Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling versterking van salarismix leraren middelbaar beroepsonderwijs in de Randstadregio’s[Regeling vervalt per 01-01-2018.]

Geldend van 17-12-2016 t/m heden

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 16 oktober 2009, nr. DL/A/162364, houdende regels voor aanvullende bekostiging voor de versterking van de salarismix van docenten in het middelbaar beroepsonderwijs en vbo-groen afdelingen binnen de AOC’s in de Randstadregio’s (Regeling versterking van salarismix leraren middelbaar beroepsonderwijs in de Randstadregio’s)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Handelende in overeenstemming van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Gelet op artikel 2.2.3, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

Besluit:

1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepaling

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. minister: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor zover het betreft het onderwijs op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, de Staatssecretaris van Economische Zaken;

  • b. WEB: Wet educatie en beroepsonderwijs;

  • c. WVO: Wet op het voortgezet onderwijs;

  • d. beroepsonderwijs: het middelbaar beroepsonderwijs en educatie, bedoeld in artikel 1.2.1 van de WEB;

  • e. voortgezet onderwijs: het onderwijs, bedoeld in artikel 2 van de WVO;

  • f. AOC: agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.3.3 van de WEB;

  • g. vbo-groen: voorbereidend beroepsonderwijs in de sector landbouw verzorgd in een AOC;

  • h. docent: docent als bedoeld in het eerste en tweede lid van artikel 4.2.1 van de WEB, voor zover deze een onderwijsgevende taak uitvoert;

  • i. instructeur: personeelscategorie met onderwijsondersteunende werkzaamheden gericht op het primair proces conform artikel 4.2.2 van de WEB;

  • j. deelnemer: een in artikel 8.1.1, eerste lid, eerste volzin, van de WEB bedoelde deelnemer;

  • k. voltijddeelnemer: deelnemer die een beroepsopleiding volgt, bedoeld in artikel 7.2.7, derde lid, van de WEB, zoals deze luidde op 31 juli 2014;

  • l. deeltijddeelnemer: deelnemer die een beroepsopleiding volgt, bedoeld in artikel 7.2.7, vijfde lid, van de WEB, zoals deze luidde op 31 juli 2014;

  • m. leerling: een leerling die voor het volgen van vbo-groen is ingeschreven aan een AOC;

  • n. instelling: een regionaal opleidingencentrum als bedoeld in artikel 1.3.1 van de WEB, een vakinstelling als bedoeld in artikel 1.3.2a van de WEB of een agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.3.3 van de WEB;

  • o. bevoegd gezag: bevoegd gezag van een instelling, bedoeld in artikel 1.1.1, onder w, van de WEB;

  • p. Randstadregio’s: verzameling van gemeenten als opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling;

  • q. BRP: basisregistratie personen;

  • r. Convenant Leerkracht van Nederland: tripartiete afspraken tussen de minister en de sociale partners voor de sector Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie vastgelegd op 10 december 2008 (Stcrt. 2009, 42);

  • s. personeelsgegevens: gegevens als bedoeld in bijlage B van het Convenant Leerkracht van Nederland en bijlage 1, onder 3, van het Uitvoeringsbesluit WEB, conform het op 27 augustus 2009 herziene Protocol Personeelsinformatie MBO en herziene PVE;

  • t. bezoldigingsschaal: de salarisschaal volgens welke een docent of instructeur wordt bezoldigd;

  • u. salarismix: verdeling van docenten in voltijdequivalenten over de bezoldigingsschalen.

2. Hoofdlijnen

Artikel 2. Doelomschrijving

  • 1 De minister verstrekt 2009 tot en met 2017 aanvullende bekostiging aan het bevoegd gezag van een instelling:

    • a. ter versterking van de salarismix binnen de Randstadregio’s door het aandeel docenten in voltijdequivalenten in bezoldigingsschaal LC en/of LD en/of LE te verhogen;

    • b. ter verlichting van de werkdruk in de Randstadregio’s door extra functies voor instructeurs en/of docenten te realiseren.

  • 2 De aanvullende bekostiging wordt verstrekt op grond van de volgende overwegingen:

    • a. Versterking van de salarismix in de Randstadregio’s maakt deel uit van de afspraken in het Convenant Leerkracht van Nederland van 10 december 2008.

    • b. In het Convenant Leerkracht van Nederland is afgesproken dat 75% van de aanvullende bekostiging bedoeld in artikel 4c ingezet zal worden voor de verhoging van het aandeel docenten in voltijdequivalenten in hogere bezoldigingsschalen, conform de doelomschrijving in artikel 2, eerste lid onder a. De resterende 25% van de aanvullende bekostiging bedoeld in artikel 4c zal worden ingezet voor extra functies voor instructeurs en/of docenten, conform de doelomschrijving in artikel 2, eerste lid onder b.

    • c. In het Convenant Leerkracht van Nederland is vastgelegd dat de aanvullende convenantmiddelen aan het begin van schooljaar 2012−2013 beschikbaar komen als de sector de tussendoelen in 2011 heeft bereikt, welke voortvloeien uit de prestatieafspraken voor de salarismix in het middelbaar beroepsonderwijs die voor 2014 zijn vastgelegd.

    • d. In het Convenant Leerkracht van Nederland is afgesproken dat in het kader van de monitoring van de convenantmiddelen per instelling jaarlijks wordt bekeken of de convenantmiddelen volledig aan de omschreven doelen zijn besteed.

    • e. Tevens is in het convenant een stabiele verhouding tussen docenten en ondersteunend personeel afgesproken.

    • f. Indien de sector in 2011 de tussendoelen als bedoeld in artikel 2, tweede lid onder c niet heeft gerealiseerd, dan worden de aanvullende middelen voor de in het eerste lid van dit artikel genoemde doelen op instellingsniveau afgestemd op de op dat moment gerealiseerde salarismix.

Artikel 3. Eisen aanvullende bekostiging

De aanvullende bekostiging wordt slechts verstrekt aan het bevoegd gezag van een instelling indien:

  • a. op 1/10/2007 minimaal 20% van het ongewogen totaal aantal deelnemers of 20% van het ongewogen totaal aantal leerlingen van de instelling volgens de BRP woonachtig in de Randstadregio’s is; en

  • b. de instelling de verplichte personeelsgegevens, bedoeld in artikel 1 onder s, tijdig, volledig en rechtstreeks aan het Ministerie van OCW heeft geleverd.

Artikel 4. Bedragen

  • 1 Voor de instellingen die voldoen aan het vereiste in artikel 3 is in het kalenderjaar 2014 een totaalbedrag van € 43,2 miljoen voor aanvullende bekostiging beschikbaar.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, is voor de vbo-groen afdelingen in AOC’s in het kalenderjaar 2014 een bedrag van € 2,0 miljoen voor aanvullende bekostiging beschikbaar.

  • 3 De verstrekking van de aanvullende bekostiging, als bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel vindt plaats per kalenderjaar.

Artikel 4a. Bedragen 2015

  • 1 Voor de instellingen die voldoen aan het vereiste in artikel 3 is in het kalenderjaar 2015 een totaalbedrag van € 43.320.000,– voor aanvullende bekostiging beschikbaar.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, is voor de vbo-groen afdelingen in AOC’s in het kalenderjaar 2015 een bedrag van € 2.000.000,– voor aanvullende bekostiging beschikbaar.

Artikel 4b. Bedragen 2016

  • 1 Voor de instellingen die voldoen aan het vereiste in artikel 3 is in het kalenderjaar 2016 een totaalbedrag van € 43.492.000,– voor aanvullende bekostiging beschikbaar.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, is voor de vbo-groen afdelingen in AOC’s in het kalenderjaar 2016 een bedrag van € 2.008.000,– voor aanvullende bekostiging beschikbaar.

  • 3 De verstrekking van de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste en tweede lid vindt plaats per kalenderjaar.

  • 4 Artikel 5 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4c. Bedragen 2017

  • 1 Voor de instellingen die voldoen aan het vereiste in artikel 3 is in het kalenderjaar 2017 een totaalbedrag van € 44.562.000,– voor aanvullende bekostiging beschikbaar.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, is voor de vbo-groen afdelingen in AOC’s in het kalenderjaar 2017 een bedrag van € 2.057.000,– voor aanvullende bekostiging beschikbaar.

  • 3 De verstrekking van de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste en tweede lid vindt plaats per kalenderjaar.

  • 4 Artikel 5 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5. Berekening aanvullende bekostiging

  • 1 De aanvullende bekostiging, bedoeld in artikel 4, eerste lid, wordt over de daarvoor in aanmerking komende bevoegde gezagsorganen, bedoeld in artikel 3, verdeeld naar rato van het aantal deelnemers van een in aanmerking komend bevoegd gezag dat volgens de BRP woonachtig is binnen de Randstadregio’s op het totaal aantal volgens de BRP in de Randstadregio’s woonachtige deelnemers van alle in aanmerking komende bevoegde gezagsorganen. Voor het bepalen van deze deelnemersaantallen vormt de teldatum van 1/10/2007 het uitgangspunt.

  • 2 De aanvullende bekostiging, bedoeld in artikel 4, tweede lid, wordt over de daarvoor in aanmerking komende bevoegde gezagsorganen, bedoeld in artikel 3, verdeeld naar rato van het aantal leerlingen van een in aanmerking komend bevoegd gezag dat volgens de BRP woonachtig is binnen de Randstadregio’s op het totaal aantal volgens de BRP in de Randstadregio’s woonachtige leerlingen van alle in aanmerking komende bevoegde gezagsorganen. Voor het bepalen van deze leerlingaantallen vormt de teldatum van 1/10/2007 het uitgangspunt.

  • 3 Bij de berekening van de omvang van de aanvullende bekostiging voor een in aanmerking komend bevoegd gezag wordt bij de in de Randstadregio’s woonachtige deelnemers onderscheid gemaakt naar voltijd- en deeltijd deelnemers, waarbij voltijddeelnemers en vbo-groen leerlingen met factor 1 en deeltijddeelnemers met factor 0,3 gewogen worden.

  • 4 Indien een bevoegd gezag dat voor wat betreft de deelnemers voldoet aan het gestelde in artikel 3 in totaal minder dan 5.000 deelnemers heeft, dan tellen alle bij die instelling ingeschreven deelnemers, ongeacht woonplaats, mee bij de berekening van de omvang van de aanvullende bekostiging op grond van artikel 4, eerste lid. Eventuele vbo-groen leerlingen worden bij de bepaling van de omvang niet meegerekend.

  • 5 De aanvullende bekostiging van een op grond van artikel 3 in aanmerking komend bevoegd gezag wordt berekend op grond van de volgende formule: X= A1 * (DDRi * 0,3 + VDRi * 1) / DRT +A2* (LLRi/LLRT) .

    De definitie van de verschillende componenten uit deze formule is als volgt:

    • a. i = een in aanmerking komend bevoegd gezag van een instelling, waarbij geldt dat als het bevoegd gezag minder dan 5000 deelnemers heeft, alle bij die instelling ingeschreven deelnemers, ongeacht woonplaats, meetellen bij de berekening van Xi;

    • b. Xi = de aanvullende bekostiging voor een individuele instelling;

    • c. A1 = het in artikel 4, eerste lid genoemde totaalbudget voor de aanvullende bekostiging van deze regeling;

    • d. A2 = het in artikel 4, tweede lid genoemde totaalbudget voor de aanvullende bekostiging van deze regeling;

    • e. DDRi= de op teldatum 1/10/2007 in de Randstadregio’s woonachtige deeltijddeelnemers ingeschreven bij instelling i;

    • f. VDRi = de op teldatum 1/10/2007 in de Randstadregio’s woonachtige voltijddeelnemers ingeschreven bij instelling i;

    • g. DRT= alle op teldatum 1/10/2007 in de Randstadregio’s woonachtige deelnemers gewogen naar deeltijdfactor van alle in aanmerking komende bevoegde gezagsorganen inclusief de buiten de Randstadregio’s woonachtige deelnemers van de in aanmerking komende bevoegde gezagsorganen met minder dan 5000 ingeschreven deelnemers;

    • h. LLRi= de op teldatum 1/10/2007 in de Randstadregio’s woonachtige leerlingen vbo groen ingeschreven bij instelling i;

    • i. LLRT = alle op teldatum 1/10/2007 in de Randstadregio’s woonachtige leerlingen vbo groen van alle in aanmerking komende bevoegde gezagsorganen.

Artikel 6. Betaling

In de maand januari maakt de minister de hoogte van de aanvullende bekostiging bekend. In de daaropvolgende maand vindt de uitbetaling plaats volgens het gebruikelijke betaalritme van de reguliere bekostiging.

Artikel 6a. Begrotingsvoorwaarde

  • 4) In geval van het niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, worden de verleende subsidiebedragen verlaagd tot het bedrag van de subsidie dat na de vaststelling of goedkeuring van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ter beschikking staat, een en ander naar rato zoals vermeld in artikel 5.

3. Verantwoording

Artikel 7. Verantwoording

  • 1 De aanvullende bekostiging wordt verstrekt ter dekking van de uitgaven die verbonden zijn aan de in artikel 2, eerste lid, omschreven doelen. Terugvordering van de eventueel niet-bestede middelen of overschotten vindt niet plaats, met uitzondering van de middelen, die zijn verstrekt in het kalenderjaar 2013 of volgende jaren. Ten aanzien van deze beschikbaar gestelde middelen geldt dat deze aan de hand van de resultaten over het betreffende kalenderjaar, met als peildatum 1 oktober, definitief worden vastgesteld.

  • 2 De verantwoording van de aanvullende bekostiging geschiedt in de jaarverslaggeving, bedoeld in de Regeling jaarverslaggeving onderwijs. De verklaring van de accountant bij de jaarrekening omvat tevens een oordeel over de rechtmatige besteding van de aanvullende bekostiging.

Artikel 8. Onderzoek

Er zal onderzoek worden gedaan naar het bereikte effect dan wel het bereikte resultaat van deze aanvullende bekostiging.

Artikel 9. Informatieplicht

  • 1 Het bevoegd gezag werkt mee aan door of namens de minister ingestelde onderzoeken die erop gericht zijn de minister inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling van het door of namens de minister te voeren beleid.

  • 2 Het bevoegd gezag doet zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan de minister van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de aanvullende bekostiging. Daarbij worden de relevante stukken overgelegd.

4. Slotbepalingen

Artikel 10. Inwerkingtreding

  • 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2009.

  • 2 Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2018, met dien verstande dat de regeling van toepassing blijft voor lopende bezwaren en beroepen.

Artikel 11. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling versterking van salarismix leraren middelbaar beroepsonderwijs in de Randstadregio’s.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

R.H.A. Plasterk

Bijlage 1. : Gemeenten in randstadregio’s

Aalsmeer

ZNH

 

Hellevoetsluis

RM

 

Pijnacker-Nootdorp

HL

Abcoude

ZNH

 

Hendrik-Ido-Ambacht

RM

 

Purmerend

ZNH

Alblasserdam

RM

 

Hillegom

RG

 

Reeuwijk

RG

Albrandswaard

RM

 

Hilversum

GV

 

Ridderkerk

RM

Almere

 

Houten

UM

 

Rijnwoude

RG

Alphen a/d Rijn

RG

 

Huizen

GV

 

Rijswijk

HL

Amersfoort

EL

 

IJsselstein

UM

 

Rotterdam

RM

Amstelveen

ZNH

 

Kaag en Braassem

RG

 

Rozenburg

RM

Amsterdam

ZNH

 

Katwijk

RG

 

Schiedam

RM

Baarn

EL

 

Korendijk

RM

 

Schoonhoven

RG

Barendrecht

RM

 

Krimpen a/d IJssel

RM

 

's-Gravenhage

HL

Beemster

ZNH

 

Landsmeer

ZNH

 

Sliedrecht

RM

Bergambacht

RG

 

Lansingerland

RM

 

Soest

EL

Bernisse

RM

 

Laren

GV

 

Spijkenisse

RM

Beverwijk

ZNH

 

Leerdam

RM

 

Strijen

RM

Binnenmaas

RM

 

Leiden

RG

 

Teylingen

RG

Blaricum

GV

 

Leiderdorp

RG

 

Uitgeest

ZNH

Bloemendaal

ZNH

 

Leidschendam-Voorburg

HL

 

Uithoorn

ZNH

Bodegraven

RG

 

Leusden

EL

 

Utrecht

UM

Boskoop

RG

 

Liesveld

RM

 

Utrechtse Heuvelrug

UM

Breukelen

UM

 

Lisse

RG

 

Velsen

ZNH

Brielle

RM

 

Loenen

GV

 

Vianen

UM

Bunnik

UM

 

Lopik

UM

 

Vlaardingen

RM

Bunschoten

EL

 

Maarssen

UM

 

Vlist

RG

Bussum

GV

 

Maassluis

RM

 

Voorschoten

RG

Capelle aan den IJssel

RM

 

Middelharnis

RM

 

Waddinxveen

RG

Cromstrijen

RM

 

Midden-Delfland

HL

 

Wassenaar

HL

De Bilt

UM

 

Montfoort

UM

 

Waterland

ZNH

De Ronde Venen

ZNH

 

Moordrecht

RG

 

Weesp

GV

Delft

HL

 

Muiden

GV

 

Westland

HL

Diemen

ZNH

 

Naarden

GV

 

Westvoorne

RM

Dirksland

RM

 

Nederlek

RG

 

Wijdemeren

GV

Dordrecht

RM

 

Nieuwegein

UM

 

Wijk bij Duurstede

UM

Edam-Volendam

ZNH

 

Nieuwerkerk a/d IJssel

RG

 

Woerden

UM

Eemnes

GV

 

Nieuwkoop

RG

 

Wormerland

ZNH

Giessenlanden

RM

 

Nieuw-Lekkerland

RM

 

Woudenberg

EL

Goedereede

RM

 

Noordwijk

RG

 

Zaanstad

ZNH

Gorinchem

RM

 

Noordwijkerhout

RG

 

Zandvoort

ZNH

Gouda

RG

 

Oegstgeest

RG

 

Zederik

RM

Graafstroom

RM

 

Oostflakkee

RM

 

Zeevang

ZNH

Haarlem

ZNH

 

Oostzaan

ZNH

 

Zeist

UM

Haarlemmerliede en Spaarnwoude

ZNH

 

Oud-Beijerland

RM

 

Zevenhuizen-Moerkapelle

RG

Haarlemmermeer

ZNH

 

Ouder-Amstel

ZNH

 

Zoetermeer

HL

Hardinxveld-Giessendam

RM

 

Ouderkerk

RG

 

Zoeterwoude

RG

Heemskerk

ZNH

 

Oudewater

RG

 

Zwijndrecht

RM

Heemstede

ZNH

 

Papendrecht

RM