Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika [...] misdrijven en de verdeling van geconfisqueerde voorwerpen, Washington, 20-11-1992

Geldend van 31-07-1994 t/m heden

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika inzake wederzijdse samenwerking bij de opsporing, inbeslagneming en confiscatie van opbrengsten van en hulpmiddelen bij het plegen van misdrijven en de verdeling van geconfisqueerde voorwerpen

Authentiek : NL

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika inzake wederzijdse samenwerking bij de opsporing, inbeslagneming en confiscatie van opbrengsten van en hulpmiddelen bij het plegen van misdrijven en de verdeling van geconfisqueerde voorwerpen

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, hierna te noemen „de Partijen",

Overwegende het feit dat de Partijen zich hebben verbonden tot samenwerking op basis van het Verdrag aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken van 12 juni 1981, het Uitleveringsverdrag van 24 juni 1980 en het Verdrag tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen van de Verenigde Naties van 20 december 1988;

De inspanningen van elke Partij erkennende om een doeltreffende bijdrage te leveren aan de bestrijding van de internationale criminaliteit, in het bijzonder de sluikhandel in verdovende middelen, het witwassen van de opbrengsten van de sluikhandel in verdovende middelen en de met verdovende middelen samenhangende corruptie;

Geleid door de wens de doeltreffendheid van de rechtshandhaving in beide landen te vergroten wat betreft het onderzoeken, vervolgen en bestrijden van misdaad en wat betreft het opsporen, in beslag nemen en confisqueren van opbrengsten van en hulpmiddelen bij het plegen van misdrijven;

Tevens geleid door de wens een kader te scheppen voor het verdelen van voorwerpen die ten gevolge van onderlinge samenwerking tussen de Partijen zijn geconfisqueerd als opbrengsten van of hulpmiddelen bij het plegen van misdrijven;

Overwegende dat voorwerpen die krachtens deze Overeenkomst worden verdeeld, hetzij rechtstreeks hetzij door middel van een fonds zouden moeten worden bestemd voor de rechtshandhaving;

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Identificatie en opsporing

  • 1 Voor zover toegestaan door hun onderscheiden nationale wetgeving, verlenen de Partijen elkaar op verzoek rechtshulp bij de identificatie en opsporing van opbrengsten van en hulpmiddelen bij het plegen van misdrijven en van andere voorwerpen ten aanzien van welke een beslissing tot confiscatie ten uitvoer kan worden gelegd. Deze rechtshulp omvat iedere maatregel waarmee bewijs wordt geleverd en zekergesteld betreffende het bestaan, de vindplaats, de verplaatsing, de aard, de juridische status of de waarde van bovenbedoelde voorwerpen.

  • 2 Een Partij kan, zonder voorafgaand verzoek, aan de andere Partij informatie verstrekken omtrent opbrengsten van en hulpmiddelen bij het plegen van misdrijven wanneer zij van oordeel is dat het verstrekken van die informatie de andere Partij van nut kan zijn voor het instellen of afronden van onderzoeken of procedures.

Artikel 2. Inbeslagneming

  • 1 Voor zover toegestaan door hun onderscheiden nationale wetgeving treffen de Partijen op verzoek voorlopige maatregelen, zoals inbeslagneming, ten aanzien van voorwerpen die het onderwerp vormen van een verzoek ingevolge de artikelen 4 en 5.

  • 2 Op verzoek draagt de Partij die een voorlopige maatregel ingevolge het eerste lid heeft getroffen, voor zover toegestaan door haar nationale wetgeving, ervoor zorg dat zij een rechterlijke machtiging verkrijgt tot overdracht van de desbetreffende voorwerpen naar het rechtsgebied van de verzoekende Partij ten behoeve van een confiscatieprocedure. In deze rechterlijke machtiging kan worden bepaald dat de Partijen tot een beslissing dienen te komen over de bestemming van de voorwerpen, voordat deze worden overgedragen.

Artikel 3. Confiscatie

Voor zover toegestaan door hun onderscheiden nationale wetgeving, nemen de Partijen op verzoek alle maatregelen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van een door een rechter van de verzoekende Partij gegeven beslissing tot confiscatie van opbrengsten van en hulpmiddelen bij het plegen van misdrijven, of voorwerpen van overeenkomstige waarde, die zich bevinden binnen het rechtsgebied van de aangezochte Partij, of voor het instellen van haar eigen confiscatieprocedure ten aanzien van deze voorwerpen.

Artikel 4. Bevoegde Autoriteiten

Alle verzoeken om rechtshulp krachtens de voorgaande artikelen worden ingediend en uitgevoerd door tussenkomst van een Bevoegde Autoriteit voor elk der Partijen. De Bevoegde Autoriteiten van de Partijen verstaan zich hiertoe rechtstreeks tot elkaar. De Bevoegde Autoriteit voor de Verenigde Staten van Amerika is de „Attorney General" of zijn gemachtigde. De Bevoegde Autoriteit voor het Koninkrijk der Nederlanden is de Minister van Justitie van Nederland, de Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen of de Minister van Justitie van Aruba, dan wel hun gemachtigden.

Artikel 5. Inhoud van de verzoeken

  • 1 Een verzoek om rechtshulp wordt schriftelijk ingediend en bevat, naast de informatie die vereist is overeenkomstig artikel 13, eerste lid en tweede lid, letter g, van het Verdrag aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken van 12 juni 1981:

    • a. voor zover de verzochte rechtshulp de toepassing van dwangmiddelen inhoudt, de tekst van de wettelijke bepalingen of, indien dit niet mogelijk is, de strekking van het relevante toepasselijke recht.

    • b. ingeval de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing tot confiscatie wordt verzocht:

      • i. een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de beslissing en een uiteenzetting van de gronden waarop de beslissing is gegeven, indien deze niet in de beslissing zelf zijn aangegeven;

      • ii. een verklaring van de Bevoegde Autoriteit van de verzoekende Partij dat de beslissing onherroepelijk is; en

      • iii. een verklaring waarin wordt omschreven in welke mate tenuitvoerlegging van de beslissing wordt verzocht;

    • c. indien nodigen voor zover mogelijk:

      • i. gegevens over de identiteit van de persoon of personen op wie de verzochte handelingen betrekking hebben, waaronder de naam, geboortedatum en -plaats, nationaliteit, verblijfplaats en, in het geval van een rechtspersoon, de zetel, het adres van het hoofdkantoor en de plaats van oprichting;

      • ii. een vermelding van de voorwerpen ten aanzien van welke de rechtshulp wordt verzocht, de vindplaats, de relatie tot de persoon of personen op wie de verzochte handelingen betrekking hebben, het verband met het strafbare feit, en alle beschikbare informatie over belangen van derden bij de voorwerpen.

  • 2 Indien de in het verzoek verstrekte informatie niet voldoende is om de aangezochte Partij in staat te stellen aan het verzoek te voldoen, kan die Partij de verzoekende Partij vragen binnen een redelijke termijn aanvullende informatie te verstrekken.

  • 3 De verzoekende Partij kan verlangen dat de aangezochte Partij het feit dat het verzoek is gedaan en de strekking van het verzoek vertrouwelijk behandelt, behalve voor zover daarvan moet worden afgeweken ten einde het verzoek uit te voeren. Indien de aangezochte Partij niet kan voldoen aan het vereiste van vertrouwelijkheid, stelt zij de verzoekende Partij hiervan onmiddellijk in kennis.

Artikel 6. Kosten

De gewone kosten gemaakt ter uitvoering van een verzoek worden gedragen door de aangezochte Partij in overeenstemming met artikel 17 van het Verdrag aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken van 12 juni 1981. Wanneer aanzienlijke of buitengewone kosten moeten worden gemaakt om aan het verzoek te voldoen, plegen de Partijen overleg om de voorwaarden te bepalen waarop het verzoek wordt uitgevoerd alsmede de wijze waarop de kosten worden gedragen.

Artikel 7. Het verdelen van opbrengsten

  • 1 Wanneer de ene Partij („Rechtshulpverlenende Partij") de andere Partij („Rechtshulpontvangende Partij") al dan niet rechtstreeks rechtshulp heeft verleend bij onderzoeken of procedures die leiden tot de confiscatie van opbrengsten van of hulpmiddelen bij het plegen van misdrijven, kan de Rechtshulpontvangende Partij, overeenkomstig haar nationale wetgeving, aanbieden de geconfisqueerde voorwerpen of de opbrengsten van de verkoop daarvan geheel of gedeeltelijk over te dragen aan de Rechtshulpverlenende Partij.

  • 2 De Rechtshulpverlenende Partij kan het feit dat haar medewerking heeft geleid of naar verwachting zal leiden tot de confiscatie van opbrengsten van of hulpmiddelen bij het plegen van misdrijven, onder de aandacht van de Rechtshulpontvangende Partij brengen.

  • 3 Het aandeel van de opbrengsten dat krachtens dit artikel wordt overgedragen, weerspiegelt gewoonlijk de relatieve bijdrage van de Rechtshulpverlenende Partij aan de totale inspanningen ten behoeve van de confiscatie.

  • 4 De overdracht van opbrengsten kan pas plaatsvinden nadat de rechtsmiddelen van personen die eigenaar zijn van of aanspraak maken op de desbetreffende voorwerpen, zijn uitgeput.

  • 5 Bij de overdracht staat de Rechtshulpontvangende Partij alle rechten en aanspraken op en belangen bij de desbetreffende opbrengsten af aan de Rechtshulpverlenende Partij.

  • 6 Voor de toepassing van de bepalingen van dit artikel onderhouden de Partijen contacten hetzij langs diplomatieke weg hetzij door tussenkomst van de Bevoegde Autoriteiten.

  • 7 Onverminderd hun nationale wetgeving verbinden de Partijen zich tot het in acht nemen van vertrouwelijkheid voorafgaand aan de overdracht van de opbrengsten.

Artikel 8. Toepasselijkheid

Deze Overeenkomst is uitsluitend bedoeld voor wederzijdse rechtshulp tussen de Partijen. Onverminderd het constitutioneel recht van de Partijen kunnen aan de bepalingen van deze Overeenkomst geen rechten worden ontleend door particuliere personen, en zijn deze bepalingen niet ten behoeve van derde partijen geschreven.

Artikel 9. Schadevergoeding

Indien een rechter van een Partij die Partij aansprakelijk acht voor schade voortvloeiend uit enig handelen of nalaten in verband met de samenwerking ingevolge deze Overeenkomst, is de andere Partij bereid tot het plegen van overleg om te bepalen of en in welke mate enig verschuldigd bedrag aan schadevergoeding onderling tussen de Partijen zal worden gedeeld.

Artikel 10. Overleg

  • 1 Op onderling overeengekomen tijdstippen plegen de Bevoegde Autoriteiten overleg om een zo doeltreffend mogelijk gebruik van deze Overeenkomst mogelijk te maken.

  • 2 De Partijen komen overeen passend overleg te plegen ter bespreking van vraagstukken betreffende de uitlegging van deze Overeenkomst, ten einde tot een gezamenlijk standpunt te komen.

Artikel 11. Andere overeenkomsten

Deze Overeenkomst doet bestaande verplichtingen van de Partijen krachtens het Verdrag aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken van 12 juni 1981 of krachtens enige andere overeenkomst die tussen de Partijen van kracht is, op generlei wijze te niet, noch doet zij anderszins afbreuk aan deze verplichtingen.

Artikel 12. Inwerkingtreding

  • 1 Deze Overeenkomst treedt in werking 30 dagen nadat de Partijen elkaar schriftelijk ervan in kennis hebben gesteld dat aan hun constitutionele vereisten is voldaan.

  • 2 Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is deze Overeenkomst van toepassing op het grondgebied in Europa en op de Nederlandse Antillen en Aruba, tenzij in de kennisgevingen van het Koninkrijk der Nederlanden, zoals bedoeld in het eerste lid, anders wordt bepaald.

Artikel 13. Beëindiging

  • 1 Elk van beide Partijen kan deze Overeenkomst te allen tijde beëindigen door daarvan aan de andere Partij kennis te geven. De beëindiging wordt van kracht zes maanden na de datum van ontvangst van die kennisgeving, tenzij de kennisgeving in de tussentijd is ingetrokken. Procedures die op dat tijdstip nog niet zijn afgerond, worden niettemin afgerond in overeenstemming met de bepalingen van deze Overeenkomst.

  • 2 De beëindiging van deze Overeenkomst door de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden kan worden beperkt tot één van de samenstellende delen van het Koninkrijk.

GEDAAN te Washington op 20 november 1992, in tweevoud, in de Nederlandse en de Engelse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden:

(w.g.) E. M. H. HIRSCH BALLIN

Voor de Regering van de Verenigde Staten van Amerika:

(w.g.) WILLIAM P. BARR