Wet algemene bepalingen

Geraadpleegd op 26-11-2022.
Geldend van 01-01-2012 t/m heden

Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk

Wij WILLEM, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.

Allen den genen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:

Alzoo Wij hebben in overweging genomen, dat de algemeene bepalingen, vervat bij de wet van den 14den Juni 1822 (staatsblad n°. 10), niet bij uitsluiting toepasselijk zijn op het burgerlijk wetboek;

Dat daarenboven art. 1 over eene stoffe handelt, welke hare plaats zal behooren te vinden in eene afzonderlijke wet;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal,

Hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan te bepalen hetgeen volgt:

Artikel 9

Het burgerlijk regt van het Koningrijk is hetzelfde voor vreemdelingen als voor de Nederlanders, zoo lange de wet niet bepaaldelijk het tegendeel vaststelt.

Artikel 13

De regter die weigert regt te spreken, onder voorwendsel van het stilzwijgen, de duisterheid of de onvolledigheid der wet, kan uit hoofde van regtsweigering vervolgd worden.

Artikel 13a

De regtsmagt van den regter en de uitvoerbaarheid van regterlijke vonnissen en van authentieke akten worden beperkt door de uitzonderingen in het volkenregt erkend.

Lasten en bevelen dat deze in het staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, kollegien en ambtenaren, wien zulks aangaat, aan de naauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te Brussel, den 15den Mei, des jaars 1829, en van Onze regering het zestiende.

WILLEM.

Van wege den Koning,

J. G. DE MEY VAN STREEFKERK.

Uitgegeven den vijf en twintigsten Mei 1829.

De Secretaris van Staat,

J. G. DE MEY VAN STREEFKERK.

Naar boven