Besluit hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden

Geldend van 09-02-2007 t/m 29-12-2009

Besluit van 6 oktober 1984, tot uitvoering van de artikelen 3, 4, 10a, derde en vierde lid jo eerste lid, 11 en 28 van de Wet hygiëne en veiligheid zwemgelegenheden (Stb. 1982, 494)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 28 maart 1984, nr. MJZ 2834011, Centrale Directie Juridische Zaken;

Gelet op de artikelen 3, 4, 10a, derde en vierde lid jo eerste lid, 11 en 28 van de Wet hygiëne en veiligheid zwemgelegenheden (Stb. 1982, 494) en op artikel III van de Wet van 2 juni 1982, houdende wijziging van de Wet hygiëne en veiligheid zweminrichtingen (Stb. 1982, 493);

De Raad van State gehoord (advies van 28 augustus 1984, no. W08.84.0163/12.4.34);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 5 oktober 1984, Centrale Directie Juridische Zaken, nr. MJZ-0504033;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk I. Begripsbepalingen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • wet:

    Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden;

  • houder:

    houder van een badinrichting;

  • bassin met eenmalig gebruik van water:

    bassin waarvan het water geheel wordt ververst, na elk gebruik door één persoon;

  • doorstroomd bassin:

    bassin waarvan het water voortdurend wordt afgevoerd, waarbij het afgevoerde water niet in het bassin wordt teruggebracht;

  • aërosolen:

    in lucht gedispergeerde waterdeeltjes met een diameter van 1 tot 10 micrometer;

  • water van drinkwaterkwaliteit:

    water dat voldoet aan de eisen van het Waterleidingbesluit.

Hoofdstuk IA

Artikel 1a

Als categorieën van personen als bedoeld in artikel 1 van de wet worden aangewezen:

  • a. personen die in een specifieke hoedanigheid anders dan bedoeld in onderdeel b, toegang hebben tot een badinrichting, niet zijnde een voor het publiek toegankelijke badinrichting of een privébadinrichting;

  • b. personen die zorg ontvangen in een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet toelating zorginstellingen of een inrichting waarin het beroep van fysiotherapeut klinisch of poliklinisch wordt uitgeoefend.

Hoofdstuk II

§ 1. Algemeen

Artikel 2

  • 1 Ten aanzien van badinrichtingen, ingericht voor het zwemmen of baden anders dan in oppervlaktewater en waarvan tenminste één bassin een wateroppervlakte van 2 m2 of meer heeft en dieper is dan 0,50 meter, gelden de in dit hoofdstuk gegeven voorschriften.

  • 2 De artikelen 4, eerste lid, en 5 tot en met 8, eerste lid, zijn niet van toepassing op bassins met eenmalig gebruik van water en doorstroomde bassins.

  • 3 De artikelen 4, eerste lid, 5, 6, eerste lid, 7, en 8, eerste lid, zijn niet van toepassing op bassins met een wateroppervlakte kleiner dan 15 m2 in badinrichtingen, die uitsluitend of in hoofdzaak toegankelijk zijn voor de in artikel 1a, onder b, bedoelde personen.

  • 4 Artikel 16 is niet van toepassing op badinrichtingen die uitsluitend of in hoofdzaak toegankelijk zijn voor de in artikel 1a bedoelde personen.

  • 5 De artikelen 13 en 20 zijn niet van toepassing op badinrichtingen die uitsluitend of in hoofdzaak toegankelijk zijn voor de in artikel 1a, onder b, bedoelde personen.

§ 1a. Voorschriften ter preventie van legionellabesmetting

Artikel 2a

  • 1 Zwem- of badwater dat op zodanige wijze ter beschikking komt of wordt gebruikt dat daarbij aërosolen alsmede daardoor, al dan niet samen met andere micro-organismen, meegevoerde legionellabacteriën kunnen vrijkomen in hoeveelheden die, in geval van inademing, nadelige gevolgen kunnen hebben voor de volksgezondheid, bevat minder dan 100 kolonievormende eenheden legionellabacteriën per liter.

  • 2 De houder draagt er zorg voor dat voorafgaand aan de ingebruikneming van de badinrichting een analyse wordt uitgevoerd met betrekking tot het risico dat niet wordt voldaan aan het eerste lid.

  • 3 Een risicoanalyse wordt bovendien uitgevoerd binnen drie maanden na iedere met het oog op het in het tweede lid bedoelde risico relevante wijziging van het zwem- of badwatersysteem.

  • 4 De risicoanalyse omvat de volgende onderdelen:

    • a. het inventariseren van de locaties binnen de badinrichting waar zich aërosolvorming kan voordoen;

    • b. het verzamelen van gegevens betreffende het zwem- of badwatersysteem waarvan de onder a bedoelde locaties onderdeel uitmaken, waaronder in elk geval wordt begrepen:

      • 1°. een of meer tekeningen waarop het zwem- of badwatersysteem is aangegeven;

      • 2°. gegevens over de herkomst, aard en kwaliteit van het water;

      • 3°. gegevens over de gebruikte desinfectiemiddelen;

      • 4°. gegevens over de bedrijfsvoering van de installaties en de apparatuur;

      • 5°. gebruiksgegevens met betrekking tot de installaties en de apparatuur;

      • 6°. bezoekersaantallen;

    • c. het beoordelen van het risico per onderdeel van het zwem- of badwatersysteem waarvan de onder a bedoelde locaties onderdeel uitmaken;

    • d. vastlegging van de uitkomsten van de risicoanalyse, waarbij wordt aangegeven op welke punten in het zwem- en badwatersysteem het in het tweede lid bedoelde risico zich voor kan doen.

    Indien uit de inventarisatie bedoeld onder a, blijkt dat er geen locaties zijn waar zich aërosolvorming kan voordoen, behoeven de onderdelen b en c niet te worden uitgevoerd.

  • 5 Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van de risicoanalyse.

  • 6 De houder draagt er zorg voor dat de uitkomsten van de risicoanalyse, met een overzicht van de daarbij gehanteerde gegevens en de eventueel genomen maatregelen, voor gedeputeerde staten ter inzage liggen in de badinrichting en aan hen op hun verzoek worden toegezonden in een door hen aangegeven vorm.

  • 7 Indien gedeputeerde staten van oordeel zijn dat de risicoanalyse onjuist of onvolledig is uitgevoerd, dan wel indien zij zulks in verband met aan het zwem- of badwatersysteem aangebrachte wijzigingen noodzakelijk achten, kunnen zij de houder verplichten tot het wijzigen, aanvullen of opnieuw uitvoeren van de risicoanalyse binnen een daarbij aangegeven termijn.

Artikel 2b

  • 1 Indien uit een analyse, als bedoeld in artikel 2a, blijkt dat er sprake is van het in artikel 2a, tweede lid, bedoelde risico, stelt de houder binnen drie maanden na het gereedkomen van de risicoanalyse een beheersplan op voor het zwem- of badwatersysteem van de badinrichting, dan wel herziet hij binnen drie maanden een bestaand beheersplan, indien de risicoanalyse daartoe aanleiding geeft. Het beheersplan heeft betrekking op de inrichting en het beheer van het zwem- of badwatersysteem en strekt ertoe dat op de in artikel 2a, vierde lid, onder d, bedoelde risicopunten van het zwem- of badwatersyteem geen legionellabacteriëen voorkomen in concentraties van 100 of meer kolonievormende eenheden per liter.

  • 2 Indien uit de risicoanalyse, bedoeld in artikel 2a, tweede lid, blijkt dat er sprake is van een risico als bedoeld in dat lid, stelt de houder in afwijking van het eerste lid, het beheersplan op voorafgaand aan de ingebruikneming van de badinrichting.

  • 3 Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing voor zover de houder het in artikel 2a, tweede lid, bedoelde risico binnen drie maanden na het gereedkomen van de risicoanalyse opheft door zodanige wijzigingen in het zwem- of badwatersysteem, dat daardoor niet langer periodieke beheersmaatregelen zijn vereist, en hij deze wijzigingen meldt aan gedeputeerde staten.

  • 4 Het beheersplan omvat in elk geval de volgende onderdelen:

    • a. de uitkomsten van de uitgevoerde risico-analyse, waaronder in ieder geval een inventarisatie van de in artikel 2a, vierde lid, onder d, bedoelde risicopunten;

    • b. de controles en maatregelen die per risicopunt worden uitgevoerd ter voorkoming van legionellabesmetting, alsmede de frequentie daarvan;

    • c. de maatregelen die worden genomen indien er aanwijzingen zijn dat op de in artikel 2a, vierde lid, onder d, bedoelde risicopunten legionellabacteriën voorkomen in concentraties van 100 of meer kolonievormende eenheden per liter.

  • 5 Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de technische uitwerking van het beheersplan.

  • 6 De houder draagt er zorg voor dat het beheersplan voor gedeputeerde staten ter inzage ligt in de badinrichting en aan hen op hun verzoek wordt toegezonden in een door hen aangegeven vorm.

  • 7 Indien gedeputeerde staten van oordeel zijn dat met een beheersplan onvoldoende is gewaarborgd dat op de in de risicoanalyse geïdentificeerde risicopunten in het zwem- of badwatersysteem geen legionellabacteriën voorkomen in concentraties van 100 of meer kolonievormende eenheden per liter, kunnen zij de houder verplichten tot het binnen een daarvoor door hen gestelde termijn nemen van maatregelen die zij nodig achten om daarin te voorzien.

Artikel 2c

  • 1 De houder laat de in het beheersplan vermelde risicopunten ten minste halfjaarlijks door een laboratorium als bedoeld in artikel 10 op de aanwezigheid van Legionella onderzoeken.

  • 2 Hij voert de in het beheersplan opgenomen controles en maatregelen uit.

  • 3 Hij houdt in een apart logboek aantekening van de op grond van het beheersplan uitgevoerde controles en maatregelen alsmede van de resultaten daarvan en draagt er zorg voor dat het logboek voor gedeputeerde staten ter inzage ligt in de badinrichting en aan hen op hun verzoek wordt toegezonden in een door hen aangegeven vorm.

  • 4 Hij bewaart de risicoanalyse, het beheersplan alsmede het logboek ten minste vijf jaar voor inzage door gedeputeerde staten.

Artikel 2d

  • 1 De houder stelt bij vaststelling van een concentratie van legionellabacteriën van 100 of meer kolonievormende eenheden per liter op de in artikel 2a, vierde lid, onder d, bedoelde risicopunten, gedeputeerde staten hiervan onmiddellijk in kennis.

  • 2 De houder treft in overleg met gedeputeerde staten de maatregelen die met het oog op de in het eerste lid bedoelde omstandigheid in het beheersplan zijn opgenomen of, voor zover daaromtrent in het beheersplan geen maatregelen zijn opgenomen dan wel geen beheersplan van toepassing is, de maatregelen die in deze omstandigheden redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, tenzij gedeputeerde staten anders voorschrijven.

§ 2. De hoedanigheid van het zwem- en badwater

Artikel 3

  • 1 Het zwem- en badwater voldoet aan de normen die in de bij dit besluit behorende bijlage I zijn aangegeven.

  • 2 Het water waarmee de bassins worden gevuld, is van drinkwaterkwaliteit.

§ 3. De behandeling van het zwem- en badwater

Artikel 4

  • 1 De pompen waarmee het zwem- en badwater wordt rondgepompt, hebben een capaciteit als aangegeven in de bij dit besluit behorende bijlage III.

  • 2 Er is een voorziening waardoor de pompen die dienen voor het toevoegen aan het zwem- en badwater van desinfectiemiddelen en van middelen voor correctie van de zuurgraad niet werken, wanneer er onvoldoende doorstroming is in de leiding waarin die middelen worden toegevoegd.

Artikel 5

Van het water dat uit het bassin wordt afgevoerd naar de waterzuiveringsinstallatie wordt tenminste 30 procent afgevoerd door middel van overloopvoorzieningen die ter hoogte van het wateroppervlak zijn aangebracht.

Artikel 6

  • 1 In de toevoer naar of afvoer van de filters, die deel uitmaken van de waterzuiveringsinstallatie, is een voorziening waarmee de hoeveelheid water kan worden bepaald, die in een bepaalde tijdseenheid wordt toegevoerd, onderscheidenlijk afgevoerd. De nauwkeurigheid waarmee deze voorziening de hoeveelheid water bepaalt, wijkt ten hoogste 10 procent af van de werkelijke waarde.

  • 2 De filters worden zo vaak als nodig is gereinigd.

Artikel 7

  • 1 Zandfilters worden gereinigd hetzij door middel van een terugspoelproces waarbij het filtermateriaal in fluïdisatie geraakt hetzij door middel van een hieraan tenminste gelijkwaardig proces.

  • 2 Bij gesloten zandfilters waarbij het filtermateriaal in fluïdisatie geraakt is een voorziening waardoor dit in fluïdisatie geraken waargenomen kan worden.

  • 3 Filters met filterpoeder worden gereinigd door middel van vervanging van het filterpoeder.

Artikel 8

  • 1 Wekelijks wordt een hoeveelheid water aan het zwem- en badwater toegevoegd, waarvan het aantal liters tenminste overeenkomt met het geschatte aantal zwemmers en baders in de betrokken week vermenigvuldigd met dertig. Indien gedurende ten minste drie maanden het gebonden beschikbaar chloorgehalte niet hoger is geweest dan 0,3 mg. per liter en geen overschrijding van andere normen, aangegeven in de bij dit besluit behorende bijlage I, heeft plaatsgevonden, kan de in de eerste volzin genoemde vermenigvuldigingsfactor worden verminderd tot vijftien.

  • 2 Het toe te voegen water is van drinkwaterkwaliteit.

  • 3 Het toe te voegen water wordt, voordat het in het bassin wordt gebracht, in de waterzuiveringsinstallatie behandeld.

§ 4. Het onderzoek van het zwem- en badwater

Artikel 9

  • 1 De houder onderzoekt de parameters die zijn aangegeven in de bij dit besluit behorende bijlage I, ten minste zo vaak als in die bijlage is aangegeven.

  • 2 Hij noteert de gegevens die het resultaat zijn van ieder onderzoek.

  • 3 Hij noteert daarbij tevens:

    • a. het tijdstip waarop het onderzoek is verricht, waaruit de gegevens zijn verkregen;

    • b. het geschatte aantal zwemmers en baders op de betrokken dag;

    • c. of, en zo ja, welke filters op de betrokken dag zijn gereinigd, en het tijdstip waarop dit is geschied;

    • d. of, en zo ja, van welke bassins op de betrokken dag de bodem is gereinigd;

    • e. de aard en hoeveelheid van de op de betrokken dag voor de zuivering van het zwem- of badwater gebruikte en aan het zwem- of badwater toegevoegde chemicaliën;

    • f. de hoeveelheid water die gedurende de betrokken dag aan het zwem- of badwater is toegevoegd;

    • h. andere bijzonderheden die van belang zijn uit het oogpunt van hygiëne.

  • 4 Hij bewaart de in het tweede en derde lid bedoelde gegevens ten minste twee jaar.

Artikel 10

  • 1 De houder laat door een laboratorium dat een kwaliteitsborgingssysteem hanteert dat gebaseerd is op de norm NEN-EN-ISO/IEC 17 025, zoals deze luidde in april 2000, dan wel op een andere daaraan gelijkwaardige norm die terzake geldt in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte de parameters die zijn aangegeven in de bij dit besluit behorende bijlage I, onderzoeken, ten minste zo vaak als in die bijlage is aangegeven, op de in de bij dit besluit behorende bijlage IV aangegeven wijze.

  • 2 Hij laat de gegevens die het resultaat zijn van ieder onderzoek, in een aan hem uit te brengen rapport noteren.

  • 3 Hij laat in het rapport tevens noteren:

    • a. het geschatte aantal zwemmers en baders op de dag vóór het ingevolge het eerste lid verrichte onderzoek;

    • b. het tijdstip waarop het onderzoek is verricht waaruit de gegevens zijn verkregen;

    • c. het geschatte aantal zwemmers en baders op de betrokken dag tot dat tijdstip.

Artikel 11

Er zijn voldoende voorzieningen om de ingevolge de artikelen 9 en 10 te verrichten metingen en monsternemingen mogelijk te maken.

Artikel 12

  • 1 Gedeputeerde staten kunnen in bijzondere gevallen bepalen dat:

    • a. ten aanzien van andere parameters dan die welke in de bij dit besluit behorende bijlage I zijn aangegeven, onderzoek wordt verricht;

    • b. vaker onderzoek naar de in bijlage I aangegeven parameters wordt verricht dan in die bijlage is aangegeven.

  • 2 De houder is verplicht te voldoen aan een beschikking als bedoeld in het eerste lid.

§ 5. Toiletten, douches, voorzieningen ten behoeve van de reinheid, berging van kleding

Artikel 13

  • 1 Er zijn voldoende douches en toiletten.

  • 2 In overdekte baden bevinden de douches zich langs de voor de bezoekers gebruikelijke wegen tussen de kleedruimten en de bassins; in openlucht-baden nabij de bassins.

  • 3 Toiletten bevinden zich in ieder geval in of nabij de wachtruimten en langs de voor de bezoekers gebruikelijke wegen tussen de kleedruimten en de doucheruimten, op dezelfde verdieping als de bassins.

Artikel 14

De deuren en de wanden van de doucheruimten zijn voorzien van vlak afgewerkt, waterdicht materiaal.

Artikel 15

  • 1 Vloeren die bestemd zijn om met blote voeten te worden betreden, zijn:

    • a. zo vervaardigd dat zij voldoende weerstand bieden tegen uitglijden;

    • b. van een zodanig afschot voorzien dat zich geen plassen kunnen vormen;

    • c. zodanig aangelegd dat het afvloeien van schrobwater of regenwater in het bassin niet mogelijk is.

  • 2 In overdekte ruimten zijn vloeren, als bedoeld in het eerste lid, vervaardigd van vlak afgewerkt, waterdicht materiaal.

Artikel 16

  • 1 Er zijn voldoende kleed- en garderoberuimten.

  • 2 Waar kleding met de wanden van deze ruimten in aanraking kan komen, zijn deze voorzien van vlak afgewerkt, waterdicht materiaal.

Artikel 17

  • 1 In toiletten, douche-, kleed-, garderobe- en wachtruimten wordt gedurende de openingsuren de lucht in voldoende mate ververst.

  • 2 De ruimten, bedoeld in het eerste lid, alsook de in artikel 15 bedoelde vloeren, worden tevens regelmatig gereinigd en gedesinfecteerd.

Artikel 18

  • 1 De bodem en de wanden van de bassins zijn vervaardigd van vlak afgewerkt, waterdicht materiaal.

  • 2 De bodem en wanden van het bassin worden regelmatig gereinigd. Bodem en wanden van bassins met eenmalig gebruik van water worden tevens in voldoende mate gedesinfecteerd.

Artikel 19

Voorwerpen die met de zwemmers of baders of het zwem- of badwater in aanraking kunnen komen, zijn van zodanig materiaal vervaardigd dat zij gemakkelijk gereinigd kunnen worden.

§ 6. Diepte van het zwem- en badwater, aanduiding daarvan, technische voorzieningen

Artikel 20

  • 1 Indien de diepte van het zwem- of badwater gelijk is aan of minder is dan 1,10 meter, heeft de bodem geen steilere helling dan 0,06 meter per strekkende meter en biedt de bodem voldoende weerstand tegen uitglijden.

  • 2 Indien de diepte van het zwem- of badwater meer is dan 1,10 meter, maar gelijk is aan of minder is dan 1,40 meter, en de bodem een steilere helling heeft dan 0,06 meter per strekkende meter, is 0,50 meter voor het begin van deze steilere helling een drijflijn aanwezig.

  • 3 Indien de diepte van het zwem- of badwater meer is dan 1,40 meter, is langs de lange wanden van het bassin op een diepte van ten minste 1,00 meter en ten hoogste 1,20 meter beneden de waterspiegel een voorziening aangebracht waarop zwemmers en baders kunnen staan. Tevens is langs de lange wanden, ten hoogste 0,35 meter boven de waterspiegel, een voorziening aangebracht waaraan zwemmers en baders zich vast kunnen houden.

Artikel 21

De diepte van het zwem- en badwater is voor de zwemmers en baders duidelijk zichtbaar aangegeven op alle punten waar dit met het oog op hun veiligheid van belang is.

Artikel 22

Openingen beneden de waterspiegel zijn zodanig uitgevoerd dat zwemmers en baders niet kunnen worden vastgezogen of bekneld kunnen raken.

§ 7. Voorzieningen met betrekking tot het zich te water begeven

Artikel 24

  • 1 Indien de diepte van het zwem- of badwater gelijk is aan of minder is dan 1,40 meter, zijn er geen springvoorzieningen.

  • 2 Indien de diepte van het zwem- of badwater meer is dan 1,40 meter, maar gelijk is aan of minder is dan 2,00 meter, zijn er geen andere springvoorzieningen dan startblokken.

  • 3 Het loopvlak van de springvoorzieningen biedt voldoende weerstand tegen uitglijden.

  • 4 Indien het loopvlak van een springvoorziening zich op een hoogte van meer dan 1,00 meter boven de waterspiegel of het perron bevindt, is de springvoorziening aan de zijkanten zodanig van leuningen voorzien dat deze lopen van het begin van de springvoorziening tot ten minste 0,50 meter voorbij het punt dat zich loodrecht boven de rand van het bassin bevindt.

§ 8. Toezicht

Artikel 25

  • 1 In de badinrichting wordt gedurende de openstelling in voldoende mate toezicht uitgeoefend.

  • 2 Het eerste lid is ten aanzien van badinrichtingen, die uitsluitend of in hoofdzaak toegankelijk zijn voor de in artikel 1a bedoelde personen, buiten de uren dat die badinrichtingen voor het publiek zijn opengesteld slechts van toepassing, voor zover de diepte van het zwem- of badwater meer is dan 1,40 meter.

Hoofdstuk III

§ 1. Algemeen

Artikel 26

Ten aanzien van badinrichtingen, ingericht voor het zwemmen of baden anders dan in oppervlaktewater en waarvan tenminste één bassin een wateroppervlakte van 2 m2 of meer heeft en geen van de bassins dieper is dan 0,50 meter, gelden de in dit hoofdstuk gegeven voorschriften.

Hoofdstuk IV

§ 3. Het onderzoek van het zwem- en badwater

Artikel 36

  • 1 De houder onderzoekt de parameters die zijn aangegeven in de bij dit besluit behorende bijlage II, ten minste zo vaak als in die bijlage is aangegeven.

  • 2 Hij noteert de gegevens die het resultaat zijn van ieder onderzoek.

  • 3 Hij noteert daarbij tevens bijzonderheden die van belang zijn uit het oogpunt van hygiëne.

  • 4 Hij bewaart de in het tweede en derde lid bedoelde gegevens ten minste twee jaar.

Artikel 37

  • 1 Gedeputeerde staten kunnen bepalen dat de houder door een laboratorium als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderzoek laat verrichten naar het aantal bacteriën van de coli-groep en thermotolerante bacteriën van de coli-groep en andere door gedeputeerde staten daartoe aangewezen parameters.

  • 2 De houder is verplicht te voldoen aan een beschikking als bedoeld in het eerste lid.

  • 3 De gegevens, die het resultaat zijn van ieder onderzoek, worden in een rapport genoteerd.

Artikel 38

  • 1 Een onderzoek, als bedoeld in artikel 37, wordt voor zover het betrekking heeft op parameters die in de bij dit besluit behorende bijlage II zijn aangegeven, verricht op de in de bij dit besluit behorend bijlage IV aangegeven wijze.

  • 2 Indien de beschikking van gedeputeerde staten betrekking heeft op onderzoek naar andere parameters, wordt het onderzoek verricht op de in de beschikking aangegeven wijze.

§ 5. Veiligheid

Artikel 40

  • 1 De grenzen van het voor het zwemmen of baden bestemde gedeelte van het water dat tot de badinrichting behoort, zijn op voor de bezoekers duidelijke wijze aangegeven.

  • 2 Indien de diepte van het zwem- of badwater minder is dan 1,40 meter, heeft de bodem geen steilere helling dan 0,06 meter per strekkende meter.

  • 3 De voor zwemmers of baders gevaarlijke plaatsen in de gedeelten waarin wordt gezwommen of gebaad worden aangeduid.

Hoofdstuk V

Artikel 44

Op de op grond van artikel 10b van de wet geïnventariseerde plaatsen, voor zover het geen badinrichtingen zijn, voldoet het zwemwater aan de normen die zijn aangegeven in de bij dit besluit behorende bijlage II.

Hoofdstuk VI. Verdere bepalingen

Artikel 45

Gedeputeerde staten zijn gehouden met betrekking tot de op grond van artikel 10b van de wet geïnventariseerde plaatsen waar het zwem- of badwater niet voldoet aan de normen die zijn aangegeven in de bij dit besluit behorende bijlage II, toepassing te geven aan artikel 11, eerste lid, van de wet door onderscheidenlijk sluiting van de betrokken inrichting te gelasten of een zwemverbod in te stellen.

Artikel 46

De perrons en de vloeren en wanden van bassins en andere in de badinrichting aanwezige ruimten, alsmede de in of op die perrons, bassins en andere ruimten aanwezige voorzieningen zijn zo afgewerkt dat de bezoekers zich niet kunnen bezeren aan scherpe randen of uitsteeksels.

Artikel 47

De in een badinrichting aanwezige voorzieningen, als in dit besluit voorgeschreven, functioneren deugdelijk; badinrichtingen verkeren in voldoende staat van onderhoud en reinheid.

Hoofdstuk VII. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 48

  • 1 De hoofdstukken II, III, IV en VI van dit besluit gelden slechts gedurende het gedeelte van het jaar, waarin de badinrichting is opengesteld.

  • 2 Hoofdstuk V geldt slechts van 1 mei tot en met 30 september.

Artikel 50

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

's-Gravenhage, 6 oktober 1984

Beatrix

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

P. Winsemius

Uitgegeven de dertigste oktober 1984.

De Minister van Justitie,

F. Korthals Altes

Bijlage I. Normen voor zwem- en badwater, in badinrichtingen, ingericht voor het zwemmen of baden anders dan in oppervlaktewater, als bedoeld in artikel 2 van het besluit1

Parameters en plaatsen van onderzoek

Eenheid

Norm

Frequentie van onderzoek uit te voeren door

     

houder

labor.

Te meten in het bassin op de plaats waar de waarde van deze parameter naar redelijkerwijs kan worden aangenomen, het ongunstigst is :2

       

1. Bij 37°C kweekbare kiemen

aantal per ml

≤ 100

 

m

2. Pseudomonas aeruginosa

aantal per 100 ml

niet aantoonbaar

 

3

3. Doorzicht

meter

tot bodem

d

m

4. Troebelingsgraad bij uitlaat

FTE

≤0,5

 

3

5. Kaliumpermanganaatverbruik

mg/l

≤ 70 % van het kaliumpermanganaatverbruik van het suppletiewater + 6

 

m4

6. Zuurgraad

Ph

6,8 ≤ pH ≤ 7,8

d

m

7. Buffercapaciteit

mmol/l

≥ 1

 

3

8. Ureum

mg/l

≤ 2,0

 

m4

9. Vrij beschikbaar chloor (VBC)

mg/l

0,5 ≤ VBC ≤ 1,55

d

m

10. Vrij beschikbaar chloor indien cyanuurzuur wordt gebruikt (in dat geval geldt niet de onder 9 vermelde norm)

mg/l

2,0 ≤ VBC ≤ 5,0

d

m

11. Gebonden beschikbaar chloor

mg/l

≤ 1,0

d

m

12. Cyanuurzuur (indien dit in enigerlei vorm wordt

mg/l

≤ 50 (bij gebruik cyanuurzuur)

   

gebruikt)

 

≤ 100 (bij gebruik isocyanuurzuur-verbindingen)

 

m4

         

Te meten in het toevoerwater:

       

13. Ozon (indien als oxydatiemiddel gebruikt)

mg/l

niet aantoonbaar

d

m

         

Te meten op de in het beheersplan Legionella (artikel 2b) aangegeven risicopunten:

       

14. Legionella

kolonievormende eenheden per liter(k.v.e./l)

<100 k.v.e./l

 

hj

d = dagelijks onderzoek. De aangegeven parameters dienen dagelijks zo vaak als met het oog op de bedrijfsvoering noodzakelijk is, doch tenminste bij opening en tegen sluitingstijd, door de houder te worden onderzocht.

m = maandelijks onderzoek. Dit onderzoek laat de houder verrichten door een laboratorium als bedoeld in artikel 10, eerste lid, zodanig dat in een kalenderjaar tenminste 40 % in de eerste helft van de openingsuren wordt uitgevoerd en ten minste 40 % in de tweede helft van de openingsuren. Indien de openstelling voor het publiek vóór de 15e van enige maand aanvangt of na de 15e van enige maand eindigt, dient in deze maanden eveneens een onderzoek plaats te vinden.

hj = halfjaarlijks onderzoek. Het onderzoek dient plaats te vinden op de in het beheersplan aangegeven risicopunten.

1 Bij bassins met eenmalig gebruik van water, waarbij het bassin met water van drinkwaterkwaliteit wordt gevuld en geen desinfectiemiddelen worden toegevoegd, gelden alleen de normen en een onderzoeksverplichting met betrekking tot de onder 1 en 3 genoemde parameters. Ten aanzien van de overige bassins met eenmalig gebruik van water en de doorstroomde bassins gelden alleen de normen en een onderzoeksverplichting met betrekking tot de onder 1, 3, 6, 9 of 10, 12 en 13 genoemde parameters.

2 Bij bassins met eenmalig gebruik van water dient het onderzoek plaats te vinden na het vullen van het bassin, voordat er in wordt gebaad. Indien meerdere van deze bassins deel uitmaken van één systeem, kan volstaan worden met onderzoek van het zwem- of badwater in één bassin.

3 Indien er aanwijzingen zijn dat de waterkwaliteit ten aanzien van deze parameter niet aan de norm voldoet, dient onderzoek plaats te vinden ten aanzien van deze parameter.

4 Indien meerdere bassins in een badinrichting op dezelfde zuiveringsinstallatie zijn aangesloten, hoeft het onderzoek naar deze parameter alleen plaats te vinden in het bassin waar de waarde van deze parameter, naar redelijkerwijs kan worden aangenomen, het ongunstigst is op grond van de ligging ten opzichte van de zuiveringsinstallatie dan wel op grond van de bezoekersaantallen.

5 Bij openluchtbaden en bassins met een wateroppervlakte kleiner dan 20 m2 geldt een bovengrens van 5,0 mg/l.

Voorschriften ten aanzien van de toetsing

De toetsing van de hoedanigheid van het zwem- en badwater aan de normen verloopt als volgt.

1. Er wordt uitgegaan van de gegevens uit onderzoek verricht door het laboratorium, ingevolge artikel 10, eerste lid.

2. Met het oog op de toetsing worden de parameters in twee groepen ingedeeld. Groep 1 omvat de onder 3, 6, 9 of 10 (alleen de ondergrens van VBC), 13 en 14 genoemde parameters. Groep 2 de overige (incl. de bovengrens van VBC). Bij bassins met eenmalig gebruik van water, waarbij het bassin met water van drinkwaterkwaliteit wordt gevuld en geen desinfectiemiddelen worden toegevoegd, geldt de onder 1 genoemde parameter als een groep 1-parameter.

3. Het resultaat van een maandelijkse toetsing is onvoldoende wanneer één van de tot groep 1 behorende parameters de erbij behorende norm overschrijdt of wanneer twee of meer van de tot groep 2 behorende parameters de erbij behorende normen overschrijden.

4. Het zwem- en badwater voldoet aan de normen wanneer, gerekend over een kalenderjaar niet meer dan het aantal in de volgende tabel genoemde maandelijkse toetsingen een onvoldoende uitkomst hebben:

Aantal maandelijkse onderzoekingen in het betreffende kalenderjaar

Aantal onvoldoende uitkomsten van maandelijkse toetsingen

1 en 2

0

3–5

1

6–9

2 (maar niet twee keer achtereen t.a.v. dezelfde parameter)

10–12

3 (maar niet twee keer achtereen t.a.v. dezelfde parameter)

Bijlage II. bij het Besluit hygiëne en veiligheid zweminrichtingen

Normen voor zwem- en badwater in badinrichtingen ingericht voor het zwemmen of baden in oppervlaktewater en andere op grond van artikel 10b van de wet geïnventariseerde plaatsen

Normen voor zwem- en badwater in badinrichtingen ingericht voor het zwemmen of baden in oppervlaktewater en andere op grond van artikel 10b van de wet geïnventariseerde plaatsen

parameters

eenheid

norm

door de houder van een badinrichting in oppervlaktewater dagelijks uit te voeren onderzoek

bacteriën van de coligroep

aantal per 100 ml

≤ 10.000

thermotolerante bacteriën van de coligroep

aantal per 100 ml

≤ 2.000

doorzicht

meter

≥ 1,01

X

zuurgraad

pH

6,0 ≤pH ≤ 9,0a

kleur

een niet anders dan door natuurlijke omstandigheden veroorzaakte kleur

X

geur

afwezigheid van rottingsgeuren of andere geuren die algemeen als hinderlijk worden ervaren, in het bijzonder de geur van fenolen

X

schuim

een niet anders dan door natuurlijke omstandigheden veroorzaakte schuim

X

olie

geen zichtbare hoeveelheid olie op het wateroppervlak

X

vuil

afwezigheid in of op het water en op de bodem van afvalstoffen en dode organische materie in aanmerkelijke hoeveelheid

X

faecale streptokokken

aantal per 100 ml

≤ 300 (de mediaanwaarde van de uitkomsten van het onderzoek)

salmonellae

niet aantoonbaar in 1 L

entero-virussen

niet aantoonbaar in 10 L

Voorschriften ten aanzien van de toetsing

De toetsing van de hoedanigheid van het zwem- en badwater aan de normen verloopt als volgt.

1. Er wordt uitgegaan van de gegevens uit het onderzoek dat wordt verricht ingevolge artikel 4, eerste lid van het Besluit kwaliteitsdoelstellingen en metingen oppervlakte wateren.

2. Het zwem- en badwater wordt geacht overeen te stemmen met de in deze bijlage gegeven normen indien blijkt dat van de monsters, genomen op een zelfde plaats van monsterneming, volgens de in bijlage II van het Besluit kwaliteitseisen en monitoring water aangegeven frequentie:

  • - bij de parameters "bacteriën van de coligroep" en "thermotolerante bacteriën van de coligroep" 95% in overeenstemming is met de normen voor de betreffende parameter.

  • - bij de overige parameters, met uitzondering van faecale streptococcen, 95% in overeenstemming is met de normen voor de betreffende parameter. Voor de (maximaal) 5% van de monsters die niet conform de norm zijn, mag deze afwijking niet meer bedragen dan 50% van de normwaarde voor de betreffende parameters, waarbij een uitzondering wordt gemaakt voor pH en opgeloste zuurstof.

Bijlage III

Bepaling van de minimaal noodzakelijke pompcapaciteit

De minimaal noodzakelijke pompcapaciteit dient te worden vastgesteld met gebruikmaking van de formule

Bijlage 12998.png

met dien verstande dat de hoeveelheid verpompt water gemiddeld over de openingsuren van een dag niet minder mag bedragen dan 2,0 m3/zwemmer of bader. Hierin is:

Q = pompcapaciteit in m3/uur

I = de hoeveelheid water waarvoor het bassin is bestemd in m3.

T = maximaal aan te houden gemiddelde verblijfstijd van het water in het bassin in uren.

Voor bassins of gedeelten van bassins geldt:

  • T =< 1 uur bij een waterdiepte > 0,3 m

  • T =< 2 uur bij een waterdiepte 0,3-1,1 m

  • T =< 3 uur bij een waterdiepte 1,1-1,4 m

  • T =< 4 uur bij een waterdiepte 1,4-2,0 m

  • T =< 6 uur bij een waterdiepte > 2,0 m

Bij gebruik van ozon als oxydatiemiddel mag zowel de genoemde hoeveelheid van 2,0 m3/zwemmer of bader als de met de formule berekende pompcapaciteit door 1,2 worden gedeeld.

Bijlage IV. Analysevoorschriften

Parameter

Te onderzoeken volgens de methode beschreven in:

1. Bij 37 °C kweekbare kiemen

NEN 6550, 1e druk 1979

2. Bacteriën van de coli-groep

NEN 6553, 1e druk 1981 of NEN 6557, 1e druk 1981

3. Thermotolerante bacteriën van de coli-groep

NEN 6572, 1e druk 1982 of NEN 6570, 1e druk 1982

4. Pseudomonas aeruginosa

NEN 6573, 1e druk 1987

5. Troebelingsgraad

NEN-EN-ISO 7027, 1e druk 1994

6. Kaliumpermanganaatverbruik

NEN-EN-ISO 8467, 1e druk 1995

7. Zuurgraad (pH)

NEN 6411, 1e druk 1981

8. Buffercapaciteit

NEN 6497, 1e druk 1983

9. Ureum

NEN 6494, 1e druk 1984

10. Vrij beschikbaar chloor, vrij beschikbaar chloor indien cyaanzuur wordt gebruikt en gebonden beschikbaar chloor

NEN 6480, 1e druk 1982

11. Cyanuurzuur

NEN 6493, 1e druk 1984

12. Ozon

NEN 6495, 1e druk 1984

13. Legionella

NEN 6265, 1e druk 1991

14. faecale streptokokken

NEN 6563, 1e druk 1982

In plaats van de aangewezen analysemethoden mag volgens andere methoden worden geanalyseerd, mits de resultaten van die methoden gelijkwaardig zijn aan die van de aangewezen methoden.

  1. Overschrijding van de norm als gevolg van de natuurlijke gesteldheid van de bodem en de invloed daarvan op het water worden niet beschouwd als overschrijding.

    ^ [1]
Terug naar begin van de pagina