Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928

Geldend van 17-07-1996 t/m 31-05-2007

Besluit van 23 november 1990, tot vaststelling van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 4 mei 1990, nr. J. 905759, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Financiën;

Gelet op de artikelen 1, derde lid, en 2, tweede lid, van de Natuurschoonwet 1928 (Stb. 1989, 252);

De Raad van State gehoord (advies van 10 juli 1990, no. W11.90.0201);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 8 november 1990, nr. J. 9013303, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Financiën;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

Dit besluit verstaat onder:

  • a. landgoed: landgoed in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Natuurschoonwet 1928;

  • b. houtopstanden: bossen of andere houtopstanden, mits zij zijn aangeslagen en er na de aanplant tenminste twee jaren zijn verlopen, met dien verstande dat kweekgoed, kerstboomteelten, laagstamboomgaarden en snijgrienden niet worden gerekend tot houtopstanden;

  • c. buitenplaats: een in oorsprong versterkt huis, een kasteel, buitenhuis of landhuis, eventueel met bijgebouwen en omgeven door een tuin of een park;

  • d. historische tuin of historisch park: tuin of park waarvan de eerste aanleg dateert van vóór 1850 en welke aanleg nog herkenbaar aanwezig is;

  • e. natuurterreinen: heidevelden, hoogveenterreinen, zandverstuivingen, duinterreinen, kwelders, schorren, gorzen, slikken, riet- en ruigtlanden, laagveenmoerassen, voor zover het geen landbouwgrond is.

Artikel 2

  • 1 Om als een landgoed te kunnen worden aangemerkt, dient een onroerende zaak te voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a. de oppervlakte van de onroerende zaak bedraagt tenminste 5 hectare;

    • b. de onroerende zaak vormt een aaneengesloten gebied;

    • c. tenminste 30 percent van de oppervlakte van de onroerende zaak is bezet met houtopstanden en

    • d. het soort gebruik dat van de onroerende zaak wordt gemaakt, maakt geen inbreuk op het natuurschoon.

  • 2 Voorzover de niet met houtopstanden bezette terreinen, de opstallen en de wateren, alsmede het soort gebruik dat daarvan en van de met houtopstanden bezette terreinen wordt gemaakt, inbreuk maken op het natuurschoon, worden die terreinen, die opstallen en die wateren voor de toepassing van dit besluit niet gerekend deel uit te maken van de als landgoed aangemerkte onroerende zaak.

  • 3 Een onroerende zaak wordt eveneens als een aaneengesloten gebied als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, aangemerkt, indien de samenstellende delen van die onroerende zaak gescheiden worden door een weg, dijk, spoorweg of waterloop die elk naar aard, verschijningsvorm of het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op het natuurschoon van de onroerende zaak.

  • 4 Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel c, worden tot de met houtopstanden bezette oppervlakte van de onroerende zaak mede gerekend kapvlakten, waarop een herplantplicht rust ingevolge de Boswet en welke niet groter zijn dan 15 percent van de oppervlakte van de met houtopstanden bezette terreinen tot ten hoogste 5 hectare, met dien verstande dat een kapvlakte van 0,5 hectare of minder wordt aangemerkt als een met houtopstanden bezet terrein.

Artikel 3

  • 1 In afwijking van artikel 2, eerste lid, onderdelen a en c, kan een onroerende zaak met een oppervlakte van minder dan 5 hectare als een landgoed worden aangemerkt, indien op die onroerende zaak een buitenplaats is gelegen met een architectonisch daarmee verbonden historische tuin of historisch park van tenminste 1 hectare en voorts op die onroerende zaak een beschermd monument is gelegen dat is ingeschreven in een register als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 (Stb. 638).

  • 2 In afwijking van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, kan een onroerende zaak waarvan de oppervlakte voor tenminste 20 percent met houtopstanden is bezet als landgoed worden aangemerkt, indien de oppervlakte voorts voor tenminste 50 percent bestaat uit natuurterreinen.

  • 3 In afwijking van artikel 2, eerste lid, onderdeel c, en in afwijking van artikel 3, tweede lid, kan voorts een onroerende zaak, waarvan nog niet ten minste 30 percent, onderscheidenlijk ten minste 20 percent van de oppervlakte met houtopstanden is bezet, als landgoed worden aangemerkt, indien blijkens een beplantingsplan als bedoeld in artikel 7, tweede lid, en blijkens een begin van de feitelijke uitvoering daarvan, het voornemen bestaat om de onroerende zaak in voldoende mate met houtopstanden te bezetten, mits de onroerende zaak naar het oordeel van Onze Ministers van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van Financiën na afloop van de in artikel 3a, eerste lid, van de Natuurschoonwet 1928 genoemde termijn aan alle voorwaarden voor aanmerking als landgoed zal voldoen.

Artikel 4

Als inbreuk makend op het natuurschoon, bedoeld in artikel 2, tweede lid, wordt in ieder geval beschouwd de omstandigheid dat terreinen die op de onroerende zaak zijn gelegen, zijn ingericht of worden gebruikt:

  • a. voor industriële doeleinden;

  • b. voor mijnbouw;

  • c. voor glastuinbouw;

  • d. als stortplaats voor afval;

  • e. als opslagplaats voor andere materialen dan die afkomstig uit of bestemd voor de land- en bosbouw op de onroerende zaak;

  • f. voor auto- of motorsport;

  • g. voor intensieve dag- of verblijfsrecreatie anders dan terreinen die zijn ingericht met inachtneming van het bepaalde in artikel 6, tweede lid.

Artikel 5

Onverminderd het bepaalde in artikel 4 wordt als inbreuk makend op het natuurschoon, bedoeld in artikel 2, tweede lid, in ieder geval niet beschouwd de omstandigheid dat op de onroerende zaak:

  • a. parken of tuinen zijn gelegen, die behoren bij een buitenplaats;

  • b. landschappelijk aangelegde parken of landschapsstructuren die vanouds behoren bij een buitenplaats zijn gelegen, waarvan de eerste aanleg dateert van vóór 1850, welke nog herkenbaar aanwezig is, en voorts op die onroerende zaak een beschermd monument dat is ingeschreven in een register als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 is gelegen;

  • c. terreinen zijn gelegen, die vanouds het vrije uitzicht mogelijk maken op of vanuit een op die onroerende zaak gelegen opstal daterend van vóór 1850, voor zover die terreinen aan weerszijden worden begrensd door houtopstanden;

  • d. opstallen zijn gelegen, die vóór 1 januari 1940 zijn gebouwd en die na de genoemde datum uiterlijk hun karakter hebben behouden;

  • e. andere opstallen dan die bedoeld in onderdeel d zijn gelegen, indien zij grotendeels functioneel zijn voor de instandhouding of voor het beheer van de onroerende zaak, en die, ingeval zij door hun verschijningsvorm inbreuk maken op het natuurschoon, aan het oog zijn onttrokken door beplanting;

  • f. waterpartijen voorkomen, dan wel waterlopen die noodzakelijk zijn voor de waterhuishouding van de onroerende zaak;

  • g. terreinen zijn gelegen, die worden gebruikt voor de landbouw voor zover elk van die terreinen:

    • 1°. een oppervlakte van 5 hectare niet te boven gaat, of, zo dit meer is, die oppervlakte niet meer bedraagt dan 5 percent van de oppervlakte van de onroerende zaak tot een maximale oppervlakte van 20 hectare, en de omtrek van dat terrein voor tenminste 75 percent is omgeven door houtopstanden, dan wel de omtrek van dat terrein voor tenminste 50 percent is omgeven door een nagenoeg aaneengesloten houtopstand en voorts visueel van de aangrenzende terreinen is gescheiden door een of meer bomen die bepalend zijn voor het landschap;

    • 2°. tezamen met een of meer aangrenzende, niet door houtopstanden gescheiden, voor de landbouw gebruikte terreinen een oppervlakte van 20 hectare niet te boven gaat en de gezamenlijke omtrek van die terreinen voor 100 percent is omgeven door houtopstanden;

  • h. parkeerterreinen van beperkte omvang zijn gelegen, voor zover deze zijn bestemd voor gebruik door de eigenaar, door de gebruiker of door de bezoekers van de onroerende zaak.

Artikel 6

  • 1 als inbreuk makend op het natuurschoon, bedoeld in artikel 2, tweede lid, wordt niet beschouwd de omstandigheid dat op de onroerende zaak een of meer kampeerterreinen zijn gelegen, mits:

    • a. op een onroerende zaak met een oppervlakte van tenminste 25 hectare niet meer dan één kampeerterrein is gelegen;

    • b. op een onroerende zaak met een oppervlakte van tenminste 100 hectare niet meer dan twee kampeerterreinen zijn gelegen;

    • c. op een onroerende zaak met een oppervlakte van tenminste 250 hectare niet meer dan drie kampeerterreinen zijn gelegen.

  • 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder kampeerterrein verstaan een terrein dat is ingericht of kennelijk duurzaam wordt gebruikt voor het kamperen en:

    • a. waarvan de oppervlakte niet groter is dan 1 hectare;

    • b. dat niet is gelegen op een natuurterrein, dan wel in een historisch park of in een historische tuin;

    • c. dat, wat betreft een onroerende zaak met een oppervlakte van tenminste 100 hectare, op meer dan 500 meter van een ander kampeerterrein op die onroerende zaak is gelegen;

    • d. waarop geen andere voorzieningen zijn aangebracht dan die voor de toevoer van gas, electriciteit en water en voor sanitaire behoeften;

    • e. waarop geen vaste standplaatsen zijn aangelegd.

Artikel 7

  • 1 Bij een verzoek aan Onze Ministers van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van Financiën om een onroerende zaak aan te merken als een landgoed moeten worden overgelegd:

    • a. uittreksels uit de kadastrale legger en uit de kadastrale plans die op de onroerende zaak betrekking hebben;

    • b. een beschrijving, overeenkomstig een door die ministers vast te stellen model, van:

      • 1°. de vanuit een oogpunt van natuurschoon kenmerkende structuren en elementen van de onroerende zaak;

      • 2°. de hoedanigheid van de terreinen, de opstallen en het soort gebruik dat van die terreinen en van die opstallen wordt gemaakt;

    • c. een beschrijving van de historische ontwikkeling van de onroerende zaak;

    • d. een topografische kaart (schaal 1 : 10.000) van de onroerende zaak, waarop de in onderdeel b, onder 1°, bedoelde structuren en elementen zijn aangegeven.

  • 2 Bij een verzoek om een onroerende zaak als landgoed aan te merken met toepassing van artikel 3, derde lid, dient tevens te worden overgelegd:

    • a. een beplantingsplan, waarvan het model door Onze Ministers van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van Financiën wordt vastgesteld en

    • b. een duidelijke kaart of plattegrond, waarop de tot de onroerende zaak behorende percelen die geheel of gedeeltelijk met houtopstanden bezet zullen worden zijn aangegeven, onder vermelding van de kadastrale perceelsnummers.

  • 3 Indien met betrekking tot een onroerende zaak regelen inzake openstelling voor het publiek ter goedkeuring aan Onze Ministers van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van Financiën worden voorgelegd, dienen op een afzonderlijke topografische kaart (schaal 1 : 10.000) de wegen en paden die voor het publiek toegankelijk zijn, te worden aangegeven.

Artikel 9

  • 1 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

  • 2 Dit besluit kan worden aangehaald als: Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

's-Gravenhage, 23 november 1990

Beatrix

De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

J. D. Gabor

De Staatssecretaris van Financiën,

M. J. J. van Amelsvoort

Uitgegeven de eenendertigste december 1990.

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

Terug naar begin van de pagina