Overgangswet W.V.O.

[Regeling vervalt per 01-08-2022.]
Geraadpleegd op 25-05-2022.
Geldend van 01-08-2006 t/m heden

Wet van 30 juni 1967, houdende vaststelling, ingevolge artikel 127 van de Wet op het voortgezet onderwijs, van de Overgangswet W.V.O. en tevens wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ingevolge artikel 127 van de Wet op het voortgezet onderwijs het overgangsrecht en het tijdstip van het in werking treden van die wet bij de wet moeten worden geregeld en dat wijzigingen in de Wet op het voortgezet onderwijs wenselijk zijn gebleken;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Titel I. Algemene bepalingen

Artikel 1

Deze wet verstaat onder:

"Onze minister": Onze minister van onderwijs en wetenschappen, voor het landbouwonderwijs Onze minister van landbouw en visserij en voor het onderwijs, dat ressorteert onder de minister van cultuur, recreatie en maatschappelijk werk, Onze minister van cultuur, recreatie en maatschappelijk werk;

"het bevoegd gezag": voor

  • a. een rijksschool: Onze minister;

  • b. een gemeentelijke school: het college van burgemeester en wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hem te stellen regelen;

  • c. een bijzondere school: het schoolbestuur.

Titel IV. Inpassing van het bestaande onderwijs

Hoofdstuk 1. Voorbereidend hoger en middelbaar onderwijs

Artikel 5

Met ingang van 1 augustus 1968 vervallen hoofdstuk I van titel II en hoofdstuk III van titel III van de hoger-onderwijswet en de ter uitvoering van die hoofdstukken gegeven voorschriften, voor zover bij deze wet niet anders is bepaald.

Artikel 6

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden onder gymnasia, hogereburgerscholen, middelbare scholen voor meisjes en handelsdagscholen zowel zelfstandige scholen als afdelingen verstaan.

Artikel 7

  • 1 De uit ’s Rijks kas bekostigde gymnasia worden met ingang van 1 augustus 1968 gymnasia, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs. Zij vangen op die datum aan met het eerste leerjaar.

  • 2 Met betrekking tot de op 1 augustus 1968 aangevangen hogere leerjaren blijven de op 31 juli 1968 geldende voorschriften van toepassing tot 1 augustus 1973. Voor het schooljaar 1973-1974 kan het bevoegd gezag, voor zover het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft onder goedkeuring van Onze minister, alsnog een zesde leerjaar volgens die voorschriften vormen.

Artikel 8

Tot 1 januari 1975 wordt aan de leerlingen van de gymnasia, bedoeld in artikel 7, eerste lid, alsmede aan de leerlingen van de gymnasia, die op 31 juli 1968 ingevolge de hoger-onderwijswet zijn aangewezen, doch niet uit ’s Rijks kas worden bekostigd, de gelegenheid gegeven het eindexamen af te leggen volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften.

Artikel 9

  • 1 De gemeentelijke gymnasia, die op 31 juli 1967 niet uit ’s Rijks kas worden bekostigd, kunnen ten laste van de gemeente in stand worden gehouden.

  • 2 Voor de toepassing van afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs worden de in het eerste lid bedoelde gymnasia van 1 augustus 1968 af aangemerkt als uit de openbare kas bekostigde gymnasia. De artikelen 7, tweede lid, en 8 zijn van toepassing.

Artikel 10

De vergoeding ten behoeve van een gemeentelijk gymnasium, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, waarvan een of meer leerjaren tevens vormen een of meer leerjaren van een rijksatheneum, als bedoeld in artikel 13, eerste lid, wordt berekend volgens door Onze minister vast te stellen regelen.

Artikel 12

Met ingang van 1 augustus 1968 vervallen de middelbaar-onderwijswet en de ter uitvoering daarvan gegeven voorschriften, voor zover bij deze wet niet anders is bepaald.

Artikel 13

  • 1 De uit ’s Rijks kas bekostigde hogereburgerscholen A en B worden met ingang van 1 augustus 1968 athenea of scholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, ter keuze van de gemeenteraad, indien het een gemeentelijke school betreft, en van het bevoegd gezag, indien het een rijksschool of een bijzondere school betreft. Zij vangen op die datum aan met het eerste leerjaar.

  • 2 In afwijking van het eerste lid wordt een hogereburgerschool A, waarvan de eerste drie leerjaren niet samenvallen met een hogereburgerschool B noch met een gymnasium, een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs.

  • 3 Indien een hogereburgerschool B of een hogereburgerschool A en B, waarvan niet een of meer leerjaren samenvallen met een gymnasium, in elk van de jaren 1965, 1966 en 1967 werd bezocht door ten minste 400 leerlingen, gerekend naar de toestand op 16 september, kan de school worden omgezet in een scholengemeenschap, bestaande uit een atheneum en een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs dan wel in een atheneum met een afdeling voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, als bedoeld in artikel 8, eerste lid onder b, van de Wet op het voortgezet onderwijs.

  • 4 Indien een hogereburgerschool B of een hogereburgerschool A en B, waarvan een of meer leerjaren samenvallen met een gymnasium, tezamen met dit gymnasium in elk van de jaren 1965, 1966 en 1967 werd bezocht door ten minste 600 leerlingen, gerekend naar de toestand op 16 september, kan deze school tezamen met het gymnasium worden omgezet in een scholengemeenschap, bestaande uit een lyceum en een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs dan wel in een lyceum met een afdeling voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, als bedoeld in artikel 8, eerste lid onder b, van de Wet op het voortgezet onderwijs.

  • 5 Indien het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft, doet het bevoegd gezag van het besluit tot omzetting van de hogereburgerschool, bedoeld in de vorige leden, voor 1 februari 1968 mededeling aan Onze minister.

  • 6 Met betrekking tot de op 1 augustus 1968 aangevangen hogere leerjaren blijven de op 31 juli 1968 geldende voorschriften van toepassing tot 1 augustus 1972. Voor het schooljaar 1972-1973 kan het bevoegd gezag, voor zover het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft onder goedkeuring van Onze minister, alsnog een vijfde leerjaar volgens die voorschriften vormen. Indien de cursusduur van de hogereburgerschool met een jaar was verlengd, blijven de op 31 juli 1968 geldende voorschriften van toepassing tot 1 augustus 1973 en kan het bevoegd gezag, voor zover het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft onder goedkeuring van Onze minister, voor het schooljaar 1973-1974 alsnog een zesde leerjaar volgens die voorschriften vormen.

Artikel 14

Tot 1 januari 1974 wordt aan de leerlingen van de hogereburgerscholen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, alsmede aan de leerlingen van de hogereburgerscholen, die op 31 juli 1968 ingevolge de middelbaar-onderwijswet zijn aangewezen, doch niet uit ’s Rijks kas worden bekostigd, de gelegenheid gegeven het eindexamen af te leggen volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften. Indien de cursusduur van deze scholen met een jaar is verlengd, wordt die gelegenheid gegeven tot 1 januari 1975.

Artikel 15

  • 1 De gemeentelijke hogereburgerscholen A en B, die op 31 juli 1967 niet uit ’s Rijks kas worden bekostigd, kunnen ten laste van de gemeente in stand worden gehouden als athenea of als scholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs. Op de omzetting in athenea of scholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs is artikel 13, eerste tot en met vijfde lid, van toepassing.

  • 2 Voor de toepassing van afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs worden de in het eerste lid bedoelde hogereburgerscholen van 1 augustus 1968 af aangemerkt als uit de openbare kas bekostigde scholen. De artikelen 13, zesde lid, en 14 zijn van toepassing.

Artikel 17

  • 1 De uit ’s Rijks kas bekostigde middelbare scholen voor meisjes worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs. Zij vangen op die datum aan met het eerste leerjaar.

  • 2 Met betrekking tot de op 1 augustus 1968 aangevangen hogere leerjaren blijven de op 31 juli 1968 geldende voorschriften van toepassing tot 1 augustus 1972. Voor het schooljaar 1972-1973 kan het bevoegd gezag, voor zover het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft onder goedkeuring van Onze minister, alsnog een vijfde leerjaar volgens die voorschriften vormen.

Artikel 18

Tot 1 januari 1974 wordt aan de leerlingen van de middelbare scholen voor meisjes, bedoeld in artikel 17, eerste lid, alsmede aan de leerlingen van de middelbare scholen voor meisjes, die op 31 juli 1968 ingevolge de middelbaar-onderwijswet zijn aangewezen, doch niet uit ’s Rijks kas worden bekostigd, de gelegenheid gegeven het eindexamen af te leggen volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften.

Artikel 19

  • 1 De gemeentelijke middelbare scholen voor meisjes, die op 31 juli 1967 niet uit ’s Rijks kas worden bekostigd, kunnen ten laste van de gemeente in stand worden gehouden als scholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs.

  • 2 Voor de toepassing van afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs worden de in het eerste lid bedoelde middelbare scholen voor meisjes van 1 augustus 1968 af aangemerkt als uit de openbare kas bekostigde scholen. De artikelen 17, tweede lid, en 18 zijn van toepassing.

Artikel 20

  • 1 De uit ’s Rijks kas bekostigde handelsdagscholen worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs. Zij vangen op die datum aan met het eerste leerjaar.

  • 2 Met betrekking tot de op 1 augustus 1968 aangevangen hogere leerjaren blijven de op 31 juli 1968 geldende voorschriften van toepassing tot 1 augustus 1970, indien het een handelsdagschool met driejarige cursus betreft, en tot 1 augustus 1971, indien het een handelsdagschool met vierjarige cursus betreft. Het bevoegd gezag kan, indien het een handelsdagschool met driejarige cursus betreft, voor het schooljaar 1970-1971 en, indien het een handelsdagschool met vierjarige cursus betreft, voor het schooljaar 1971-1972 onder goedkeuring van Onze minister alsnog een hoogste leerjaar volgens die voorschriften vormen.

Artikel 21

Tot 1 januari 1972 wordt aan de leerlingen van de handelsdagscholen met driejarige cursus, bedoeld in artikel 20, eerste lid, alsmede aan de leerlingen van de handelsdagscholen met driejarige cursus, die op 31 juli 1968 ingevolge de middelbaar-onderwijswet zijn aangewezen, doch niet uit ’s Rijks kas worden bekostigd, de gelegenheid gegeven het eindexamen af te leggen volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften. Deze gelegenheid wordt tot 1 januari 1973 gegeven aan de leerlingen van de handelsdagscholen met vierjarige cursus, bedoeld in artikel 20, eerste lid, alsmede aan de leerlingen van de handelsdagscholen met vierjarige cursus, die op 31 juli 1968 ingevolge de middelbaar-onderwijswet zijn aangewezen, doch niet uit ’s Rijks kas worden bekostigd.

Artikel 22

Artikel 23

  • 1 De op 31 juli 1968 uit ’s Rijks kas bekostigde handelsavondscholen kunnen tot 1 augustus 1975 in stand worden gehouden.

  • 2 Op de in het eerste lid bedoelde handelsavondscholen blijven van toepassing de op 31 juli 1968 geldende voorschriften. Wij kunnen deze voorschriften wijzigen, voor zover zij bij algemene maatregel van bestuur zijn gegeven.

Artikel 24

Een gymnasium en een atheneum, die met inachtneming van de artikelen 7 en 13 ontstaan uit een gymnasium en een hogereburgerschool, waarvan de eerste of de eerste en de tweede leerjaren gemeenschappelijk zijn, worden met ingang van 1 augustus 1968 een lyceum, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Artikel 26

  • 1 De uit ’s Rijks kas bekostigde avondlycea worden met ingang van 1 augustus 1968 avondlycea, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

  • 2 De uit ’s Rijks kas bekostigde avondhogereburgerscholen worden met ingang van 1 augustus 1968 ter keuze van de gemeenteraad of het schoolbestuur, al naar gelang het gemeentelijke of bijzondere scholen betreft, avondathenea of avondscholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs. Het bevoegd gezag doet van zijn beslissing voor 1 februari 1968 mededeling aan Onze minister.

  • 3 Onze minister kan op verzoek van de gemeenteraad of van het schoolbestuur, al naar gelang het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft, goedkeuren, dat een avondlyceum met ingang van 1 augustus 1968 wordt omgezet in een scholengemeenschap, bestaande uit een avondlyceum en een avondschool voor hoger algemeen voortgezet onderwijs of in een avondlyceum met een afdeling voor hoger algemeen voortgezet onderwijs. Onze minister kan eveneens op verzoek goedkeuren, dat een avondhogereburgerschool met ingang van die datum wordt omgezet in een scholengemeenschap, bestaande uit een avondatheneum en een avondschool voor hoger algemeen voortgezet onderwijs of in een avondatheneum met een afdeling voor hoger algemeen voortgezet onderwijs.

Artikel 27

  • 1 De uit ’s Rijks kas bekostigde hogereburgerscholen met driejarige cursus worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs. Zij vangen op die datum aan met het eerste leerjaar.

  • 2 Met betrekking tot de op 1 augustus 1968 aangevangen hogere leerjaren blijven de op 31 juli 1968 geldende voorschriften van toepassing tot 1 augustus 1970.

Artikel 28

  • 1 De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten en inrichtingskosten van de bijzondere scholen, bedoeld in de artikelen 7, 13, 17, 20 en 27, worden door de gemeente vergoed voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs.

  • 2 De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten en inrichtingskosten van gemeentelijke scholen als bedoeld in de artikelen 7, 13, 17, 20 en 27, blijven vergoed volgens de op die datum geldende voorschriften voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

  • 2a De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten van de bijzondere scholen, bedoeld in de artikelen 7, 13, 17, 20 en 27, blijven vergoed volgens de op die datum geldende voorschriften voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Artikel 29

  • 1 In afwijking van artikel 28 kan Onze minister na overleg met het bevoegd gezag en met Onze minister van financiën bepalen, dat de vergoeding ingevolge de artikelen V of VI van de wet van 7 juli 1955, Stb. 320, wordt vervangen door een uitkering ineens.

  • 3 Het eerste en tweede lid zijn slechts van toepassing op andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Artikel 30

Met betrekking tot de uit ’s Rijks kas bekostigde scholen, bedoeld in dit hoofdstuk, blijft artikel 107 van de Wet op het voortgezet onderwijs buiten toepassing, zolang het onderwijs niet in alle leerjaren is ingericht volgens afdeling I van titel II van die wet.

Artikel 30a

Indien een niet uit ’s Rijks kas bekostigde avondhogereburgerschool in het schooljaar 1967-1968 geheel of gedeeltelijk uit de gemeentekas werd bekostigd en de school wordt omgezet in een avondschool voor voortgezet onderwijs, blijft de gemeente ook na 31 juli 1968 tot gehele of gedeeltelijke bekostiging bevoegd tot het tijdstip waarop de school ingevolge titel III van de Wet op het voortgezet onderwijs uit ’s Rijks kas wordt bekostigd.

Artikel 31

  • 1 De op 31 juli 1968 uit ’s Rijks kas bekostigde opleidingen voor de examens ter verkrijging van een middelbare akte, als bedoeld in titel VI van de middelbaar-onderwijswet, kunnen in stand worden gehouden tot een door Ons te bepalen tijdstip.

  • 2 De bekostiging van de in het eerste lid bedoelde opleidingen geschiedt onder de voorwaarden en volgens de regelen, die Onze minister vaststelt.

Hoofdstuk 2. Voortgezet gewoon en uitgebreid lager onderwijs

Artikel 32

  • 1 Met ingang van 1 augustus 1968 zijn de Lager-onderwijswet 1920 en de ter uitvoering daarvan gegeven voorschriften, tenzij bij deze wet anders is bepaald, niet meer van toepassing, voor zover zij betreffen het voortgezet gewoon en het uitgebreid lager onderwijs.

  • 2 Met ingang van 1 augustus 1973 vervalt de mogelijkheid, dat een uit de openbare kas bekostigde school voor basisonderwijs meer dan zes achtereenvolgende leerjaren omvat. Ten behoeve van het zevende en de hogere leerjaren van een school voor basisonderwijs, die voldoen aan de voorwaarden, genoemd in artikel 55bis, vierde lid, van de Lager-onderwijswet 1920, blijven tot die datum de voorschriften van die wet betreffende het voortgezet gewoon lager onderwijs van kracht.

Artikel 33

  • 1 De uit de openbare kas bekostigde scholen voor voortgezet gewoon lager onderwijs worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor lager algemeen voortgezet onderwijs, scholen voor lager huishoud- en nijverheidsonderwijs of scholen voor lager economisch en administratief onderwijs, een en ander als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

  • 2 De gemeenteraad of het schoolbestuur, al naar gelang het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft, beslist, of zijn school een school wordt voor lager algemeen voortgezet onderwijs of een van de scholen voor beroepsonderwijs, genoemd in het eerste lid, en doet daarvan mededeling aan Onze minister voor 1 februari 1968.

  • 3 Een besluit tot omzetting van de school in een school voor lager economisch en administratief onderwijs leidt slechts tot bekostiging op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs, indien de school in elk van de jaren 1965, 1966 en 1967 werd bezocht door gemiddeld ten minste 150 leerlingen, gerekend naar de toestand op 16 januari, 16 mei en 16 september.

  • 4 Een besluit tot omzetting van de school in een school voor lager huishoud- en nijverheidsonderwijs leidt slechts tot bekostiging op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs, indien de school in elk van de jaren 1965, 1966 en 1967 in het tweede leerjaar werd bezocht door gemiddeld ten minste 40 meisjes, gerekend naar de toestand op 16 januari, 16 mei en 16 september.

Artikel 34

Indien de inrichting van het onderwijs van de in artikel 33 bedoelde scholen in het tweede en de volgende leerjaren niet voldoet aan de bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs gegeven voorschriften, blijven de op 31 juli 1968 geldende voorschriften daarop van toepassing tot uiterlijk 1 augustus 1971.

Artikel 35

  • 1 De uit de openbare kas bekostigde scholen voor uitgebreid lager onderwijs worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op de uit de openbare kas bekostigde scholen voor uitgebreid lager onderwijs, waaraan in hoofdzaak handelsonderwijs wordt gegeven en waarvan de leerlingen voor 1 augustus 1967 niet deelnamen aan de landelijke mulo-examens. Deze scholen worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor lager economisch en administratief onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

  • 3 Bij verschil van mening tussen het bevoegd gezag en Onze minister, of het eerste dan wel het tweede lid van toepassing is, beslist Onze minister, de Onderwijsraad gehoord.

Artikel 36

Indien de inrichting van het onderwijs van de in artikel 35 bedoelde scholen in het tweede en de volgende leerjaren niet voldoet aan de bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs gegeven voorschriften, blijven de op 31 juli 1968 geldende voorschriften daarop van toepassing tot uiterlijk 1 augustus 1971.

Artikel 37

  • 1 De op 31 juli 1968 nog niet geopende scholen voor voortgezet gewoon lager onderwijs, tot de stichting waarvan of tot medewerking aan de stichting waarvan de gemeenteraad voor 1 augustus 1967 heeft besloten of geacht wordt te hebben besloten, worden scholen voor lager algemeen voortgezet onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

  • 2 De op 31 juli 1968 nog niet geopende scholen voor uitgebreid lager onderwijs, tot de stichting waarvan of tot medewerking aan de stichting waarvan de gemeenteraad voor 1 augustus 1968 heeft besloten of geacht wordt te hebben besloten, worden scholen voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Artikel 38

Op besluiten van de gemeenteraad betreffende de stichting van openbare scholen voor voortgezet gewoon en uitgebreid lager onderwijs en tot medewerking aan de stichting van overeenkomstige bijzondere scholen, genomen of geacht te zijn genomen voor 1 augustus 1967, blijft de Lager-onderwijswet 1920 van toepassing. Wanneer de uitvoering van een besluit voor 1 augustus 1973 nog niet is aangevangen, wordt dit besluit geacht niet te zijn genomen.

Artikel 39

De gemeenteraad besluit na 31 juli 1967 niet tot stichting van openbare scholen voor voortgezet gewoon lager onderwijs of tot medewerking aan de stichting van overeenkomstige bijzondere scholen en wordt na die datum niet ingevolge de artikelen 19bis, zesde lid, of 76, eerste lid, van de Lager-onderwijswet 1920 geacht tot stichting of tot medewerking aan de stichting van scholen voor voortgezet gewoon lager onderwijs te hebben besloten.

Artikel 40

  • 1 Besluiten van de gemeenteraad tot stichting van openbare scholen voor uitgebreid lager onderwijs en besluiten tot medewerking aan de stichting van overeenkomstige bijzondere scholen, genomen of geacht te zijn genomen na 31 juli 1967 en voor 1 augustus 1968, behoeven de goedkeuring van Onze minister.

  • 2 Onze minister weigert de goedkeuring, indien de stichting van de school niet in overeenstemming is met een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen.

  • 4 Op besluiten van de gemeenteraad, als bedoeld in dit artikel, blijft de Lager-onderwijswet 1920 van toepassing, met uitzondering van de artikelen 19bis, zesde lid tweede en derde volzin, 23, 23bis en 76, tweede en derde lid, en met dien verstande dat geen waarborgsom verschuldigd is. Wanneer de uitvoering van een besluit voor 1 augustus 1973 nog niet is aangevangen, wordt dit besluit geacht niet te zijn genomen.

Artikel 41

  • 1 Voor de stichtingskosten, de huren en de inrichtingskosten van openbare en bijzondere scholen, als bedoeld in de artikelen 33, 35 en 37, wordt tot 1 januari 1969 geen vergoeding uit ’s Rijks kas verleend. De gemeenten blijven tot die datum in het genot van de uitkeringen krachtens de Financiële-Verhoudingswet 1960.

  • 2 Ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde bijzondere scholen blijven de artikelen 72 tot en met 86 van de Lager-onderwijswet 1920 tot 1 januari 1969 van toepassing, voor zover deze betrekking hebben op uitbreiding, verbouwing, herstel, verandering van inrichting en op aanschaffing van schoolmeubelen of leer- en hulpmiddelen en met dien verstande dat geen waarborgsom verschuldigd is.

  • 3 Met betrekking tot besluiten van de gemeenteraad ingevolge de artikelen 75 en 76 van de Lager-onderwijswet 1920 betreffende de in het vorige lid bedoelde voorzieningen blijven de artikelen 76, tweede lid, en 17 van die wet ook na 31 december 1968 van toepassing.

  • 4 De in het vorige lid bedoelde besluiten, dan wel de daarop in beroep genomen beslissingen worden ook na 31 december 1968 volgens de Lager-onderwijswet 1920 uitgevoerd.

Artikel 42

  • 1 Met betrekking tot gebouwen, terreinen en roerende zaken, die ten behoeve van bijzondere scholen voor voortgezet gewoon en uitgebreid lager onderwijs in bruikleen zijn gegeven of onder andere voorwaarden ter beschikking zijn gesteld, komen de gemeente en het schoolbestuur voor 1 januari 1969 nader overeen, op welke wijze deze gebouwen, terreinen en roerende zaken ter beschikking van het schoolbestuur blijven.

  • 2 Indien geen eigendomsoverdracht plaatsvindt, is de goedkeuring van Onze minister vereist.

  • 3 Indien geen overeenstemming wordt bereikt, beslist Onze minister.

Artikel 43

  • 1 Voor 1 januari 1969 betaalt de gemeente aan de besturen van de bijzondere scholen voor voortgezet gewoon en uitgebreid lager onderwijs de niet vervallen waarborgsommen of de niet vervallen gedeelten daarvan terug, een en ander met inbegrip van de geschatte waarde van de grond, bedoeld in artikel 74, tweede lid, van de Lager-onderwijswet 1920.

  • 2 Geschillen over de toepassing van dit artikel worden onderworpen aan de beslissing van gedeputeerde staten.

Artikel 44

  • 1 Voor de exploitatiekosten van openbare en bijzondere scholen, als bedoeld in de artikelen 33, 35 en 37, wordt tot 1 januari 1969 geen vergoeding uit ’s Rijks kas verleend. De gemeenten blijven tot die datum in het genot van de uitkeringen krachtens de Financiële-Verhoudingswet 1960. De vaststelling van de uitgaven voor gemeentelijke scholen, bedoeld in artikel 88 van de Wet op het voortgezet onderwijs, vindt voor het eerst plaats over het jaar 1969.

  • 2 De vaststelling van de uitgaven van openbare scholen voor voortgezet gewoon en uitgebreid lager onderwijs en de vaststelling en de uitkering van de gemeentelijke vergoedingen ten behoeve van de overeenkomstige bijzondere scholen, betrekking hebbende op de jaren, voorafgaande aan 1 januari 1969, vinden plaats volgens de Lager-onderwijswet 1920, met dien verstande dat de artikelen 55ter, tweede lid, 101, vierde lid, en 103, derde en zesde lid, van die wet worden toegepast over de jaren 1963 tot en met 1968.

  • 3 Het tweede lid is niet van toepassing op de uitgaven en de vergoedingen, bedoeld in artikel 101bis van de Lager-onderwijswet 1920.

Artikel 45

  • 1 Voor de kosten van stichting en eerste inrichting ten behoeve van een gemeentelijke of, voor zover die kosten ingevolge artikel 72 van de Lager-onderwijswet 1920 ten laste van de gemeente zijn gekomen, ten behoeve van een bijzondere school voor voortgezet gewoon of uitgebreid lager onderwijs, ontvangt de gemeente met ingang van 1 januari 1969 een vergoeding ten laste van het Rijk.

  • 2 Ter berekening van de vergoeding stelt Onze minister het bedrag vast van de werkelijke kosten, bedoeld in het eerste lid, alsmede het jaar, waarin het gebouw is voltooid.

  • 3 De vergoeding omvat per jaar tot het tijdstip, waarop veertig jaren na het in het tweede lid bedoelde jaar zijn verlopen, de som, die jaarlijks nog nodig zou zijn voor rente en aflossing van een veertigjarige geldlening tot het vastgestelde bedrag, aangegaan in het jaar van voltooiing, waarbij de aflossing op jaarlijks gelijke bedragen is gesteld en de rente wordt berekend over het niet afgeloste deel van die lening tegen een rentevoet, als ingevolge artikel 79, vijfde lid, van de Lager-onderwijswet 1920 is bepaald voor het jaar van voltooiing.

  • 4 Voor de berekening van de vergoeding wordt uitbreiding van een schoolgebouw met een of meer nieuwe lokalen aangemerkt als stichting van een nieuw gebouw.

  • 5 Indien en voor zover de gebouwen en terreinen van een gemeentelijke school niet meer ten behoeve van het voortgezet onderwijs worden gebruikt, eindigt de vergoeding met ingang van de daaropvolgende maand.

  • 6 Het eerste tot en met vijfde lid zijn slechts van toepassing op andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Artikel 46

  • 1 Voor de kosten van latere voorzieningen ten behoeve van een gemeentelijke of, voor zover die kosten ingevolge artikel 72 van de Lager-onderwijswet 1920 ten laste van de gemeente zijn gekomen, van een bijzondere school voor voortgezet gewoon of uitgebreid lager onderwijs ontvangt de gemeente met ingang van 1 januari 1969 een vergoeding ten laste van het Rijk. Als latere voorzieningen worden aangemerkt de voorzieningen, genoemd in artikel 72 van de Lager-onderwijswet 1920, met uitzondering van die, genoemd in artikel 45 van deze wet.

  • 2 Ter berekening van de vergoeding stelt Onze minister het bedrag vast van de werkelijke kosten, bedoeld in het eerste lid, alsmede het jaar, waarin die voorzieningen zijn tot stand gekomen.

  • 3 De vergoeding omvat per jaar tot het tijdstip, waarop twintig jaren na het in het tweede lid bedoelde jaar zijn verlopen, de som, die jaarlijks nog nodig zou zijn voor rente en aflossing van een twintigjarige geldlening tot het vastgestelde bedrag, aangegaan in het jaar van totstandkoming, waarbij de aflossing op jaarlijks gelijke bedragen is gesteld en de rente wordt berekend over het niet afgeloste deel van die lening tegen een rentevoet, als ingevolge artikel 79, vijfde lid, van de Lager-onderwijswet 1920 is bepaald voor het jaar van totstandkoming.

  • 5 Het eerste en tweede lid zijn slechts van toepassing op andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Artikel 47

  • 1 De jaarlijkse vergoeding, bedoeld in artikel 84 van de Lager-onderwijswet 1920, ten behoeve van scholen voor voortgezet gewoon en uitgebreid lager onderwijs wordt met ingang van 1 januari 1969 vervangen door een vergoeding ten laste van het Rijk.

  • 2 De vergoeding wordt vastgesteld overeenkomstig de artikelen 45 en 46 zoals die artikelen luidden op 31 december 1996, met dien verstande dat slechts in aanmerking worden genomen de kosten, welke ten grondslag hebben gelegen aan de berekening van de jaarlijkse vergoeding, bedoeld in artikel 84 van de Lager-onderwijswet 1920.

  • 3 Indien en voor zover de gebouwen en terreinen niet meer ten behoeve van het voortgezet onderwijs worden gebruikt, eindigt de vergoeding met ingang van de daaropvolgende maand.

  • 4 Een gebouw, waarin op 31 juli 1968 zowel een school voor gewoon lager onderwijs als een school voor voortgezet gewoon of uitgebreid lager onderwijs is gevestigd, wordt niet door het enkele feit van de omzetting van laatstbedoelde scholen in scholen voor voortgezet onderwijs een gebouw, als bedoeld in artikel 84 van de Lager-onderwijswet 1920.

Artikel 48

  • 1 Onze minister kan na overleg met het bevoegd gezag en met Onze minister van financiën bepalen, dat vergoedingen, bedoeld in de artikelen 45, 46 en 47, worden vervangen door een uitkering ineens.

  • 2 Het eerste lid is slechts van toepassing op andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Artikel 49

  • 1 De jaarlijkse vergoeding voor gebouwen en terreinen van scholen voor voortgezet gewoon en uitgebreid lager onderwijs, als bedoeld in artikel 205, eerste en vijfde lid, van de Lager-onderwijswet 1920, wordt met ingang van 1 januari 1969 vervangen door een uitkering ineens ten laste van het Rijk, gelijkstaande met 30% van het bedrag, waarover de vergoeding voor het jaar 1968 werd berekend.

  • 2 Zolang de uitkering ineens niet heeft plaatsgevonden, is het Rijk voor elke volle maand na 31 december 1968 aan het bevoegd gezag verschuldigd een twaalfde van de oorspronkelijk door de gemeente betaalde vergoeding.

Artikel 50

In alle gevallen, waarin de toepassing van de artikelen 41, 45, 46, 47 en 49 zoals die artikelen luidden op 31 december 1996 redelijkerwijs niet mogelijk is of tot ernstige onbillijkheden zou leiden, kan Onze minister in overeenstemming met Onze minister van financiën een afwijkende regeling treffen.

Artikel 50a

Voor de toepassing van de artikelen 82 en 83 van de Wet op het voortgezet onderwijs ten behoeve van scholen, als bedoeld in artikel 35, stelt Onze minister de waarde vast van de op 31 december 1968 in de school aanwezige inrichting, alsmede, voor zover het bijzondere scholen betreft, de waarde van de onderdelen van deze inrichting. De aldus vastgestelde bedragen worden in mindering gebracht op de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 82, tweede lid onder a, en 83, tweede lid eerste volzin, van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Artikel 51

Met betrekking tot de uit ’s Rijks kas bekostigde scholen, bedoeld in de artikelen 33, 35 en 37, blijft artikel 107 van de Wet op het voortgezet onderwijs buiten toepassing, zolang het onderwijs niet in alle leerjaren is ingericht volgens afdeling I van titel II van die wet.

Artikel 52

Indien een avondschool voor uitgebreid lager onderwijs in het schooljaar 1967-1968 geheel of gedeeltelijk uit de gemeentekas wordt bekostigd en de school wordt omgezet in een school voor voortgezet onderwijs, blijft de gemeente ook na 31 juli 1968 tot gehele of gedeeltelijke bekostiging bevoegd tot het tijdstip, waarop de school ingevolge titel III van de Wet op het voortgezet onderwijs uit ’s Rijks kas wordt bekostigd.

Hoofdstuk 3. Nijverheidsonderwijs

Artikel 54

Met ingang van 1 augustus 1968 vervallen de Nijverheidsonderwijswet en de ter uitvoering daarvan gegeven voorschriften, voor zover bij deze wet niet anders is bepaald.

Artikel 56

  • 1 De ingevolge de Nijverheidsonderwijswet uit de openbare kas bekostigde huishoud- en landbouwhuishoudscholen - met uitzondering van de daaraan verbonden leraressenopleidingen -, de kappersopleidingen en de cursussen tot opleiding van apothekers-assistenten worden met ingang van 1 augustus 1968 onderscheidenlijk scholen en cursussen voor huishoud- en nijverheidsonderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

  • 2 De ingevolge de Nijverheidsonderwijswet uit de openbare kas bekostigde:

    • a. scholen voor de detailhandel;

    • b. ondernemersopleidingen;

    • c. hotelvakscholen;

    • d. slagersvakschool

    worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor middenstandsonderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

  • 3 De ingevolge de Nijverheidsonderwijswet uit de openbare kas bekostigde school tot opleiding van staffunctionarissen bij toeristische bedrijven, uitgaande van het Nederlands Wetenschappelijk Instituut voor het Toerisme, wordt met ingang van 1 augustus 1968 een school voor economisch en administratief onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

  • 4 De ingevolge de Nijverheidsonderwijswet uit de openbare kas bekostigde leraren- en leraressenopleidingen worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor de opleiding van onderwijzend personeel, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

  • 5 De ingevolge de Nijverheidsonderwijswet uit de openbare kas bekostigde:

    • a. scholen voor maatschappelijk werk;

    • b. voortgezette opleidingen van maatschappelijke werkers;

    • c. bibliotheek- en documentatieschool;

    • d. hogere scholen voor verplegenden;

    • e. school voor de journalistiek;

    • f. akademie voor expressie door woord en gebaar;

    • g. scholen voor de opleiding van leiders op het terrein van jeugdvorming en volksontwikkeling;

    • h. scholen voor de opleiding van gezinsverzorgsters

    worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor sociaal-pedagogisch onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

  • 6 De ingevolge de Nijverheidsonderwijswet uit de openbare kas bekostigde:

    • a. scholen voor kunst en kunstnijverheid, met uitzondering van de daaraan verbonden leraren- en leraressenopleidingen;

    • b. opleidingen voor architect en stedebouwkundige;

    • c. filmacademie

    worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor kunstonderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

  • 7 De overige ingevolge de Nijverheidsonderwijswet uit de openbare kas bekostigde scholen worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor technisch onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs, tenzij in de voorgaande leden uitdrukkelijk anders is bepaald.

Artikel 57

  • 1 De ingevolge de Nijverheidsonderwijswet uit de openbare kas bekostigde scholen voor lager, uitgebreid lager en middelbaar nijverheidsonderwijs, genoemd in artikel 56, eerste, tweede, derde, vijfde en zevende lid, worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor onderscheidenlijk lager, middelbaar en hoger beroepsonderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

  • 2 In afwijking van het eerste lid worden:

    • a. de ingevolge de Nijverheidsonderwijswet uit de openbare kas bekostigde scholen voor de detailhandel, waaraan een opleiding voor middelbaar detailhandelsonderwijs is verbonden, met ingang van 1 augustus 1968 scholengemeenschappen, bestaande uit een school voor lager middenstandsonderwijs en een school voor middelbaar middenstandsonderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs;

    • b. de ingevolge de Nijverheidsonderwijswet uit de openbare kas bekostigde scholen voor middelbaar detailhandelsonderwijs met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor middelbaar middenstandsonderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs;

    • c. de overige ingevolge de Nijverheidsonderwijswet uit de openbare kas bekostigde scholen voor de detailhandel met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor lager middenstandsonderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Artikel 58

  • 1 Voor de toepassing van de artikelen 56 en 57 worden met de ingevolge de Nijverheidsonderwijswet uit de openbare kas bekostigde scholen gelijkgesteld de scholen, waarvan op grond van artikel 25 van de Nijverheidsonderwijswet de oprichting en instandhouding is goedgekeurd, doch waaraan het onderwijs nog niet is aangevangen.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde scholen, waaraan op 1 september 1973 geen onderwijs wordt gegeven, kunnen daarna niet meer uit de openbare kas worden bekostigd, tenzij Onze minister op verzoek van het bevoegd gezag anders besluit.

  • 3 Aan de in het tweede lid bedoelde beschikking kan Onze minister voorwaarden verbinden.

Artikel 59

Indien de inrichting van het onderwijs van de in artikel 56 bedoelde scholen niet voldoet aan de bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs gegeven voorschriften, kan Onze minister, voor zover het een rijksschool betreft, daarvan afwijken en, voor zover het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft, goedkeuren, dat daarvan wordt afgeweken.

Artikel 60

De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten en inrichtingskosten van de scholen, bedoeld in artikel 56, worden door de gemeente vergoed voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs. De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten en inrichtingskosten van de scholen, bedoeld in artikel 56, blijven vergoed volgens de op die datum geldende voorschriften voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Hoofdstuk 4. Opleiding kleuterleidsters

Artikel 61

  • 1 De uit ’s Rijks kas bekostigde opleidingsscholen voor kleuterleidsters worden met ingang van 1 augustus 1968 opleidingsscholen voor kleuterleidsters, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

  • 2 De op 31 juli 1968 ingevolge artikel 95 van de Kleuteronderwijswet aangewezen, niet uit ’s Rijks kas bekostigde, bijzondere opleidingsscholen worden geacht met ingang van 1 augustus 1968 te zijn aangewezen op grond van artikel 56 van de Wet op het voortgezet onderwijs.

  • 3 Indien de inrichting van het onderwijs in het tweede en de volgende leerjaren niet voldoet aan de bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs gegeven voorschriften, blijven de op 31 juli 1968 geldende voorschriften daarop van toepassing tot 1 augustus 1971. Voor de schooljaren 1971-1972 en 1972-1973 kan het bevoegd gezag, voor zover het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft onder goedkeuring van Onze minister, alsnog klassen vormen, waarin onderwijs wordt gegeven volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften.

Artikel 62

  • 1 De gemeentelijke opleidingsscholen, die op 31 juli 1967 niet uit ’s Rijks kas worden bekostigd, kunnen ten laste van de gemeente in stand worden gehouden.

  • 2 Voor de toepassing van afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs worden de in het eerste lid bedoelde opleidingsscholen van 1 augustus 1968 af aangemerkt als uit de openbare kas bekostigde scholen, indien zij zijn aangewezen ingevolge artikel 92 van de Kleuteronderwijswet. Artikel 61, derde lid, is van toepassing.

Artikel 62a

Tot 1 augustus 1971 kan de gemeente aan bijzondere opleidingsscholen voor kleuterleidsters die niet door het Rijk worden bekostigd, een vergoeding geven voor kosten van instandhouding, indien deze ook werd toegekend in het schooljaar 1967-1968.

Artikel 63

Tot het einde van het schooljaar 1969-1970 kan met toestemming van Onze minister aan een opleidingsschool een tweejarige afdeling B verbonden zijn, die is ingericht overeenkomstig de op 31 augustus 1964 geldende voorschriften.

Artikel 64

Tot en met het jaar 1970 blijft de gelegenheid bestaan de akte van bekwaamheid als hoofdleidster te verkrijgen volgens de op 31 augustus 1964 geldende voorschriften. Zij, die in 1970 bij het examen ter verkrijging van deze akte zijn afgewezen, worden in het jaar 1971 nogmaals in de gelegenheid gesteld de akte te verkrijgen.

Artikel 65

Tot en met het jaar 1970 blijft de gelegenheid bestaan de akte van bekwaamheid als leidster te verkrijgen volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften. Zij, die in 1970 bij het examen ter verkrijging van deze akte zijn afgewezen, worden in het jaar 1971 nogmaals in de gelegenheid gesteld de akte te verkrijgen.

Artikel 66

Tot en met het jaar 1972 blijft de gelegenheid bestaan de akte van bekwaamheid als hoofdleidster te verkrijgen volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften. Zij, die in 1972 bij het examen ter verkrijging van deze akte zijn afgewezen, worden in het jaar 1973 nogmaals in de gelegenheid gesteld de akte te verkrijgen.

Artikel 67

  • 1 De vergoeding van de kosten van de opleidingsscholen, bedoeld in artikel 61, eerste lid, geschiedt tot 1 januari 1969 op de grondslag van de op 31 juli 1968 geldende voorschriften.

Artikel 68

De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten worden door de gemeente vergoed voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs. De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten blijven vergoed volgens de op die datum geldende voorschriften voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Artikel 69

Met betrekking tot de uit ’s Rijks kas bekostigde scholen, bedoeld in dit hoofdstuk, blijft artikel 107, achtste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs buiten toepassing, zolang het onderwijs niet in alle leerjaren is ingericht volgens afdeling I van titel II van die wet.

Artikel 71

Met ingang van 1 augustus 1968 vervallen de ter uitvoering van titel IV van de Kleuteronderwijswet gegeven voorschriften, voor zover bij deze wet niet anders is bepaald.

Hoofdstuk 5. Kweekschoolonderwijs

Artikel 72

  • 1 Met ingang van 1 augustus 1968 vervallen de Kweekschoolwet en de ter uitvoering daarvan gegeven voorschriften, voor zover bij deze wet niet anders is bepaald.

  • 2 De uit ’s Rijks kas bekostigde kweekscholen voor onderwijzers worden met ingang van de in het eerste lid genoemde datum opleidingsscholen voor onderwijzers met een afdeling voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, een en ander als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

  • 3 De op 31 juli 1968 ingevolge artikel 21 van de Kweekschoolwet aangewezen, niet uit ’s Rijks kas bekostigde, bijzondere kweekscholen worden geacht met ingang van 1 augustus 1968 te zijn aangewezen op grond van artikel 56 van de Wet op het voortgezet onderwijs.

  • 4 Indien de inrichting van het onderwijs niet voldoet aan de bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs gegeven voorschriften, blijven de op 31 juli 1968 geldende voorschriften daarop van toepassing tot 1 augustus 1972. Voor de schooljaren 1972-1973 en 1973-1974 kan het bevoegd gezag, voor zover het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft onder goedkeuring van Onze minister, alsnog klassen vormen, waarin onderwijs wordt gegeven volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften.

Artikel 73

  • 1 Tot 1 januari 1972 wordt de gelegenheid gegeven tot het afleggen van het eerste gedeelte van het staatsexamen eerste leerkring volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften.

  • 2 Tot en met het jaar 1971 blijft de gelegenheid bestaan de akte van bekwaamheid als onderwijzer te verkrijgen volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften. Zij, die in 1971 bij het examen ter verkrijging van deze akte zijn afgewezen, worden in het jaar 1972 nogmaals in de gelegenheid gesteld de akte te verkrijgen.

Artikel 74

Tot en met het jaar 1973 blijft de gelegenheid bestaan de akte van bekwaamheid als volledig bevoegd onderwijzer te verkrijgen volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften. Zij, die in 1973 bij het examen ter verkrijging van deze akte zijn afgewezen, worden in het jaar 1974 nogmaals in de gelegenheid gesteld de akte te verkrijgen.

Artikel 75

  • 1 De vergoeding van de kosten van de in artikel 72 bedoelde opleidingsscholen geschiedt tot 1 januari 1969 op de grondslag van de op 31 juli 1968 geldende voorschriften, waarbij 31 december 1968 als het einde van het lopende vijfjarige tijdvak wordt aangemerkt.

Artikel 76

De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten worden door de gemeente vergoed voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs. De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten blijven vergoed volgens de op die datum geldende voorschriften voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Artikel 77

  • 1 In afwijking van artikel 76 kan Onze minister na overleg met het bevoegd gezag en met Onze minister van financiën bepalen, dat de vergoeding, bedoeld in artikel 53 van de Kweekschoolwet, en de vergoeding, bedoeld in artikel 26 van die wet, zoals dit luidde op 31 december 1955, worden vervangen door een uitkering ineens.

  • 3 Het eerste en tweede lid zijn slechts van toepassing op andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Artikel 78

Met betrekking tot de uit ’s Rijks kas bekostigde scholen, bedoeld in dit hoofdstuk, blijven artikel 107, zevende lid, en artikel 110 van de Wet op het voortgezet onderwijs buiten toepassing, zolang het onderwijs niet in alle leerjaren is ingericht volgens afdeling I van titel II van die wet.

Hoofdstuk 6. Overige vormen van beroepsonderwijs

§ 1. Landbouwonderwijs

Artikel 81

De rijks- en van rijkswege gesubsidieerde scholen voor lager, middelbaar en hoger landbouw-, tuinbouw-, bosbouw- en landbouwtechnologieonderwijs worden met ingang van 1 augustus 1968 onderscheidenlijk scholen voor lager, middelbaar en hoger landbouwonderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Artikel 82

Indien de inrichting van het onderwijs van de in artikel 81 bedoelde scholen niet voldoet aan de bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs gegeven voorschriften, kan Onze minister, voor zover het een rijksschool betreft, daarvan afwijken en, voor zover het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft, goedkeuren, dat daarvan wordt afgeweken.

Artikel 83

De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten en inrichtingskosten van de scholen, bedoeld in artikel 81, worden door de gemeente vergoed voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs. De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten en inrichtingskosten van de scholen, bedoeld in artikel 81, blijven vergoed volgens de op die datum geldende voorschriften voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

§ 2. Middenstandsonderwijs

Artikel 86

De scholen, gesubsidieerd ingevolge de Interimregeling subsidiëring middenstandsonderwijs 1966, worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor middenstandsonderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Artikel 87

Indien de inrichting van het onderwijs van de in artikel 86 bedoelde scholen niet voldoet aan de bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs gegeven voorschriften, kan Onze minister goedkeuren, dat daarvan wordt afgeweken.

§ 3. Sociaal-pedagogisch onderwijs

Artikel 88

Met ingang van 1 augustus 1968 vervallen de Rijksregeling subsidiëring sociaal-pedagogisch onderwijs 1964, het Besluit reglement C.I.O.S. en de subsidiebeschikking ten behoeve van de stichting R.-K. Centraal Instituut voor de Opleiding van Sportleiders, gevestigd te Sittard.

Artikel 89

De ingevolge de Rijksregeling subsidiëring sociaal-pedagogisch onderwijs 1964 gesubsidieerde cursussen hogere sociale arbeid worden met ingang van 1 augustus 1968 cursussen voor hoger sociaal-pedagogisch onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Artikel 90

De ingevolge de Rijksregeling subsidiëring sociaal-pedagogisch onderwijs 1964 gesubsidieerde Cursus voor Maatschappelijk Werk "Huize Bergen", scholen voor bezigheidstherapie en cursussen middelbare sociale arbeid worden met ingang van 1 augustus 1968 onderscheidenlijk scholen en cursussen voor middelbaar sociaal-pedagogisch onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Artikel 91

De door het Rijk in stand gehouden en gesubsidieerde centrale instituten voor de opleiding van sportleiders worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor middelbaar sociaal-pedagogisch onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Artikel 92

Indien de inrichting van het onderwijs van de in de artikelen 89 tot en met 91 bedoelde scholen of cursussen niet voldoet aan de bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs gegeven voorschriften, kan Onze minister, voor zover het een rijksschool of -cursus betreft, daarvan afwijken en, voor zover het een gemeentelijke of een bijzondere school of cursus betreft, goedkeuren, dat daarvan wordt afgeweken.

Artikel 93

De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten en inrichtingskosten van de scholen en cursussen, bedoeld in de artikelen 89 tot en met 91, worden door de gemeente vergoed voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs. De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten en inrichtingskosten van de scholen en cursussen, bedoeld in de artikelen 89 tot en met 91, blijven vergoed volgens de op die datum geldende voorschriften voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

§ 4. Kunstonderwijs

Artikel 95

  • 1 De rijks- en van rijkswege gesubsidieerde scholen voor vakonderwijs op het gebied van muziek, dans, kleinkunst en toneel worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor kunstonderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

  • 2 In afwijking van het eerste lid worden de Nederlandse Beiaardschool te Amersfoort, het Nederlands Instituut voor Katholieke Kerkmuziek te Utrecht, alsmede de van rijkswege gesubsidieerde opleidingen voor dansvakonderwijs, die niet tevens het algemeen voortgezet onderwijs verzorgen, en vakopleidingen aan muziekscholen met ingang van 1 augustus 1968 cursussen voor kunstonderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Artikel 96

Indien de inrichting van het onderwijs van de in artikel 95 bedoelde scholen of cursussen niet voldoet aan de bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs gegeven voorschriften, kan Onze minister, voor zover het een rijksschool of -cursus betreft, daarvan afwijken en, voor zover het een gemeentelijke of een bijzondere school of cursus betreft, goedkeuren, dat daarvan wordt afgeweken.

Artikel 97

De vergoeding van de stichtings- en inrichtingskosten van de in artikel 95 bedoelde scholen en cursussen geschiedt volgens door de gemeenteraad te stellen regelen voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs. De vergoeding van de stichtings- en inrichtingskosten van de in artikel 95 bedoelde scholen en cursussen geschiedt volgens door Onze minister te stellen regelen voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Hoofdstuk 7. Onderwijs, als bedoeld in artikel V van de wet van 14 februari 1963, Stb. 74

Artikel 98

  • 1 De door het Rijk op grond van artikel V van de wet van 14 februari 1963, Stb. 74, tot het verlenen van grotere vrijheid van inrichting van het onderwijs, geheel of gedeeltelijk bekostigde scholen, die ten aanzien van de duur van de cursus, het leerplan en de bevoegdheden van de leraren overeenkomen met scholen, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs, worden met ingang van 1 augustus 1968 zodanige scholen.

  • 2 Indien de inrichting van het onderwijs in het tweede en de volgende leerjaren niet voldoet aan de bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs gegeven voorschriften, blijven de op 31 juli 1968 geldende voorschriften daarop van toepassing voor een tijdvak, overeenkomende met de duur van de cursus verminderd met een jaar.

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen

Artikel 99

  • 1 Onze minister kan op verzoek van de gemeenteraad of van het schoolbestuur, al naar gelang het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft, goedkeuren, dat in afwijking van de hoofdstukken 1 tot en met 7 van deze titel een gemeentelijke of een bijzondere school wordt omgezet in een andere school, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

  • 2 Een verzoek, als bedoeld in het eerste lid, moet worden ingediend voor 1 februari 1968.

Artikel 99a

De op 31 juli 1968 geldende voorschriften ter uitvoering van de hoger-onderwijswet, de middelbaar-onderwijswet, de Lager-onderwijswet 1920, de Kleuteronderwijswet, de Kweekschoolwet en de besluiten ter uitvoering van de wet van 14 februari 1963, Stb. 74, kunnen gedurende de tijd waarin zij krachtens deze titel nog van kracht blijven, voor zover zij door Ons zijn vastgesteld, door Ons en, voor zover zij door Onze minister zijn vastgesteld, door hem worden gewijzigd.

Titel V. Wijzigingen in andere wetten

Titel VI. Overige inpassings- en overgangsregelingen

Hoofdstuk 1. Bewijzen van bekwaamheid en van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding

Hoofdstuk 2. Rechtspositie personeel

Artikel 118

Op geschillen, die ingevolge de op 31 juli 1968 geldende voorschriften bij een commissie van beroep aanhangig zijn gemaakt, blijft de op die datum geldende regeling van toepassing.

Artikel 118a

  • 1 Voor hen die met ingang van 1 augustus 1968 worden ontslagen, blijven de op 31 juli 1968 geldende voorschriften betreffende wachtgeld en andere uitkeringen bij ontslag ter zake van dit ontslag van kracht.

  • 2 Indien door het ontbreken van voorschriften als bedoeld in het eerste lid, geen aanspraak bestaat op wachtgeld of andere uitkeringen bij ontslag, wordt ten laste van het Rijk een ontslaguitkering toegekend volgens de voorschriften, bedoeld in artikel 39, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Hoofdstuk 3. Bekostiging

Artikel 119

  • 1 Onze minister kan, de Onderwijsraad gehoord, voor de jaren 1968 en 1969 scholen, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs, waaraan naar zijn oordeel behoefte bestaat, voor bekostiging in aanmerking brengen.

  • 2 Al naar gelang het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft, geschiedt de bekostiging op verzoek van de gemeenteraad of het schoolbestuur.

  • 3 Deze verzoeken worden voor 1 november 1967 bij Onze minister ingediend. Zij zijn met redenen omkleed, vermelden de aard en de plaats van vestiging van de school en gaan vergezeld van een prognose omtrent de te verwachten omvang.

Artikel 120

  • 1 Onze minister stelt voor 1 oktober 1969 het eerste plan van scholen vast, bedoeld in hoofdstuk I van titel III van de Wet op het voortgezet onderwijs. Het omvat de scholen, die in de jaren 1970, 1971 en 1972 voor bekostiging uit ’s Rijks kas in aanmerking zullen worden gebracht.

  • 2 Een verzoek om opneming in het plan, bedoeld in het eerste lid, wordt voor 1 februari 1968 bij Onze minister ingediend.

Titel VII. Slotbepalingen

Artikel 121

De artikelen 26 en 29, derde lid, van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs treden in werking met ingang van 1 augustus 1968, voor zover dit nog niet is geschied.

Artikel 122

Met ingang van 1 augustus 1968 vervalt de wet van 28 juli 1924, Stb. 376, betreffende onthouding van rijkssubsidie aan na 6 oktober 1921 geopende hogereburgerscholen en gymnasia, zoals deze wet is gewijzigd bij de wet van 2 april 1948, Stb. I 127.

Artikel 123

  • 1 Met ingang van 1 augustus 1968 vervalt de Garantiewet leningen voorbereidend hoger en middelbaar onderwijs, kweekscholen en opleidingsscholen voor kleuterleidsters.

  • 2 De ingevolge artikel 1 van de in het eerste lid genoemde wet verleende garanties blijven van kracht. Garanties kunnen volgens de voorschriften van die wet alsnog worden verleend voor de rente en aflossing van geldleningen, die worden aangegaan ter vervanging van leningen, waarvan de rente en aflossing op grond van die wet waren gewaarborgd.

Artikel 124

  • 1 Met ingang van 1 augustus 1968 vervalt de Garantiewet leningen N.O.

  • 2 De ingevolge artikel 1 van de in het eerste lid genoemde wet verleende garanties blijven van kracht. Garanties kunnen volgens de voorschriften van die wet alsnog worden verleend voor de rente en aflossing van geldleningen, die worden aangegaan ter vervanging van leningen, waarvan de rente en aflossing op grond van die wet waren gewaarborgd.

Artikel 126

Bij twijfel, of aangelegenheden, die betrekking hebben op een tijdvak of tijdstip, gelegen voor 1 augustus 1968, moeten worden behandeld volgens de oude of volgens de nieuwe bepalingen, beslist Onze minister, volgens welke bepalingen de behandeling geschiedt.

Artikel 128

De gewijzigde tekst van de Wet op het voortgezet onderwijs wordt door Onze minister in een doorlopende reeks van artikelen genummerd en de verwijzingen in de Wet op het voortgezet onderwijs en in de titels IV tot en met VI van deze wet worden daarmee in overeenstemming gebracht. De gewijzigde tekst van de Wet op het voortgezet onderwijs en van de titels IV tot en met VI van deze wet wordt door de zorg van Onze minister van justitie opnieuw in het Staatsblad geplaatst.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten Paleize Soestdijk , 30 juni 1967

JULIANA.

De minister van onderwijs en wetenschappen,

VERINGA.

De staatssecretaris van onderwijs en wetenschappen,

GROSHEIDE.

De minister van landbouw en visserij,

P. J. LARDINOIS.

De minister van cultuur, recreatie en maatschappelijk werk,

M. KLOMPÉ.

Uitgegeven de vijfentwintigste juli 1967.

De minister van justitie a.i.,

H. K. J. BEERNINK.

BIJLAGE bedoeld in hoofdstuk 1 van titel VI

CODERING VAN DE SOORTEN VAN ONDERWIJS

(gebruikt in de kolommen IV en V van de bijlage)
  • 1. voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (voor wat betreft de dagscholen, alleen de leerjaren 4 t/m 6) en hoger algemeen voortgezet onderwijs (voor wat betreft de dagscholen, alleen de leerjaren 4 en 5).

  • 2. hoger algemeen voortgezet onderwijs (alleen voor wat betreft de leerjaren 1 t/m 3 van de dagscholen) en voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (alleen voor wat betreft de leerjaren 1 t/m 3).

  • 3. middelbaar algemeen voortgezet onderwijs

  • 4. lager algemeen voortgezet onderwijs (afzonderlijke scholen)

  • 5. lager technisch onderwijs

  • 6. middelbaar technisch onderwijs

  • 7. [Red: vervallen]

  • 8. lager huishoud- en nijverheidsonderwijs

  • 9. middelbaar dienstverlenings- en gezondheidszorgonderwijs;

  • 10. [Red: vervallen]

  • 11. lager landbouwonderwijs

  • 12. middelbaar landbouwonderwijs

  • 13. [Red: vervallen]

  • 14. lager middenstandsonderwijs

  • 15. middelbaar middenstandsonderwijs

  • 16. [Red: vervallen]

  • 17. lager economisch en administratief onderwijs

  • 18. middelbaar economisch en administratief onderwijs

ALGEMENE OPMERKINGEN

  • I.

  • II. In kolom II wordt onder "Q" verstaan: het bewijs van met goed gevolg afgelegd examen in de theorie van onderwijs en opvoeding volgens het programma, genoemd onder Q van het Koninklijk besluit van 2 februari 1864, Stb. 8.

  • III. In kolom II wordt onder "p.g." verstaan: het pedagogisch getuigschrift voor het nijverheidsonderwijs, verkregen ingevolge het Besluit paedagogisch getuigschrift N.O., of een verklaring, getuigschrift of bewijs, dat bij of krachtens dat besluit met het eerstgenoemde getuigschrift is gelijkgesteld.

  • IV. De bezitter van een bewijs van bekwaamheid, genoemd onder 1 t/m 24 is tevens bevoegd voor andere vakken aan scholen voor voortgezet onderwijs, indien hem op grond van het academisch statuut onderwijsbevoegdheid in die vakken is verleend.

  • V. De bevoegdheid tot het geven van onderwijs in de handelswetenschappen en in de handelskennis omvat mede de bevoegdheid tot het geven van onderwijs in die onderdelen van deze vakken, die als afzonderlijk vak in het leerplan zijn opgenomen.

I

II

III

IV

V

nr.

bewijzen van bekwaamheid

vakken

soorten van onderwijs

opmerkingen

1

getuigschrift van met goed gevolg afgelegd doctoraal examen klassieke taal en letterkunde

Grieks, Latijn, oude geschiedenis

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20, 23

 

2

idem Nederlandse taal en letterkunde

Nederlands

1 t/m 6, 8,9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20, 23

 
   

geschiedenis

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20, 23

indien geschiedenis een vak van het kandidaatsexamen of bijvak bij het doctoraal examen is geweest

3

idem Romaanse taal en letterkunde

Frans

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20, 23

hoofdvak bij het doctoraal examen Frans

   

Spaans

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20, 23

hoofdvak bij het doctoraal examen Spaans

4

idem Germaanse taal en letterkunde

Duits

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20, 23

hoofdvak bij het doctoraal examen Duits

   

Fries

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20, 23

hoofdvak bij het doctoraal examen Fries

   

Engels

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20, 23

hoofdvak bij het doctoraal examen Engels

5

idem geschiedenis

geschiedenis en staatsinrichting

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20, 23

 
   

aardrijkskunde

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20, 23

indien de natuurkundige aardrijkskunde deel heeft uitgemaakt van het kandidaatsexamen en tevens de sociale aardrijkskunde deel heeft uitgemaakt van het kandidaats- en van het doctoraal examen

   

economie

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20, 23

indien bijvak van het doctoraal examen

   

Nederlands

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20, 23

indien bijvak van het doctoraal examen

   

bijbelkennis en cultuurgeschiedenis van het Christendom

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20, 23

indien kandidaatsexamen theologie

6

idem culturele antropologie

aardrijkskunde

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20, 23

indien kandidaatsexamen in sociale aardrijkskunde is afgelegd en dit vak bovendien voor het doctoraal examen is gekozen

7

idem natuurkundige aardrijkskunde

aardrijkskunde

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20, 23

indien volkenkunde deel heeft uitgemaakt hetzij van het kandidaats-, hetzij van het doctoraal examen

   

sterrenkunde

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20, 23

indien is geëxamineerd in de sterrenkunde

8

idem sociale aardrijkskunde

aardrijkskunde

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20, 23

 
   

economie

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20, 23

indien staathuishoudkunde deel heeft uitgemaakt van het doctoraal examen

   

geschiedenis

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20, 23

indien geschiedenis deel heeft uitgemaakt van het doctoraal examen

9

idem biologie

biologie (met inbegrip van kennis der natuur)

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20, 23

 

10

idem wis- en natuurkunde of wiskunde en natuurwetenschappen

aardkunde

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20, 23

indien hoofd- of bijvak van het doctoraal examen

   

farmacie

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20, 23

indien hoofd- of bijvak van het doctoraal examen

   

wiskunde

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20, 23

indien hoofd- of bijvak van het doctoraal examen

   

natuurkunde

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20, 23

indien hoofd- of bijvak van het doctoraal examen

   

scheikunde

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20, 23

indien hoofd- of bijvak van het doctoraal examen

   

sterrenkunde

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20, 23

indien sterrenkunde deel heeft uitgemaakt hetzij van het kandidaats-, hetzij van het doctoraal examen

   

mechanica

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20, 23

indien mechanica, wiskunde, sterrenkunde of natuurkunde deel heeft uitgemaakt van het doctoraal examen

11

idem economische wetenschappen

economische wetenschappen

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20, 23

 
   

economie

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20, 23

 
   

handelswetenschappen

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20, 23

 
   

handelskennis

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20, 23

 
   

recht

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20, 23

indien handelsrecht deel heeft uitgemaakt van het doctoraal examen

   

staatsinrichting

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20, 23

indien staatsinrichting deel heeft uitgemaakt van het doctoraal examen

12

idem prehistorie

aardrijkskunde

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 28, 20 en 23

indien de natuurkundige of de sociale aardrijkskunde deel heeft uitgemaakt van het kandidaats- en het doctoraal examen

13

idem Nederlands recht

recht

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 
   

staatsinrichting

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 
   

economie

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

indien dit vak deel heeft uitgemaakt van het doctoraal examen

14

idem muziekwetenschappen

muziek

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 

15

idem letteren en wijsbegeerte of letteren

Hebreeuws

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

indien hoofd- of bijvak Hebreeuws

16

idem godgeleerdheid of theologie

Hebreeuws

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

indien de uitlegging van de geschriften van het Oude Testament deel heeft uitgemaakt van het doctoraal examen

   

bijbelkennis en cultuurgeschiedenis van het Christendom

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 

17

idem actuariële wetenschappen

wiskunde

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 

18

idem psychologie

psychologie

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 
   

opvoedkunde en algemene didactiek

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

indien opvoedkunde deel heeft uitgemaakt van het doctoraal examen

19

idem opvoedkunde

opvoedkunde en algemene didactiek

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 
   

psychologie

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

indien kandidaatsexamen psychologie

   

filosofie

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

indien kandidaatsexamen filosofie

20

idem filosofie of wijsbegeerte

opvoedkunde en algemene didactiek

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

indien opvoedkunde deel heeft uitgemaakt van het doctoraal examen

   

filosofie

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 

21

idem geneeskunde

gezondheidsleer, fysiologie en anatomie

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 

22

idem diergeneeskunde

gezondheidsleer, fysiologie en anatomie

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 

23

idem vrije studierichting in de aardrijkskunde

aardrijkskunde

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

indien behaald voor 1-9-1952

24

diploma van arts

gezondheidsleer, fysiologie, anatomie, e.h.b.o. en verbandleer

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 

25

een ander ingevolge het academisch statuut (Stb. 1963, 380) aan een Nederlandse universiteit of economische hogeschool verkregen getuigschrift van met goed gevolg afgelegd doctoraal examen

de vakken, waarin ingevolge dit statuut onderwijsbevoegdheid is toegekend

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 

26

getuigschrift van met goed gevolg afgelegd doctoraal examen bouwkundig ingenieur

beschrijvende meetkunde, stereometrie en handtekenen

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

voor 5, 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23: bovendien vaktekenen en construeren en de theoretisch-technische vakken in de vakrichting van het getuigschrift, indien de bezitter na het behalen van het getuigschrift ten minste 3 jaren als ingenieur werkzaam is geweest in de vakrichting van het getuigschrift, e.e.a. ten genoegen van Onze minister

   

wiskunde

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 
   

natuurkunde en mechanica

3 t/m 6

 

27

idem civiel ingenieur

wiskunde en mechanica

5, 6, 8, 9, 11, 12, 14,15, 17, 18, 20 en 23

idem

   

natuurkunde

2 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20, 23

 

28

idem elektrotechnisch ingenieur

wiskunde, natuurkunde en mechanica

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

idem

29

idem geodetisch ingenieur

wiskunde en sterrenkunde

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

idem

   

natuurkunde en mechanica

2 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20, 23

 

30

idem metaalkundig ingenieur

wiskunde, natuurkunde, mechanica en scheikunde

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

idem

31

idem mijnbouwkundig ingenieur

aardkunde/delfstofkunde, wiskunde, natuurkunde en mechanica

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

idem

32

idem natuurkundig ingenieur

wiskunde, natuurkunde en mechanica

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

idem

33

idem scheepsbouwkundig ingenieur

wiskunde, natuurkunde en mechanica

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

idem

34

idem scheikundig ingenieur

wiskunde, natuurkunde, mechanica en scheikunde

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

idem

35

idem vliegtuigbouwkundig ingenieur

wiskunde, natuurkunde en mechanica

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

idem

36

idem werktuigbouwkundig ingenieur

wiskunde, natuurkunde en mechanica

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

idem

37

idem wiskundig ingenieur

wiskunde, natuurkunde en mechanica

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 

38

idem landbouwkundig ingenieur

landbouwtechnische vakken

8, 9, 11 en 12

 
   

biologie (met inbegrip van kennis der natuur), wiskunde, natuurkunde, scheikunde en economie

3 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18 en 23

voor zover deze vakken deel hebben uitgemaakt hetzij van het kandidaats-, hetzij van het doctoraal examen

   

biologie (met inbegrip van kennis der natuur), natuurkunde, scheikunde en economie

1, 2, 7, 20

voor zover op grond van het landbouwhogeschoolstatuut onderwijsbevoegdheid in deze vakken is verkregen

39

van de Koninklijke Landmacht:

     
 

officier van de verbindingsdienst

wiskunde en natuurkunde

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 18, 20 en 21

indien opgeleid voor 1-9-1954 in een volledige opleiding aan de K.M.A.

 

officier van de artillerie

     
 

officier van de genie

     
 

officier van de technische dienst

     

40

van de Koninklijke Luchtmacht:

     
 

officier van de vliegdienst

wiskunde

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 18, 20 en 21

indien opgeleid voor 1-9-1954 in een volledige opleiding aan de K.M.A.

 

officier van de elektrotechnische dienst

wiskunde en natuurkunde

idem

idem

 

officier van de technische dienst

wiskunde en natuurkunde

idem

idem

41

van de Koninklijke Marine:

     
 

officier van het korps zeeofficieren en van het korps officieren-vlieger

wiskunde en natuurkunde

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 18, 20 en 21

voor 1 en 2: indien opgeleid voor 1-9-1954 in een volledige opleiding aan het K.I.M.

 

officier van het korps zeeofficieren

zeevaartkunde en zeemanschap

5 en 6

indien hij ten minste vijf jaren diensttijd als zodanig heeft vervuld

 

officier van het korps officieren van de technische dienst en van de elektrotechnische dienst

wiskunde, natuurkunde en mechanica

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 18, 20 en 21

voor 1 en 2: indien opgeleid voor 1-9-1954 in een volledige opleiding aan het K.I.M.

 

officier van het korps van de technische dienst

calorische werktuigen, werktuigbouwkundig tekenen en scheepswerktuigkunde

5 en 6

indien hij ten minste vijf jaren diensttijd als zodanig heeft vervuld

42

akte van bekwaamheid B tot het geven van middelbaar onderwijs in de Nederlandse taal en letterkunde + Q (schoolakte K VII B)

Nederlands

1 t/ 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 

43

akte van bekwaamheid tot het geven van middelbaar onderwijs in de Nederlandse taal en letterkunde + Q (schoolakte K VII)

Nederlands

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 

44

akte van bekwaamheid B tot het geven van middelbaar onderwijs in de Franse taal en letterkunde + Q (schoolakte Frans m.o. B)

Frans

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 

45

akte van bekwaamheid B tot het geven van middelbaar onderwijs in de Engelse taal en letterkunde + Q (schoolakte Engels m.o. B)

Engels

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 

46

akte van bekwaamheid B tot het geven van middelbaar onderwijs in de Duitse taal en letterkunde + Q (schoolakte Duits m.o. B)

Duits

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 

47

akte van bekwaamheid B tot het geven van middelbaar onderwijs in de wiskunde + het daarbij behorende bewijs van pedagogische en didactische voorbereiding

wiskunde

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 

48

akte van bekwaamheid tot het geven van middelbaar onderwijs in de wiskunde + Q (schoolakte K V)

wiskunde

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 

49

akte van bekwaamheid B tot het geven van middelbaar onderwijs in de natuurkunde + het daarbij behorende bewijs van pedagogische en didactische voorbereiding

natuurkunde

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 

50

akte van bekwaamheid B tot het geven van middelbaar onderwijs in de scheikunde + het daarbij behorende bewijs van pedagogische en didactische voorbereiding

scheikunde

1 t/m 6, 8,9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 

51

akte van bekwaamheid B tot het geven van middelbaar onderwijs in de wiskunde of in de natuurkunde + het daarbij behorende bewijs van pedagogische en didactische voorbereiding, met de aantekening voor onderwijsbevoegdheid voor kosmografie

sterrenkunde

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 

52

akte van bekwaamheid tot het geven van middelbaar onderwijs in de plant- en dierkunde + het daarbij behorende bewijs van pedagogische en didactische voorbereiding

biologie (met inbegrip van kennis der natuur)

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 

53

akte van bekwaamheid tot het geven van middelbaar onderwijs in de plant- en dierkunde + Q (schoolakte K IV)

biologie (met inbegrip van kennis der natuur)

1 t/m 6,m 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 

54

akte van bekwaamheid tot het geven van middelbaar onderwijs in de geschiedenis + Q (schoolakte K VIII)

geschiedenis

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 

55

akte van bekwaamheid tot het geven van middelbaar onderwijs in de aardrijkskunde + Q (schoolakte K XI)

aardrijkskunde

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 

56

akte van bekwaamheid tot het geven van middelbaar onderwijs in de staatsinrichting + Q (schoolakte K IX)

staatsinrichting

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 

57

akte van bekwaamheid tot het geven van middelbaar onderwijs in de staatshuishoudkunde en de statistiek + Q (schoolakte K X)

economische wetenschappen I, economie

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

economische wetenschappen I omvat algemene economische theorie en statistiek

58

akte van bekwaamheid tot het geven van middelbaar onderwijs in de handelswetenschappen + het daarbij behorende bewijs van pedagogische en didactische voorbereiding

economische wetenschappen II, handelswetenschappen en recht, handelskennis

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

economische wetenschappen II omvat bedrijfseconomie en bedrijfsadministratie

59

akte van bekwaamheid tot het geven van middelbaar onderwijs in het boekhouden + Q (schoolakte K XII)

economische wetenschappen II, handelswetenschappen en recht, handelskennis

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

idem

60

akte van bekwaamheid B tot het geven van middelbaar onderwijs in de handelswetenschappen + Q (schoolakte K XII B)

economische wetenschappen II, handelswetenschappen en recht, handelskennis

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

idem

61

akte van bekwaamheid B tot het geven van middelbaar onderwijs in het tekenen, tevens bewijs van pedagogische en didactische voorbereiding

tekenen

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 
   

kunstgeschiedenis

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 

62

akten van bekwaamheid tot het geven van middelbaar onderwijs in het hand- en lijntekenen, tevens Q, volgens het programma, vastgesteld bij Koninklijk besluit van 29-11-1932, Stb. 566:

   

voor 1: uitsluitend voor de h.a.v.o.-afdeling en de klassen 4 en 5 h.a.v.o. en mits het opgemerkte bij nr. 69 van toepassing

 

akte MA

tekenen

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 21, 23

 
 

akten MA + MB

tekenen

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 
   

kunstgeschiedenis

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 

63

akten van bekwaamheid tot het geven van middelbaar onderwijs in het hand- en lijntekenen, tevens Q, volgens het programma, vastgesteld bij Koninklijk besluit van 28-5-1936, Stb. 366:

     
 

akte MA

tekenen

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 21, 23

voor 1: zie opmerking bij nr. 62

 

akten MA + MB

tekenen

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 23 en 23

 
   

kunstgeschiedenis

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 
 

akte MA, behaald voor 1-1-1936, + akte MB

tekenen

1 t/m 21, 23

 
   

kunstgeschiedenis

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 

64

akte van bekwaamheid tot het geven van middelbaar onderwijs in de lichamelijke oefening, tevens bewijs van pedagogische en didactische voorbereiding

lichamelijke oefening

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 

65

akte van bekwaamheid tot het geven van middelbaar onderwijs in de lichamelijke oefening, eveneens Q (schoolakte P)

lichamelijk oefening

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 

66

akte van bekwaamheid tot het geven van schoolonderwijs in het schoonschrijven

schrijven

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 

67

akte van bekwaamheid B tot het geven van middelbaar onderwijs in de Friese taal en letterkunde + het daarbij behorende bewijs van pedagogische en didactische voorbereiding

Fries

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 

68

akte van bekwaamheid tot het geven van middelbaar onderwijs in een levende taal, anders dan Frans, Duits, Engels of Fries, + Q

de desbetreffende taal

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 

69

akte van bekwaamheid A tot het geven van middelbaar onderwijs in de Nederlandse taal en letterkunde + Q (schoolakte K VII A)

Nederlands

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

voor 1: de bezitter van een of meer van de bewijzen van bekwaamheid, genoemd onder nrs. 69 t/m 76, 79, 80, 194 en 199, is niet bevoegd voor het v.w.o.; voor de h.a.v.o.-afdeling, de klassen 4 en 5 h.a.v.o. en de opleidingsschool voor onderwijzers is hij slechts bevoegd, indien hij op 31 juli 1968 als bevoegd leraar bij het kweekschoolonderwijs werkzaam was

70

akte van bekwaamheid A tot het geven van middelbaar onderwijs in de Franse taal en letterkunde + Q (schoolakte Frans m.o. A)

Frans

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

idem

71

akte van bekwaamheid A tot het geven van middelbaar onderwijs in de Engelse taal en letterkunde + Q (schoolakte Engels m.o. A)

Engels

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

idem

72

akte van bekwaamheid A tot het geven van middelbaar onderwijs in de Duitse taal en letterkunde + Q (schoolakte Duits m.o. A)

Duits

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

idem

73

akte van bekwaamheid A tot het geven van middelbaar onderwijs in de wiskunde + het daarbij behorende bewijs van pedagogische en didactische voorbereiding

wiskunde

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

idem

74

akte van bekwaamheid tot het geven van middelbaar onderwijs in de wiskunde + Q (schoolakte K I)

wiskunde

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

voor 1: zie opm. bij nr. 69

75

akte van bekwaamheid A tot het geven van middelbaar onderwijs in de natuurkunde en de scheikunde + het daarbij behorende bewijs van pedagogische en didactische voorbereiding

natuurkunde en scheikunde

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

voor 1: zie opm. bij nr. 69

76

akte van bekwaamheid tot het geven van middelbaar onderwijs in de natuurkunde, de scheikunde en de kosmografie + Q (schoolakte K III)

natuurkunde en scheikunde

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

voor 1: zie opm. bij nr. 69

   

sterrenkunde

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 

77

akte van bekwaamheid tot het geven van middelbaar onderwijs in het boekhouden + het daarbij behorende bewijs van pedagogische en didactische voorbereiding

handelswetenschappen en handelskennis

3 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18 en 23

 

78

akte van bekwaamheid A tot het geven van middelbaar onderwijs in de handelswetenschappen + Q (schoolakte K XII A)

handelswetenschappen en handelskennis

3 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18 en 23

 

79

akte van bekwaamheid A tot het geven van middelbaar onderwijs in het tekenen, tevens bewijs van pedagogische en didactische voorbereiding

tekenen

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

voor 1: zie opm. bij nr. 62

80

akte van bekwaamheid A tot het geven van middelbaar onderwijs in de Friese taal + het daarbij behorende bewijs van pedagogische en didactische voorbereiding

Fries

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

voor 1: zie opm. bij nr. 69

81

N a + p.g.

vervaardigen van eenvoudige onder- en bovenkleding en van huishoudgoed

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 
   

materialenkennis

8, 9 en 23

 
   

handvaardigheid (naaldvakken)

1 t/m 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

 

82

N b + p.g.

praktijk timmeren en machinale houtbewerking

5 en 6

 
   

materialen- en gereedschapskennis

5 en 6

 
   

handvaardigheid houtbewerken

5, 11 en 12

 

83

N c + p.g.

praktijk metselen

5 en 6

 
   

materialen- en gereedschapskennis

5 en 6

 

84

N d + p.g.

eenvoudige handwerktechnieken, stofversieren en tekenen

4, 8, 14 en 17

 
   

handvaardigheid (handwerken)

3, 4, 8, 9, 14, 15, 17, 18, 20 en 23

voor 9: met uitzondering van de opleidingen kostuumnaaien en couture

85

N e + p.g.

praktijk schilderen

5 en 6

 
   

materialen- en gereedschapskennis, vaktheorie

5 en 6

 
   

handvaardigheid schilderen

5

 

86

N f + p.g.

praktijk meubelmaken, fijne houtbewerking met inbegrip van machinale houtbewerking

5 en 6

 
   

materialen- en gereedschapskennis

5 en 6

 
   

handvaardigheid houtbewerken

5, 11 en 12

 

87

N gy

lichamelijke oefening aan meisjes met uitzondering van onderwijs in zwemmen

3, 4, 8, 14 en 17

 

88

N h + p.g.

praktijk plaatwerken, vuurwerken en constructiebankwerken

5 en 6

 
   

materialen- en gereedschapskennis

5 en 6

 
   

handvaardigheid metaalbewerken

5, 11 en 12

 

89

N i + p.g.

praktijk elektrisch en autogeen lassen en constructiebankwerken

5 en 6

 
   

materialen- en gereedschapskennis

5 en 6

 
   

handvaardigheid metaalbewerken

5, 11 en 12

 

90

N j + p.g.

praktijk metaalbewerken voor de werktuigbouw

5 en 6

 
   

materialen- en gereedschapskennis

5 en 6

 
   

handvaardigheid metaalbewerken

5, 11 en 12

 

91

N k + p.g.

praktijk fijnmetaalbewerken

5 en 6

 
   

materialen- en gereedschapskennis

5 en 6

 
   

handvaardigheid metaalbewerken

5, 11 en 12

 

92

N l + p.g.

praktijk letterzetten

5 en 6

 
   

materialen- en gereedschapskennis, vaktheorie en algemene grafische theorie

5 en 6

 

93

N m + p.g.

praktijk boekdrukken

5 en 6

 
   

materialen- en gereedschapskennis, vaktheorie en algemene grafische theorie

5 en 6

 

94

N o + p.g.

praktijk vervaardigen damesmantels en -kostuums, heren- en kinderbovenkleding

5, 6, 8 en 9

 
   

materialen- en gereedschapskennis, vaktheorie en patroontekenen

5, 6, 8 en 9

 

95

N ph + p.g.

praktijk met de hand vervaardigen van schoeisel

5 en 6

 
   

materialen- en gereedschapskennis, vaktheorie, bediening stik- en afwerkmachines

5 en 6

 

96

N pm + p.g.

praktijk machinaal vervaardigen van schoeisel

5 en 6

 
   

materialen- en gereedschapskennis, vaktheorie, kennis werktuigen en machines

5 en 6