Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften

Geldend van 01-05-2019 t/m heden

Wet van 3 juli 1989, houdende administratiefrechtelijke afdoening van inbreuken op bepaalde verkeersvoorschriften

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels vast te stellen om op zichzelf niet ernstige gedragingen in strijd met verkeersvoorschriften, gesteld bij of krachtens de Wegenverkeerswet en enkele andere wetten, in plaats van op strafrechtelijke wijze op administratiefrechtelijke wijze af te kunnen doen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Begripsbepalingen

Artikel 1

  • 1 In deze wet wordt verstaan onder:

    Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie;

    aanhangwagen, motorrijtuig, kenteken en rijbewijs: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

    bestuurder: alle weggebruikers behalve voetgangers;

    kentekenregister: het register, bedoeld in artikel 42 van de Wegenverkeerswet 1994;

    gedraging: een gedraging als bedoeld in artikel 2, eerste lid;

    administratieve sanctie: de aan de Staat te betalen geldsom, bedoeld in artikel 2;

    adres: aanduiding van straatnaam, huisnummer, plaatsnaam en postcode van het woonhuis van de betrokkene.

  • 2 In deze wet wordt mede verstaan onder:

    bestuurder: degene die wordt geacht een motorrijtuig onder zijn onmiddellijk toezicht te doen besturen;

    kenteken: het kenteken waaronder een motorrijtuig in het buitenland is geregistreerd, het registratienummer, vermeld op het registratiebewijs, afgegeven voor een motorrijtuig gebezigd ten behoeve van de strijdkrachten, alsmede enig ander registratienummer waaronder een motorrijtuig in Nederland mag worden geregistreerd;

    kentekenregister: een buitenlands register betreffende aldaar geregistreerde motorrijtuigen, de registratie betreffende motorrijtuigen gebezigd ten behoeve van de strijdkrachten, bijgehouden door Onze Minister van Defensie, alsmede enig andere registratie betreffende motorrijtuigen, waarvan de houder gerechtigd is deze in Nederland te voeren;

    rijbewijs: een door het bevoegde gezag in het buitenland afgegeven rijbewijs, alsmede een door het militaire gezag afgegeven rijbewijs.

Hoofdstuk II. Toepassingsgebied van de wet

Artikel 2

  • 1 Ter zake van de in de bijlage bij deze wet omschreven gedragingen die in strijd zijn met op het verkeer betrekking hebbende voorschriften gesteld bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994, de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, de Provinciewet of de Gemeentewet, kunnen op de wijze bij deze wet bepaald administratieve sancties worden opgelegd. Ingeval een administratiefrechtelijke sanctie wordt opgelegd zijn voorzieningen van strafrechtelijke of strafvorderlijke aard uitgesloten.

  • 2 Als gedragingen in de zin van het eerste lid worden niet beschouwd die gedragingen waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.

  • 3 Voor elke gedraging bepaalt de in het eerste lid bedoelde bijlage de aan de Staat te betalen geldsom. Deze geldsom kan per gedraging niet meer zijn dan het bedrag van de geldboete van de eerste categorie.

  • 4 De in het derde lid bedoelde geldsom wordt voor personen die ten tijde van de gedraging nog geen zestien jaar oud waren, gehalveerd.

  • 5 De in het eerste lid bedoelde bijlage kan bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd. De voordracht van deze algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

  • 6 Een algemene maatregel van bestuur, als bedoeld in het vijfde lid, wordt vastgesteld op voordracht van Onze Minister en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.

Artikel 2a

De titels 4.4, 5.1 en 5.4 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing op het opleggen en de inning van een administratieve sanctie en de administratiekosten op grond van deze wet.

Hoofdstuk III. Administratieve sanctie

Artikel 3

  • 1 Met het toezicht op de naleving van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde voorschriften zijn belast de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen ambtenaren.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd tot het opleggen van een administratieve sanctie ter zake van de door hen of op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedragingen aan personen die de leeftijd van twaalf jaren hebben bereikt.

  • 3 De officier van justitie in het arrondissement waar de in het eerste lid bedoelde ambtenaren optreden, houdt toezicht op de wijze waarop zij van de hun verleende bevoegdheid gebruik maken. Hij kan daaromtrent beleidsregels vaststellen. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het toezicht op de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde ambtenaren van de hun verleende bevoegdheid gebruik maken en de intrekking van die bevoegdheid.

  • 4 Het College van procureurs-generaal houdt toezicht op de bij deze wet geregelde handhaving van verkeersvoorschriften. Het geeft daartoe bevelen aan de hoofden van de arrondissementsparketten.

Artikel 4

  • 1 De administratieve sanctie wordt opgelegd bij een gedagtekende beschikking. De beschikking bevat een korte omschrijving, onder verwijzing naar de aanduiding in de bijlage, van de gedraging ter zake waarvan zij is gegeven en het voor die gedraging bepaalde bedrag van de administratieve sanctie, de datum en het tijdstip waarop, alsmede de plaats waar de gedraging is geconstateerd. Bij ministeriële regeling worden het model van de beschikking en dat van de aankondiging van de beschikking vastgesteld, of de eisen waaraan het model moet voldoen.

  • 2 De bekendmaking van de beschikking geschiedt binnen vier maanden nadat de gedraging heeft plaatsgevonden, door toezending van de beschikking aan het adres dat betrokkene heeft opgegeven. Indien dat niet mogelijk is en de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, dient de bekendmaking van de beschikking binnen vier maanden nadat de naam en het adres van de kentekenhouder van dat motorrijtuig bekend zijn te geschieden, door toezending van de beschikking aan dat adres, met dien verstande dat de bekendmaking van de beschikking geschiedt uiterlijk binnen vijf jaar nadat de gedraging heeft plaatsgevonden. Indien dat niet mogelijk is en de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, dient de bekendmaking van de beschikking binnen vier maanden nadat de naam en het adres van de kentekenhouder van dat motorrijtuig bekend zijn te geschieden, door toezending van de beschikking aan dat adres, met dien verstande dat de bekendmaking van de beschikking geschiedt uiterlijk binnen vijf jaar nadat de gedraging heeft plaatsgevonden. Indien de brief onbestelbaar blijkt te zijn, wordt de beschikking gezonden naar het in de basisregistratie personen vermelde adres, tenzij dit hetzelfde is als hetgeen is opgenomen in het kentekenregister. Indien de brief ook op het in de basisregistratie personen opgenomen adres onbestelbaar blijkt te zijn, wordt de beschikking geacht aan de betrokkene bekend te zijn.

  • 3 Een aankondiging van de beschikking kan worden uitgereikt aan degene tot wie zij zich richt of kan worden achtergelaten in of aan het motorrijtuig.

  • 4 In een geval als bedoeld in artikel 31, eerste lid, geschiedt de bekendmaking door uitreiking van de beschikking aan betrokkene. De weigering de beschikking in ontvangst te nemen, schort de bekendmaking daarvan niet op.

  • 5 De beschikking vermeldt de dag waarop krachtens artikel 23 de sanctie en de administratiekosten uiterlijk moet zijn voldaan. Tevens vermeldt de beschikking een beschikkingsnummer en de door Onze Minister bepaalde wijze waarop de sanctie, alsmede de verhogingen die krachtens artikel 23, derde lid, en artikel 25 op de administratieve sanctie vallen, indien deze niet tijdig wordt voldaan, dient te worden voldaan.

Artikel 5

Indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 31, tweede lid, de administratieve sanctie opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Daarbij wordt hij gewezen op het bepaalde in artikel 8.

Artikel 5a

Indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig, waarmee een aanhangwagen waarvoor een kenteken is vereist, wordt voortbewogen, dan wel waaraan een aanhangwagen waarvoor een kenteken is vereist, is gekoppeld, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 31, tweede lid, de administratieve sanctie opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken van het motorrijtuig ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Indien het kenteken van het motorrijtuig niet is vastgesteld, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 31, tweede lid, de administratieve sanctie opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken van de aanhangwagen ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. In beide gevallen wordt hij gewezen op het bepaalde in artikel 8.

Artikel 5b

  • 1 Indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarmee een niet-kentekenplichtige aanhangwagen wordt voortbewogen, dan wel waaraan een niet-kentekenplichtige aanhangwagen is gekoppeld, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 31, tweede lid, de administratieve sanctie opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken van het trekkend motorrijtuig ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven.

  • 2 Indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een kentekenplichtige aanhangwagen, wordt de administratieve sanctie opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken van de aanhangwagen ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Indien het kenteken van de aanhangwagen niet is vastgesteld, dan wel indien de aanhangwagen niet kentekenplichtig is, wordt de administratieve sanctie opgelegd aan degene die ten tijde van de gedraging eigenaar of houder was van de aanhangwagen.

  • 3 Indien sprake is van een geval als bedoeld in het eerste of tweede lid dan wordt daarbij gewezen op het bepaalde in artikel 8.

Artikel 5c

Indien geen administratieve sanctie kan worden opgelegd, omdat degene die ten tijde van de geconstateerde gedraging met of door middel van een motorrijtuig met een kenteken als bedoeld in artikel 4 van het Kentekenreglement was ingeschreven in het kentekenregister immuniteit geniet op grond van het volkenrecht, verstrekt de officier van justitie de gegevens, genoemd in artikel 4, eerste lid, tweede volzin aan Onze Minister van Buitenlandse Zaken ten behoeve van het versturen van een notificatie aan deze kentekenhouder.

Hoofdstuk IV. Administratief beroep en bezwaar bij de officier van justitie

Artikel 6

  • 1 Tegen de oplegging van de administratieve sanctie kan degene tot wie de beschikking is gericht, beroep instellen bij de officier van justitie.

Artikel 8

De officier van justitie vernietigt de beschikking indien, in het geval van artikel 5 onderscheidenlijk artikel 5a, degene op wiens naam het kenteken in het kentekenregister is ingeschreven:

  • a. aannemelijk maakt dat tegen zijn wil door een ander van het motorrijtuig onderscheidenlijk de aanhangwagen gebruik is gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen,

  • b. een voor een termijn van ten hoogste drie maanden schriftelijk bedrijfsmatig aangegane huurovereenkomst overlegt waaruit blijkt wie ten tijde van de gedraging de huurder van het motorrijtuig onderscheidenlijk de aanhangwagen was, dan wel

  • c. een vrijwaringsbewijs, bedoeld in artikel 1, onderdeel i, van het Kentekenreglement, of een verklaring als bedoeld in de artikelen 31 tot en met 33 van het Kentekenreglement, overlegt waaruit blijkt dat hij ten tijde van de gedraging geen eigenaar of houder meer was van het betrokken motorrijtuig onderscheidenlijk de betrokken aanhangwagen.

In de onder a, b en c bedoelde gevallen is de officier van justitie bevoegd tot het opleggen van een administratieve sanctie aan degene die de gedraging heeft verricht of aan degene die de huurder van het motorrijtuig onderscheidenlijk de aanhangwagen was, dan wel aan degene aan wie het motorrijtuig onderscheidenlijk de aanhangwagen werd overgedragen. De artikelen 4, 6 en 7 zijn alsdan van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de beschikking uiterlijk binnen acht maanden nadat de gedraging heeft plaatsgevonden wordt bekendgemaakt.

Hoofdstuk V. Beroep bij de kantonrechter van de rechtbank

Artikel 9

  • 2 Het beroep kan worden ingesteld ter zake dat:

    • a. de gedraging niet is verricht of dat, buiten het geval van artikel 5, degene tot wie de beschikking is gericht, de gestelde gedraging niet heeft verricht;

    • b. de officier van justitie had moeten beslissen dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden, het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken dan wel dat hij, gelet op de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert, een lager bedrag van de administratieve sanctie had moeten vaststellen;

    • c. de officier van justitie ten onrechte de beschikking niet op grond van artikel 8 heeft vernietigd.

Artikel 10

De officier van justitie brengt het beroepschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ter kennis van de rechtbank van het arrondissement waarin de gedraging is verricht, dan wel bij de rechtbank van het arrondissement waarin de woonplaats van de betrokkene is gelegen.

Artikel 11

  • 1 Het beroepschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken worden door de officier van justitie aan de rechtbank ter kennis gebracht binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie en de administratiekosten, dan wel nadat de termijn daarvoor is verstreken.

  • 2 Indien de administratieve sanctie ten minste € 225 bedraagt, dient zekerheid te worden gesteld voor de betaling van € 225 en de administratiekosten. Voor personen die ten tijde van de gedraging nog geen 16 jaar oud waren, geldt de helft van de in de eerste volzin genoemde bedragen.

  • 3 Indien de officier van justitie geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift tegemoetgekomen is, kan de in het eerste lid bedoelde termijn zonodig met vier weken worden verlengd.

  • 4 De zekerheid wordt door de indiener gesteld bij Onze Minister, hetzij op de door Onze Minister voorgeschreven wijze, hetzij anderszins door overboeking op de rekening van Onze Minister. De officier van justitie wijst de indiener van het beroepschrift na de ontvangst ervan op de verplichting tot zekerheidstelling en deelt hem mee dat de zekerheidstelling dient te geschieden binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling. Indien de zekerheidstelling niet binnen deze termijn is geschied, wordt het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

  • 5 Alle op een beroepschrift betrekking hebbende stukken worden, indien zekerheidstelling heeft plaatsgevonden, nedergelegd ter griffie van de rechtbank. Hiervan wordt door de griffier mededeling gedaan aan degene die het beroep heeft ingesteld. De betrokkene of zijn gemachtigde kan binnen een door de kantonrechter bepaalde en aan hem door de griffier medegedeelde termijn, deze stukken inzien en daarvan afschriften of uittreksels vragen. Op de voor de verstrekking van afschriften en uittreksels aan de betrokkene of zijn gemachtigde in rekening te brengen vergoedingen is het ter zake bepaalde bij of krachtens de Wet griffierechten burgerlijke zaken van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12

  • 1 De kantonrechter stelt, alvorens te beslissen, partijen in de gelegenheid om op een door de kantonrechter bepaalde dag en uur op een openbare zitting hun zienswijze nader toe te lichten. Zij worden daartoe door de griffier opgeroepen. De oproep aan degene die het beroep heeft ingesteld wordt gericht aan het in het beroepschrift vermelde adres.

  • 2 Degene die het beroep heeft ingesteld, kan zich ter zitting doen bijstaan of doen vertegenwoordigen door een advocaat of door een daartoe schriftelijk door hem gemachtigde.

  • 3 Ter zitting kunnen getuigen en deskundigen worden meegebracht, ten einde door de kantonrechter te worden gehoord. Deze kan ambtshalve of op verzoek ook andere personen als getuige of deskundige horen.

  • 4 De kantonrechter kan bevelen, dat getuigen niet zullen worden gehoord en tolken niet tot de uitoefening van hun taak zullen worden toegelaten dan na het afleggen van de eed of belofte.

  • 5 Zij leggen in dat geval ten overstaan van hem de eed of belofte af; de getuigen: dat zij zullen zeggen de gehele waarheid en niets dan de waarheid; de tolken: dat zij hun plichten als tolk met nauwkeurigheid zullen vervullen. De deskundigen zijn verplicht hun taak onpartijdig en naar beste weten te verrichten.

Artikel 13

  • 1 Indien de kantonrechter bevindt dat het beroep ontvankelijk is en dat de beslissing van de officier van justitie niet of niet ten volle gehandhaafd kan worden, verklaart de kantonrechter het beroep geheel of gedeeltelijk gegrond en vernietigt of wijzigt het daarbij de bestreden beslissing.

  • 2 De beslissing van de kantonrechter is met redenen omkleed en wordt hetzij terstond, hetzij uiterlijk veertien dagen nadien, op een openbare zitting uitgesproken.

  • 3 De beslissing wordt in het proces-verbaal der zitting aangetekend. De aantekening bevat de gronden waarop de beslissing berust. Een afschrift van de aantekening van de beslissing wordt toegezonden aan partijen.

Artikel 13a

  • 2 In geval van een veroordeling in de kosten ten behoeve van een partij aan wie ter zake van het beroep bij de kantonrechter, het bezwaar of het administratief beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, wordt het bedrag van de kosten betaald aan de rechtsbijstandverlener. De rechtsbijstandverlener stelt de belanghebbende zoveel mogelijk schadeloos voor de door deze voldane eigen bijdrage. De rechtsbijstandverlener doet aan de Raad voor rechtsbijstand opgave van een kostenvergoeding door het bestuursorgaan.

  • 3 In geval van een veroordeling in de kosten ten behoeve van de indiener van het beroepschrift worden de kosten door de Staat der Nederlanden vergoed.

Artikel 13b

  • 1 In geval van intrekking van het beroep omdat de officier van justitie geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de officier van justitie op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 13a in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep. Indien aan dit vereiste niet is voldaan, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek wordt bij de officier van justitie ingediend.

  • 2 De kantonrechter stelt de verzoeker zo nodig in de gelegenheid het verzoek schriftelijk toe te lichten en stelt de officier van justitie in de gelegenheid een verweerschrift in te dienen. Hij stelt hiervoor termijnen vast. Indien het verzoek mondeling wordt gedaan, kan de kantonrechter bepalen dat het toelichten van het verzoek en het voeren van verweer onmiddellijk mondeling geschieden.

  • 3 Indien het toelichten van het verzoek en het voeren van verweer mondeling zijn geschied, sluit de kantonrechter het onderzoek.

  • 4 Indien het verzoek schriftelijk wordt toegelicht, nodigt de kantonrechter partijen uit ter zitting te verschijnen. Indien partijen daarvoor toestemming hebben gegeven, kan de kantonrechter bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. De kantonrechter kan ook ambtshalve besluiten het verzoek buiten zitting af te doen. De kantonrechter sluit vervolgens het onderzoek.

Hoofdstuk VI. Hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Artikel 14

  • 1 Degene die bij de rechtbank beroep heeft ingesteld, alsmede de officier van justitie, kunnen tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, tenzij de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing niet meer bedraagt dan € 70.

  • 2 Eveneens kan degene die bij de rechtbank beroep heeft ingesteld doch daarin met toepassing van het bepaalde in artikel 11, vierde lid, niet-ontvankelijk is verklaard, tegen die beslissing hoger beroep instellen op de grond dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de zekerheid niet dan wel niet tijdig is gesteld dan wel ten onrechte niet heeft geoordeeld dat de indiener redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.

Artikel 15

  • 1 In afwijking van artikel 6:4 van de Algemene wet bestuursrecht geschiedt het instellen van hoger beroep door het indienen van een beroepschrift bij de rechtbank van de kantonrechter tegen wiens beslissing het beroep is gericht.

  • 2 Nadat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, zendt de griffier van de rechtbank het ingekomen beroepschrift met de stukken van het geding en een afschrift van de beslissing onverwijld ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in.

Artikel 16

  • 1 Het gerechtshof beslist, behoudens het bepaalde in het tweede lid, in enkelvoudige kamers.

  • 2 De oudste in rang van de voorzitters van de meervoudige kamers regelt de verdeling van de werkzaamheden over de kamers. Indien de voorzitter de zaak niet vatbaar acht voor afdoening door een enkelvoudige kamer, wijst hij voor de behandeling van de zaak de meervoudige kamer aan.

  • 3 De voorzitter is bevoegd een reeds door een meervoudige kamer in behandeling genomen zaak op voordracht van die kamer te verwijzen naar een enkelvoudige kamer.

  • 4 Een enkelvoudige kamer kan een zaak in iedere stand van het geding naar een meervoudige kamer verwijzen.

Artikel 18

  • 1 Nadat het hoger beroep is ingesteld treedt de advocaat-generaal bij het ressortsparket als partij in de plaats van de officier van justitie.

  • 2 De officier van justitie verstrekt de advocaat-generaal bij het ressortsparket de nodige inlichtingen.

Artikel 19

  • 1 De griffier van het gerechtshof zendt een door hem voor eensluidend getekend afschrift van het beroepschrift onverwijld toe aan degene, die mede tot het instellen van hoger beroep gerechtigd was.

  • 2 Deze kan binnen vier weken nadat het afschrift is verzonden, bij het gerechtshof een ondertekend verweerschrift indienen.

  • 3 De griffier van het gerechtshof zendt een door hem voor eensluidend getekend verweerschrift onverwijld aan degene die hoger beroep heeft ingesteld. Deze kan binnen twee weken nadat het afschrift van het verweerschrift is verzonden schriftelijk een nadere toelichting geven op zijn beroep. Indien een nadere toelichting gegeven wordt, stelt het gerechtshof de in het eerste lid bedoelde persoon in de gelegenheid hierop eveneens binnen twee weken te reageren.

  • 4 Partijen kunnen afschriften van of uittreksels uit door hen omschreven stukken verkrijgen. Op de voor de verstrekking van afschriften of uittreksels in rekening te brengen vergoedingen is het bij of krachtens de Wet griffierechten burgerlijke zaken bepaalde van overeenkomstige toepassing.

Artikel 20

Het gerechtshof kan partijen en zonodig getuigen en deskundigen opdragen binnen een bepaalde termijn schriftelijk inlichtingen te geven of onder hen berustende stukken in te zenden.

Artikel 20a

  • 1 Een partij kan schriftelijk verzoeken om een behandeling ter zitting. Zodanig verzoek wordt ingediend bij het beroepschrift of, indien een verweerschrift is ingediend, uiterlijk binnen twee weken na verzending daarvan door het gerechtshof aan de wederpartij.

  • 2 De voorzitter van de kamer die de zaak in behandeling heeft bepaalt dag en uur van de behandeling ter zitting.

  • 3 De zitting is openbaar.

Artikel 20b

Indien de zaak op een zitting zal worden behandeld worden de stukken van het geding neergelegd ter griffie van het gerechtshof. Hiervan wordt door de griffier mededeling gedaan aan partijen, onder vermelding van de termijn waarbinnen deze stukken aldaar kunnen worden ingezien en dat daarvan afschriften of uittreksels kunnen worden gevraagd. Op de voor de verstrekking van afschriften of uittreksels in rekening te brengen vergoedingen is het bij of krachtens de Wet griffierechten burgerlijke zaken bepaalde van overeenkomstige toepassing.

Artikel 20c

  • 1 Indien de zaak op een zitting zal worden behandeld worden partijen uitgenodigd ter zitting. De oproep aan degene die hoger beroep heeft ingesteld wordt gericht aan het adres opgegeven in het beroepschrift in hoger beroep dan wel, in geval de officier van justitie hoger beroep heeft ingesteld, aan het door de betrokkene in het verweerschrift of in het beroepschrift bij de rechtbank opgegeven adres.

  • 2 Degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, kan zich ter zitting laten bijstaan of zich door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

  • 3 Ter zitting kunnen getuigen of deskundigen worden meegebracht ten einde door het gerechtshof te worden gehoord. Het gerechtshof kan ambtshalve of op verzoek ook andere personen als getuige of deskundige horen.

  • 4 Het gerechtshof kan bevelen dat getuigen niet zullen worden gehoord en tolken niet tot de uitoefening van hun taak zullen worden toegelaten dan na het afleggen van de eed of belofte.

  • 5 Ze leggen in dat geval ten overstaan van de voorzitter de eed of belofte af;

    de getuigen: dat zij zullen zeggen de gehele waarheid en niets dan de waarheid;

    de tolken: dat zij hun plichten als tolk met nauwkeurigheid zullen vervullen.

    De deskundigen zijn verplicht hun taak onpartijdig en naar beste weten te vervullen.

  • 6 Van het verhandelde ter zitting wordt proces-verbaal opgemaakt, hetwelk door de voorzitter en de griffier wordt vastgesteld en ondertekend.

Artikel 20d

  • 1 Indien het gerechtshof het beroepschrift ontvankelijk acht, bevestigt het gerechtshof de beslissing van de kantonrechter, hetzij met overneming, hetzij met verbetering van de gronden, of doet het, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beslissing van de kantonrechter, hetgeen de kantonrechter zou behoren te doen.

  • 2 Indien de beslissing van de kantonrechter moet worden vernietigd op de in artikel 14, tweede lid, genoemde grond wijst het gerechtshof de zaak terug naar de rechtbank, tenzij door betrokkene de behandeling van het beroep door het gerechtshof zelf is verlangd. In geval van terugwijzing doet de kantonrechter recht met inachtneming van het arrest van het gerechtshof.

  • 3 Het arrest van het gerechtshof is met redenen omkleed. Het wordt op een openbare zitting uitgesproken. Indien de zaak ter zitting is behandeld wordt het arrest aangetekend in het proces-verbaal van die zitting en wordt het uiterlijk veertien dagen na de sluiting van het onderzoek ter zitting uitgesproken. Indien de zaak niet ter zitting is behandeld wordt het arrest op een door de voorzitter te bepalen dag uiterlijk zes weken nadat de laatste van de in artikel 19 bedoelde termijnen is verstreken uitgesproken.

  • 5 Een afschrift van het arrest wordt toegezonden aan partijen.

Hoofdstuk VII. Vervallen zekerheidstelling

Artikel 21

  • 1 De verplichting tot zekerheidstelling vervalt nadat ten aanzien van de opgelegde administratieve sanctie een onherroepelijke beslissing is genomen.

  • 2 Indien de in het eerste lid bedoelde beslissing inhoudt dat de opgelegde administratieve sanctie geheel of gedeeltelijk blijft gehandhaafd, wordt de verschuldigde administratieve sanctie op de zekerheidstelling verhaald.

  • 3 Indien de verschuldigde administratieve sanctie vanwege toepassing van artikel 11, tweede lid, niet geheel op de zekerheidstelling kan worden verhaald, is Hoofdstuk VIII van toepassing op de inning van het bedrag dat nog niet is voldaan.

Hoofdstuk VIII. De inning van de administratieve sanctie

Artikel 22

  • 1 Met de inning van de administratieve sanctie en de administratiekosten is Onze Minister belast.

  • 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden omtrent de inning voorschriften gegeven. Deze voorschriften hebben in ieder geval betrekking op de plaats en wijze van betaling van de administratieve sanctie, de administratiekosten, de verantwoording van de ontvangen geldbedragen, alsmede op de kosten van verhaal, de invorderingskosten daaronder begrepen.

  • 3 Een ieder is verplicht desgevorderd onverwijld aan Onze Minister de inlichtingen te verstrekken welke naar het redelijk oordeel van Onze Minister noodzakelijk zijn ten behoeve van de toepassing van het eerste lid van dit artikel. De artikelen 217 tot en met 218a van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 4 De officier van justitie kan de inning van een opgelegde administratieve sanctie laten eindigen, indien hij van oordeel is dat met de voortzetting daarvan geen redelijk doel wordt gediend.

Artikel 23

  • 1 Uiterlijk binnen twee weken nadat een beschikking waarbij een administratieve sanctie is opgelegd, onherroepelijk is geworden, moeten de administratieve sanctie en de administratiekosten zijn voldaan.

  • 2 Indien de administratieve sanctie ten minste € 225 bedraagt, kan Onze Minister betaling in termijnen toestaan van het in totaal verschuldigde bedrag. Voor personen die ten tijde van de gedraging nog geen 16 jaar oud waren, kan Onze Minister betaling in termijnen toestaan indien de administratieve sanctie ten minste € 112,50 bedraagt. De termijnen bestaan uit gelijke delen, worden op ten minste één en ten hoogste drie maanden gesteld en mogen een tijdvak van één jaar niet overschrijden.

  • 3 De sanctie wordt van rechtswege met vijftig procent verhoogd indien het in de gestelde termijn of termijnen verschuldigde bedrag niet tijdig geheel wordt voldaan.

Artikel 24

  • 1 Degene aan wie een administratieve sanctie is opgelegd, is verplicht tot betaling van het ingevolge artikel 23, derde lid, verhoogde bedrag binnen vier weken nadat Onze Minister hem een aanmaning heeft toegezonden, over de gewone post of op een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze.

  • 2 Indien na de verhoging het verschuldigde bedrag behoudens de administratiekosten, ten minste € 225 bedraagt, is artikel 23, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 25

  • 1 Indien degene aan wie een administratieve sanctie is opgelegd, nalaat het in de op grond van artikel 24 gestelde termijn of termijnen verschuldigde bedrag tijdig geheel te voldoen, wordt het inmiddels verschuldigde bedrag van rechtswege verhoogd met honderd procent van het bedrag van de sanctie en de daarop inmiddels gevallen verhoging. Ter inning van het verschuldigde bedrag kan Onze Minister verhaal nemen overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 26 en 27.

  • 2 Indien het verschuldigde bedrag behoudens de administratiekosten, na de verhogingen op grond van artikel 23, derde lid, en van het eerste lid, ten minste € 225 bedraagt, is artikel 23, tweede lid, van overeenkomstige toepassing. Indien betaling in termijnen door Onze Minister is toegestaan, vindt verhaal overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 26 en 27 enkel plaats indien degene aan wie een administratieve sanctie is opgelegd nalatig blijft het in de gestelde termijn of termijnen verschuldigde bedrag tijdig geheel te voldoen.

  • 3 Onze Minister kan verhaal nemen gedurende drie jaar nadat ten aanzien van de administratieve sanctie een onherroepelijke beslissing is genomen. Indien betaling in termijnen door Onze Minister is toegestaan, wordt de termijn waarin verhaal kan worden genomen verlengd met één jaar.

  • 4 Het recht om verhaal te nemen vervalt door het overlijden van degene aan wie een administratieve sanctie is opgelegd.

Artikel 26

  • 1 Verhaal op de goederen van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd geschiedt krachtens een dwangbevel, medebrengende het recht om die goederen zonder vonnis aan te tasten.

  • 2 Het dwangbevel wordt in naam van de Koning uitgevaardigd door Onze Minister. Het wordt ten uitvoer gelegd als een vonnis van de burgerlijke rechter.

  • 3 Tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan verzet worden gedaan, hetwelk niet gericht zal kunnen zijn tegen de beslissing waarbij de administratieve sanctie werd opgelegd. Verzet wordt gedaan bij een met redenen omkleed verzetschrift. Het verzetschrift wordt binnen twee weken na de betekening van het dwangbevel ingediend bij de rechtbank van het arrondissement waar het adres is van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd. Wordt binnen twee weken na de betekening tot inbeslagneming overgegaan, dan wordt het verzetschrift binnen een week na de dag van inbeslagneming ingediend. Bij het verzetschrift worden het dwangbevel en een afschrift van het exploit van betekening van het dwangbevel overgelegd.

  • 4 Degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, is een griffierecht verschuldigd. De griffier wijst de indiener van het verzetschrift op de verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem mee dat het verschuldigde bedrag binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie te zijn gestort. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, wordt het verzet niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

  • 5 Indien de in het derde lid bedoelde stukken niet zijn overgelegd, deelt de griffier de indiener van het verzetschrift mee dat deze stukken binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling ter griffie dienen te zijn overgelegd. Indien dit laatste niet binnen deze termijn is geschied, wordt het verzet niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

  • 6 De griffier brengt het verzetschrift en de daarop betrekking hebbende stukken ter kennis van Onze Minister, ten einde hem in de gelegenheid te stellen daarover de nodige opmerkingen te maken. Onze Minister stelt de betrokken gerechtsdeurwaarder ervan in kennis dat verzet is gedaan. De kantonrechter geeft zo spoedig mogelijk na afloop van deze termijn, na zo nodig degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd te hebben gehoord, althans opgeroepen om te verschijnen, zijn met redenen omklede beschikking, welke onverwijld aan degene die het verzet heeft gedaan en aan Onze Minister wordt medegedeeld. De artikelen 13a en 13b zijn van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de laatste volzin van artikel 13b, eerste lid, en met dien verstande dat hetgeen in die artikelen met betrekking tot de officier van justitie is bepaald, geldt voor Onze Minister.

  • 7 Indien de kantonrechter het verzet gegrond oordeelt, houdt de beschikking tevens in dat aan de indiener van het verzetschrift het door hem betaalde griffierecht wordt vergoed door de griffier. In de overige gevallen kan de kantonrechter bepalen dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.

  • 8 Ten aanzien van derden die bij een inbeslagneming van goederen daarop geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben, zijn de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing.

  • 9 De kosten van het verhaal krachtens dit artikel worden op gelijke voet als de administratieve sanctie op degene aan wie deze sanctie is opgelegd verhaald. Onder de kosten van het verhaal zijn begrepen de invorderingskosten.

Artikel 26a

  • 1 Onze Minister, alsmede degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, kunnen tegen de beschikking van de kantonrechter binnen twee weken na de verzending van de mededeling van de beschikking van de kantonrechter hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het beroepschrift wordt ingediend bij de griffie van de rechtbank die de beschikking heeft gegeven.

  • 2 Degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, is in zijn beroep slechts ontvankelijk na voorafgaande zekerheidstelling van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten. De zekerheid wordt gesteld bij Onze Minister, hetzij op de door Onze Minister voorgeschreven wijze, hetzij anderszins door overboeking op de rekening van Onze Minister. De griffier van de rechtbank wijst de indiener van het beroepschrift op de verplichting tot zekerheidstelling en deelt hem mee dat de zekerheidstelling dient te geschieden binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling. Indien de zekerheidstelling niet binnen deze termijn is geschied, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

  • 3 Degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, is eveneens een griffierecht verschuldigd. De griffier van de rechtbank wijst de indiener van het beroepschrift op de verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem mee dat het verschuldigde bedrag binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie te zijn gestort. Indien het griffierecht niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

  • 4 Nadat de zekerheidstelling en de bijschrijving of de storting van het griffierecht hebben plaatsgevonden of nadat de termijnen voor het stellen van de zekerheid en de betaling van het griffierecht ongebruikt zijn verstreken, zendt de griffier van de rechtbank het beroepschrift met de daarop betrekking hebbende stukken en een afschrift van de beschikking van de kantonrechter onverwijld ter griffie van het gerechtshof in.

  • 5 Op de behandeling van het hoger beroep zijn de artikelen 16 tot en met 20c van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat Onze Minister zich bij de behandeling van het hoger beroep door een gemachtigde laat vertegenwoordigen.

  • 6 Het gerechtshof beslist zo spoedig mogelijk. De artikelen 13a en 13b, met uitzondering van de laatste volzin van artikel 13b, eerste lid, en 20d, eerste en derde lid, zijn op de beschikking van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat hetgeen in die artikelen met betrekking tot de officier van justitie is bepaald, geldt voor Onze Minister.

  • 7 Afschrift van de beschikking wordt door de griffier van het gerechtshof gezonden aan degenen die tot het instellen van hoger beroep gerechtigd waren.

Artikel 27

  • 1 Verhaal kan zonder dwangbevel worden genomen op:

    • a. inkomsten in geld uit arbeid van degene aan wie een administratieve sanctie is opgelegd;

    • b. pensioenen, wachtgelden en andere uitkeringen waarop degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, aanspraak heeft;

    • c. het tegoed van een rekening bij een bank als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, waarover degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd te eigen bate mag beschikken, alsmede, indien de bank en degene aan wie een administratieve sanctie is opgelegd in samenhang met die rekening een overeenkomst inzake krediet zijn aangegaan, op uit het ingevolge die overeenkomst verstrekte krediet.

  • 2 Verhaal met toepassing van het eerste lid geschiedt door middel van een schriftelijke kennisgeving van Onze Minister. De kennisgeving bevat een voor de uitoefening van verhaal voldoende aanduiding van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, en vermeldt welk bedrag uit hoofde van de beschikking nog verschuldigd is, dan wel bij welke rechterlijke uitspraak de administratieve sanctie is opgelegd, alsmede de plaats waar de betaling moet geschieden. Zij wordt verstrekt aan degene onder wie verhaal wordt genomen, en nadat verhaal is genomen toegezonden aan het adres dat betrokkene heeft opgegeven of, indien dat niet mogelijk is en de gedraging waarvoor de administratieve sanctie is opgelegd heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, aan het adres dat is opgenomen in het kentekenregister. Indien de brief onbestelbaar blijkt te zijn, wordt de kennisgeving gezonden naar het in de basisregistratie personen vermelde adres, tenzij dit hetzelfde is als hetgeen is opgenomen in het kentekenregister. Indien de brief ook op het in de basisregistratie personen opgenomen adres onbestelbaar blijkt te zijn, wordt de kennisgeving geacht aan de betrokkene bekend te zijn.

  • 3 Door de verstrekking van de kennisgeving is degene onder wie verhaal wordt genomen, verplicht tot onverwijlde betaling aan Onze Minister van het in de kennisgeving bedoelde bedrag voor zover degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd op hem een opeisbare vordering heeft of verkrijgt. Onze Minister bepaalt de termijn waarbinnen de betaling moet geschieden. De verplichting tot betaling vervalt zodra het uit hoofde van de beschikking verschuldigde bedrag is betaald of verhaald en uiterlijk wanneer acht weken na de dag van verstrekking van de kennisgeving zijn verstreken.

  • 4 Degene onder wie verhaal wordt genomen, kan zich niet tegenover Onze Minister beroepen op het tenietgaan of de vermindering van zijn schuld aan degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd door betaling of door verrekening met een tegenvordering dan in de gevallen waarin hij daartoe ook bevoegd zou zijn geweest bij een op het tijdstip van de betekening overeenkomstig het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gelegd beslag onder derden. Indien een andere schuldeiser op de vordering waarop het verhaal wordt genomen, beslag heeft gelegd, is artikel 478 van het Wetboek van overeenkomstige toepassing. Het verhaal wordt voor de toepassing van de artikelen 33 en 301 van de Faillissementswet met een beslag onder derden gelijkgesteld.

  • 6 Iedere belanghebbende kan binnen zes weken na de verzending van de in het tweede lid bedoelde kennisgeving bij met redenen omkleed verzetschrift verzet doen tegen het verhaal. Artikel 26, derde tot en met negende lid, en artikel 26a zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 7 De kosten van het verhaal krachtens dit artikel worden op gelijke voet als de administratieve sanctie op degene aan wie deze sanctie is opgelegd verhaald. Onder de kosten van het verhaal zijn begrepen de invorderingskosten.

  • 8 Verhaal zonder dwangbevel kan niet worden genomen als degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, valt onder de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, bedoeld in Titel III van de Faillissementswet.

Artikel 27a

Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de staat geldbedragen, verkregen uit de tenuitvoerlegging van administratieve sancties, op een daarbij vast te stellen grondslag en naar daarbij vast te stellen regelen ten goede laat komen aan een rechtspersoon die krachtens het publiekrecht is ingesteld.

Artikel 28

  • 1 De officier van justitie kan, indien niet of niet volledig verhaal overeenkomstig de artikelen 26 en 27 heeft plaatsgevonden, bij de kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waar het adres is van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd een vordering instellen om te worden gemachtigd om per gedraging waarvoor een administratieve sanctie is opgelegd het dwangmiddel gijzeling toe te passen van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, voor ten hoogste één week. Indien degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, maar niet op het daarin opgenomen adres woonachtig is, dan wel indien degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, geschiedt de instelling van de bovenbedoelde vordering door bij de rechtbank Noord-Nederland door de officier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Nederland. Een verleende machtiging om gijzeling toe te passen kan tot uiterlijk vijf jaar nadat de opgelegde administratieve sanctie onherroepelijk is geworden, worden uitgevoerd. Indien betaling in termijnen door Onze Minister is toegestaan, wordt de termijn waarin een verleende machtiging gijzeling toe te passen kan worden uitgevoerd, verlengd met één jaar.

  • 2 Op de vordering wordt niet beslist dan nadat degene aan wie de sanctie is opgelegd door de kantonrechter is gehoord, althans behoorlijk is opgeroepen. De oproeping van degene die als ingezetene is ingeschreven op een in de basisregistratie personen opgenomen adres, maar niet op het daarin opgenomen adres woonachtig is, dan wel geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, geschiedt in de Staatscourant. Tegen de beslissing staat geen rechtsmiddel open.

  • 3 De officier van justitie of de ambtenaar die door hem is belast met de toepassing van de gijzeling heeft voor het in gijzeling stellen van de betrokkene toegang tot elke plaats.

  • 4 De toepassing van het dwangmiddel wordt gestaakt, zodra het verschuldigde bedrag aan de instantie, belast met deze toepassing, is betaald. De toepassing van het dwangmiddel heft de verschuldigdheid niet op.

  • 5 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de tenuitvoerlegging van de gijzeling als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 28a

Indien niet of niet volledig verhaal overeenkomstig de artikelen 26 en 27 heeft plaatsgevonden, kan Onze Minister het rijbewijs innemen van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd. Onze Minister kan tot uiterlijk vijf jaar nadat de opgelegde administratieve sanctie onherroepelijk is geworden van zijn bevoegdheid gebruik maken. Indien betaling in termijnen door Onze Minister is toegestaan, wordt de termijn waarin van de bevoegdheid gebruik kan worden gemaakt, verlengd met één jaar. De inneming van het rijbewijs duurt ten hoogste vier weken.

Artikel 28b

Indien niet of niet volledig verhaal overeenkomstig de artikelen 26 en 27 heeft plaatsgevonden, kan Onze Minister het voertuig waarmee de gedraging heeft plaatsgevonden buiten gebruik stellen of, indien dit voertuig niet wordt aangetroffen, een soortgelijk voertuig waarover degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, vermag te beschikken. Onze Minister kan tot uiterlijk vijf jaar nadat de opgelegde administratieve sanctie onherroepelijk is geworden van zijn bevoegdheid gebruik maken. Indien betaling in termijnen door Onze Minister is toegestaan, wordt de termijn waarin van de bevoegdheid gebruik kan worden gemaakt, verlengd met één jaar. De buitengebruikstelling duurt ten hoogste vier weken.

Artikel 29

  • 1 Indien degene wiens voertuig buiten gebruik kan worden gesteld door Onze Minister niet terstond voldoet aan het overeenkomstig artikel 23, derde lid, en artikel 25 verhoogde bedrag van de administratieve sanctie, is Onze Minister bevoegd het voertuig op kosten van de betrokkene naar een door hem aangewezen plaats te doen overbrengen en in bewaring te doen stellen. Het voertuig wordt tussentijds aan de rechthebbende teruggegeven tegen betaling van het bedrag van de administratieve sanctie en de daarop gevallen verhogingen, alsmede van de kosten van overbrenging en bewaring.

  • 2 Onze Minister is tevens bevoegd om in het in het eerste lid bedoelde geval aan het voertuig een mechanisch hulpmiddel te doen aanbrengen, waardoor wordt verhinderd dat het voertuig wordt weggereden. Het mechanisch hulpmiddel wordt tussentijds niet verwijderd dan nadat het bedrag van de administratieve sanctie en de daarop gevallen verhogingen, alsmede de kosten van het aanbrengen en van het verwijderen ervan zijn voldaan.

  • 3 Indien twaalf weken na de aanvang van de buitengebruikstelling de rechthebbende zijn voertuig niet heeft afgehaald, wordt hij geacht zijn recht op de zaak te hebben opgegeven en is Onze Minister bevoegd het voertuig om niet aan een derde in eigendom te doen overdragen, te doen verkopen of te doen vernietigen. Gelijke bevoegdheid bestaat ook binnen de bedoelde termijn, zodra het gezamenlijke bedrag van de opgelegde administratieve sanctie, de daarop gevallen verhoging, de kosten van het aanbrengen en het verwijderen, alsmede de kosten van overbrenging en bewaring, vermeerderd met de voor de verkoop, de eigendomsoverdracht om niet of de vernietiging geraamde kosten, in verhouding tot de waarde van het voertuig naar zijn oordeel onevenredig hoog zou worden.

  • 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de overbrenging, bewaring, eigendomsoverdracht om niet, verkoop, vernietiging, de berekening van de kosten van overbrenging en bewaring, alsmede omtrent hetgeen verder voor de uitvoering van dit artikel noodzakelijk is.

Artikel 30

  • 1 Degene wiens rijbewijs kan worden ingenomen door Onze Minister, is verplicht op eerste vordering van Onze Minister het rijbewijs in te leveren op een door Onze Minister te bepalen tijdstip en aan te wijzen plaats.

  • 2 De termijn, bedoeld in artikel 28a, vangt aan op het tijdstip waarop de inlevering van het rijbewijs heeft plaatsgevonden.

  • 3 Indien aan de verplichting tot inlevering van het rijbewijs niet wordt voldaan, is Onze Minister bevoegd dat rijbewijs op kosten van de in het eerste lid bedoelde persoon te doen inleveren. Afdeling 5.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

  • 4 Onze Minister doet van het tijdstip, bedoeld in het eerste en in het tweede lid, onverwijld mededeling aan de beheerder van het rijbewijzenregister in de zin van de Wegenverkeerswet 1994. Onze Minister doet op gelijke wijze mededeling van het tijdstip waarop het rijbewijs is teruggegeven.

Hoofdstuk IX. Voorlopige maatregelen

Artikel 31

  • 1 Indien de in artikel 3, eerste lid, bedoelde ambtenaren bij de uitoefening van de in artikel 3, eerste lid, omschreven bevoegdheid bevinden dat de bestuurder geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, dan wel geregistreerd staat voor het niet voldoen van een hem eerder overeenkomstig de bepalingen van deze wet opgelegde administratieve sanctie, kunnen zij vorderen dat het bedrag van de opgelegde en van de reeds verschuldigde administratieve sanctie en van de administratiekosten terstond geheel zal worden voldaan dan wel dat zekerheid wordt gesteld dat het bedrag van de bedoelde sanctie tijdig geheel zal worden voldaan.

  • 2 Indien de in artikel 3, eerste lid, bedoelde ambtenaren hebben vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is en waarvan aannemelijk is dat de kentekenhouder geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, dan wel dat de kentekenhouder geregistreerd staat voor het niet voldoen van een hem eerder overeenkomstig de bepalingen van deze wet opgelegde sanctie, zijn zij bevoegd bij wijze van voorlopige maatregel het voertuig naar een door hen aangewezen plaats te doen overbrengen en in bewaring te stellen, dan wel aan het voertuig een mechanisch hulpmiddel te doen aanbrengen, waardoor wordt verhinderd dat het voertuig wordt weggereden. Zij kunnen vorderen dat, alvorens het voertuig aan de bestuurder wordt teruggegeven, naast de kosten van overbrenging en bewaring, eveneens het bedrag van de opgelegde administratieve sanctie en de administratiekosten en van de eerder overeenkomstig de bepalingen van deze wet opgelegde en inmiddels verschuldigde administratieve sanctie en de administratiekosten zal worden voldaan.

  • 3 Voldoening van het bedrag van de opgelegde administratieve sanctie en van de administratiekosten laat de bevoegdheid tegen de beschikking van de ambtenaar beroep in te stellen als omschreven in de artikelen 6 en 9 onverlet. Wordt het beroep gegrond verklaard, dan wordt het bedrag van de administratieve sanctie en van de administratiekosten teruggegeven. Artikel 29, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 32

Indien aan de in artikel 31, eerste lid, bedoelde vordering niet wordt voldaan, is de ambtenaar bevoegd bij wijze van voorlopige maatregel het voertuig in bewaring te stellen, totdat het bedrag van de opgelegde en van de reeds verschuldigde administratieve sanctie en van de administratiekosten, alsmede de inmiddels daarop gevallen kosten van de inbewaringstelling zijn voldaan. Daartoe kan hij op kosten van de bestuurder het voertuig naar een door hem aangewezen nabijgelegen plaats overbrengen of doen overbrengen en aldaar in bewaring doen stellen. Zo nodig roept hij hierbij de hulp van de sterke arm in. Artikel 29, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 33

  • 1 Van iedere inbewaringstelling maakt de betrokken ambtenaar proces-verbaal op. Hij zendt dit proces-verbaal binnen vierentwintig uur aan de officier van justitie in het arrondissement waar de inbewaringstelling is geschied. Een afschrift van het proces-verbaal wordt gelijktijdig uitgereikt of toegezonden aan de bestuurder, alsmede aan degene aan wie het kenteken van het motorrijtuig is opgegeven. Daarbij wordt hij gewezen op het bepaalde in artikel 29, derde lid.

  • 2 Tegen een inbewaringstelling kan elke belanghebbende beroep instellen bij de rechtbank op grond dat

    • a. de inbewaringstelling met een algemeen verbindend voorschrift strijdt;

    • b. de ambtenaar van zijn in artikel 32 omschreven bevoegdheid op een kennelijk onredelijke wijze heeft gebruik gemaakt.

  • 3 Het beroepschrift wordt ingediend bij de officier van justitie in het arrondissement waar de inbewaringstelling is geschied. De officier van justitie brengt het beroepschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ter kennis van de rechtbank van het arrondissement waar de inbewaringstelling is geschied.

  • 4 Het beroepschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken worden door de officier van justitie aan de rechtbank ter kennis gebracht binnen vier dagen nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie, dan wel nadat de termijn daarvoor is verstreken.

  • 5 De kantonrechter beslist zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na de dag waarop het beroepschrift bij de officier van justitie is ingediend. Ten aanzien van de behandeling van het beroepschrift en de uitspraak zijn de artikelen 11, derde, vierde lid en vijfde lid, 12, 13, 13a en 13b van overeenkomstige toepassing.

  • 6 Indien de kantonrechter het beroepschrift gegrond acht, gelast hij de onmiddellijke teruggave van het voertuig.

  • 7 Het instellen van beroep schorst de bevoegdheid van de officier van justitie, bedoeld in artikel 29, derde lid, tot de dag na die waarop de kantonrechter zijn beslissing heeft gegeven.

Hoofdstuk X. Overige bepalingen

Artikel 34

  • 1 Met geldboete van de tweede categorie wordt gestraft:

    • a. hij die niet voldoet aan vordering van een krachtens artikel 3, eerste lid, aangewezen toezichthouder;

    • b. hij die de gegevens waarop de in het eerste lid bedoelde vordering betrekking heeft, onjuist opgeeft;

    • c. hij die niet voldoet aan de in artikel 30 omschreven verplichting.

  • 2 Het strafbare feit is een overtreding.

Artikel 35

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent hetgeen verder ter uitvoering van deze wet nodig is.

Artikel 36

  • 2 Indien het verzetschrift wordt ingetrokken omdat Onze Minister geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzetschrift is tegemoetgekomen, wordt het door de indiener betaalde griffierecht aan hem vergoed door Onze Minister. In de overige gevallen kan Onze Minister, indien het verzet wordt ingetrokken, het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoeden.

Hoofdstuk XI. Slotbepalingen

Artikel 44

Deze wet kan worden aangehaald als: Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage , 3 juli 1989

Beatrix

De Minister van Justitie,

F. Korthals Altes

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

N. Smit-Kroes

Uitgegeven de zevenentwintigste juli 1989

De Minister van Justitie a.i.,

G. J. M. Braks

Bijlage als bedoeld in artikel 2, eerste lid

     

Feit

Overtreden artikel

Tarief in euro per feit en categorie

         

1

2

3

4

5

6

7

8

     

Afdeling A. Verkeer te land

                 
     

Categorie-indeling B:

                 
     

1 – Bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen, en bestuurders van brommobielen voor zover het de bepalingen van het RVV 1990 betreft;

                 
     

2 – Bestuurders van motorvoertuigen op twee wielen;

                 
     

3 – Bromfietsers en snorfietsers;

                 
     

4 – Fietsers en bestuurders van gehandicaptenvoertuigen met of zonder motor;

                 
     

5 – Voetgangers;

                 
     

6 – Overige weggebruikers;

                 
     

7 – Gezagvoerders/schippers;

                 
     

8 – Een ieder.

                 
                         
     

NB 1 De categorieën 1 tot en met 4 gelden in voorkomend geval mede voor bestuurders van één van de op die categorieën betrekking hebbende voertuigen, indien daarmee een aanhangwagen wordt voortbewogen. Dit geldt eveneens voor geparkeerde aanhangwagens indien deze door een onder één van deze categorieën vallende bestuurders is geparkeerd.

                 
     

NB 2 Op basis van artikel 2a RVV 1990 zijn, tenzij anders bepaald, voor brommobielen en bestuurders en passagiers van brommobielen de regels betreffende motorvoertuigen van toepassing. Voor de feitcodes waar dit op van toepassing is moet in geval van een overtreding met een brommobiel of door een bestuurder van een brommobiel gepleegde overtreding in plaats van motorvoertuig brommobiel worden gelezen.

                 
                         
     

Nummers K 006 – K 172: Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994); Reglement Rijbewijzen (RR)

                 

K

025

 

als bestuurder van een motorrijtuig rijden terwijl het kentekenbewijs niet behoorlijk leesbaar is

36 lid 3 sub d WVW 1994

45

45

45

         
                         
     

het kenteken niet behoorlijk zichtbaar aanwezig hebben op of aan

40 lid 1 WVW 1994

               

K

030

a

– een motorrijtuig

 

140

140

95

       

140

K

030

b

– de aanhangwagen

 

140

140

95

       

140

K

035

 

het ongeldig verklaarde kentekenbewijs niet binnen de bepaalde termijn inleveren bij de Dienst Wegverkeer

52c lid 3 WVW 1994

             

240

                         
     

voor een kentekenplichtig motorrijtuig met een toegestane maximummassa van 3500 kg of minder

                 

K

045

a

– is geen keuringsbewijs afgegeven

72 lid 1 WVW 1994

140

           

140

K

045

b

– heeft het keuringsbewijs zijn geldigheid verloren

72 lid 2 sub b WVW 1994

140

           

140

                         
     

voor een kentekenplichtig motorrijtuig of aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3500 kg

                 

K

046

a

– is geen keuringsbewijs afgegeven

72 lid 1 WVW 1994

400

           

400

K

046

b

– heeft het keuringsbewijs zijn geldigheid verloren

72 lid 2 sub b WVW 1994

400

           

400

                         
     

als bestuurder van een motorrijtuig rijden terwijl het rijbewijs

                 

K

060

a

– niet voldoet aan de gestelde eisen

107 lid 2 sub a WVW 1994

45

45

30

         

K

060

e

– zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, waarbij de geldigheidsduur één jaar of minder is verstreken

107 lid 2 sub b WVW 1994

95

95

65

         

K

060

c

– niet behoorlijk leesbaar is

107 lid 2 sub c WVW 1994

95

95

65

         

K

060

h

als bestuurder van een bromfiets rijden, terwijl het rijbewijs ongeldig is verklaard voor een of meer categorieën, niet zijnde de categorie AM, en aan betrokkene geen nieuw rijbewijs voor de categorie AM is afgegeven

107 lid 2 sub b WVW 1994

   

65

         

K

065

cc

als houder van een rijbewijs B dat met het oog op deelname aan begeleid rijden was afgegeven, jonger dan 18 jaar een motorrijtuig waarvoor rijbewijs B is vereist besturen zonder dat een op de begeleiderspas vermelde begeleider op de zitplaats naast de bestuurder zat

111a lid 3 onder b en c WVW 1994

140

             

K

090

aa

rijonderricht geven in het kader van de opleiding voor het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie AM, tweewielige bromfiets, terwijl deze niet is voorzien van een op de voorgeschreven wijze aangebrachte aanduiding

110b lid 1 sub a WVW 1994 jo. 7a lid 1 RR

             

95

                         
     

rijonderricht geven voor rijbewijs B terwijl het lesmotorrijtuig niet is voorzien van

                 

K

090

a

– een dubbele bediening c.q. een onderbreker

110b lid 1 sub a WVW 1994 jo. 8 sub a RR

             

280

K

090

b

– een binnen- en een buitenspiegel waarmee degene die rijonderricht geeft het achter en rechts naast hem gelegen weggedeelte kan overzien

110b lid 1 sub a WVW 1994 jo. 8 sub b RR

             

280

K

090

c

– een op de voorgeschreven wijze aangebrachte aanduiding

110b lid 1 sub a WVW 1994 jo. 8 sub b RR

             

95

                         
     

rijonderricht geven in het kader van de opleiding voor het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie AM, drie- of vierwielige bromfiets, terwijl deze niet is voorzien van

                 

K

090

bb

– een dubbele bediening c.q. onderbreker

110b lid 1 sub a WVW 1994 jo. 7a lid 2 RR

             

280

K

090

cc

– een binnen- en buitenspiegel ten behoeve van de rij-instructeur

110b lid 1 sub a WVW 1994 jo. 7a lid 2 RR

             

280

K

090

dd

– een op de voorgeschreven wijze aangebrachte aanduiding

110b lid 1 sub a WVW 1994 jo. 7a lid 2 RR

             

95

K

145

a

als bestuurder handelen in strijd met één of meer aan een ontheffing verbonden voorschrift(en), niet betrekking hebbend op de begeleiding of vakbekwaamheid

150 lid 2 WVW 1994

140

140

95

55

       
                         
     

als bestuurder van een motorrijtuig niet op eerste vordering behoorlijk ter inzage afgeven

                 

K

150

a

– het kentekenbewijs

160 lid 1 sub a WVW 1994

45

45

45

         

K

150

c

– het rijbewijs

160 lid 1 sub b WVW 1994

95

95

95

         

K

150

e

– de ontheffing

160 lid 1 sub d WVW 1994

45

             

K

150

f

– het ingevolge de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders vereiste getuigschrift

160 lid 1 sub c WVW 1994

65

             

K

150

g

– een gehandicaptenparkeerkaart of een kaart ten behoeve van gehandicaptenvervoer

160 lid 1 sub e WVW 1994

   

95

55

       

K

150

h

– de begeleiderspas

160 lid 1 sub f WVW 1994

65

             

K

150

aa

als begeleider niet op eerste vordering behoorlijk ter inzage afgeven van het rijbewijs

160 lid 8 WVW 1994

             

65

K

155

a

niet meewerken aan het onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties en/of de aanwijzingen die in dat kader worden gegeven niet opvolgen

160 lid 5 sub a WVW 1994

240

240

160

95

     

240

K

155

b

niet meewerken aan het voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht en/of de aanwijzingen die in dat kader worden gegeven niet opvolgen

160 lid 5 sub b WVW 1994

240

240

160

95

     

240

K

155

c

niet meewerken aan het onderzoek van speeksel en/of de aanwijzingen die in dat kader worden gegeven niet opvolgen

160 lid 5 sub c WVW 1994

240

240

160

95

     

240

     

Feit

Overtreden artikel

Tarief in euro per feit en categorie

         

1

2

3

4

     

Nummers S 005 , VA 004 – VV 101: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990)

         
                 
     

Categorie-indeling C: (maximum snelheid)

         
     

1 – Motorvoertuigen (uitgezonderd categorie 2: vrachtauto's, autobussen en motorvoertuigen met aanhangwagen);

         
     

2 – Vrachtauto's, autobussen, als bedrijfsauto aangemerkte kampeerauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg en motorvoertuigen met aanhangwagen;

         
     

3 – Bromfietsen, brommobielen, snorfietsen en gehandicaptenvoertuigen met motor;

         
     

4 – Land- of bosbouwtrekkers en motorvoertuigen met beperkte snelheid.

         
                 
     

Hoofdstuk 2. Verkeersregels

         
                 
     

VIII. Maximumsnelheid

         
                 
     

a. Algemeen

         
                 
     

als bestuurder niet in staat zijn, zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is

19 RVV 1990

       

S

005

a

– bij snelheden tot en met 80 km/h

 

280

280

190

 
                 
     

Snelheidsoverschrijdingen

         
     

Noot

         
     

1. * = recidiveregeling snelheid (zie Richtlijn voor strafvordering tarieven en feitomschrijvingen enz.); bij staandehouding wordt bij overschrijding vanaf 50 km/h of 30 km/h (cat. 3) het rijbewijs ingevorderd en dient het proces-verbaal met het proces-verbaal van invordering te worden ingezonden naar het openbaar ministerie.

         
                 
     

2. indien bij een feitcode bij het tarief «OBM» staat vermeld dan betreft dit de eis ter zitting voor de eerste overtreding. Naast deze boete dient een OBM ov conform de recidiveregeling snelheidsovertredingen te worden geëist.

         
                 
     

b. Binnen de bebouwde kom

         
     

overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom

20 sub a RVV 1990 (cat 1/2), 20 sub b en c RVV 1990 (cat 3), 22 sub d en e RVV 1990 (cat 3), 22 sub c RVV 1990 (cat 4)

       

VA

004

 

– met 4 km/h

 

27

46

27

27

VA

005

 

– met 5 km/h

 

34

54

34

34

VA

006

 

– met 6 km/h

 

40

63

40

40

VA

007

 

– met 7 km/h

 

48

75

48

48

VA

008

 

– met 8 km/h

 

54

85

54

54

VA

009

 

– met 9 km/h

 

63

95

63

63

VA

010

 

– met 10 km/h

 

72

107

72

72

VA

011

 

– met 11 km/h

 

95

133

95

95

VA

012

 

– met 12 km/h

 

105

146

105

105

VA

013

 

– met 13 km/h

 

115

158

115

115

VA

014

 

– met 14 km/h

 

123

170

123

123

VA

015

 

– met 15 km/h

 

133

185

133

133

VA

016

 

– met 16 km/h

 

144

195

144

144

VA

017

 

– met 17 km/h

 

153

209

153

153

VA

018

 

– met 18 km/h

 

165

223

165

165

VA

019

 

– met 19 km/h

 

176

241

176

176

VA

020

 

– met 20 km/h

 

191

257

191

191

VA

021

 

– met 21 km/h

 

203

270

203

203

VA

022

 

– met 22 km/h

 

215

283

215

215

VA

023

 

– met 23 km/h

 

229

302

229

229

VA

024

 

– met 24 km/h

 

241

319

241

241

VA

025

 

– met 25 km/h

 

256

337

256

256

VA

026

 

– met 26 km/h

 

270

356

270

270

VA

027

 

– met 27 km/h

 

287

375

287

287

VA

028

 

– met 28 km/h

 

304

394

304

304

VA

029

 

– met 29 km/h

 

317

412

317

317

VA

030

 

– met 30 km/h

 

334

   

334

                 
     

overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom

62 jo. bord A1 (uitgezonderd [30 km/h]) RVV 1990

       

VB

004

 

– met 4 km/h

 

27

46

27

27

VB

005

 

– met 5 km/h

 

34

54

34

34

VB

006

 

– met 6 km/h

 

40

63

40

40

VB

007

 

– met 7 km/h

 

48

75

48

48

VB

008

 

– met 8 km/h

 

54

85

54

54

VB

009

 

– met 9 km/h

 

63

95

63

63

VB

010

 

– met 10 km/h

 

72

107

72

72

VB

011

 

– met 11 km/h

 

95

133

95

95

VB

012

 

– met 12 km/h

 

105

146

105

105

VB

013

 

– met 13 km/h

 

115

158

115

115

VB

014

 

– met 14 km/h

 

123

170

123

123

VB

015

 

– met 15 km/h

 

133

185

133

133

VB

016

 

– met 16 km/h

 

144

195

144

144

VB

017

 

– met 17 km/h

 

153

209

153

153

VB

018

 

– met 18 km/h

 

165

223

165

165

VB

019

 

– met 19 km/h

 

176

241

176

176

VB

020

 

– met 20 km/h

 

191

257

191

191

VB

021

 

– met 21 km/h

 

203

270

203

203

VB

022

 

– met 22 km/h

 

215

283

215

215

VB

023

 

– met 23 km/h

 

229

302

229

229

VB

024

 

– met 24 km/h

 

241

319

241

241

VB

025

 

– met 25 km/h

 

256

337

256

256

VB

026

 

– met 26 km/h

 

270

356

270

270

VB

027

 

– met 27 km/h

 

287

375

287

287

VB

028

 

– met 28 km/h

 

304

394

304

304

VB

029

 

– met 29 km/h

 

317

412

317

317

VB

030

 

– met 30 km/h

 

334

   

334

                 
     

overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom (bord A1 [30 km/h])

62 jo. bord A1 RVV 1990

       

VS

004

 

– met 4 km/h

 

46

102

46

46

VS

005

 

– met 5 km/h

 

54

115

54

54

VS

006

 

– met 6 km/h

 

63

129

63

63

VS

007

 

– met 7 km/h

 

75

144

75

75

VS

008

 

– met 8 km/h

 

85

158

85

85

VS

009

 

– met 9 km/h

 

95

173

95

95

VS

010

 

– met 10 km/h

 

107

187

107

107

VS

011

 

– met 11 km/h

 

133

217

133

133

VS

012

 

– met 12 km/h

 

146

230

146

146

VS

013

 

– met 13 km/h

 

158

246

158

158

VS

014

 

– met 14 km/h

 

170

261

170

170

VS

015

 

– met 15 km/h

 

185

284

185

185

VS

016

 

– met 16 km/h

 

195

304

195

195

VS

017

 

– met 17 km/h

 

209

324

209

209

VS

018

 

– met 18 km/h

 

223

344

223

223

VS

019

 

– met 19 km/h

 

241

367

241

241

VS

020

 

– met 20 km/h

 

257

384

257

257

VS

021

 

– met 21 km/h

 

270

408

270

270

VS

023

 

– met 23 km/h

 

302

 

302

302

VS

024

 

– met 24 km/h

 

319

 

319

319

VS

025

 

– met 25 km/h

 

337

 

337

337

VS

026

 

– met 26 km/h

 

356

 

356

356

VS

027

 

– met 27 km/h

 

375

 

375

375

VS

028

 

– met 28 km/h

 

394

 

394

394

VS

029

 

– met 29 km/h

 

412

 

412

412

                 
     

overschrijding van de maximumsnelheid binnen een erf

45 RVV 1990

       

VV

004

 

– met 4 km/h

 

46

102

46

46

VV

005

 

– met 5 km/h

 

54

115

54

54

VV

006

 

– met 6 km/h

 

63

129

63

63

VV

007

 

– met 7 km/h

 

75

144

75

75

VV

008

 

– met 8 km/h

 

85

158

85

85

VV

009

 

– met 9 km/h

 

95

173

95

95

VV

010

 

– met 10 km/h

 

107

187

107

107

VV

011

 

– met 11 km/h

 

133

217

133

133

VV

012

 

– met 12 km/h

 

146

230

146

146

VV

013

 

– met 13 km/h

 

158

246

158

158

VV

014

 

– met 14 km/h

 

170

261

170

170

VV

015

 

– met 15 km/h

 

185

284

185

185

VV

016

 

– met 16 km/h

 

195

304

195

195

VV

017

 

– met 17 km/h

 

209

324

209

209

VV

018

 

– met 18km/h

 

223

344

223

223

VV

019

 

– met 19 km/h

 

241

367

241

241

VV

020

 

– met 20 km/h

 

257

384

257

257

VV

021

 

– met 21 km/h

 

270

408

270

270

VV

023

 

– met 23 km/h

 

302

 

302

302

VV

024

 

– met 24 km/h

 

319

 

319

319

VV

025

 

– met 25 km/h

 

337

 

337

337

VV

026

 

– met 26 km/h

 

356

 

356

356

VV

027

 

– met 27 km/h

 

375

 

375

375

VV

028

 

– met 28 km/h

 

394

 

394

394

VV

029

 

– met 29 km/h

 

412

 

412

412

                 
     

overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom

62 jo. bord A3 RVV 1990

       

VC

004

 

– met 4 km/h

 

27

46

27

27

VC

005

 

– met 5 km/h

 

34

54

34

34

VC

006

 

– met 6 km/h

 

40

63

40

40

VC

007

 

– met 7 km/h

 

48

75

48

48

VC

008

 

– met 8 km/h

 

54

85

54

54

VC

009

 

– met 9 km/h

 

63

95

63

63

VC

010

 

– met 10 km/h

 

72

107

72

72

VC

011

 

– met 11 km/h

 

95

133

95

95

VC

012

 

– met 12 km/h

 

105

146

105

105

VC

013

 

– met 13 km/h

 

115

158

115

115

VC

014

 

– met 14 km/h

 

123

170

123

123

VC

015

 

– met 15 km/h

 

133

185

133

133

VC

016

 

– met 16 km/h

 

144

195

144

144

VC

017

 

– met 17 km/h

 

153

209

153

153

VC

018

 

– met 18 km/h

 

165

223

165

165

VC

019

 

– met 19 km/h

 

176

241

176

176

VC

020

 

– met 20 km/h

 

191

257

191

191

VC

021

 

– met 21 km/h

 

203

270

203

203

VC

022

 

– met 22 km/h

 

215

283

215

215

VC

023

 

– met 23 km/h

 

229

302

229

229

VC

024

 

– met 24 km/h

 

241

319

241

241

VC

025

 

– met 25 km/h

 

256

337

256

256

VC

026

 

– met 26 km/h

 

270

356

270

270

VC

027

 

– met 27 km/h

 

287

375

287

287

VC

028

 

– met 28 km/h

 

304

394

304

304

VC

029

 

– met 29 km/h

 

317

412

317

317

VC

030

 

– met 30 km/h

 

334

   

334

                 
     

overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom bij wegwerkzaamheden

62 jo. bord A1 RVV 1990

       

VD

004

 

– met 4 km/h

 

46

102

46

46

VD

005

 

– met 5 km/h

 

54

115

54

54

VD

006

 

– met 6 km/h

 

63

129

63

63

VD

007

 

– met 7 km/h

 

75

144

75

75

VD

008

 

– met 8 km/h

 

85

158

85

85

VD

009

 

– met 9 km/h

 

95

173

95

95

VD

010

 

– met 10 km/h

 

107

187

107

107

VD

011

 

– met 11 km/h

 

133

217

133

133

VD

012

 

– met 12 km/h

 

146

230

146

146

VD

013

 

– met 13 km/h

 

158

246

158

158

VD

014

 

– met 14 km/h

 

170

261

170

170

VD

015

 

– met 15 km/h

 

185

284

185

185

VD

016

 

– met 16 km/h

 

195

304

195

195

VD

017

 

– met 17 km/h

 

209

324

209

209

VD

018

 

– met 18 km/h

 

223

344

223

223

VD

019

 

– met 19 km/h

 

241

367

241

241

VD

020

 

– met 20 km/h

 

257

384

257

257

VD

021

 

– met 21 km/h

 

270

408

270

270

VD

023

 

– met 23 km/h

 

302

 

302

302

VD

024

 

– met 24 km/h

 

319

 

319

319

VD

025

 

– met 25 km/h

 

337

 

337

337

VD

026

 

– met 26 km/h

 

356

 

356

356

VD

027

 

– met 27 km/h

 

375

 

375

375

VD

028

 

– met 28 km/h

 

394

 

394

394

VD

029

 

– met 29 km/h

 

412

 

412

412

                 
     

overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom bij wegwerkzaamheden

62 jo. bord A3 RVV 1990

       

VE

004

 

– met 4 km/h

 

46

102

46

46

VE

005

 

– met 5 km/h

 

54

115

54

54

VE

006

 

– met 6 km/h

 

63

129

63

63

VE

007

 

– met 7 km/h

 

75

144

75

75

VE

008

 

– met 8 km/h

 

85

158

85

85

VE

009

 

– met 9 km/h

 

95

173

95

95

VE

010

 

– met 10 km/h

 

107

187

107

107

VE

011

 

– met 11 km/h

 

133

217

133

133

VE

012

 

– met 12 km/h

 

146

230

146

146

VE

013

 

– met 13 km/h

 

158

246

158

158

VE

014

 

– met 14 km/h

 

170

261

170

170

VE

015

 

– met 15 km/h

 

185

284

185

185

VE

016

 

– met 16 km/h

 

195

304

195

195

VE

017

 

– met 17 km/h

 

209

324

209

209

VE

018

 

– met 18 km/h

 

223

344

223

223

VE

019

 

– met 19 km/h

 

241

367

241

241

VE

020

 

– met 20 km/h

 

257

384

257

257

VE

021

 

– met 21 km/h

 

270

408

270

270

VE

023

 

– met 23 km/h

 

302

 

302

302

VE

024

 

– met 24 km/h

 

319

 

319

319

VE

025

 

– met 25 km/h

 

337

 

337

337

VE

026

 

– met 26 km/h

 

356

 

356

356

VE

027

 

– met 27 km/h

 

375

 

375

375

VE

028

 

– met 28 km/h

 

394

 

394

394

VE

029

 

– met 29 km/h

 

412

 

412

412

                 
     

c. (Auto)wegen buiten de bebouwde kom

         
                 
     

overschrijding van de maximumsnelheid op (auto)wegen buiten de bebouwde kom

21 sub a RVV 1990 (cat 1), 22 sub a, b, f en g RVV 1990 (cat 2), 21 sub b en c RVV 1990 (cat 3), 22 sub d en e RVV 1990 (cat 3), 22 sub c RVV 1990 (cat 4)

       

VF

004

 

– met 4 km/h

 

24

37

24

24

VF

005

 

– met 5 km/h

 

32

45

32

32

VF

006

 

– met 6 km/h

 

37

53

37

37

VF

007

 

– met 7 km/h

 

43

63

43

43

VF

008

 

– met 8 km/h

 

50

73

50

50

VF

009

 

– met 9 km/h

 

57

79

57

57

VF

010

 

– met 10 km/h

 

67

90

67

67

VF

011

 

– met 11 km/h

 

90

113

90

90

VF

012

 

– met 12 km/h

 

100

121

100

100

VF

013

 

– met 13 km/h

 

110

133

110

110

VF

014

 

– met 14 km/h

 

117

147

117

117

VF

015

 

– met 15 km/h

 

129

158

129

129

VF

016

 

– met 16 km/h

 

137

173

137

137

VF

017

 

– met 17 km/h

 

147

187

147

147

VF

018

 

– met 18 km/h

 

157

198

157

157

VF

019

 

– met 19 km/h

 

170

211

170

170

VF

020

 

– met 20 km/h

 

183

223

183

183

VF

021

 

– met 21 km/h

 

191

241

191

191

VF

022

 

– met 22 km/h

 

203

256

203

203

VF

023

 

– met 23 km/h

 

215

265

215

215

VF

024

 

– met 24 km/h

 

229

283

229

229

VF

025

 

– met 25 km/h

 

241

300

241

241

VF

026

 

– met 26 km/h

 

256

316

256

256

VF

027

 

– met 27 km/h

 

269

334

269

269

VF

028

 

– met 28 km/h

 

283

349

283

283

VF

029

 

– met 29 km/h

 

300

370

300

300

VF

030

 

– met 30 km/h

 

317

384

 

317

                 
     

overschrijding van de maximumsnelheid op (auto)wegen buiten de bebouwde kom

62 jo. bord A1 RVV 1990

       

VG

004

 

– met 4 km/h

 

24

37

24

 

VG

005

 

– met 5 km/h

 

32

45

32

 

VG

006

 

– met 6 km/h

 

37

53

37

 

VG

007

 

– met 7 km/h

 

43

63

43

 

VG

008

 

– met 8 km/h

 

50

73

50

 

VG

009

 

– met 9 km/h

 

57

79

57

 

VG

010

 

– met 10 km/h

 

67

90

67

 

VG

011

 

– met 11 km/h

 

90

113

90

 

VG

012

 

– met 12 km/h

 

100

121

100

 

VG

013

 

– met 13 km/h

 

110

133

110

 

VG

014

 

– met 14 km/h

 

117

147

117

 

VG

015

 

– met 15 km/h

 

129

158

129

 

VG

016

 

– met 16 km/h

 

137

173

137

 

VG

017

 

– met 17 km/h

 

147

187

147

 

VG

018

 

– met 18 km/h

 

157

198

157

 

VG

019

 

– met 19 km/h

 

170

211

170

 

VG

020

 

– met 20 km/h

 

183

223

183

 

VG

021

 

– met 21 km/h

 

191

241

191

 

VG

022

 

– met 22 km/h

 

203

256

203

 

VG

023

 

– met 23 km/h

 

215

265

215

 

VG

024

 

– met 24 km/h

 

229

283

229

 

VG

025

 

– met 25 km/h

 

241

300

241

 

VG

026

 

– met 26 km/h

 

256

316

256

 

VG

027

 

– met 27 km/h

 

269

334

269

 

VG

028

 

– met 28 km/h

 

283

349

283

 

VG

029

 

– met 29 km/h

 

300

370

300

 

VG

030

 

– met 30 km/h

 

317

384

   
                 
     

overschrijding van de maximumsnelheid op (auto)wegen buiten de bebouwde kom

62 jo. bord A3 RVV 1990

       

VH

004

 

– met 4 km/h

 

24

37

24

 

VH

005

 

– met 5 km/h

 

32

45

32

 

VH

006

 

– met 6 km/h

 

37

53

37

 

VH

007

 

– met 7 km/h

 

43

63

43

 

VH

008

 

– met 8 km/h

 

50

73

50

 

VH

009

 

– met 9 km/h

 

57

79

57

 

VH

010

 

– met 10 km/h

 

67

90

67

 

VH

011

 

– met 11 km/h

 

90

113

90

 

VH

012

 

– met 12 km/h

 

100

121

100

 

VH

013

 

– met 13 km/h

 

110

133

110

 

VH

014

 

– met 14 km/h

 

117

147

117

 

VH

015

 

– met 15 km/h

 

129

158

129

 

VH

016

 

– met 16 km/h

 

137

173

137

 

VH

017

 

– met 17 km/h

 

147

187

147

 

VH

018

 

– met 18 km/h

 

157

198

157

 

VH

019

 

– met 19 km/h

 

170

211

170

 

VH

020

 

– met 20 km/h

 

183

223

183

 

VH

021

 

– met 21 km/h

 

191

241

191

 

VH

022

 

– met 22 km/h

 

203

256

203

 

VH

023

 

– met 23 km/h

 

215

265

215

 

VH

024

 

– met 24 km/h

 

229

283

229

 

VH

025

 

– met 25 km/h

 

241

300

241

 

VH

026

 

– met 26 km/h

 

256

316

256

 

VH

027

 

– met 27 km/h

 

269

334

269

 

VH

028

 

– met 28 km/h

 

283

349

283

 

VH

029

 

– met 29 km/h

 

300

370

300

 

VH

030

 

– met 30 km/h

 

317

384

   
                 
     

overschrijding van de maximumsnelheid op (auto)wegen buiten de bebouwde kom bij wegwerkzaamheden

62 jo. bord A1 RVV 1990, 22 sub a, f en g RVV 1990 (cat 2)

       

VI

004

 

– met 4 km/h

 

37

54

37

 

VI

005

 

– met 5 km/h

 

45

67

45

 

VI

006

 

– met 6 km/h

 

53

77

53

 

VI

007

 

– met 7 km/h

 

63

93

63

 

VI

008

 

– met 8 km/h

 

73

105

73

 

VI

009

 

– met 9 km/h

 

79

120

79

 

VI

010

 

– met 10 km/h

 

90

133

90

 

VI

011

 

– met 11 km/h

 

113

163

113

 

VI

012

 

– met 12 km/h

 

121

180

121

 

VI

013

 

– met 13 km/h

 

133

190

133

 

VI

014

 

– met 14 km/h

 

147

211

147

 

VI

015

 

– met 15 km/h

 

158

223

158

 

VI

016

 

– met 16 km/h

 

173

239

173

 

VI

017

 

– met 17 km/h

 

187

257

187

 

VI

018

 

– met 18 km/h

 

198

275

198

 

VI

019

 

– met 19 km/h

 

211

293

211

 

VI

020

 

– met 20 km/h

 

223

311

223

 

VI

021

 

– met 21 km/h

 

241

330

241

 

VI

022

 

– met 22 km/h

 

256

348

256

 

VI

023

 

– met 23 km/h

 

265

369

265

 

VI

024

 

– met 24 km/h

 

283

388

283

 

VI

025

 

– met 25 km/h

 

300

408

300

 

VI

027

 

– met 27 km/h

 

334

 

334

 

VI

028

 

– met 28 km/h

 

349

 

349

 

VI

029

 

– met 29 km/h

 

370

 

370

 

VI

030

 

– met 30 km/h

 

384

     
                 
     

overschrijding van de maximumsnelheid op (auto)wegen buiten de bebouwde kom bij wegwerkzaamheden

62 jo. bord A3 RVV 1990, 22 sub a, f en g RVV 1990 (cat 2)

       

VK

004

 

– met 4 km/h

 

37

54

37

 

VK

005

 

– met 5 km/h

 

45

67

45

 

VK

006

 

– met 6 km/h

 

53

77

53

 

VK

007

 

– met 7 km/h

 

63

93

63

 

VK

008

 

– met 8 km/h

 

73

105

73

 

VK

009

 

– met 9 km/h

 

79

120

79

 

VK

010

 

– met 10 km/h

 

90

133

90

 

VK

011

 

– met 11 km/h

 

113

163

113

 

VK

012

 

– met 12 km/h

 

121

180

121

 

VK

013

 

– met 13 km/h

 

133

190

133

 

VK

014

 

– met 14 km/h

 

147

211

147

 

VK

015

 

– met 15 km/h

 

158

223

158

 

VK

016

 

– met 16 km/h

 

173

239

173

 

VK

017

 

– met 17 km/h

 

187

257

187

 

VK

018

 

– met 18 km/h

 

198

275

198

 

VK

019

 

– met 19 km/h

 

211

293

211

 

VK

020

 

– met 20 km/h

 

223

311

223

 

VK

021

 

– met 21 km/h

 

241

330

241

 

VK

022

 

– met 22 km/h

 

256

348

256

 

VK

023

 

– met 23 km/h

 

265

369

265

 

VK

024

 

– met 24 km/h

 

283

388

283

 

VK

025

 

– met 25 km/h

 

300

408

300

 
                 

VK

027

 

– met 27 km/h

 

334

 

334

 

VK

028

 

– met 28 km/h

 

349

 

349

 

VK

029

 

– met 29 km/h

 

370

 

370

 

VK

030

 

– met 30 km/h

 

384

     
                 
     

d. Autosnelwegen

         
                 
     

overschrijding van de maximumsnelheid op autosnelwegen buiten de bebouwde kom

21 sub a RVV 1990 (cat 1), 22 sub a, b, f en g RVV 1990 (cat 2)

       

VL

001

 

– met 1 km/h

 

11

     

VL

002

 

– met 2 km/h

 

16

     

VL

003

 

– met 3 km/h

 

20

     

VL

004

 

– met 4 km/h

 

24

32

   

VL

005

 

– met 5 km/h

 

31

39

   

VL

006

 

– met 6 km/h

 

37

49

   

VL

007

 

– met 7 km/h

 

43

59

   

VL

008

 

– met 8 km/h

 

49

67

   

VL

009

 

– met 9 km/h

 

55

75

   

VL

010

 

– met 10 km/h

 

63

86

   

VL

011

 

– met 11 km/h

 

86

110

   

VL

012

 

– met 12 km/h

 

93

121

   

VL

013

 

– met 13 km/h

 

100

131

   

VL

014

 

– met 14 km/h

 

107

139

   

VL

015

 

– met 15 km/h

 

118

151

   

VL

016

 

– met 16 km/h

 

128

163

   

VL

017

 

– met 17 km/h

 

137

176

   

VL

018

 

– met 18 km/h

 

147

191

   

VL

019

 

– met 19 km/h

 

158

203

   

VL

020

 

– met 20 km/h

 

170

215

   

VL

021

 

– met 21 km/h

 

181

229

   

VL

022

 

– met 22 km/h

 

191

241

   

VL

023

 

– met 23 km/h

 

203

256

   

VL

024

 

– met 24 km/h

 

215

270

   

VL

025

 

– met 25 km/h

 

223

283

   

VL

026

 

– met 26 km/h

 

234

302

   

VL

027

 

– met 27 km/h

 

246

319

   

VL

028

 

– met 28 km/h

 

257

334

   

VL

029

 

– met 29 km/h

 

270

349

   

VL

030

 

– met 30 km/h

 

284

370

   

VL

031

a

– met 31 km/h

 

292

     

VL

032

a

– met 32 km/h

 

304

     

VL

033

a

– met 33 km/h

 

323

     

VL

034

a

– met 34 km/h

 

339

     

VL

035

a

– met 35 km/h

 

348

     

VL

036

a

– met 36 km/h

 

367

     

VL

037

a

– met 37 km/h

 

384

     

VL

038

a

– met 38 km/h

 

396

     
                 
     

overschrijding van de maximumsnelheid op autosnelwegen buiten de bebouwde kom

62 jo. bord A1 RVV 1990

       

VM

004

 

– met 4 km/h

 

24

32

   

VM

005

 

– met 5 km/h

 

31

39

   

VM

006

 

– met 6 km/h

 

37

49

   

VM

007

 

– met 7 km/h

 

43

59

   

VM

008

 

– met 8 km/h

 

49

67

   

VM

009

 

– met 9 km/h

 

55

75

   

VM

010

 

– met 10 km/h

 

63

86

   

VM

011

 

– met 11 km/h

 

86

110

   

VM

012

 

– met 12 km/h

 

93

121

   

VM

013

 

– met 13 km/h

 

100

131

   

VM

014

 

– met 14 km/h

 

107

139

   

VM

015

 

– met 15 km/h

 

118

151

   

VM

016

 

– met 16 km/h

 

128

163

   

VM

017

 

– met 17 km/h

 

137

176

   

VM

018

 

– met 18 km/h

 

147

191

   

VM

019

 

– met 19 km/h

 

158

203

   

VM

020

 

– met 20 km/h

 

170

215

   

VM

021

 

– met 21 km/h

 

181

229

   

VM

022

 

– met 22 km/h

 

191

241

   

VM

023

 

– met 23 km/h

 

203

256

   

VM

024

 

– met 24 km/h

 

215

270

   

VM

025

 

– met 25 km/h

 

223

283

   

VM

026

 

– met 26 km/h

 

234

302

   

VM

027

 

– met 27 km/h

 

246

319

   

VM

028

 

– met 28 km/h

 

257

334

   

VM

029

 

– met 29 km/h

 

270

349

   

VM

030

 

– met 30 km/h

 

284

370

   

VM

031

a

– met 31 km/h

 

292

     

VM

032

a

– met 32 km/h

 

304

     

VM

033

a

– met 33 km/h

 

323

     

VM

034

a

– met 34 km/h

 

339

     

VM

035

a

– met 35 km/h

 

348

     

VM

036

a

– met 36 km/h

 

367

     

VM

037

a

– met 37 km/h

 

384

     

VM

038

a

– met 38 km/h

 

396

     
                 
     

overschrijding van de maximumsnelheid op autosnelwegen buiten de bebouwde kom

62 jo. bord A3 RVV 1990

       

VN

004

 

– met 4 km/h

 

24

32

   

VN

005

 

– met 5 km/h

 

31

39

   

VN

006

 

– met 6 km/h

 

37

49

   

VN

007

 

– met 7 km/h

 

43

59

   

VN

008

 

– met 8 km/h

 

49

67

   

VN

009

 

– met 9 km/h

 

55

75

   

VN

010

 

– met 10 km/h

 

63

86

   

VN

011

 

– met 11 km/h

 

86

110

   

VN

012

 

– met 12 km/h

 

93

121

   

VN

013

 

– met 13 km/h

 

100

131

   

VN

014

 

– met 14 km/h

 

107

139

   

VN

015

 

– met 15 km/h

 

118

151

   

VN

016

 

– met 16 km/h

 

128

163

   

VN

017

 

– met 17 km/h

 

137

176

   

VN

018

 

– met 18 km/h

 

147

191

   

VN

019

 

– met 19 km/h

 

158

203

   

VN

020

 

– met 20 km/h

 

170

215

   

VN

021

 

– met 21 km/h

 

181

229

   

VN

022

 

– met 22 km/h

 

191

241

   

VN

023

 

– met 23 km/h

 

203

256

   

VN

024

 

– met 24 km/h

 

215

270

   

VN

025

 

– met 25 km/h

 

223

283

   

VN

026

 

– met 26 km/h

 

234

302

   

VN

027

 

– met 27 km/h

 

246

319

   

VN

028

 

– met 28 km/h

 

257

334

   

VN

029

 

– met 29 km/h

 

270

349

   

VN

030

 

– met 30 km/h

 

284

370

   

VN

031

a

– met 31 km/h

 

292

     

VN

032

a

– met 32 km/h

 

304

     

VN

033

a

– met 33 km/h

 

323

     

VN

034

a

– met 34 km/h

 

339

     

VN

035

a

– met 35 km/h

 

348

     

VN

036

a

– met 36 km/h

 

367

     

VN

037

a

– met 37 km/h

 

384

     

VN

038

a

– met 38 km/h

 

396

     
                 
     

overschrijding van de maximumsnelheid op autosnelwegen buiten de bebouwde kom bij wegwerkzaamheden

62 jo. bord A1 RVV 1990, 22 sub a, f en g RVV 1990 (cat 2)

       

VO

004

 

– met 4 km/h

 

32

50

   

VO

005

 

– met 5 km/h

 

39

62

   

VO

006

 

– met 6 km/h

 

49

74

   

VO

007

 

– met 7 km/h

 

59

86

   

VO

008

 

– met 8 km/h

 

67

100

   

VO

009

 

– met 9 km/h

 

75

113

   

VO

010

 

– met 10 km/h

 

86

127

   

VO

011

 

– met 11 km/h

 

110

157

   

VO

012

 

– met 12 km/h

 

121

170

   

VO

013

 

– met 13 km/h

 

131

187

   

VO

014

 

– met 14 km/h

 

139

200

   

VO

015

 

– met 15 km/h

 

151

215

   

VO

016

 

– met 16 km/h

 

163

230

   

VO

017

 

– met 17 km/h

 

176

247

   

VO

018

 

– met 18 km/h

 

191

261

   

VO

019

 

– met 19 km/h

 

203

283

   

VO

020

 

– met 20 km/h

 

215

297

   

VO

021

 

– met 21 km/h

 

229

310

   

VO

022

 

– met 22 km/h

 

241

334

   

VO

023

 

– met 23 km/h

 

256

349

   

VO

024

 

– met 24 km/h

 

270

370

   

VO

025

 

– met 25 km/h

 

283

389

   

VO

026

 

– met 26 km/h

 

302

408

   

VO

027

 

– met 27 km/h

 

319

     

VO

028

 

– met 28 km/h

 

334

     

VO

029

 

– met 29 km/h

 

349

     

VO

030

 

– met 30 km/h

 

370

     
                 
     

overschrijding van de maximumsnelheid op autosnelwegen buiten de bebouwde kom bij wegwerkzaamheden

62 jo. bord A3 RVV 1990, 22 sub a, f en g RVV 1990 (cat 2)

       

VP

004

 

– met 4 km/h

 

32

50

   

VP

005

 

– met 5 km/h

 

39

62

   

VP

006

 

– met 6 km/h

 

49

74

   

VP

007

 

– met 7 km/h

 

59

86

   

VP

008

 

– met 8 km/h

 

67

100

   

VP

009

 

– met 9 km/h

 

75

113

   

VP

010

 

– met 10 km/h

 

86

127

   

VP

011

 

– met 11 km/h

 

110

157

   

VP

012

 

– met 12 km/h

 

121

170

   

VP

013

 

– met 13 km/h

 

131

187

   

VP

014

 

– met 14 km/h

 

139

200

   

VP

015

 

– met 15 km/h

 

151

215

   

VP

016

 

– met 16 km/h

 

163

230

   

VP

017

 

– met 17 km/h

 

176

247

   

VP

018

 

– met 18 km/h

 

191

261

   

VP

019

 

– met 19 km/h

 

203

283

   

VP

020

 

– met 20 km/h

 

215

297

   

VP

021

 

– met 21 km/h

 

229

310

   

VP

022

 

– met 22 km/h

 

241

334

   

VP

023

 

– met 23 km/h

 

256

349

   

VP

024

 

– met 24 km/h

 

270

370

   

VP

025

 

– met 25 km/h

 

283

389

   

VP

026

 

– met 26 km/h

 

302

408

   

VP

027

 

– met 27 km/h

 

319

     

VP

028

 

– met 28 km/h

 

334

     

VP

029

 

– met 29 km/h

 

349

     

VP

030

 

– met 30 km/h

 

370

     
                 
     

Maatregel na ernstige verstoring olie-aanvoer

         
                 
     

overschrijding van de door de Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat vastgestelde maximumsnelheid op autosnelwegen bij ernstige verstoring van de olieaanvoer

86b jo. 86a RVV 1990

       

VR

004

 

– met 4 km/h

 

27

     

VR

005

 

– met 5 km/h

 

34

     

VR

006

 

– met 6 km/h

 

40

     

VR

007

 

– met 7 km/h

 

48

     

VR

008

 

– met 8 km/h

 

54

     

VR

009

 

– met 9 km/h

 

63

     

VR

010

 

– met 10 km/h

 

72

     

VR

011

 

– met 11 km/h

 

95

     

VR

012

 

– met 12 km/h

 

105

     

VR

013

 

– met 13 km/h

 

115

     

VR

014

 

– met 14 km/h

 

123

     

VR

015

 

– met 15 km/h

 

133

     

VR

016

 

– met 16 km/h

 

144

     

VR

017

 

– met 17 km/h

 

153

     

VR

018

 

– met 18 km/h

 

165

     

VR

019

 

– met 19 km/h

 

176

     

VR

020

 

– met 20 km/h

 

191

     

VR

021

 

– met 21 km/h

 

203

     

VR

022

 

– met 22 km/h

 

215

     

VR

023

 

– met 23 km/h

 

229

     

VR

024

 

– met 24 km/h

 

241

     

VR

025

 

– met 25 km/h

 

256

     

VR

026

 

– met 26 km/h

 

270

     

VR

027

 

– met 27 km/h

 

287

     

VR

028

 

– met 28 km/h

 

304

     

VR

029

 

– met 29 km/h

 

317

     

VR

030

 

– met 30 km/h

 

334

     
     

Feit

Overtreden artikel

Tarief in euro per feit en categorie

         

1

2

3

4

5

6

7

8

     

Nummers R 302 – R 631: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990)

                 
                         
     

Categorie-indeling B:

                 
     

1 – Bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen, en bestuurders van brommobielen voor zover het de bepalingen van het RVV 1990 betreft;

                 
     

2 – Bestuurders van motorvoertuigen op twee wielen;

                 
     

3 – Bromfietsers en snorfietsers;

                 
     

4 – Fietsers en bestuurders van gehandicaptenvoertuigen met of zonder motor;

                 
     

5 – Voetgangers;

                 
     

6 – Overige weggebruikers;

                 
     

7 – Schippers;

                 
     

8 – Een ieder.

                 
                         
     

NB 1 De categorieën 1 tot en met 4 gelden in voorkomend geval mede voor bestuurders van één van de op die categorieën betrekking hebbende voertuigen, indien daarmee een aanhangwagen wordt voortbewogen. Dit geldt eveneens voor geparkeerde aanhangwagens indien deze door een onder één van deze categorieën vallende bestuurders is geparkeerd.

                 
     

NB 2 Op basis van artikel 2a RVV 1990 zijn, tenzij anders bepaald, voor brommobielen en bestuurders en passagiers van brommobielen de regels betreffende motorvoertuigen van toepassing. Voor de feitcodes waar dit op van toepassing is moet in geval van een overtreding met een brommobiel of door een bestuurder van een brommobiel gepleegde overtreding in plaats van motorvoertuig brommobiel worden gelezen

                 
                         
     

Hoofdstuk 2. Verkeersregels

                 
                         
     

I. Plaats op de weg

                 
                         

R

301

 

als bestuurder van een motorvoertuig niet zoveel mogelijk rechts houden op een autoweg of autosnelweg

3 lid 1 RVV 1990

140

140

           

R

303

a

als bestuurder van een voertuig niet zoveel mogelijk rechts houden op een andere weg dan autoweg of autosnelweg

3 lid 1 RVV 1990

240

240

160

95

 

95

   

R

305

 

als voetganger niet het voetpad of trottoir gebruiken

4 lid 1 RVV 1990

       

40

     

R

306

 

als voetganger bij gebreke van een voetpad of trottoir niet het fietspad of het fiets/bromfietspad gebruiken

4 lid 2 RVV 1990

       

40

     

R

307

 

als voetganger bij gebreke van een voetpad, een trottoir en een fietspad of fiets/bromfietspad niet de berm of de uiterste zijde van de rijbaan gebruiken

4 lid 3 RVV 1990

       

40

     

R

324

 

als persoon die zich verplaatst met behulp van een voorwerp, niet zijnde een voertuig, niet het fietspad, het fiets/bromfietspad, het trottoir of het voetpad gebruiken

4 lid 4 RVV 1990

         

40

   

R

308

 

als (snor)fietser niet het verplichte fietspad of fiets/bromfietspad gebruiken

5 lid 1 RVV 1990

   

95

55

       

R

309

 

als (snor)fietser bij gebreke van een verplicht fietspad of fiets/bromfietspad niet de rijbaan gebruiken

5 lid 2 RVV 1990

   

95

55

       

R

312

b

als snorfietser met ingeschakelde verbrandingsmotor het onverplichte fietspad gebruiken

5 lid 3 RVV 1990

   

95

         

R

312

c

als bestuurder van een snorfiets niet de rijbaan gebruiken terwijl dit bij verkeersbesluit, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet, is bepaald en dit bij het verkeersteken dat het verplichte fietspad aangeeft met een onderbord is aangeduid

5 lid 8 RVV 1990

   

95

         

R

310

 

als bromfietser niet het fiets/bromfietspad gebruiken

6 lid 1 RVV 1990

   

95

         

R

311

 

als bromfietser niet de rijbaan gebruiken bij ontbreken van een fiets/bromfietspad (bord G12a)

6 lid 2 RVV 1990

   

95

         

R

311

a

als bestuurder van een bromfiets op meer dan twee wielen of een bromfiets met aanhangwagen, die met inbegrip van de lading breder is dan 0,75 m, niet de rijbaan gebruiken

6 lid 3 RVV 1990

   

95

         

R

313

 

als ruiter niet het ruiterpad gebruiken

8 lid 1 RVV 1990

         

55

   

R

314

 

als ruiter bij gebreke van een ruiterpad niet de berm of de rijbaan gebruiken

8 lid 2 RVV 1990

         

55

   
                         
     

als bestuurder van een motorvoertuig niet de rijbaan gebruiken

10 lid 1 RVV 1990

               

R

315

a

– door te rijden over het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad

 

140

140

         

140

R

315

b

– door stil te staan op het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad

 

95

95

         

95

R

316

 

als bestuurder van een bespannen wagen niet de rijbaan gebruiken

10 lid 1 RVV 1990

         

55

   

R

317

 

als bestuurder van een onbespannen wagen niet de rijbaan gebruiken

10 lid 1 RVV 1990

         

55

   

R

319

 

als bestuurder van een motorvoertuig een met een doorgetrokken streep gemarkeerde fietsstrook gebruiken

10 lid 2 RVV 1990

140

140

           

R

323

 

als bromfietser een met een doorgetrokken streep gemarkeerde fietsstrook gebruiken

10 lid 2 RVV 1990

   

95

         
                         
     

II. Inhalen

                 

R

326

 

als bestuurder niet links inhalen

11 lid 1 RVV 1990

240

240

160

95

 

95

   
                         
     

IV. Oprijden van kruispunten

                 

R

331

 

als bestuurder een kruispunt blokkeren

14 RVV 1990

240

240

160

95

 

95

   
                         
     

V. Verlenen van voorrang

                 

R

336

 

als bestuurder op een kruispunt geen voorrang verlenen aan bestuurders van rechts

15 lid 1 RVV 1990

240

240

160

95

 

95

   

R

337

 

als bestuurder op een onverharde weg geen voorrang verlenen aan bestuurders op een verharde weg

15 lid 2 sub a RVV 1990

240

240

160

95

 

95

   

R

338

 

als bestuurder geen voorrang verlenen aan bestuurders van een tram

15 lid 2 sub b RVV 1990

240

240

160

95

 

95

   

R

340

a

als weggebruiker een overweg opgaan, terwijl men niet direct kan doorgaan en de overweg niet geheel vrij kan maken

15a lid 1 RVV 1990

240

240

160

95

 

95

   
                         
     

VI. Doorsnijden militaire kolonnes en uitvaartstoeten van motorvoertuigen

                 

R

341

 

als weggebruiker een militaire kolonne doorsnijden

16 RVV 1990

95

95

65

35

25

35

   

R

342

 

als weggebruiker een uitvaartstoet van motorvoertuigen doorsnijden

16 RVV 1990

95

95

65

35

25

35

   
                         
     

VII. Afslaan

                 

R

346

 

als bestuurder afslaan zonder een teken met de richtingaanwijzer of met de arm te geven

17 lid 2 RVV 1990

95

95

65

35

 

35

   

R

347

a

als bestuurder bij het afslaan niet het verkeer voor laten gaan, dat hem op dezelfde weg tegemoet komt

18 lid 1 RVV 1990

240

240

160

95

 

95

   

R

347

b

als bestuurder bij het afslaan niet het verkeer voor laten gaan, dat zich naast dan wel links dicht achter hem bevindt

18 lid 1 RVV 1990

240

240

160

95

 

95

   

R

347

c

als bestuurder bij het afslaan niet het verkeer voor laten gaan, dat zich naast dan wel rechts dicht achter hem bevindt

18 lid 1 RVV 1990

240

240

160

95

 

95

   

R

348

 

als bestuurder links afslaan zonder tegemoetkomende bestuurders die op hetzelfde kruispunt rechts afslaan, voor te laten gaan

18 lid 2 RVV 1990

240

240

160

95

 

95

   
                         
     

Noot stilstaan en parkeren:

                 
     

In dit onderdeel zijn tevens enkele parkeerfeiten uit de plaatselijke verordeningen en de WVW 1994 opgenomen.

                 
                         
     

IX. Stilstaan

                 

R

395

 

een voertuig op een zodanige wijze laten staan waardoor op de weg gevaar wordt/kan worden veroorzaakt, dan wel het verkeer wordt/kan worden gehinderd

5 WVW 1994

140

140

95

55

 

55

   
                         
     

als bestuurder een voertuig laten stilstaan

23 lid 1

               

R

396

a

– op een kruispunt

sub a RVV 1990

140

140

     

55

   

R

396

b

– op een fietsstrook

sub b RVV 1990

95

95

     

35

   

R

396

c

– op de rijbaan langs een fietsstrook

sub b RVV 1990

95

95

     

35

   

R

396

d

– op een oversteekplaats of binnen een afstand van vijf meter daarvan

sub c RVV 1990

95

95

     

35

   

R

396

e

– in een tunnel

sub d RVV 1990

95

95

     

35

   

R

396

f

– bij een bord bushalte ter hoogte van de geblokte markering

sub e RVV 1990

95

95

     

35

   

R

396

g

– bij een bord bushalte op een afstand van minder dan twaalf meter van dat bord terwijl de geblokte markering niet is aangebracht

sub e RVV 1990

95

95

     

35

   

R

396

h

– op de rijbaan langs een busstrook

sub f RVV 1990

95

95

     

35

   

R

396

i

– langs een gele doorgetrokken streep

62 jo. 23 lid 1 sub g RVV 1990

95

95

     

35

   

R

396

j

– op een overweg

23 lid 1 sub a RVV 1990

95

95

     

35

   
                         
     

X. Parkeren