedoeld in Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PbEG 1987, L 256), zoals deze luidt op 1 januari 2018 indien het minerale oliën betreft, en zoals deze luidt op 1 januari 2019 indien het alcohol en alcoholhoudende dranken betreft;

    • grondgebied van de Unie: het geheel van de grondgebieden van de lidstaten;

    • grondgebied van een lidstaat: het grondgebied van een lidstaat waarop de Verdragen overeenkomstig de artikelen 349 en 355 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn, met uitzondering van derdelandsgebieden;

    • invoer: het in het vrije verkeer brengen van goederen, bedoeld in artikel 201 van het Douanewetboek van de Unie;

    • kwijtschelding: ontheffing van de verplichting tot betaling van een niet voldane accijns;

    • lidstaat van bestemming: de lidstaat waar de accijnsgoederen moeten worden geleverd of gebruikt overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 2020/262 van de Raad van 19 december 2019 houdende een algemene regeling inzake accijns (PbEU 2020, L 58);

    • motorrijtuig: een voertuig dat is bestemd om anders dan langs spoorstaven te worden voortbewogen uitsluitend of mede door een mechanische kracht, op of aan het voertuig aanwezig;

    • ondernemer: een ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968;

    • onregelmatige binnenkomst: een binnenkomst van goederen op het grondgebied van de Unie die niet overeenkomstig artikel 201 van het Douanewetboek van de Unie onder de regeling «in het vrije verkeer brengen» zijn geplaatst en waarvoor een douaneschuld is ontstaan als bedoeld in artikel 79, eerste lid, van dat wetboek, of zou zijn ontstaan als die goederen onderworpen waren aan douanerechten;

    • plaats van invoer: de plaats waar de goederen zich bevinden wanneer zij overeenkomstig artikel 201 van het Douanewetboek van de Unie in het vrije verkeer worden gebracht;

    • plaats van rechtstreekse aflevering: een plaats die op grond van een ingevolge deze wet afgegeven vergunning door de vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats of door de geregistreerde geadresseerde is aangewezen als plaats waarnaar accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling mogen worden overgebracht;

    • plaats waar de accijnsgoederen het grondgebied van de Unie verlaten: het douanekantoor van uitgang, bedoeld in artikel 329 van de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie of het kantoor waar de douaneformaliteiten worden vervuld die van toepassing zijn op de uitgang van accijnsgoederen uit de Unie naar een gebied, genoemd in artikel 4, tweede lid, van Richtlijn 2020/262 van de Raad van 19 december 2019 houdende een algemene regeling inzake accijns (PbEU 2020, L 58);

    • produceren: elk handelen waarbij of waardoor een accijnsgoed ontstaat;

    • reiziger die zich naar een derdelandsgebied of derde land begeeft: iedere passagier die in het bezit is van een bewijs van vervoer door de lucht of over zee, waarop als definitieve bestemming een in een derdelandsgebied of derde land gelegen luchthaven of haven is vermeld.

    • Richtlijn hernieuwbare energie: Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PbEU 2009, L 140);

    • teruggaaf: teruggave van een accijns die is betaald;

    • verwerken: elk handelen waarbij de samenstelling van een accijnsgoed wordt gewijzigd.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen de data, genoemd in het eerste lid, bij de GN-code, worden vervangen door de datum van de versie van de in dat onderdeel bedoelde verordening die aan de wijziging van de GN-codes ten grondslag heeft gelegen, alsmede de GN-codes, genoemd in deze wet en de daarop berustende bepalingen.

  • 3 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat aan minerale oliën bij ministeriële regeling, onder daarbij te stellen voorwaarden, voorgeschreven herkenningsmiddelen worden toegevoegd.

  • 4 Als verwerken van een accijnsgoed wordt mede aangemerkt:

    • a. het toevoegen van herkenningsmiddelen als bedoeld in het derde lid aan minerale oliën;

    • b. het afscheiden van herkenningsmiddelen als bedoeld in het derde lid, of van bestanddelen van die herkenningsmiddelen, van minerale oliën waaraan deze herkenningsmiddelen zijn toegevoegd, waaronder begrepen het opheffen of veranderen van de werking van deze herkenningsmiddelen.

Artikel 2

  • 1 In deze wet en in de daarop gebaseerde regelingen wordt verstaan onder uitslag tot verbruik:

    • a. het aan een accijnsschorsingsregeling onttrekken, daaronder begrepen het onregelmatig onttrekken, van accijnsgoederen;

    • b. het voorhanden hebben of opslaan van een accijnsgoed, ook in gevallen van onregelmatigheid, buiten een accijnsschorsingsregeling wanneer over dat goed geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving;

    • c. de productie, met inbegrip van de verwerking, van accijnsgoederen en de onregelmatige productie of verwerking daarvan, buiten een accijnsschorsingsregeling;

    • d. de invoer, met inbegrip van onregelmatige invoer, van accijnsgoederen die niet onmiddellijk bij invoer onder een accijnsschorsingsregeling worden geplaatst, behalve wanneer de douaneschuld teniet is gegaan overeenkomstig artikel 124, eerste lid, onderdelen e, f, g of k, van het Douanewetboek van de Unie.

  • 2 Als uitslag tot verbruik wordt mede aangemerkt het verbruik, anders dan als grondstof, van een accijnsgoed binnen een plaats die voor dat soort accijnsgoed als accijnsgoederenplaats is aangewezen.

  • 3 Als uitslag tot verbruik wordt mede aangemerkt het verbruik, anders dan als grondstof, in Nederland van een accijnsgoed dat het douanegebied van de Unie binnenkomt, zich in tijdelijke opslag bevindt, als bedoeld in artikel 5, zeventiende lid, van het Douanewetboek van de Unie, of onder een douaneregeling extern douanevervoer, douane-entrepot, actieve veredeling, of tijdelijke invoer, als bedoeld in artikel 210 van het Douanewetboek van de Unie is geplaatst.

  • 4 Als uitslag tot verbruik wordt mede aangemerkt het in strijd met wettelijke bepalingen voorhanden hebben, opslaan of gebruiken van minerale oliën waaraan herkenningsmiddelen als bedoeld in artikel 1a, derde lid, zijn toegevoegd.

  • 5 De algehele vernietiging of het onherstelbare algehele of gedeeltelijke verlies van onder een accijnsschorsingsregeling geplaatste accijnsgoederen door niet te voorziene omstandigheden of overmacht, of ingevolge instructies van de inspecteur dan wel van de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat om de goederen te vernietigen, wordt niet aangemerkt als uitslag tot verbruik. Voor de toepassing van deze bepaling worden goederen geacht totaal vernietigd of onherstelbaar verloren te zijn wanneer zij als accijnsgoed onbruikbaar zijn geworden.

  • 6 De algehele vernietiging of het onherstelbare algehele of gedeeltelijke verlies van de accijnsgoederen in kwestie wordt aangetoond ten genoegen van de inspecteur dan wel, indien van toepassing, de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de algehele vernietiging of het onherstelbare algehele of gedeeltelijke verlies zich heeft voorgedaan of, indien niet is vast te stellen waar het verlies zich heeft voorgedaan, van de lidstaat waar het verlies is geconstateerd.

  • 7 Het vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot accijnsgoederen die nog niet zijn ingevoerd.

  • 8 Een gedeeltelijk verlies als gevolg van de aard van de goederen, dat zich voordoet wanneer de goederen onder een accijnsschorsingsregeling worden overgebracht tussen de lidstaten, wordt niet aangemerkt als uitslag tot verbruik voor zover het verlies onder de vastgestelde drempel voor gedeeltelijk verlies voor die accijnsgoederen valt, tenzij er een gegronde reden is om te vermoeden dat er sprake is van fraude of een onregelmatigheid. Dat deel van een gedeeltelijk verlies dat boven de vastgestelde drempel voor gedeeltelijk verlies voor die accijnsgoederen uitkomt, wordt behandeld als uitslag tot verbruik.

  • 9 Als uitslag tot verbruik wordt niet aangemerkt het, met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, verbruik van minerale oliën als brandstof voor het produceren of verwerken van minerale oliën in een accijnsgoederenplaats.

  • 10 Als uitslag tot verbruik wordt niet aangemerkt het produceren, verwerken en het voorhanden hebben van een accijnsgoed, bedoeld in artikel 5, tweede en derde lid.

  • 11 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 2a

  • 1 Als uitslag tot verbruik wordt niet aangemerkt het, met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, brengen van een accijnsgoed vanuit een accijnsgoederenplaats naar:

    • a. een andere accijnsgoederenplaats die voor dat soort accijnsgoed als zodanig is aangewezen;

    • b. een belastingentrepot;

    • c. een in een andere lidstaat gevestigde geregistreerde geadresseerde;

    • d. een plaats waar de accijnsgoederen het grondgebied van de Unie verlaten;

    • e. een in een andere lidstaat gevestigde geadresseerde als bedoeld in artikel 69;

    • f. het douanekantoor van uitgang dat tevens het douanekantoor van vertrek is voor de regeling extern douanevervoer, wanneer dat accijnsgoed na vrijgave voor uitvoer onder de regeling extern douanevervoer wordt geplaatst met toepassing van artikel 329, vijfde lid, van de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie en artikel 189, vierde lid, van de Gedelegeerde verordening Douanewetboek van de Unie.

  • 2 Als uitslag tot verbruik wordt niet aangemerkt het, met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, brengen van een accijnsgoed vanuit een belastingentrepot of door een in een andere lidstaat gevestigde geregistreerde afzender naar:

    • a. een accijnsgoederenplaats die voor dat soort accijnsgoed als zodanig is aangewezen;

    • b. een in Nederland gevestigde geregistreerde geadresseerde;

    • c. een in Nederland gevestigde geadresseerde als bedoeld in artikel 69;

    • d. een plaats waar de accijnsgoederen het grondgebied van de Unie verlaten;

    • e. het douanekantoor van uitgang dat tevens het douanekantoor van vertrek is voor de regeling extern douanevervoer, wanneer dat accijnsgoed na vrijgave voor uitvoer onder de regeling extern douanevervoer wordt geplaatst met toepassing van artikel 329, vijfde lid, van de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie en artikel 189, vierde lid, van de Gedelegeerde verordening Douanewetboek van de Unie.

  • 3 Als uitslag tot verbruik wordt niet aangemerkt het, met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, door een in Nederland gevestigde geregistreerde afzender brengen van een accijnsgoed van de plaats van invoer naar:

    • a. een accijnsgoederenplaats die voor dat soort accijnsgoed als zodanig is aangewezen;

    • b. een belastingentrepot;

    • c. een in een andere lidstaat gevestigde geregistreerde geadresseerde;

    • d. een plaats waar de accijnsgoederen het grondgebied van de Unie verlaten;

    • e. een in een andere lidstaat gevestigde geadresseerde als bedoeld in artikel 69;

    • f. het douanekantoor van uitgang dat tevens het douanekantoor van vertrek is voor de regeling extern douanevervoer, wanneer dat accijnsgoed na vrijgave voor uitvoer onder de regeling extern douanevervoer wordt geplaatst met toepassing van artikel 329, vijfde lid, van de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie en artikel 189, vierde lid, van de Gedelegeerde verordening Douanewetboek van de Unie.

  • 4 De voorwaarden, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, hebben betrekking op formaliteiten waaraan bij de overbrenging van accijnsgoederen moet worden voldaan.

  • 5 In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, tweede lid, onderdelen a en b, en derde lid, onderdeel a, kan, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, worden toegestaan dat de accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling worden overgebracht naar een plaats van rechtstreekse aflevering in Nederland.

  • 6 Bij ministeriële regeling kan, onder daarbij te stellen voorwaarden, voor minerale oliën waarvoor in artikel 27 geen tarief is vermeld, ontheffing worden verleend van de formaliteiten, bedoeld in het vierde lid.

  • 7 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 2b

  • 1 De overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling vangt aan, in de in artikel 2a, eerste en tweede lid, bedoelde gevallen, wanneer de accijnsgoederen de accijnsgoederenplaats onderscheidenlijk het belastingentrepot van verzending verlaten en, in de in artikel 2a, derde lid, bedoelde gevallen, wanneer zij overeenkomstig artikel 201 van het Douanewetboek van de Unie in het vrije verkeer worden gebracht.

Artikel 2c

  • 1 Indien tijdens een overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling in Nederland een onregelmatigheid heeft plaatsgevonden die resulteerde in uitslag tot verbruik van deze goederen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, vindt de uitslag tot verbruik plaats in Nederland.

  • 2 Indien in Nederland wordt geconstateerd dat zich tijdens een overbrenging van accijnsgoederen als bedoeld in het eerste lid een onregelmatigheid heeft voorgedaan die resulteerde in uitslag tot verbruik van deze goederen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, en er niet kan worden vastgesteld waar de onregelmatigheid plaatsvond, wordt deze geacht te hebben plaatsgevonden in Nederland op het tijdstip waarop de onregelmatigheid werd geconstateerd.

  • 3 Indien vanuit Nederland onder een accijnsschorsingsregeling overgebrachte accijnsgoederen niet op de plaats van bestemming zijn aangekomen en er tijdens de overbrenging geen onregelmatigheid is geconstateerd die resulteerde in uitslag tot verbruik van de accijnsgoederen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, wordt de onregelmatigheid geacht te hebben plaatsgevonden in Nederland op het tijdstip van aanvang van de overbrenging, tenzij binnen een termijn van vier maanden na de aanvang van de overbrenging als bedoeld in artikel 2b, eerste lid, ten genoegen van de inspecteur wordt aangetoond dat de overbrenging is geëindigd overeenkomstig artikel 2b, tweede lid, of dat is vastgesteld waar de onregelmatigheid plaatsvond.

  • 4 Indien de persoon die de in artikel 56 bedoelde zekerheid heeft gesteld, niet op de hoogte was of mogelijk niet op de hoogte was van het feit dat de goederen niet ter bestemming zijn aangekomen, wordt hem een termijn van een maand, te rekenen vanaf het tijdstip van de verstrekking van die informatie door de inspecteur, gegund om het eindigen van de overbrenging overeenkomstig artikel 2b, tweede lid, of de plaats waar de onregelmatigheid heeft plaatsgevonden, aan te tonen.

  • 5 Indien in de in het tweede en derde lid bedoelde situaties binnen een termijn van drie jaar vanaf de datum waarop de overbrenging overeenkomstig artikel 2b, eerste lid, is aangevangen, wordt vastgesteld dat de onregelmatigheid daadwerkelijk heeft plaatsgevonden in een andere lidstaat, is de accijns in die lidstaat verschuldigd.

  • 6 Indien de accijns in een andere lidstaat verschuldigd is geworden op grond van het feit dat de onregelmatigheid werd geacht te hebben plaatsgevonden in die lidstaat en binnen een termijn van drie jaar vanaf de datum waarop de overbrenging overeenkomstig artikel 2b, eerste lid, is aangevangen, wordt vastgesteld dat de onregelmatigheid daadwerkelijk heeft plaatsgevonden in Nederland, is het eerste lid van toepassing.

  • 7 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder onregelmatigheid verstaan, een andere dan de in artikel 2, vijfde lid, bedoelde situatie die zich tijdens een overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling voordoet en als gevolg waarvan een overbrenging of een onderdeel van een overbrenging van accijnsgoederen niet overeenkomstig artikel 2b, tweede lid, is geëindigd.

  • 8 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 2d

  • 1 Ter zake van door particulieren voor eigen behoeften verkregen en door henzelf vanuit een andere lidstaat naar Nederland vervoerde accijnsgoederen wordt geen accijns verschuldigd.

  • 2 Indien de hoeveelheid accijnsgoederen een bij ministeriële regeling vastgestelde hoeveelheid overschrijdt, worden de goederen geacht anders dan voor eigen behoeften voorhanden te worden gehouden, tenzij het tegendeel wordt aangetoond.

  • 3 Als uitslag tot verbruik wordt mede aangemerkt het door de particulier, bedoeld in het eerste lid, voorhanden hebben van voor eigen behoeften verkregen accijnsgoederen, die hij heeft laten vervoeren vanuit een andere lidstaat naar Nederland.

  • 4 Als uitslag tot verbruik wordt mede aangemerkt de verkrijging door particulieren van minerale oliën die in een andere lidstaat reeds tot verbruik zijn uitgeslagen, indien deze producten op een atypische wijze worden vervoerd door particulieren of voor hun rekening.

  • 5 Voor de toepassing van het vierde lid wordt onder atypisch vervoer verstaan het vervoer van brandstof anders dan in de tank van voertuigen of in een passend reserveblik, alsmede het vervoer van vloeibare verwarmingsproducten anders dan in tankwagens die voor rekening van bedrijven worden gebruikt.

Artikel 2e

  • 1 Als uitslag tot verbruik wordt mede aangemerkt het overbrengen van accijnsgoederen die in een andere lidstaat reeds tot verbruik zijn uitgeslagen, naar Nederland om in Nederland voor commerciële doeleinden te worden geleverd of gebruikt. Deze accijnsgoederen worden uitsluitend overgebracht van een gecertificeerde afzender naar een gecertificeerde geadresseerde.

  • 2 Voor de toepassing van dit artikel worden accijnsgoederen als «geleverd voor commerciële doeleinden» beschouwd wanneer zij op het grondgebied van een andere lidstaat tot verbruik zijn uitgeslagen en vanuit die lidstaat zijn overgebracht naar Nederland en hetzij geleverd zijn aan anderen dan particulieren, hetzij aan particulieren in het geval het geen overbrenging als bedoeld in artikel 2d of artikel 2f betreft.

  • 3 Bij algemene maatregel van bestuur worden, ter verzekering van de heffing, regels gesteld met betrekking tot de verplichtingen waaraan moet worden voldaan met betrekking tot accijnsgoederen die voor commerciële doeleinden worden geleverd of gebruikt.

  • 4 Accijnsgoederen die aan boord van een schip of een vliegtuig dat een verbinding tussen een andere lidstaat en Nederland verzorgt, voorhanden worden gehouden maar die niet beschikbaar zijn voor de verkoop wanneer dit schip of vliegtuig zich op het grondgebied van Nederland bevindt, worden niet in Nederland aan accijns onderworpen.

  • 5 In afwijking van het eerste lid wordt niet als uitslag tot verbruik aangemerkt het overbrengen van minerale oliën die in een andere lidstaat zijn uitgeslagen tot verbruik, en zich bevinden in de normale reservoirs van bedrijfsmotorrijtuigen en die bestemd zijn als brandstof voor deze motorrijtuigen of zich bevinden in de normale reservoirs van containers voor speciale doeleinden en die bestemd zijn voor de werking tijdens het vervoer van specifieke systemen die tot de uitrusting van deze containers behoren.

  • 6 De overbrenging van accijnsgoederen, bedoeld in het eerste lid, vangt aan op het tijdstip waarop de accijnsgoederen hetzij de bedrijfsruimten van de gecertificeerde afzender verlaten, hetzij een locatie in de lidstaat van verzending waarvan aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending kennis wordt gegeven voor aanvang van de overbrenging.

  • 7 De overbrenging van accijnsgoederen, bedoeld in het eerste lid, eindigt op het tijdstip waarop de gecertificeerde geadresseerde de accijnsgoederen in ontvangst heeft genomen, hetzij in zijn bedrijfsruimten hetzij op een locatie in de lidstaat van bestemming waarvan aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van bestemming kennis wordt gegeven voor aanvang van de overbrenging.

  • 8 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 2f

  • 1 Als uitslag tot verbruik wordt mede aangemerkt het kopen van op het grondgebied van een andere lidstaat reeds tot verbruik uitgeslagen accijnsgoederen:

    • door een in Nederland gevestigde persoon, niet zijnde een vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats, een geregistreerde geadresseerde, een gecertificeerde geadresseerde of een zelfstandig bedrijf, en

    • die door een afzender in een andere lidstaat die een zelfstandige economische activiteit verricht of voor diens rekening direct of indirect naar Nederland worden verzonden of vervoerd.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 3

  • 1 Indien in de situaties als bedoeld in de artikelen 2e en 2f, de accijnsgoederen tijdens het vervoer in Nederland of in een andere lidstaat dan de lidstaat waar de accijnsgoederen tot verbruik zijn uitgeslagen, algeheel vernietigd of algeheel of gedeeltelijk onherstelbaar verloren gegaan zijn door niet te voorziene omstandigheden of overmacht, of ingevolge instructies van de inspecteur dan wel, indien van toepassing, de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaat, is voor dat deel dat vernietigd of verloren is gegaan geen sprake van uitslag tot verbruik als bedoeld in de artikelen 2e en 2f.

  • 2 Voor de toepassing van dit artikel worden goederen geacht totaal vernietigd of algeheel of gedeeltelijk onherstelbaar verloren te zijn wanneer zij als accijnsgoed onbruikbaar zijn geworden.

  • 3 De algehele vernietiging of het onherstelbare algehele of gedeeltelijke verlies van de accijnsgoederen, bedoeld in het eerste lid, wordt aangetoond ten genoegen van de inspecteur dan wel, indien van toepassing, de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de algehele vernietiging of het onherstelbare algehele of gedeeltelijke verlies zich heeft voorgedaan of, indien niet is vast te stellen waar het verlies zich heeft voorgedaan, van de lidstaat waar het verlies is geconstateerd.

  • 4 In de situaties, bedoeld in de artikelen 2e en 2f, wordt een gedeeltelijk verlies als gevolg van de aard van de goederen, dat zich voordoet tijdens het vervoer van de goederen op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de goederen tot verbruik zijn uitgeslagen, niet aangemerkt als uitslag tot verbruik wanneer het verlies onder de vastgestelde drempel voor gedeeltelijk verlies van die accijnsgoederen valt, bedoeld in artikel 2, achtste lid, tenzij er een gegronde reden is om te vermoeden dat er sprake is van fraude of een onregelmatigheid.

  • 5 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 4

  • 1 Indien tijdens de overbrenging van in een andere lidstaat reeds tot verbruik uitgeslagen accijnsgoederen die worden verzonden of vervoerd

    • a. door een gecertificeerde afzender naar een gecertificeerde geadresseerde; of

    • b. door een afzender in een andere lidstaat die een zelfstandige economische activiteit verricht of de overbrenging geschiedt voor diens rekening;

    in Nederland een onregelmatigheid heeft plaatsgevonden, is artikel 2e, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 2f, eerste lid, van toepassing.

  • 2 Indien tijdens een overbrenging van accijnsgoederen overeenkomstig artikel 2e of 2f, in Nederland een onregelmatigheid is geconstateerd, en er niet kan worden vastgesteld waar de onregelmatigheid plaatsvond, wordt deze geacht te hebben plaatsgevonden in Nederland.

  • 3 Indien in de in het tweede lid bedoelde situatie binnen een termijn van drie jaar vanaf de datum waarop de accijnsgoederen zijn verkregen, wordt vastgesteld dat de onregelmatigheid daadwerkelijk heeft plaatsgevonden in een andere lidstaat, is de accijns in die lidstaat verschuldigd.

  • 4 Indien de accijns in een andere lidstaat verschuldigd is geworden op grond van het feit dat de onregelmatigheid werd geacht te hebben plaatsgevonden in die lidstaat en binnen een termijn van drie jaar vanaf de datum waarop de accijnsgoederen zijn verkregen, wordt vastgesteld dat de onregelmatigheid daadwerkelijk heeft plaatsgevonden in Nederland, is het eerste lid van toepassing.

  • 5 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder onregelmatigheid verstaan een niet onder artikel 3 vallende situatie die zich tijdens een overbrenging van accijnsgoederen als bedoeld in het eerste lid voordoet en als gevolg waarvan een overbrenging of een onderdeel van een overbrenging van accijnsgoederen niet op regelmatige wijze is geëindigd.

  • 6 Het niet voldoen aan de voorschriften van een of alle bij de overbrenging betrokken personen in strijd met artikel 2e, eerste lid, of artikel 50f, eerste lid, of de gebrekkige naleving van de voorschriften vastgesteld krachtens artikel 2e, derde lid, of artikel 2f, tweede lid, wordt aangemerkt als onregelmatigheid. Deze onregelmatigheid wordt geacht in Nederland te hebben plaatsgevonden. Het eerste en vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 7 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Afdeling 2. Algemene verbodsbepalingen

Artikel 5

  • 1 Het is niet toegestaan:

    • a. een accijnsgoed te produceren of verwerken buiten een accijnsgoederenplaats die voor dat soort accijnsgoed als zodanig is aangewezen;

    • b. een accijnsgoed voorhanden of in opslag te hebben dat niet overeenkomstig de bepalingen van deze wet in de heffing is betrokken.

  • 3 Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen wordt ontheffing verleend van de in het eerste lid bedoelde verboden voor:

    • a. het produceren of verwerken van accijnsgoederen uit andere accijnsgoederen, waarbij het accijnsbedrag dat de eerstbedoelde accijnsgoederen vertegenwoordigen niet hoger is dan het accijnsbedrag dat de accijnsgoederen vertegenwoordigen waaruit zij zijn geproduceerd of verwerkt;

    • b. het produceren of verwerken van accijnsgoederen waarvoor een vrijstelling van accijns geldt op de voet van artikel 65;

    • c. het thuis produceren van bier en wijn door particulieren, voor zover die goederen worden aangewend voor eigen gebruik;

    • d. het produceren of verwerken en het voorhanden of in opslag hebben van andere minerale oliën dan bedoeld in het vierde lid, mits deze minerale oliën niet op grond van artikel 28 worden gelijkgesteld met minerale oliën waarvoor in artikel 27 een tarief is vastgesteld;

    • e. het handmatig produceren van een sigaret in de persoonlijke sfeer, voor zover die sigaret wordt aangewend voor eigen gebruik, daaronder begrepen het door middel van een eenvoudige, niet-industriële handeling in een huls van sigarettenpapier schuiven of met sigarettenpapier omhullen van rooktabak.

  • 4 De in het derde lid, onderdeel d, bedoelde minerale oliën zijn de producten van de GN-codes:

    • a. 1507 tot en met 1518, indien deze zijn bestemd om te worden gebruikt als motorbrandstof of als brandstof voor verwarming;

    • b. 2707 10, 2707 20, 2707 30 en 2707 50;

    • c. 2710 12 tot en met 2710 19 68 en 2710 20 tot en met 2710 20 39 en 2710 20 90 – alleen voor producten waarvan minder dan 90% van het volume (distillatieverliezen inbegrepen) overdistilleert bij 210°C en 65% of meer van het volume (distillatieverliezen inbegrepen) overdistilleert bij 250°C (methode EN ISO 3405 of methode ASTM D86) –; GN-codes 2710 12 21, 2710 12 25, 2710 19 29 en 2710 20 90 – alleen voor producten waarvan minder dan 90% van het volume (distillatieverliezen inbegrepen) overdistilleert bij 210°C en 65% of meer van het volume (distillatieverliezen inbegrepen) overdistilleert bij 250°C (methode EN ISO 3405 of methode ASTM D86) – alleen indien deze in bulk worden vervoerd;

    • d. 2711, met uitzondering van de producten van de GN-codes 2711 11, 2711 21 en 2711 29;

    • e. 2901 10;

    • f. 2902 20, 2902 30, 2902 41, 2902 42, 2902 43 en 2902 44;

    • g. 2905 11 00, die niet langs synthetische weg zijn verkregen en die zijn bestemd om te worden gebruikt als motorbrandstof of als brandstof voor verwarming;

    • h. 3811 11 10, 3811 11 90, 3811 19 00 en 3811 90 00;

    • i. 3824 99 86, 3824 99 92 – met uitzondering van roestwerende preparaten die aminen als werkzame bestanddelen bevatten en anorganische preparaten voor het oplossen of voor het verdunnen van vernissen of van dergelijke producten –, 3824 99 93, 3824 99 96 – met uitzondering van roestwerende preparaten die aminen als werkzame bestanddelen bevatten en anorganische preparaten voor het oplossen of voor het verdunnen van vernissen of van dergelijke producten –, 3826 00 10 en 3826 00 90, indien deze zijn bestemd om te worden gebruikt als motorbrandstof of als brandstof voor verwarming.

Hoofdstuk II. Definities van de accijnsgoederen en tarieven

Afdeling 1. Bier

Artikel 6

Onder bier wordt verstaan:

  • a. elk product van GN-code 2203; en

  • b. elk product van GN-code 2206 dat een mengsel van bier als bedoeld in onderdeel a en niet-alcoholhoudende dranken bevat;

voor zover deze producten een alcoholgehalte hebben van meer dan 0,5%vol.

Artikel 7

  • 1 De accijns bedraagt voor bier per hectoliter bij een temperatuur van 20°C per volumeprocent alcohol € 8,12, met dien verstande dat het minimumbedrag aan accijns in totaal ten minste € 26,13 bedraagt, waarbij een gedeelte van een hectoliter rekenkundig wordt afgerond op twee decimalen en van een volumeprocent alcohol naar beneden wordt afgerond op één decimaal.

  • 2 In afwijking van het eerste lid bedraagt de accijns voor bier dat is geproduceerd in een accijnsgoederenplaats waar in het voorafgaande kalenderjaar niet meer dan 200.000 hectoliter bier is geproduceerd, per hectoliter bij een temperatuur van 20°C per volumeprocent alcohol € 7,51, met dien verstande dat het minimumbedrag aan accijns in totaal ten minste € 26,13 per hectoliter bedraagt.

  • 3 Het tweede lid vindt slechts toepassing met betrekking tot een accijnsgoederenplaats die:

    • a. juridisch en economisch onafhankelijk is van een andere accijnsgoederenplaats waar bier wordt geproduceerd;

    • b. gebruik maakt van installaties die in fysiek opzicht losstaan van die van een andere accijnsgoederenplaats waar bier wordt geproduceerd; en

    • c. geen bier produceert onder licentie, tenzij het onder licentie geproduceerde bier slechts een klein gedeelte van de totale productie betreft, met dien verstande dat het tweede lid geen toepassing vindt met betrekking tot het onder licentie geproduceerde bier.

  • 4 Voor de toepassing van het tweede en derde lid wordt een samenwerkingsverband van twee of meer accijnsgoederenplaatsen waar gezamenlijk in het voorafgaande kalenderjaar niet meer dan 200.000 hectoliter bier is geproduceerd, aangemerkt als één accijnsgoederenplaats.

  • 5 Het tweede, derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op bier geproduceerd in een belastingentrepot.

  • 6 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het bepalen van het alcoholgehalte en de toepassing van het tweede en derde lid.

Afdeling 2. Wijn

Artikel 8a

  • 1 Onder niet-mousserende wijn worden verstaan alle producten van GN-codes 2204 en 2205, met uitzondering van mousserende wijn als bedoeld in artikel 9, eerste lid, met:

    • a. een alcoholgehalte van meer dan 1,2%vol maar niet meer dan 15%vol, voor zover de alcohol in het eindproduct volledig door gisting is verkregen; of

    • b. een alcoholgehalte van meer dan 15%vol maar niet meer dan 18%vol, voor zover zij zonder enige verrijking zijn geproduceerd en de alcohol in het eindproduct volledig door gisting is verkregen.

  • 2 Onder niet-mousserende wijn worden mede verstaan alle niet in het eerste lid bedoelde producten van GN-codes 2204 en 2205, alsmede producten van GN-code 2206, die ingevolge artikel 6 niet als bier en ingevolge artikel 9, tweede lid, niet als mousserende wijn worden aangemerkt, met:

    • a. een alcoholgehalte van meer dan 1,2%vol maar niet meer dan 10%vol; of

    • b. een alcoholgehalte van meer dan 10%vol maar niet meer dan 15%vol, voor zover de alcohol in het product volledig door gisting is verkregen.

Artikel 9

  • 1 Onder mousserende wijn worden verstaan alle producten van GN-codes 2204 10, 2204 21 06, 2204 21 07, 2204 21 08, 2204 21 09, 2204 29 10 en 2205, die:

    • a. zijn verpakt in flessen met een champignonvormige stop die door draden of banden of anderszins is geborgd, ofwel een overdruk van 3 bar of meer hebben die is teweeggebracht door koolzuurgas in oplossing; en

    • b. een alcoholgehalte hebben van meer dan 1,2%vol maar niet meer dan 15%vol voor zover de alcohol in het eindproduct volledig door gisting is verkregen.

  • 2 Onder mousserende wijn worden mede verstaan alle producten van GN-code 2206 00 31 en 2206 00 39, alsmede de niet in het eerste lid genoemde producten van GN-codes 2204 10, 2204 21 06, 2204 21 07, 2204 21 08, 2204 21 09, 2204 29 10 en 2205, die:

    • a. zijn verpakt in flessen met een champignonvormige stop die door draden of banden of anderszins is geborgd, ofwel een overdruk van 3 bar of meer hebben die is teweeggebracht door koolzuurgas in oplossing; en

    • b. een alcoholgehalte hebben van meer dan 1,2%vol maar niet meer dan 13%vol, dan wel een alcoholgehalte hebben van meer dan 13%vol maar niet meer dan 15%vol voor zover de alcohol in het eindproduct volledig door gisting is verkregen.

Artikel 10

De accijns bedraagt per hectoliter, waarbij een gedeelte van een hectoliter rekenkundig wordt afgerond op twee decimalen, voor zowel niet-mousserende wijn als mousserende wijn met een alcoholgehalte van:

  • a. niet meer dan 8,5% vol € 47,95;

  • b. meer dan 8,5% vol € 95,69.

Afdeling 2a. Tussenproducten

Artikel 11a

Tussenproducten worden onderscheiden in niet-mousserende tussenproducten en mousserende tussenproducten.

Artikel 11b

Onder niet-mousserende tussenproducten worden verstaan alle niet als bier of wijn aan te merken producten van GN-codes 2204, 2205 en 2206 met een alcoholgehalte van meer dan 1,2%vol maar niet meer dan 22%vol, die ingevolge artikel 11c niet als mousserende tussenproducten worden aangemerkt.

Artikel 11c

Onder mousserende tussenproducten worden verstaan alle niet als bier of wijn aan te merken producten van GN-codes 2204, 2205 en 2206 met een alcoholgehalte van meer dan 1,2%vol maar niet meer dan 22%vol, die zijn verpakt in flessen met een champignonvormige stop die door draden of banden of anderszins is geborgd, ofwel een overdruk van 3 bar of meer hebben die is teweeggebracht door koolzuurgas in oplossing.

Artikel 11d

De accijns bedraagt per hectoliter, waarbij een gedeelte van een hectoliter rekenkundig wordt afgerond op twee decimalen, voor zowel niet-mousserende tussenproducten als mousserende tussenproducten met een alcoholgehalte van:

  • a. niet meer dan 15% vol € 114,85;

  • b. meer dan 15% vol € 161,80.

Afdeling 3. Overige alcoholhoudende producten

Artikel 12

  • 1 Onder overige alcoholhoudende producten worden verstaan:

    • a. alle producten van GN-codes 2207 en 2208 met een alcoholgehalte van meer dan 1,2%vol, ook wanneer deze producten bestanddeel zijn van een product van een GN-code uit een ander hoofdstuk van de gecombineerde nomenclatuur;

    • b. producten van GN-codes 2204, 2205 en 2206 met een alcoholgehalte van meer dan 22%vol.

  • 2 Onder overige alcoholhoudende producten worden mede verstaan gedistilleerde dranken als bedoeld in het eerste lid, wanneer deze dranken andere producten, al dan niet in oplossing, bevatten.

Artikel 13

De accijns bedraagt voor overige alcoholhoudende producten per hectoliter bij een temperatuur van 20°C per volumeprocent alcohol € 18,27, waarbij een gedeelte van een hectoliter rekenkundig wordt afgerond op drie decimalen en van een volumeprocent alcohol naar beneden wordt afgerond op één decimaal.

Artikel 14

Voor de toepassing van artikel 13 wordt het volume van overige alcoholhoudende producten die bestaan uit een vloeistof waarin zich bestanddelen in vaste vorm bevinden, gesteld op het volume van het gehele product.

Afdeling 6. Minerale oliën

Artikel 25

  • 1 Onder minerale oliën worden verstaan de producten van de GN-codes:

    • a. 1507 tot en met 1518, indien deze zijn bestemd om te worden gebruikt als motorbrandstof of als brandstof voor verwarming;

    • b. 2706 tot en met 2710;

    • c. 2711, met uitzondering van aardgas;

    • d. 2712 tot en met 2715;

    • e. 2901 en 2902;

    • f. 2905 11 00, die niet langs synthetische weg zijn verkregen en zijn bestemd om te worden gebruikt als motorbrandstof of als brandstof voor verwarming;

    • g. 3403;

    • h. 3811;

    • i. 3817;

    • j. 3824 99 86, 3824 99 92 – met uitzondering van roestwerende preparaten die aminen als werkzame bestanddelen bevatten en anorganische preparaten voor het oplossen of voor het verdunnen van vernissen of van dergelijke producten –, 3824 99 93, 3824 99 96 – met uitzondering van roestwerende preparaten die aminen als werkzame bestanddelen bevatten en anorganische preparaten voor het oplossen of voor het verdunnen van vernissen of van dergelijke producten –, 3826 00 10 en 3826 00 90, indien deze zijn bestemd om te worden gebruikt als motorbrandstof of als brandstof voor verwarming.

  • 2 Als minerale oliën worden mede aangemerkt:

    • a. andere producten dan minerale oliën als bedoeld in het eerste lid, die zijn bestemd voor gebruik, worden aangeboden voor verkoop of worden gebruikt als motorbrandstof, als additief of als vulstof in motorbrandstoffen;

    • b. andere koolwaterstoffen dan bedoeld in het eerste lid of in onderdeel a, die zijn bestemd voor gebruik, worden aangeboden voor verkoop of worden gebruikt voor verwarmingsdoeleinden, met uitzondering van steenkool, bruinkool, turf, andere soortgelijke vaste koolwaterstoffen en aardgas.

Artikel 26

  • 1 Voor de toepassing van het tarief worden minerale oliën onderscheiden in lichte olie, halfzware olie, gasolie, zware stookolie, vloeibaar gemaakt petroleumgas en methaan.

  • 2 Lichte olie wordt onderscheiden in gelode lichte olie en ongelode lichte olie.

    Onder gelode lichte olie worden verstaan de producten van GN-codes 2710 12 31, 2710 12 51 en 2710 12 59. Onder ongelode lichte olie worden verstaan de producten van GN-codes 2710 12 41, 2710 12 45 en 2710 12 49.

  • 3 Onder halfzware olie worden verstaan de producten van GN-codes 2710 19 21 en 2710 19 25.

  • 4 Onder gasolie worden verstaan de producten van GN-codes 2710 19 43 tot en met 2710 19 48 en 2710 20 11 tot en met 2710 20 19.

  • 5 Onder zware stookolie worden verstaan de producten van GN-codes 2710 19 62 tot en met 2710 19 68 en 2710 20 31 tot en met 2710 20 39.

  • 6 Onder vloeibaar gemaakt petroleumgas worden verstaan de producten van GN-codes 2711 12 11 tot en met 2711 19 00.

  • 7 Onder methaan worden verstaan de producten van GN-code 2711 29 00.

  • 8 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het bepalen van het loodgehalte van lichte olie.

Artikel 27

[Toekomstige wijziging(en) op 01-01-2025.
Wijziging(en) op nader te bepalen datum(s); laatste bekendgemaakt in 2022.
Zie het overzicht van wijzigingen]

  • 1 De accijns bedraagt voor:

    • a. lichte olie, per 1000 L bij een temperatuur van 15°C € 1.071,63 indien het gelode lichte olie betreft en € 789,10 indien het ongelode lichte olie betreft;

    • b. halfzware olie, per 1000 L bij een temperatuur van 15°C, € 628,35 en gasolie, per 1000 L bij een temperatuur van 15°C, € 516,25;

    • c. zware stookolie, per 1 000 kg € 654,53;

    • d. vloeibaar gemaakt petroleumgas, per 1000 kg € 344,74;

    • e. methaan nihil.

  • 2 Voor de toepassing van het tarief als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, worden bij ministeriële regeling regels gesteld met betrekking tot de herleiding van de actuele hoeveelheden minerale oliën naar hoeveelheden bij een temperatuur van 15°C.

Artikel 27a

[Wijziging(en) op nader te bepalen datum(s); laatste bekendgemaakt in 2010. Zie het overzicht van wijzigingen]

De artikelen 10.1 en 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn van overeenkomstige toepassing op de in de artikelen 27, eerste lid, 71e, tweede lid, en 71g, tweede lid, vermelde bedragen.

Artikel 28

[Wijziging(en) op nader te bepalen datum(s); laatste bekendgemaakt in 2002. Zie het overzicht van wijzigingen]

  • 1 Andere minerale oliën dan die waarvoor in artikel 27, eerste lid, een accijnstarief is vermeld, worden, indien zij zijn bestemd voor gebruik, worden aangeboden voor verkoop of worden gebruikt als brandstof voor verwarming of als motorbrandstof, aan de accijns onderworpen naar het ingevolge artikel 27, eerste lid, voor de gelijkwaardige brandstof of motorbrandstof geldende tarief.

  • 2 Onverminderd het eerste lid worden minerale oliën van GN-codes 3811 11 10, 3811 11 90, 3811 19 00 en 3811 90 00 voor de toepassing van het tarief gelijkgesteld met de motorbrandstof waaraan zij bestemd zijn te worden toegevoegd.

  • 5 Minerale oliën die kunnen worden gelijkgesteld met meer dan één soort minerale olie worden voor de toepassing van het tarief gelijkgesteld met de soort minerale olie die van de desbetreffende soorten het eerst is vermeld in artikel 26, eerste lid.

  • 6 Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op minerale oliën van GN-codes 3811 11 10, 3811 11 90, 3811 19 00 en 3811 90 00 die aan meer dan een soort motorbrandstof kunnen worden toegevoegd.

Afdeling 7. Tabaksproducten

Artikel 29

Onder tabaksproducten wordt verstaan tot verbruik bereide tabak in de vorm van sigaren, sigaretten en rooktabak.

Artikel 30

  • 1 Onder sigaren worden verstaan de volgende producten, indien zij geschikt zijn om en, gelet op hun kenmerken en de normale verwachtingen van de consument, uitsluitend bestemd zijn om als zodanig te worden gerookt:

    • a. tabaksrolletjes met een dekblad van natuurlijke tabak;

    • b. tabaksrolletjes bestaande uit een gebroken melange, met een dekblad van gereconstitueerde tabak dat de normale kleur heeft van een sigaar en het product volledig omhult, in voorkomend geval met inbegrip van het filter, doch met uitzondering van het mondstuk, en waarvan het gewicht per stuk, zonder filter of mondstuk, ten minste 2,3 gram en niet meer dan 10 gram bedraagt en de omtrek over ten minste een derde van de lengte 34 mm of meer bedraagt.

  • 2 Als sigaren worden mede aangemerkt producten die gedeeltelijk uit andere stoffen dan tabak bestaan, doch overigens voldoen aan het bepaalde in het eerste lid.

Artikel 31

  • 1 Onder sigaretten worden verstaan niet als sigaren aan te merken tabaksrolletjes die geschikt zijn om als zodanig te worden gerookt, alsmede tabaksrolletjes die door middel van een eenvoudige niet-industriële handeling in een huls van sigarettenpapier worden geschoven of met sigarettenpapier worden omhuld.

  • 2 Als sigaretten worden mede aangemerkt producten die geheel of gedeeltelijk uit andere stoffen dan tabak bestaan, doch overigens voldoen aan het bepaalde in het eerste lid.

Artikel 32

  • 1 Onder rooktabak wordt verstaan niet als sigaren of als sigaretten aan te merken voor roken geschikte tabak.

  • 2 Als rooktabak worden mede aangemerkt producten die geheel of gedeeltelijk uit andere stoffen dan tabak bestaan, doch overigens voldoen aan het bepaalde in het eerste lid.

Artikel 35

[Wijziging(en) op nader te bepalen datum(s); laatste bekendgemaakt in 2019. Zie het overzicht van wijzigingen]

  • 1 De accijns bedraagt voor:

    • a. sigaren: een ad-valoremaccijns van 11% van de kleinhandelsprijs;

    • b. sigaretten: een ad-valoremaccijns van 5% van de kleinhandelsprijs alsmede een specifieke accijns van € 362,12 per 1000 stuks, met dien verstande dat het minimumbedrag aan accijns in totaal ten minste € 390,42 bedraagt;

    • c. rooktabak: een specifieke accijns van € 346,98 per kilogram.

  • 2 Onder de kleinhandelsprijs wordt verstaan de prijs, met inbegrip van alle belastingen en de kosten van de verpakking, waarvoor het desbetreffende product wordt verkocht aan anderen dan wederverkopers.

  • 3 Voor de berekening van de accijns voor tabaksproducten die worden verbruikt binnen een accijnsgoederenplaats voor tabaksproducten wordt de kleinhandelsprijs gesteld op die van gelijke of soortgelijke producten die worden verbruikt buiten de accijnsgoederenplaats.

  • 4 Voor de berekening van de accijns wordt een tabaksrolletje als bedoeld in artikel 31 aangemerkt als twee sigaretten wanneer het, zonder filter of mondstuk, meer dan 8 cm doch niet meer dan 11 cm lang is, en als drie sigaretten wanneer het, zonder filter of mondstuk, meer dan 11 cm doch niet meer dan 14 cm lang is, enzovoort.

Artikel 36

  • 1 Uiterlijk op 1 maart van elk jaar wordt voor sigaretten en rooktabak de gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs bepaald op basis van alle tot verbruik uitgeslagen sigaretten respectievelijk rooktabak in het voorgaande kalenderjaar. De gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs wordt gepubliceerd op de website van de rijksoverheid.

  • 2 De gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs is gelijk aan de op basis van de kleinhandelsprijs berekende totale waarde van alle tot verbruik uitgeslagen sigaretten respectievelijk rooktabak, gedeeld door de totale hoeveelheid tot verbruik uitgeslagen sigaretten respectievelijk rooktabak.

  • 3 De specifieke accijns voor sigaretten mag niet hoger zijn dan 76,5% van de totale belastingdruk die resulteert uit de samenstelling van de specifieke accijns, de ad-valoremaccijns en de omzetbelasting die worden geheven over de gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs.

  • 4 Wanneer na een verhoging van de accijns van sigaretten de gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs van sigaretten wijzigt en hierdoor de specifieke accijns, uitgedrukt als een percentage van de totale belastingdruk, meer dan 76,5% van de totale belastingdruk bedraagt, wordt de specifieke accijns aangepast uiterlijk op 1 januari van het tweede jaar volgende op dat waarin de wijziging zich heeft voorgedaan.

  • 5 Aanpassing van de accijns van sigaretten als gevolg van de wijzigingen van de gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs en de totale belastingdruk, bedoeld in het vierde lid, kan geschieden bij ministeriële regeling.

  • 6 Een wijziging van de accijns van tabaksproducten treedt niet eerder in werking dan met ingang van de eerste dag van de vierde kalendermaand na afloop van de kalendermaand van publicatie.

Afdeling 8. Alcoholgehalte en volume

Artikel 37

  • 1 Voor de toepassing van deze wet en de daarop gebaseerde regelingen wordt verstaan onder:

    • a. alcoholgehalte van een accijnsgoed: het aantal volumeprocenten alcohol daarin bij een temperatuur van 20 °C;

    • b. alcohol: ethanol en de alcoholen die bij het produceren of verwerken van ethanol zijn ontstaan voor zover zij niet zijn afgescheiden van de ethanol.

  • 2 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het bepalen van het alcoholgehalte.

Artikel 38

Bij ministeriële regeling kan met betrekking tot bier, wijn, tussenproducten, overige alcoholhoudende producten en tabaksproducten in kleinhandelsverpakking worden bepaald dat voor de berekening van de accijns het volume of de massa van die goederen dat is vermeld op die verpakking in aanmerking wordt genomen.

Hoofdstuk III. Uitslag tot verbruik

Afdeling 1. Accijnsgoederenplaats

Artikel 39

Een plaats kan alleen als accijnsgoederenplaats worden gebruikt indien daartoe een vergunning is verstrekt door de inspecteur.

Artikel 40

  • 1 Als accijnsgoederenplaats kan in aanmerking komen een plaats waar:

    • a. accijnsgoederen worden geproduceerd of verwerkt;

    • b. geen accijnsgoederen worden geproduceerd of verwerkt maar die dient voor het voorhanden hebben en de opslag van accijnsgoederen, indien de hoeveelheid accijnsgoederen die gemiddeld over een jaar voorhanden is of is opgeslagen meer bedraagt dan een bij ministeriële regeling per soort accijnsgoed vast te stellen hoeveelheid.

  • 2 Een plaats van waaruit accijnsgoederen worden geleverd aan een verbruiker kan niet in aanmerking komen als accijnsgoederenplaats.

  • 3 In bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen kunnen plaatsen in afwijking van het bepaalde in het eerste en in het tweede lid in aanmerking komen als accijnsgoederenplaats.

Artikel 41

  • 1 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, ter verzekering van de heffing, regels worden gesteld waaraan met betrekking tot een accijnsgoederenplaats moet worden voldaan ten aanzien van:

    • a. de administratie en de administratieve organisatie;

    • b. de locatie en de inrichting; en

    • c. het stelsel van toezicht.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Afdeling 2. Vergunning voor een accijnsgoederenplaats

Artikel 42

  • 1 In het verzoek om een vergunning voor een accijnsgoederenplaats worden gegevens verstrekt met betrekking tot:

    • a. de soort of de soorten accijnsgoederen waarvoor de accijnsgoederenplaats is bestemd;

    • b. de hoeveelheid accijnsgoederen, onderscheiden naar de soort, die naar verwachting in de accijnsgoederenplaats per jaar zal worden geproduceerd, verwerkt, dan wel gemiddeld over een jaar zonder verschuldigdheid van accijns voorhanden of opgeslagen zal zijn;

    • c. de persoon op wiens naam de vergunning dient te worden gesteld;

    • d. de administratie en de administratieve organisatie met betrekking tot de als accijnsgoederenplaats aan te merken plaats; en

    • e. de locatie en de inrichting van de als accijnsgoederenplaats aan te wijzen plaats.

  • 2 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de gegevens die het verzoek moet bevatten.

Artikel 42a

  • 1 In afwijking van artikel 40, eerste lid, kan, indien degene die een vergunning voor een accijnsgoederenplaats wil verkrijgen niet beschikt over een plaats waar accijnsgoederen worden geproduceerd of verwerkt dan wel voorhanden worden gehouden of worden opgeslagen, een verzoek om een vergunning voor een accijnsgoederenplaats door de inspecteur worden toegewezen, indien deze persoon in Nederland is gevestigd en in de uitoefening van zijn bedrijf optreedt als:

    • a. handelaar in minerale oliën, maar de door hem gekochte minerale oliën niet zelf voorhanden houdt of in opslag neemt;

    • b. tussenpersoon ten behoeve van vergunninghouders van een accijnsgoederenplaats voor minerale oliën waar minerale oliën worden geproduceerd of verwerkt dan wel opgeslagen;

    • c. bunkerhandelaar in minerale oliën, die de door hem gekochte minerale oliën uitsluitend aflevert aan boord van schepen in het kader van de bevoorrading van schepen, bedoeld in artikel 66, eerste lid, onderdeel a.

  • 2 Bij algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de vergunning, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend.

  • 3 In het verzoek om een vergunning, bedoeld in het eerste lid, worden gegevens verstrekt met betrekking tot:

    • a. de soort of de soorten minerale oliën waarvoor de accijnsgoederenplaats zal worden gebruikt;

    • b. de hoeveelheid minerale oliën, onderscheiden naar soort, die naar verwachting via de accijnsgoederenplaats per jaar zal worden verhandeld of waarvoor als tussenpersoon zal worden opgetreden;

    • c. de persoon op wiens naam de vergunning moet worden gesteld;

    • d. de administratie en administratieve organisatie van de persoon, bedoeld in onderdeel c.

  • 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 43

  • 1 Een verzoek om een vergunning voor een accijnsgoederenplaats wordt door de inspecteur toegewezen tenzij hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat niet zal worden voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deze wet.

  • 2 Een verzoek om een vergunning voor een accijnsgoederenplaats kan worden geweigerd aan degene die in de vijf aan het verzoek voorafgaande jaren onherroepelijk is veroordeeld wegens het niet nakomen van een wettelijke bepaling inzake de accijns.

Artikel 44

  • 1 De vergunning vermeldt voor welke soort of voor welke soorten accijnsgoederen de accijnsgoederenplaats als zodanig is aangewezen.

  • 2 In de vergunning bepaalt de inspecteur zo nodig nader op welke wijze aan de bij of krachtens deze wet gestelde voorwaarden moet worden voldaan.

  • 3 De inspecteur kan in de vergunning nadere voorwaarden opnemen ter verzekering van een juiste toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet.

Artikel 45

  • 1 De inspecteur kan de in de vergunning opgenomen voorwaarden aanpassen ter verzekering van de heffing.

  • 2 Alvorens over te gaan tot aanpassing van de voorwaarden deelt de inspecteur de vergunninghouder mee welke omstandigheden naar zijn oordeel de door hem aan te geven aanpassing van de voorwaarden rechtvaardigen.

Artikel 46

De vergunninghouder die een aanpassing van de in de vergunning opgenomen voorwaarden wenst, dient daartoe een verzoek in bij de inspecteur.

Artikel 47

Degene die een accijnsgoederenplaats wil overnemen, dient gezamenlijk met de vergunninghouder een verzoek in bij de inspecteur tot een zodanige aanpassing van de vergunning voor die accijnsgoederenplaats dat hij voor alle uit de vergunning voortvloeiende rechten en verplichtingen in de plaats treedt van de vergunninghouder.

Artikel 48

De vergunning voor een accijnsgoederenplaats kan door de inspecteur worden ingetrokken ingeval:

  • a. niet wordt voldaan aan de in de vergunning opgenomen voorwaarden;

  • b. geen of niet voldoende zekerheid is gesteld;

  • c. misbruik van de vergunning is gemaakt of een poging daartoe is gedaan;

  • d. de vergunninghouder onherroepelijk is veroordeeld wegens het niet nakomen van een wettelijke bepaling inzake de accijns;

  • e. de vergunninghouder in staat van faillissement verkeert of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is;

  • f. de vergunninghouder daarom verzoekt;

  • g. de vergunning gedurende een aaneengesloten periode van 12 maanden niet is gebruikt.

Artikel 49

  • 1 Het intrekken van een vergunning ingevolge artikel 48, onderdeel a, b of g, kan niet eerder geschieden dan één maand nadat de inspecteur de vergunninghouder schriftelijk in kennis heeft gesteld van de omstandigheden die naar zijn oordeel het intrekken rechtvaardigen.

Artikel 50

  • 1 Het verlenen, het aanpassen en het intrekken van een vergunning voor een accijnsgoederenplaats alsmede het afwijzen van een verzoek daartoe geschieden bij voor bezwaar vatbare beschikking.

  • 2 Binnen acht weken na ontvangst van het verzoek geeft de inspecteur een voor bezwaar vatbare beschikking op dat verzoek, dan wel zendt hij de in het derde lid bedoelde kennisgeving.

  • 3 Indien de inspecteur de voor bezwaar vatbare beschikking niet binnen de in het tweede lid genoemde termijn kan geven, stelt hij belanghebbende daarvan onder opgaaf van redenen in kennis en noemt hij de termijn waarop de voor bezwaar vatbare beschikking wel zal worden gegeven.

Afdeling 2a. Geregistreerde geadresseerde en geregistreerde afzender

Artikel 50a

  • 1 Een onderneming wordt alleen als geregistreerde geadresseerde aangemerkt indien daartoe een vergunning is verstrekt door de inspecteur.

  • 2 Een vergunning als geregistreerde geadresseerde wordt met betrekking tot tabaksproducten uitsluitend verleend, indien deze producten in een andere lidstaat van Nederlandse accijnszegels zijn voorzien.

  • 3 Voor een geregistreerde geadresseerde die slechts incidenteel accijnsgoederen ontvangt, wordt de vergunning, bedoeld in het eerste lid, verleend voor een welomschreven hoeveelheid accijnsgoederen, één welomschreven afzender en een welomschreven tijdvak. De inspecteur kan de vergunning beperken tot één overbrenging.

  • 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 50b

  • 1 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, ter verzekering van de heffing, regels worden gesteld waaraan een geregistreerde geadresseerde moet voldoen ten aanzien van:

    • a. de administratie; en

    • b. het stelsel van toezicht.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 50c

  • 1 Degene die een vergunning als geregistreerde geadresseerde wil verkrijgen, dient daartoe een verzoek in bij de inspecteur.

  • 2 In het verzoek worden gegevens verstrekt met betrekking tot:

    • a. de soort of de soorten accijnsgoederen waarvoor de vergunning is bestemd;

    • b. de hoeveelheid accijnsgoederen, onderscheiden naar soort, die naar verwachting door de geregistreerde geadresseerde per jaar uit een andere lidstaat zal worden ontvangen;

    • c. de persoon op wiens naam de vergunning dient te worden gesteld;

    • d. de administratie van de desbetreffende accijnsgoederen; en

    • e. de locatie van het bedrijf.

  • 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 50d

  • 1 Een onderneming wordt alleen als geregistreerde afzender aangemerkt indien daartoe een vergunning is verstrekt door de inspecteur.

  • 2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, ter verzekering van de heffing, regels worden gesteld waaraan een geregistreerde afzender moet voldoen ten aanzien van:

    • a. de administratie; en

    • b. het stelsel van toezicht.

  • 3 Degene die een vergunning voor een geregistreerde afzender wil verkrijgen, dient daartoe een verzoek in bij de inspecteur.

  • 4 In het verzoek worden gegevens verstrekt met betrekking tot:

    • a. de soort of de soorten accijnsgoederen waarvoor de vergunning is bestemd;

    • b. de hoeveelheid accijnsgoederen, onderscheiden naar soort, die naar verwachting door de geregistreerde afzender per jaar zal worden verzonden;

    • c. de persoon op wiens naam de vergunning moet worden gesteld; en

    • d. de administratie van de desbetreffende accijnsgoederen.

  • 5 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 50e

De artikelen 43, 44, 45, 46, 48, 49 en 50 zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de vergunning, bedoeld in artikel 50a of 50d.

Afdeling 2b. Verkopen op afstand

Artikel 50f

  • 1 Voorafgaand aan de verzending van de accijnsgoederen moet de afzender in een andere lidstaat die een zelfstandige economische activiteit verricht, bedoeld in artikel 2f, eerste lid, zich melden bij de inspecteur of een fiscaal vertegenwoordiger in Nederland aanstellen, die niet de geadresseerde van de accijnsgoederen is.

  • 2 De fiscaal vertegenwoordiger moet in het bezit zijn van een vergunning van de inspecteur.

  • 3 Degene die een vergunning als fiscaal vertegenwoordiger wil verkrijgen, dient daartoe een verzoek in bij de inspecteur.

  • 4 In het verzoek worden gegevens verstrekt met betrekking tot:

    • a. de soort of de soorten accijnsgoederen waarvoor de vergunning is bestemd;

    • b. de hoeveelheid accijnsgoederen, onderscheiden naar soort, die naar verwachting door de afzender in een andere lidstaat die een zelfstandige economische activiteit verricht die hij vertegenwoordigt per jaar naar Nederland zal worden verzonden;

    • c. de persoon op wiens naam de vergunning dient te worden gesteld;

    • d. de naam en het adres van de afzender in een andere lidstaat die een zelfstandige economische activiteit verricht die hij vertegenwoordigt; en

    • e. de administratie van de in onderdeel b bedoelde accijnsgoederen.

  • 5 Bij het verzoek dient een verklaring van de afzender in een andere lidstaat die een zelfstandige economische activiteit verricht te worden overgelegd waaruit blijkt dat degene die het verzoek indient door de afzender in een andere lidstaat die een zelfstandige economische activiteit verricht is gemachtigd namens hem op te treden als fiscaal vertegenwoordiger.

  • 6 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, ter verzekering van de heffing, regels worden gesteld met betrekking tot:

    • a. de verplichtingen waaraan de fiscaal vertegenwoordiger moet voldoen ten aanzien van de administratie;

    • b. de wijze waarop de afzender in een andere lidstaat zich kan melden bij de inspecteur en de voorwaarden waaraan moet worden voldaan.

  • 7 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Afdeling 2c. Gecertificeerde geadresseerde en gecertificeerde afzender

Artikel 50h

  • 1 Een onderneming wordt alleen als gecertificeerde geadresseerde aangemerkt indien daartoe een vergunning is verstrekt door de inspecteur.

  • 2 Voor een gecertificeerde geadresseerde die slechts incidenteel accijnsgoederen ontvangt, wordt de vergunning verleend voor een welomschreven hoeveelheid accijnsgoederen, één welomschreven afzender en een welomschreven tijdvak. De inspecteur kan de vergunning beperken tot één overbrenging.

  • 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, ter verzekering van de heffing, regels worden gesteld waaraan een gecertificeerde geadresseerde moet voldoen ten aanzien van:

    • a. de administratie; en

    • b. het stelsel van toezicht.

  • 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 50i

  • 1 In het verzoek om een vergunning voor het zijn van een gecertificeerde geadresseerde worden gegevens verstrekt met betrekking tot:

    • a. de soort of de soorten accijnsgoederen waarvoor de vergunning is bestemd;

    • b. de hoeveelheid accijnsgoederen, onderscheiden naar soort, die naar verwachting door de gecertificeerde geadresseerde per jaar uit een andere lidstaat zal worden ontvangen;

    • c. de naam en het adres van de persoon op wiens naam de vergunning dient te worden gesteld;

    • d. de administratie van de desbetreffende accijnsgoederen; en

    • e. het adres waar de accijnsgoederen zullen worden ontvangen.

  • 2 Een vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats of een geregistreerde geadresseerde kan, met inachtneming van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, als een gecertificeerde geadresseerde optreden na kennisgeving aan de inspecteur. Na kennisgeving wordt daartoe een vergunning als bedoeld in het eerste lid verstrekt door de inspecteur.

  • 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 50j

  • 1 Een onderneming wordt alleen als gecertificeerde afzender aangemerkt indien daartoe een vergunning is verstrekt door de inspecteur.

  • 2 Voor een gecertificeerde afzender die slechts incidenteel accijnsgoederen verzendt, wordt de vergunning verleend voor een welomschreven hoeveelheid accijnsgoederen, één welomschreven geadresseerde en een welomschreven tijdvak. De inspecteur kan de vergunning beperken tot één overbrenging.

  • 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, ter verzekering van de heffing, regels worden gesteld waaraan een gecertificeerde afzender moet voldoen ten aanzien van:

    • a. de administratie; en

    • b. het stelsel van toezicht.

Artikel 50k

  • 1 In het verzoek om een vergunning voor het zijn van een gecertificeerde afzender worden gegevens verstrekt met betrekking tot:

    • a. de soort of de soorten accijnsgoederen waarvoor de vergunning is bestemd;

    • b. Indien het tweede lid van artikel 50j van toepassing is:

      • 1°. de welomschreven hoeveelheid accijnsgoederen, onderscheiden naar soort, die naar verwachting door de gecertificeerde afzender incidenteel zullen worden verzonden;

      • 2°. de welomschreven geadresseerde;

      • 3°. het welomschreven tijdvak;

    • c. de persoon op wiens naam de vergunning moet worden gesteld.

  • 2 Een vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats of een geregistreerde afzender kan, met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, als een gecertificeerde afzender optreden na kennisgeving aan de inspecteur. Na kennisgeving wordt daartoe een vergunning als bedoeld in het eerste lid verstrekt door de inspecteur.

  • 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Afdeling 3. Wijze van heffing en voldoening

Artikel 51

  • 1 De accijns wordt geheven van:

    • a. bij toepassing van artikel 2, eerste lid, onderdeel a:

      • 1°. de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats, de geregistreerde geadresseerde of enig andere persoon die de accijnsgoederen aan de accijnsschorsingsregeling onttrekt of voor wiens rekening de accijnsgoederen aan de accijnsschorsingsregeling worden onttrokken en, in geval van onregelmatige onttrekking aan de accijnsgoederenplaats, enig andere persoon die bij die onttrekking betrokken is geweest;

      • 2°. in geval van een onregelmatigheid tijdens een overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling in de zin van artikel 2c, eerste, tweede en derde lid: de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats, de vergunninghouder van het belastingentrepot, de geregistreerde afzender, de vervoerder of de eigenaar van de accijnsgoederen, bedoeld in artikel 56, derde lid, of enig andere persoon die ingevolge de wettelijke bepalingen van een andere lidstaat zekerheid heeft gesteld en alle personen die bij de onregelmatige onttrekking betrokken zijn geweest terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat het onttrekken op onregelmatige wijze geschiedde;

    • b. bij toepassing van artikel 2, eerste lid, onderdeel b: de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft of opslaat, en enig andere persoon die bij het voorhanden hebben of opslaan ervan betrokken is;

    • c. bij toepassing van artikel 2, eerste lid, onderdeel c: de persoon die de accijnsgoederen produceert of verwerkt en, in geval van onregelmatige productie of verwerking, enig andere persoon die bij de productie of verwerking ervan betrokken is geweest;

    • d. bij toepassing van artikel 2, eerste lid, onderdeel d: de aangever, bedoeld in artikel 5, vijftiende lid, van het Douanewetboek van de Unie, of enig andere persoon als bedoeld in artikel 77, derde lid, van het Douanewetboek van de Unie en, in geval van onregelmatige binnenkomst, enig andere persoon die bij die onregelmatige binnenkomst betrokken is geweest;

    • e. bij toepassing van artikel 2, vierde lid: de persoon die de minerale oliën voorhanden heeft, opslaat of gebruikt;

    • f. bij toepassing van artikel 2d, derde lid: de particulier, bedoeld in artikel 2d, derde lid;

    • g. bij toepassing van artikel 2d, vierde lid: de particulieren, bedoeld in artikel 2d, vierde lid;

    • h. bij toepassing van artikel 2e, eerste lid: de gecertificeerde geadresseerde, bedoeld in artikel 2e, eerste lid;

    • i. Bij het niet voldoen aan de voorwaarden genoemd in artikel 2e, eerste lid, bij de overbrenging van de accijnsgoederen: alle bij de overbrenging betrokken personen;

    • j. bij toepassing van artikel 2f, eerste lid: de afzender in een andere lidstaat die een zelfstandige economische activiteit verricht, bedoeld in artikel 2f, eerste lid, of de aangewezen fiscaal vertegenwoordiger;

    • k. bij toepassing van artikel 4, eerste en tweede lid: de personen, bedoeld in onderdelen h, i of j, en eenieder die bij de onregelmatigheid betrokken is geweest.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, wordt, in bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen en onder daarbij te stellen voorwaarden, de accijns van accijnsgoederen die zijn uitgeslagen uit een accijnsgoederenplaats in opdracht van een vergunninghouder van een andere accijnsgoederenplaats voor dezelfde soort accijnsgoederen, geheven van de vergunninghouder van die andere accijnsgoederenplaats.

  • 3 Indien er voor eenzelfde accijnsschuld verscheidene schuldenaren zijn, zijn zij hoofdelijk tot betaling van deze schuld gehouden.

Artikel 52

  • 1 De accijns wordt verschuldigd op het tijdstip van de uitslag tot verbruik.

  • 3 In afwijking van het eerste lid wordt de accijns verschuldigd:

    • a. bij toepassing van artikel 2, vierde lid: op het tijdstip van de aanvang van het voorhanden of in opslag hebben of het gebruik van de minerale oliën;

    • b. bij toepassing van artikel 2c: op het tijdstip van de vaststelling van de in artikel 2c bedoelde onregelmatigheid;

    • c. bij toepassing van artikel 2d, derde lid: op het tijdstip van de aanvang van het voorhanden hebben van de accijnsgoederen in Nederland;

    • d. bij toepassing van artikel 2d, vierde lid: op het tijdstip van de verkrijging van de minerale oliën in Nederland;

    • e. bij toepassing van artikel 2e, eerste lid: op het tijdstip dat de accijnsgoederen in ontvangst zijn genomen door de gecertificeerde geadresseerde in Nederland;

    • f. bij toepassing van artikel 2f, eerste lid: op het tijdstip van de levering van de accijnsgoederen;

    • g. bij toepassing van artikel 4: op het tijdstip van de vaststelling van de in artikel 4 bedoelde onregelmatigheid.

Artikel 53

  • 1 De in een tijdvak verschuldigd geworden accijns moet op aangifte worden voldaan.

  • 2 Aangifte dient te worden gedaan voor elke accijnsgoederenplaats afzonderlijk.

  • 3 In afwijking van het tweede lid kan bij ministeriële regeling, onder daarbij te stellen voorwaarden, worden toegestaan dat voor accijnsgoederenplaatsen waarvan de vergunningen op naam zijn gesteld van dezelfde vergunninghouder één aangifte voor die plaatsen tezamen wordt gedaan.

Artikel 53a

  • 2 In afwijking in zoverre van het eerste lid doet de geregistreerde geadresseerde aangifte van de in een week op de voet van artikel 52, tweede lid, onderdelen c en e, verschuldigd geworden accijns uiterlijk op de vrijdag van de week daaropvolgend. De verschuldigd geworden accijns wordt op aangifte voldaan.

Artikel 54

  • 1 Bij intrekking van een vergunning voor een accijnsgoederenplaats worden de accijnsgoederen waarvoor die accijnsgoederenplaats als zodanig is aangewezen, die binnen die plaats voorhanden zijn op de dag met ingang waarvan de vergunning wordt ingetrokken, aangemerkt als te zijn uitgeslagen tot verbruik en wordt het tijdvak waarover de accijns verschuldigd is, aangemerkt als te zijn geëindigd op die dag.

Artikel 55

  • 1 De accijns wordt berekend naar het tarief dat geldt op het tijdstip van de uitslag tot verbruik.

  • 2 In de situatie, bedoeld in artikel 2, vierde lid, wordt de accijns berekend als het verschil tussen het bedrag aan accijns dat is geheven en het bedrag dat zou zijn geheven indien geen herkenningsmiddelen zouden zijn toegevoegd.

  • 3 Voor de berekening van de accijns, bedoeld in het tweede lid, wordt de hoeveelheid vastgesteld op de maximuminhoud van de tank of het reservoir waarin de brandstof voorhanden is of is geweest.

Afdeling 4. Zekerheid

Artikel 56

  • 1 De vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats, geregistreerde afzender en de gecertificeerde geadresseerde stellen zekerheid voor de accijns die zij verschuldigd zijn of kunnen worden in Nederland dan wel in een andere lidstaat.

  • 2 De geregistreerde geadresseerde, de afzender in een andere lidstaat die een zelfstandige economische activiteit verricht en de fiscaal vertegenwoordiger, bedoeld in artikel 50f, stellen zekerheid voor de accijns die zij verschuldigd zijn of kunnen worden.

  • 3 In afwijking van het eerste lid kan de inspecteur, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, toestaan dat de vervoerder, de eigenaar van de accijnsgoederen, of de gecertificeerde afzender, zekerheid stelt in plaats van de vergunninghouder, de geregistreerde afzender en de gecertificeerde geadresseerde, bedoeld in het eerste lid. De zekerheid wordt gesteld voor het bedrag aan accijns dat wordt vertegenwoordigd door de hoeveelheid accijnsgoederen die door of namens de vervoerder of de eigenaar wordt vervoerd naar de bestemmingen, bedoeld in artikel 2a, eerste of derde lid, of naar de gecertificeerde geadresseerde.

  • 4 Het stellen van zekerheid als bedoeld in het eerste lid kan op verzoek achterwege blijven voor minerale oliën die vanuit een accijnsgoederenplaats over zee worden overgebracht. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.

  • 5 Het stellen van zekerheid als bedoeld in het eerste lid blijft achterwege voor minerale oliën die door middel van een vaste pijpleiding worden overgebracht, tenzij de inspecteur bij een voor bezwaar vatbare beschikking naar behoren motiveert waarom toch zekerheid dient te worden gesteld.

  • 6 Het bedrag van de zekerheid wordt vastgesteld door de inspecteur. De vaststelling geschiedt tot een zodanig bedrag dat de te verhalen accijns voldoende verzekerd kan worden geacht.

  • 7 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor het bepalen van de hoogte van het bedrag van de zekerheid.

  • 8 In de vergunning bepaalt de inspecteur zo nodig nader op welke wijze aan de bij of krachtens deze wet gestelde voorwaarden moet worden voldaan.

  • 9 De inspecteur kan in de vergunning nadere voorwaarden opnemen ter verzekering van een juiste toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet.

Artikel 57

  • 1 Het bedrag van de zekerheid kan door de inspecteur worden gewijzigd.

  • 2 Degene die op grond van artikel 56 zekerheid heeft gesteld kan een verzoek tot verlaging van het bedrag van de zekerheid indienen.

  • 3 Bij verhoging van het bedrag van de zekerheid draagt degene die zekerheid heeft gesteld zorg dat binnen een maand na de bekendmaking ervan de zekerheid is aangevuld.

Artikel 58

  • 1 Het vaststellen en het wijzigen van het bedrag van de zekerheid alsmede het afwijzen van een verzoek als bedoeld in artikel 57, tweede lid, geschieden bij voor bezwaar vatbare beschikking.

  • 2 Binnen acht weken na ontvangst van het verzoek geeft de inspecteur een voor bezwaar vatbare beschikking op dat verzoek, dan wel zendt hij de in het derde lid bedoelde kennisgeving.

  • 3 Indien de inspecteur de voor bezwaar vatbare beschikking niet binnen de in het tweede lid genoemde termijn kan geven, stelt hij belanghebbende daarvan onder opgaaf van redenen in kennis en noemt hij de termijn waarop de voor bezwaar vatbare beschikking wel zal worden gegeven.

Artikel 59

  • 1 De zekerheid wordt gesteld bij de ontvanger.

  • 2 De ontvanger beslist of de vorm van de zekerheid die degene die zekerheid moet stellen, aanbiedt, wordt aanvaard.

Artikel 60

  • 1 De aan het stellen, het wijzigen en het opheffen van de zekerheid verbonden kosten komen ten laste van degene die zekerheid moet stellen.

  • 2 Ingeval de zekerheid wordt gesteld in geld wordt daarover een rente vergoed die gelijk is aan de herfinancieringsrente, te weten de minimale biedrente die de Europese Centrale Bank hanteert voor basisherfinancieringstransacties.

  • 3 Voor de toepassing van het tweede lid wordt het over een kalendermaand te vergoeden rentebedrag berekend naar de rente die geldt bij de aanvang van die maand.

Afdeling 5. Voorrang

Artikel 61

  • 1 De vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats heeft voor de accijns die is begrepen in de verkoopprijs van de door hem geleverde accijnsgoederen, zolang hij ter zake geen betaling heeft ontvangen doch niet langer dan een half jaar nadat hij die accijns verschuldigd is geworden, voorrecht op alle goederen van de koper.

Afdeling 6. Hoofdelijke aansprakelijkheid

Artikel 61a

De vervoerder van accijnsgoederen is hoofdelijk aansprakelijk voor het bedrag aan accijns dat wordt vertegenwoordigd door de hoeveelheid accijnsgoederen die door hem wordt vervoerd vanuit een accijnsgoederenplaats of van de plaats van invoer, bedoeld in artikel 2a, derde lid, naar een andere accijnsgoederenplaats, naar een belastingentrepot, naar een geregistreerde geadresseerde in een andere lidstaat of naar een plaats waar de accijnsgoederen het grondgebied van de Unie verlaten, indien tijdens dat vervoer door hem of door zijn toedoen een onregelmatigheid heeft plaatsgevonden.

Hoofdstuk IV. Invoer

Artikel 62

Onverminderd artikel 51, eerste lid, onderdeel d, zijn ter zake van de uitslag tot verbruik, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel d de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Algemene douanewet, met uitzondering van artikel 88 van de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 63

  • 1 Bij ministeriële regeling kunnen, onder daarbij te stellen voorwaarden, regels worden gesteld ingevolge welke de heffing van accijns van accijnsgoederen die in kleine zendingen dan wel door reizigers als bagage worden ingevoerd, geschiedt volgens daarbij vast te stellen forfaitaire tarieven.

  • 2 De forfaitaire tarieven zijn niet van toepassing met betrekking tot handelsgoederen.

Hoofdstuk V. Vrijstellingen en teruggaven

Afdeling 1. Vrijstellingen

Artikel 64

  • 1 Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen wordt vrijstelling van accijns verleend ter zake van de uitslag tot verbruik van:

    • a. minerale oliën die kennelijk niet zijn bestemd om te worden gebruikt als brandstof voor verwarming, als motorbrandstof of als additief in motorbrandstoffen;

    • b. minerale oliën die in hoogovens met het oog op chemische reductie worden ingespoten als toevoeging aan de steenkool, die wordt gebruikt als voornaamste brandstof;

    • c. sigaretten en rooktabak die geheel uit andere stoffen dan tabak bestaan en die uitsluitend zijn bestemd om te worden gebruikt voor medicinale doeleinden.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot:

    • a. de aard van en de aanduiding op de verpakking van in het eerste lid bedoelde accijnsgoederen;

    • b. de stoffen waarmee in het eerste lid bedoelde accijnsgoederen moeten zijn vermengd;

    • c. de uitvoering van dit artikel.

Artikel 64a

  • 1 Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen wordt vrijstelling van accijns verleend ter zake van de uitslag tot verbruik van alcohol en alcoholhoudende dranken, wanneer zij:

    • a. zijn gedistribueerd in de vorm van alcohol die volledig gedenatureerd is;

    • b. worden gebruikt als onderdeel van het productieproces van een product dat niet voor menselijke consumptie is bestemd, indien het is verwerkt in een product dat niet voor menselijke consumptie is bestemd, of wordt gebruikt voor het onderhoud en de reiniging van de productieapparatuur die voor dat specifieke productieproces wordt gebruikt;

    • c. worden gebruikt voor de vervaardiging van azijn van GN-code 2209;

    • d. worden gebruikt voor de vervaardiging van geneesmiddelen als bedoeld in Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (PbEG 2001, L 311) of Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PbEG 2001, L 311);

    • e. worden gebruikt voor de productie van aroma’s voor de bereiding van levensmiddelen en niet-alcoholhoudende dranken met een alcoholvolumegehalte van niet meer dan 1,2%vol;

    • f. rechtstreeks of als bestanddeel van een halffabricaat worden aangewend voor de productie van levensmiddelen, gevuld of anderszins, waarvan het alcoholgehalte niet meer bedraagt dan 8,5 liter absolute alcohol per 100 kilogram product voor chocola, of 5 liter absolute alcohol per 100 kilogram product voor andere producten;

    • g. in ziekenhuizen of apotheken worden gebruikt voor medische doeleinden.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot:

    • a. de aard van of de aanduiding op de verpakking van accijnsgoederen, bedoeld in het eerste lid;

    • b. de stoffen waarmee deze accijnsgoederen moeten zijn vermengd;

    • c. de uitvoering van dit artikel.

Artikel 65

  • 1 Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen wordt vrijstelling van accijns verleend ter zake van de uitslag tot verbruik van accijnsgoederen:

    • a. waarvan de in de artikelen 64 of 64a voor de desbetreffende accijnsgoederen aangegeven bestemming niet of niet voldoende blijkt uit de goederen als zodanig, indien degene die de goederen betrekt deze gebruikt voor het produceren of verwerken van accijnsgoederen als bedoeld in de artikelen 64 of 64a dan wel deze gebruikt overeenkomstig de in dat artikel voor het desbetreffende accijnsgoed bedoelde bestemming;

    • b. die door degene die de goederen betrekt, worden gebruikt als grondstof voor het produceren van niet-accijnsgoederen.

  • 3 Behoudens in bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen is degene die accijnsgoederen met vrijstelling van accijns betrekt in het bezit van een daartoe strekkende vergunning.

  • 4 De vergunning wordt op verzoek verleend door de inspecteur.

  • 5 Het verlenen, het aanpassen en het intrekken van een vergunning alsmede het afwijzen van een verzoek daartoe geschieden bij voor bezwaar vatbare beschikking.

  • 6 Binnen acht weken na ontvangst van het verzoek geeft de inspecteur een voor bezwaar vatbare beschikking op dat verzoek, dan wel zendt hij de in het zevende lid bedoelde kennisgeving.

  • 7 Indien de inspecteur de voor bezwaar vatbare beschikking niet binnen de in het zesde lid genoemde termijn kan geven, stelt hij belanghebbende daarvan onder opgaaf van redenen in kennis en noemt hij de termijn waarop de voor bezwaar vatbare beschikking wel zal worden gegeven.

  • 8 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 66

  • 1 Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen wordt vrijstelling van accijns verleend ter zake van de uitslag tot verbruik van minerale oliën die worden gebruikt:

    • a. voor de aandrijving van schepen of als scheepsbehoeften aan boord van schepen;

    • b. voor de voortstuwing van luchtvaartuigen voor zover het betreft halfzware olie als bedoeld in GN-code 2710 19 21.

  • 2 De vrijstelling als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, is niet van toepassing met betrekking tot minerale oliën die worden gebruikt voor pleziervaartuigen of plezierluchtvaartuigen dan wel worden gebruikt aan boord van schepen die kennelijk niet worden gebruikt om te varen.

  • 3 Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder een pleziervaartuig of een plezierluchtvaartuig: een vaartuig respectievelijk een luchtvaartuig dat wordt gebruikt door de eigenaar daarvan of door de natuurlijke of rechtspersoon die het gebruik daarvan geniet door huur of anderszins, voor andere dan commerciële doeleinden en met name voor andere doeleinden dan voor het vervoer van personen of goederen of voor het verrichten van diensten onder bezwarende titel, dan wel ten behoeve van overheidsinstanties.

  • 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 66a

  • 1 Onverminderd het bepaalde in artikel 66, eerste en tweede lid, wordt onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen vrijstelling van accijns verleend ter zake van de uitslag tot verbruik van accijnsgoederen die worden gebruikt:

    • a. aan boord van schepen in het verkeer van Nederland naar een andere lidstaat, anders dan over de binnenwateren;

    • b. aan boord van luchtvaartuigen in het verkeer van Nederland naar een andere lidstaat.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 66b

  • 1 Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen wordt vrijstelling van accijns verleend ter zake van de uitslag tot verbruik van accijnsgoederen uit een accijnsgoederenplaats, gelegen op een luchthaven of op een haventerrein, die worden meegevoerd in de persoonlijke bagage van reizigers die zich door de lucht of over zee naar een derdelandsgebied of een derde land begeven.

  • 2 De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is mede van toepassing met betrekking tot de accijnsgoederen die aan boord van een luchtvaartuig of schip worden geleverd tijdens een vlucht of overtocht naar een derdelandsgebied of een derde land.

  • 3 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder reiziger die zich naar een derdelandsgebied of derde land begeeft, verstaan: iedere passagier die in het bezit is van een bewijs van vervoer door de lucht of over zee, waarop als definitieve bestemming een in een derdelandsgebied of derde land gelegen luchthaven of haven is vermeld.

  • 4 In afwijking van artikel 74 kunnen tabaksproducten worden opgeslagen in een accijnsgoederenplaats van waaruit de in het eerste lid bedoelde uitslag tot verbruik plaatsvindt.

  • 5 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 68

  • 1 Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen wordt vrijstelling van accijns verleend ter zake van de uitslag tot verbruik van accijnsgoederen die worden gebruikt voor onderzoek, kwaliteitscontroles en smaaktesten buiten een accijnsgoederenplaats.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 69

  • 1 Onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden en beperkingen, wordt vrijstelling van accijns verleend ter zake van de uitslag tot verbruik van accijnsgoederen, die bestemd zijn om te worden gebruikt:

    • a. in het kader van diplomatieke of consulaire betrekkingen;

    • b. door internationale instellingen die door Nederland zijn erkend, alsmede door de leden van deze instellingen, zulks binnen de beperkingen en onder de voorwaarden die zijn vastgesteld bij de internationale verdragen tot oprichting van deze instellingen of bij de vestigingsovereenkomsten;

    • c. door de strijdkrachten van alle staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, met uitzondering van Nederland, ten behoeve van deze strijdkrachten of het hen begeleidende burgerpersoneel of voor de bevoorrading van hun messes of kantines;

    • d. voor verbruik in het kader van een met derde landen of internationale instellingen gesloten overeenkomst voor zover een dergelijke overeenkomst wordt aanvaard of toegestaan op het gebied van vrijstelling van omzetbelasting;

    • e. door de strijdkrachten van lidstaten, met uitzondering van Nederland, ten behoeve van deze strijdkrachten of het hen begeleidende burgerpersoneel of voor de bevoorrading van hun messes of kantines, voor zover de strijdkrachten deelnemen aan een defensie-inspanning ter uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, bedoeld in titel V, hoofdstuk 2, afdeling 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

  • 2 In andere gevallen dan bedoeld in het eerste lid wordt bij ministeriële regeling, onder daarbij te stellen voorwaarden en beperkingen, vrijstelling van accijns verleend ter zake van de uitslag tot verbruik van accijnsgoederen, indien aanspraak op vrijstelling bestaat ingevolge het Koninkrijk verbindende verdragen en in al hun onderdelen verbindende besluiten van bij zodanige verdragen opgerichte volkenrechtelijke organisaties, alsmede in daarmee overeenkomende gevallen.

Afdeling 2. Teruggaven

Artikel 69a

  • 1 Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen wordt teruggaaf van accijns verleend voor minerale oliën die worden gebruikt voor de opwekking van elektriciteit in een installatie met een elektrisch vermogen van minimaal 60 kilowatt, voorzover de opgewekte elektriciteit wordt ingevoed op een Nederlands net dan wel, indien geen invoeding op een Nederlands net plaatsvindt, voorzover de opgewekte elektriciteit overeenkomstig artikel 50, derde lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag in de heffing van energiebelasting wordt betrokken.

  • 3 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 70

[Wijziging(en) op nader te bepalen datum(s); laatste bekendgemaakt in 2002. Zie het overzicht van wijzigingen]

  • 1 Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen wordt op verzoek teruggaaf van accijns verleend:

    • a. voor accijnsgoederen in gevallen waarin deze accijnsgoederen op de voet van artikel 65 zouden kunnen worden betrokken met vrijstelling;

    • b. ter zake van de levering van minerale oliën waarvoor op de voet van artikel 66 aanspraak op een vrijstelling zou bestaan;

    • c. ter zake van accijnsgoederen waarvoor op de voet van artikel 66a aanspraak op vrijstelling zou bestaan.

  • 2 De teruggaaf als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt verleend aan degene die een vergunning heeft ingevolge artikel 65, derde lid.

  • 3 De teruggaaf als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, wordt verleend aan degene die de levering heeft verricht.

  • 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 71

  • 1 Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen wordt op verzoek teruggaaf van accijns verleend voor accijnsgoederen die:

    • a. zijn verloren gegaan;

    • b. zijn vernietigd onder ambtelijk toezicht;

    • c. zijn gebracht naar een derdelandsgebied of een derde land;

    • d. zijn gebracht binnen een accijnsgoederenplaats die voor dat soort accijnsgoed als zodanig is aangewezen;

    • e. door een gecertificeerde afzender zijn overgebracht naar een gecertificeerde geadresseerde in een andere lidstaat;

    • f. zijn geleverd aan een in een andere lidstaat gevestigde persoon, niet zijnde een vergunninghouder van een belastingentrepot, een geregistreerde geadresseerde, een gecertificeerde geadresseerde of een zelfstandig bedrijf, en die door een in Nederland gevestigde afzender die een zelfstandige economische activiteit verricht of voor diens rekening direct of indirect worden verzonden of vervoerd.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 71a

[Wijziging(en) op nader te bepalen datum(s); laatste bekendgemaakt in 2002. Zie het overzicht van wijzigingen]

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 71d

  • 1 Op verzoek wordt teruggaaf van accijns verleend voor andere minerale oliën dan halfzware olie als bedoeld in GN-code 2710 19 21, indien die olie is afgeleverd in de brandstoftanks van en is gebruikt voor de voortstuwing van luchtvaartuigen, andere dan plezierluchtvaartuigen.

  • 2 De teruggaaf wordt verleend aan degene op wiens naam het luchtvaartuig is geregistreerd in het register voor burgerluchtvaartuigen, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, van de Wet luchtvaart. Ingeval teruggaaf wordt verzocht voor een in het buitenland geregistreerd luchtvaartuig, wordt deze verleend aan de eigenaar van dit luchtvaartuig dan wel aan degene die daartoe door deze is gemachtigd.

  • 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorwaarden en beperkingen worden gesteld ter uitvoering van de teruggaaf en kan in bij die regeling aangewezen gevallen een ander dan de in het tweede lid bedoelde persoon worden aangewezen als degene aan wie de teruggaaf wordt verleend.

Artikel 71e

[Wijziging(en) op nader te bepalen datum(s); laatste bekendgemaakt in 2010.
Vervalt op 01-01-2025.
Vervalt op nader te bepalen datum; bekendgemaakt in 2010.
Zie het overzicht van wijzigingen]

  • 1 Op verzoek wordt teruggaaf van accijns verleend voor vloeibaar gemaakt petroleumgas gebruikt voor verwarming ter bevordering van het groeiproces van tuinbouwproducten indien geen aansluiting aanwezig is voor aardgas.

  • 2 De teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, bedraagt € 177,79 per 1 000 kilogram vloeibaar gemaakt petroleumgas.

  • 3 De teruggaaf wordt verleend aan de tuinbouwer die het vloeibaar gemaakt petroleumgas gebruikt voor het in het eerste lid bedoelde gebruik.

  • 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 71g

Artikel 71h

  • 1 Op verzoek wordt teruggaaf van accijns verleend voor motorbrandstof die geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

    • a. biobrandstof als bedoeld in artikel 2, onderdeel i, van de Richtlijn hernieuwbare energie indien die biobrandstof voldoet aan duurzaamheidscriteria als bedoeld in artikel 17 van die richtlijn, blijkend uit een audit uitgevoerd door een onafhankelijk deskundige of uit een andere wijze als bedoeld in artikel 18 van die richtlijn;

    • b. hernieuwbare brandstof als bedoeld in artikel 9.7.1.1 van de Wet milieubeheer waarvoor een verklaring van de verificateur hernieuwbare brandstof als bedoeld in artikel 9.7.4.4, tweede lid, van die wet is afgegeven.

  • 2 Teruggaaf van accijns wordt slechts verleend:

    • a. over de hoeveelheid biobrandstof of hernieuwbare brandstof in motorbrandstof als bedoeld in het eerste lid, mits die biobrandstof of hernieuwbare brandstof een lagere energie-inhoud heeft dan de gelijkwaardige motorbrandstof waarvan het accijnstarief van toepassing is; en

    • b. indien 10 percent of meer van de in de motorbrandstof aanwezige energie afkomstig is van de biobrandstof of hernieuwbare brandstof, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 De teruggaaf van accijns bedraagt een percentage van het accijnstarief van de gelijkwaardige motorbrandstof, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a. Dit percentage is gelijk aan het verschil in energie-inhoud van de biobrandstof of hernieuwbare brandstof en die van de gelijkwaardige motorbrandstof, uitgedrukt als percentage van de energie-inhoud van de gelijkwaardige motorbrandstof.

  • 4 Voor de vaststelling van de energie-inhoud per volume van de biobrandstof of hernieuwbare brandstof en die van de gelijkwaardige motorbrandstof wordt voor zover mogelijk uitgegaan van hetgeen hiertoe is opgenomen in bijlage III van de Richtlijn hernieuwbare energie.

  • 5 De teruggaaf wordt verleend aan degene die de accijns ter zake van de uitslag tot verbruik verschuldigd is geworden.

  • 6 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden en beperkingen worden gesteld waaronder de teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend.

  • 7 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 72

  • 1 Teruggaaf van accijns wordt verleend tot ten hoogste het bedrag dat aan accijns is voldaan.

  • 2 Op een verzoek om teruggaaf van accijns beslist de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking.

Hoofdstuk VI. Bijzondere bepalingen

Afdeling a1. Kleine producenten van alcoholhoudende dranken

Artikel 72a

  • 1 Indien een vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats gebruik wil maken van een verlaagd tarief voor kleine producenten van alcoholhoudende dranken in een lidstaat van bestemming, dient hij in zijn administratie een verklaring op te nemen waarin ten minste is opgenomen:

    • a. de hoeveelheid alcoholhoudende dranken dat jaarlijks wordt vervaardigd in de accijnsgoederenplaats; en

    • b. de bevestiging dat de vergunninghouder voldoet aan de voor zover van toepassing zijnde criteria, bedoeld in artikel 4, tweede lid, artikel 9bis, tweede lid, artikel 13bis, vierde lid, artikel 18bis, derde lid, en artikel 22, tweede lid, van de Richtlijn 92/83/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken (PbEG 1992, L 316).

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen voorwaarden en beperkingen worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste lid.

Afdeling 1. Accijnszegels

Artikel 73

  • 1 Tabaksproducten moeten bij de uitslag tot verbruik zijn voorzien van het voor het desbetreffende tabaksproduct voorgeschreven accijnszegel. De accijnszegels zijn staatseigendom.

  • 2 Tabaksproducten die zijn bestemd voor het verbruik, bedoeld in artikel 2, tweede lid, mogen niet zijn voorzien van een accijnszegel.

  • 3 Bij ministeriële regeling kunnen, onder daarbij te stellen voorwaarden, gevallen worden aangewezen waarin het eerste lid niet van toepassing is.

Artikel 74

Een vergunning voor een accijnsgoederenplaats voor tabaksproducten kan, onverminderd het bepaalde in de artikelen 40, eerste en tweede lid, en 41, uitsluitend worden verkregen door degene die:

  • a. tabaksproducten produceert of verwerkt;

  • b. buiten Nederland geproduceerde of verwerkte tabaksproducten in Nederland van accijnszegels voorziet;

  • c. buiten Nederland geproduceerde of verwerkte tabaksproducten opslaat die buiten Nederland zijn voorzien van door hem aangevraagde Nederlandse accijnszegels;

  • d. tabaksproducten opslaat die zijn bestemd voor de in artikel 66a bedoelde bevoorrading van schepen en luchtvaartuigen of die vanuit die plaats worden overgebracht naar een belastingentrepot, naar een in een andere lidstaat gevestigde geregistreerde geadresseerde of naar een derde land.

Artikel 75

  • 1 Accijnszegels kunnen worden aangevraagd bij de zegelproducent door:

    • a. de vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats voor tabaksproducten;

    • b. de in Nederland gevestigde geregistreerde geadresseerde;

    • c. de fiscaal vertegenwoordiger van een niet in Nederland gevestigd bedrijf dat buiten Nederland tabaksproducten van accijnszegels voorziet;

    • d. een in Nederland gevestigd bedrijf dat buiten Nederland tabaksproducten van accijnszegels voorziet.

    De inspecteur beslist bij afwijzing van de aanvraag van accijnszegels bij voor bezwaar vatbare beschikking.

  • 2 Degene die accijnszegels wil aanvragen verzoekt bij de inspecteur om toestemming voor het aanvragen van accijnszegels. De inspecteur beslist op de aanvraag alsmede het intrekken van een toestemming bij voor bezwaar vatbare beschikking.

  • 3 Indien de fiscaal vertegenwoordiger, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, toestemming als bedoeld in het tweede lid wil verkrijgen ten behoeve van meerdere bedrijven, moet voor elk bedrijf afzonderlijk toestemming worden verkregen.

  • 4 Bij ministeriële regeling worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de toestemming, bedoeld in het tweede lid, wordt verleend.

  • 5 De toestemming voor de aanvraag van accijnszegels kan door de inspecteur worden ingetrokken ingeval:

    • a. niet wordt voldaan aan de bij ministeriële regeling bepaalde voorwaarden of de in de toestemming opgenomen voorwaarden;

    • b. geen of niet voldoende zekerheid is gesteld;

    • c. misbruik van de toestemming is gemaakt of een poging daartoe is gedaan;

    • d. degene aan wie de toestemming is verleend onherroepelijk is veroordeeld wegens het niet nakomen van een wettelijke bepaling inzake de accijns;

    • e. degene aan wie de toestemming is verleend in staat van faillissement verkeert of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is;

    • f. degene aan wie de toestemming is verleend daarom verzoekt.

  • 6 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden worden gesteld waaraan door degene die de accijnszegels aanvraagt moet worden voldaan.

  • 7 Van accijnszegels voorziene tabaksproducten worden uitgeslagen tot verbruik door degene die de accijnszegels heeft aangevraagd.

  • 8 In afwijking van het zevende lid kan onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen worden bepaald dat de tabaksproducten door een ander tot verbruik worden uitgeslagen.

  • 9 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent het aanvragen, het verkrijgbaar stellen, het verstrekken en het gebruik van accijnszegels.

Artikel 76

  • 1 Om de in artikel 75, tweede lid, bedoelde toestemming te kunnen verkrijgen stelt degene die de accijnszegels aanvraagt zekerheid voor het bedrag aan accijns dat de accijnszegels vertegenwoordigen.

  • 2 Het bedrag van de zekerheid wordt door de inspecteur vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking. De vaststelling geschiedt tot een zodanig bedrag dat het bedrag aan accijns dat de zegels vertegenwoordigen voldoende verzekerd kan worden geacht.

  • 3 Indien de vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats en de geregistreerde geadresseerde zekerheid hebben gesteld op de voet van artikel 56 kan die zekerheid mede dienen als zekerheid als bedoeld in het eerste lid.

  • 4 Met betrekking tot de zekerheid, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 57 tot en met 60 van overeenkomstige toepassing.

  • 5 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 77

  • 1 Accijnszegels die zijn ontvangen door degene die de zegels heeft aangevraagd en waarvan niet is aangetoond dat zij zijn aangebracht op tabaksproducten die zijn uitgeslagen tot verbruik, worden geacht te zijn vermist.

  • 2 Als vermiste accijnszegels worden niet aangemerkt accijnszegels die:

    • a. deel uitmaken van de zegelvoorraad;

    • b. retour zijn gezonden aan de inspecteur;

    • c. onder ambtelijk toezicht zijn vernietigd;

    • d. verloren zijn gegaan door overmacht of ongeval;

    • e. op tabaksproducten zijn aangebracht en waarvoor de accijns in een andere lidstaat verschuldigd is geworden, en de verwijdering of vernietiging van de accijnszegels ten genoegen van de inspecteur wordt aangetoond.

  • 3 Vanaf het moment dat de accijnszegels door of namens degene die de accijnszegels heeft aangevraagd in ontvangst zijn genomen op het distributiepunt, is degene die de accijnszegels heeft aangevraagd aansprakelijk voor het bedrag aan accijns dat de accijnszegels vertegenwoordigen.

  • 4 Degene die de accijnszegels heeft aangevraagd moet het bedrag aan accijns dat de vermiste accijnszegels vertegenwoordigen betalen.

  • 5 Het bedrag aan accijns dat de vermiste accijnszegels vertegenwoordigen wordt door de inspecteur vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking. Bij vaststelling van het bedrag aan accijns dat de vermiste accijnszegels vertegenwoordigen maakt de inspecteur het volgende onderscheid:

    • a. onbedrukte blanco accijnszegels: een bedrag aan accijns behorend bij een gewogen gemiddelde prijs en hoeveelheid per zegelaanvrager op het moment waarop het vermis wordt vastgesteld naar het op dat moment geldende tarief;

    • b. bedrukte accijnszegels: het bedrag wordt afgeleid uit in de administratie opgenomen prijs en hoeveelheid die is vermeld op de vermiste zegels naar het op dat moment geldende tarief.

  • 6 Voor de toepassing van dit artikel en de daarop gebaseerde bepalingen wordt verstaan onder:

    • a. onbedrukte blanco accijnszegels: accijnszegels die niet als bedrukte accijnszegels kunnen worden aangemerkt;

    • b. bedrukte accijnszegels: accijnszegels voor sigaretten of rooktabak die zijn voorzien van de gegevens met betrekking tot de soort tabaksproduct, de kleinhandelsprijs, de hoeveelheid en de tariefcode of accijnszegels voor sigaren die zijn voorzien van de gegevens met betrekking tot de soort tabaksproduct en de kleinhandelsprijs.

  • 8 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 78

  • 1 De accijnszegels worden aangebracht op de kleinhandelsverpakking van tabaksproducten.

  • 2 De accijnszegels voor sigaretten en rooktabak vermelden de kleinhandelsprijs, de tariefcode, de soort en het aantal stuks of de massa van het tabaksproduct waarop de zegels worden aangebracht. De accijnszegels voor sigaren vermelden de kleinhandelsprijs en de soort van het tabaksproduct waarop de zegels worden aangebracht.

  • 3 In afwijking van het eerste lid mogen sigaren stuksgewijs van een accijnszegel worden voorzien.

  • 4 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot:

    • a. de vorm en de kleur van de accijnszegels alsmede de daarop te vermelden gegevens;

    • b. de wijze waarop de accijnszegels worden aangebracht en voor herhaald gebruik ongeschikt moeten worden gemaakt;

    • c. de wijze van verpakking, de grootte van de inhoud van de verpakking en de op de verpakking te vermelden gegevens.

Artikel 79

  • 1 Op verzoek van degene die de zegels heeft aangevraagd kunnen accijnszegels onder ambtelijk toezicht worden vernietigd.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het retour zenden van accijnszegels en de vernietiging van accijnszegels onder ambtelijk toezicht.

Afdeling 2. Controlebepalingen

Artikel 80

  • 1 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, ter verzekering van de heffing van accijns, regels worden gesteld met betrekking tot:

    • a. het vervoer van accijnsgoederen;

    • b. het leveren van accijnsgoederen;

    • c. het voorhanden hebben van accijnsgoederen buiten een accijnsgoederenplaats.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op accijnsgoederen die de douanestatus hebben of hebben gekregen van niet-Uniegoederen als bedoeld in artikel 5, vierentwintigste lid, van het Douanewetboek van de Unie.

  • 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 81

In de vergunning voor een accijnsgoederenplaats voor tabaksproducten kan worden toegestaan dat de vergunninghouder onder daarbij te stellen voorwaarden gedeeltelijk tot verbruik bereide tabak en tabaksproducten, al dan niet voorzien van accijnszegels, tijdelijk buiten de accijnsgoederenplaats bepaalde bewerkingen of verpakkingshandelingen kan laten ondergaan zonder dat het tijdelijk buiten de accijnsgoederenplaats brengen van die producten, in afwijking van artikel 2, eerste lid, onderdeel a, wordt aangemerkt als uitslag tot verbruik.

Artikel 82

  • 1 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, ter verzekering van de heffing van de accijns van tabaksproducten, regels worden gesteld met betrekking tot de handel in en het vervoer van ruwe tabak en van gedeeltelijk tot verbruik bereide tabak.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 83

  • 1 De inspecteur is bevoegd alle gedeelten van een gebouw, niet zijnde woningen, en alle grond aan onderzoek te onderwerpen.

  • 4 Ten behoeve van het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, is, overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen regels, op vordering van de inspecteur of een door hem aangewezen ambtenaar:

    • a. de gezagvoerder van een schip gehouden het schip terstond vaart te doen minderen, te doen bijdraaien of te doen stilhouden en aanleggen;

    • b. de bestuurder van een ander vervoermiddel dan een schip gehouden dit terstond te doen stilhouden en, indien het vervoermiddel door mechanische kracht wordt voortbewogen, de motor buiten werking te stellen.

  • 5 De in het vierde lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd een vervoermiddel, als bedoeld in het vierde lid, te brengen of te doen brengen naar een nabij gelegen plaats. De gezagvoerder of bestuurder is verplicht desgevorderd zijn voor het onderzoek en het vervoer noodzakelijke medewerking te verlenen en de ambtenaren met het vervoermiddel te vervoeren.

  • 6 De inspecteur kan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid, gebruikmaken van de benodigde apparatuur of dieren.

Artikel 84

  • 1 De inspecteur of een door hem aangewezen ambtenaar die het onderzoek verricht, kan vorderen dat van goederen één of meer monsters worden verstrekt.

  • 2 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent het nemen van monsters.