Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof, Brussel, 31-03-1965

Geldend van 01-12-1986 t/m 30-11-2016

Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof

Authentiek : NL

Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof

Zijne Majesteit de Koning der Belgen,

Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg,

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,

Overwegende dat de eenheid bij de toepassing der rechtsregels, die België, Luxemburg en Nederland gemeenschappelijk hebben, bevorderd dient te worden,

Hebben tot dat doel besloten over te gaan tot het sluiten van een Verdrag betreffende de instelling van een Benelux-Gerechtshof en hebben tot hun Gevolmachtigden benoemd:

Zijne Majesteit de Koning der Belgen:

Zijne Excellentie de Heer H. Fayat, Minister, Adjunct voor Buitenlandse Zaken;

Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg:

Zijne Excellentie de Heer P. Werner, Minister van Buitenlandse Zaken;

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

Zijne Excellentie de Heer J. M. A. H. Luns, Minister van Buitenlandse Zaken,

die, na hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, de volgende bepalingen zijn overeengekomen:

HOOFDSTUK I. Instelling, doel en zetel van het Hof

Artikel 1

  • 1 Er wordt een Benelux-Gerechtshof opgericht.

  • 2 Het Hof heeft tot taak de gelijkheid te bevorderen bij de toepassing van rechtsregels, welke gemeen zijn:

    • a) aan de drie Beneluxlanden en welke zijn aangewezen:

    • b) aan twee der Beneluxlanden en welke zijn aangewezen bij een tussen die twee landen in werking getreden verdrag, ondertekend door de drie Beneluxlanden.

  • 3 De in lid 2 bedoelde beschikking van het Comité van Ministers kan bepalen dat een der hoofdstukken III, IV of V van dit Verdrag dan wel twee van die hoofdstukken, niet van toepassing zijn.

  • 4 Het Comité van Ministers kan, eveneens bij beschikking, bepalingen, welke door hem als gemeenschappelijke rechtsregels zijn aangewezen, van de toepassing van dit Verdrag, dan wel van een of twee der hoofdstukken III, IV en V daarvan, uitsluiten.

  • 5 De in de leden 3 en 4 bedoelde beschikkingen worden genomen nadat terzake advies is ingewonnen van de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad. Zij worden vóór het tijdstip van hun inwerkingtreding in elk der drie Staten bekendgemaakt in de vorm welke aldaar voor de bekendmaking van verdragen is voorgeschreven.

Artikel 2

  • 1 Het Hof heeft zijn permanente zetel ter plaatse waar het Secretariaat-Generaal van de Benelux Economische Unie is gevestigd. De griffie bevindt zich in de zetel van dat secretariaat.

  • 2 Het Hof kan ook zitting houden in een andere in een der drie landen gelegen plaats.

HOOFDSTUK II. Organisatie

Artikel 3

  • 1 Het Hof is samengesteld uit negen rechters, onder wie één president, één eerste vice-president en één tweede vice-president, en uit plaatsvervangende rechters. Zij worden gekozen uit de leden van de hoogste rechtscolleges van elk der drie landen. Voor Luxemburg kunnen zij ook worden gekozen uit de leden van het «Comité du Contentieux» van de Raad van State.

    Het Parket van het Hof is samengesteld uit drie advocaten-generaal, onder wie één eerste advocaat-generaal als hoofd van het Parket, en eventueel uit plaatsvervangende advocaten-generaal. Zij worden gekozen uit de leden van het Openbaar Ministerie bij de hoogste rechtscolleges van elk der drie landen.

  • 2 De rechters, zes plaatsvervangende rechters en de advocaten-generaal worden in een voor elk der drie landen gelijk aantal benoemd bij beschikking van het Comité van Ministers. Het Comité van Ministers kan het aantal plaatsvervangende rechters van een land, op voorstel van dat land, uitbreiden tot ten hoogste vijf. Het Comité van Ministers kan, op dezelfde voorwaarden, voor elk der advocaten-generaal een plaatsvervanger van dezelfde nationaliteit benoemen. Deze kan, in overleg met het Hoofd van het Parket, in een procedure optreden in de plaats van de advocaat-generaal. De magistraten blijven bij het Hof en het Parket in functie zolang zij in hun eigen land als zodanig in actieve dienst zijn. De Luxemburgse magistraten, die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, kunnen echter hun functie bij het Hof blijven uitoefenen tot de leeftijd van zeventig jaar.

  • 3 Ingeval een magistraat niet langer voldoet aan de voorwaarden die gelden voor de uitoefening van zijn functie bij het Hof, stelt het Hof zulks vast. Indien een rechter, een plaatsvervangende rechter dan wel het Hoofd van het Parket ontslag vraagt, wordt dit ingediend bij de President, of, indien het om de President, een advocaat-generaal of een plaatsvervangende advocaat-generaal gaat, bij het Hoofd van het Parket. De President of het Hoofd van het Parket geeft hiervan kennis aan het Comité van Ministers. Het Comité van Ministers verleent daarvan akte. Hierdoor ontstaat de vacature.

  • 4 Voor magistraten, die lid blijven van het Hof en van het Parket ofschoon zij wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd niet langer deel uitmaken van de rechterlijke macht van hun eigen land, zijn de incompatibiliteiten van kracht, welke in hun eigen land voor de magistraten van het hoogste rechtscollege gelden. Zij blijven onderworpen aan het disciplinaire gezag dat in de wetgeving van hun eigen land is voorzien.

  • 5 De functies van President en van eerste en tweede vice-president bij het Beneluxhof worden volgens nationaliteit bij toerbeurt vervuld voor een periode van drie jaar. Een aangevangen doch onderbroken mandaat van drie jaar moet worden voltooid door een rechter van dezelfde nationaliteit. De President, een eerste en een tweede vicepresident van verschillende nationaliteit worden door de algemene vergadering van het Hof bij absolute meerderheid van stemmen der aanwezige leden gekozen. De eerste verkiezing van de President van het Hof geschiedt evenwel bij absolute meerderheid van stemmen der door het Comité van Ministers als leden van het Hof aangewezen en in algemene vergadering aanwezige magistraten. De volgorde der nationaliteit voor het bekleden van het voorzitterschap en het vicevoorzitterschap, welke volgorde gedurende de eerste negen jaar van het bestaan van het Hof door middel van stemming zal worden bepaald, wordt vervolgens bij toerbeurt herhaald.

  • 6 De functie van Hoofd van het Parket bij het Beneluxhof wordt volgens nationaliteit bij toerbeurt vervuld voor een periode van drie jaar. Een aangevangen doch onderbroken mandaat van drie jaar moet worden voltooid door een advocaat-generaal van dezelfde nationaliteit. De volgorde der nationaliteiten voor het bekleden van de functie van Hoofd van het Parket wordt gedurende de eerste negen jaar door leeftijd bepaald. Vervolgens wordt deze volgorde bij toerbeurt herhaald.

Artikel 3bis

  • 1 Het Hof wordt bijgestaan door drie griffiers, die onderscheidenlijk de Belgische, de Luxemburgse en de Nederlandse nationaliteit hebben. Met instemming van de President en het Hoofd van het Parket kunnen twee van de drie griffiers van dezelfde nationaliteit zijn. Een der griffiers is hoofdgriffier. De Hoofdgriffier en de beide andere griffiers dienen doctor in de rechten, meester in de rechten (Nederland), licentiaat in de rechten (België), of houder van een als daaraan gelijkwaardig erkend diploma (Luxemburg) te zijn. Ten aanzien van de beide laatstgenoemde griffiers kan ook een ander universitair einddiploma worden aanvaard.

  • 2 De griffiers worden benoemd door het Comité van Ministers in overeenstemming met de President en het Hoofd van het Parket; zij worden bij voorkeur gekozen uit de ambtenaren van het Secretariaat-Generaal van de Benelux Economische Unie. In dat geval vervullen zij de functie van griffier naast die van ambtenaar bij het Secretariaat-Generaal, met inachtneming van de regeling bedoeld in het zesde lid van dit artikel. Hun benoeming tot griffier behoeft de instemming van de Secretaris-Generaal. De President en het Hoofd van het Parket wijzen gezamenlijk de Hoofdgriffier aan. Zij geven van die aanwijzing kennis aan het Comité van Ministers.

  • 3 De griffiers worden op voordracht van het Hoofd van het Parket door het Comité van Ministers van hun functie ontheven. Het Hoofd van het Parket geeft van zijn voornemen tot het doen van deze voordracht kennis aan de betrokken griffier. Het Hoofd van het Parket gaat daartoe niet over dan na de griffier te hebben gehoord. Tegen de beslissing van het Comité van Ministers kan de griffier, binnen twee maanden nadat deze aan hem is medegedeeld, beroep instellen bij het Hof. Het Hof beoordeelt het beroep in volle omvang.

  • 4 Indien de algemene vergadering vaststelt dat de functie van een of meer griffiers niet of niet meer gelijktijdig met andere of bepaalde andere functies kan worden uitgeoefend, stelt de President het Comité van Ministers daarvan in kennis. Indien het Comité van Ministers zich verenigt met het gevoelen van de algemene vergadering, neemt het de maatregelen die het nodig acht om de bezwaren weg te nemen.

  • 5 De griffiers, de leden van de aan de griffie verbonden vertaaldienst en het griffiepersoneel zijn onderworpen aan het disciplinair gezag van het Hof. De algemene vergadering stelt de op hen toepasselijke tuchtregeling vast en legt deze ter goedkeuring voor aan het Comité van Ministers.

  • 6 Voor zover diezelfde personen ambtenaar zijn van het Secretariaat-Generaal, stelt het Comité van Ministers, op voorstel van de algemene vergadering, een regeling vast betreffende de verdeling van het gezag tussen het Hof en de Secretaris-Generaal, deze laatste gehoord.

Artikel 4

  • 1 De leden van het Hof en van het Parket oefenen hun ambt uit in alle onpartijdigheid en onafhankelijkheid.

  • 2 De President legt tijdens een algemene vergadering bijeengekomen in plenaire zitting, de eed af dat hij zijn ambt eerlijk, nauwgezet en onpartijdig zal vervullen en het geheim van de raadkamer zal bewaren. De leden van het Hof en van het Parket leggen dezelfde eed af in handen van de President.

  • 3 De griffiers leggen in handen van de President de eed af, dat zij hun ambt eerlijk en nauwgezet zullen vervullen en het geheim van de raadkamer zullen bewaren.

  • 4 Voor de wijze van aflegging van de eed en de mogelijkheid deze door een belofte te vervangen, geldt de nationale wet van degene die de eed moet afleggen.

  • 5 De leden van het Hof en van het Parket genieten generlei vaste wedde. Zij ontvangen een door het Comité van Ministers vastgestelde vergoeding voor reis- en verblijfkosten. Het statuut, de salariëring, de vergoedingen en, voor zover nodig, de pensioenregeling, alsmede de reis- en verblijfskosten van de hoofdgriffier, van de beide andere griffiers, van de leden van de aan de griffie verbonden vertaaldienst en van het griffiepersoneel worden op voorstel van de algemene vergadering vastgesteld door het Comité van Ministers. De uit de bepalingen van dit lid voortvloeiende kosten komen ten laste van de in artikel 14 van het Verdrag bedoelde begroting.

Artikel 4bis

Het Benelux-Gerechtshof geniet rechtspersoonlijkheid. Het Hof wordt hiertoe door de President vertegenwoordigd.

Artikel 4ter

  • 1 De lokalen en de vergaderingen van het Benelux-Gerechtshof, alsmede de archieven van het Hof, waar deze zich ook bevinden, zijn onschendbaar.

  • 2 Behoudens in geval van overmacht mogen de lokalen en de vergaderingen van het Hof slechts met toestemming van de President of van een door hem aangewezen persoon worden betreden.

Artikel 4quater

  • 1 De rechters, de plaatsvervangende rechters, de advocaten-generaal, de plaatsvervangende advocaten-generaal en de griffiers van het Hof kunnen in rechte niet worden vervolgd of aan enig onderzoek onderworpen met betrekking tot hetgeen zij in de uitoefening van hun functie hebben gezegd, gedaan of geschreven, zelfs indien zij niet meer in functie zijn.

  • 2 Indien, onverminderd het in lid 1 bepaalde, tegen een in dat lid bedoelde persoon een vervolging in rechte wordt ingesteld, kan hij in elk der drie Beneluxlanden slechts worden berecht door de instantie die in dat land bevoegd is tot berechting van de leden van het hoogste nationale rechtscollege.

Artikel 5

  • 1 Aan de zittingen van het Hof wordt in beginsel deelgenomen door negen rechters, van elk land drie. In gevallen voorzien in het Reglement van Orde kan het Hof echter zitting houden met drie rechters, van elk land één. Bij voorkeur treedt daarbij op de advocaatgeneraal die behoort tot het land waar het bodemgeschil aanhangig is.

  • 2 Voor het overige zal bij een door het Hof in algemene vergadering op te stellen Reglement van Orde worden geregeld al hetgeen betreft de samenstelling van het Hof bij zittingen, de eventuele verwijzing van zaken naar uit drie rechters samengestelde Kamers, de onderlinge rangorde der leden, de vakanties, de algemene vergaderingen, het optreden van het Parket, de wijze van stemmen, de inrichting van de rol, de vaststelling der zittingsdagen en de werkzaamheden van de griffie.

  • 3 De leden van het Hof en van het Parket, die in welke instantie ook als lid van een nationaal rechterlijk college hebben medegewerkt aan een uitspraak gegeven in een zaak die voor het Hof wordt gebracht, onttrekken zich aan de behandeling van die zaak. Als zodanig wordt niet beschouwd de uitspraak, waarbij de nationale rechter zich ertoe heeft bepaald de uitspraak op te schorten overeenkomstig het bepaalde in artikel 6 van dit Verdrag.

  • 4 De Minister van Justitie van elk der drie landen kan zich rechtstreeks schriftelijk wenden tot het Parket bij het Hof. Hij kan langs die weg het Hof een uiteenzetting doen geworden van zijn zienswijze omtrent een geschilpunt, mits hij daarvan afschrift doet toekomen aan de Ministers van Justitie der beide andere landen. De leden van het Parket zijn niet verplicht de door de Minister uitgesproken mening te verdedigen.

  • 5 De advocaten-generaal vervangen elkander, ongeacht het land waartoe zij behoren. Ingeval van ontstentenis van al deze functionarissen wijst het Hof een van zijn leden of plaatsvervangende leden aan om hun werkzaamheden tijdelijk te verrichten.

HOOFDSTUK III. Rechtspraak

Artikel 6

  • 1 In de hierna omschreven gevallen neemt het Beneluxhof kennis van vragen betreffende de uitleg van rechtsregels, aangewezen krachtens artikel 1, voorzover deze zijn gerezen in zaken aanhangig hetzij bij een rechtscollege van één der drie landen dat zitting houdt binnen hun grondgebied in Europa, hetzij bij het in het Unieverdrag bedoelde College van Scheidsrechters.

  • 2 Wanneer blijkt, dat een uitspraak in een voor een nationaal rechtscollege aanhangige zaak medebrengt de beantwoording van een vraag van uitleg van een krachtens artikel 1 aangewezen rechtsregel, kan dat rechtscollege, indien het van mening is dat een beslissing op dit punt noodzakelijk is om vonnis te kunnen wijzen, ook ambtshalve zijn definitieve uitspraak opschorten teneinde een beslissing van het Beneluxhof over de vraag van uitleg uit te lokken.

  • 3 Indien aan de voorwaarden, omschreven in het voorgaande lid is voldaan, is een nationaal rechtscollege, tegen de uitspraken waarvan krachtens het nationale recht geen beroep kan worden ingesteld, verplicht de vraag van uitleg aan het Beneluxhof voor te leggen.

  • 4 Het in lid 2 of lid 3 bedoelde rechtscollege zal dit echter niet doen:

    • 1°. indien het van oordeel is, dat er redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan omtrent de oplossing van de gerezen vraag van uitleg;

    • 2°. indien de zaak wegens haar spoedeisend karakter geen uitstel gedoogt.

    Voorts kan het rechtscollege nalaten de vraag aan het Beneluxhof voor te leggen, indien het zich verenigt met een reeds eerder door het Beneluxhof in een andere zaak of bij een advies op dezelfde vraag gegeven antwoord.

  • 5 De beslissing waarbij uitleg wordt gevraagd omschrijft de feiten, waarop de door het Beneluxhof te geven uitleg moet worden toegepast. Van de beslissing behoeft noch grosse te worden gelicht noch betekening te worden gedaan. Ambtshalve wordt een door de griffier voor conform getekend afschrift der beslissing zo spoedig mogelijk aan het Beneluxhof toegezonden. Dit doet daarvan afschrift toekomen aan de Ministers van Justitie van de drie landen. Het Hof kan overlegging van de dossiers verlangen.

  • 6 Het rechtscollege, dat zonder tegelijkertijd een eindbeslissing te wijzen overeenkomstig de tweede alinea van dit artikel beslist over de wenselijkheid om een vraag van uitleg aan het Beneluxhof voor te leggen, kan bepalen of een rechtsmiddel, dat tegen die beslissing openstaat, onmiddellijk kan worden aangewend dan wel tegelijk met een rechtsmiddel tegen de eindbeslissing,

Artikel 7

  • 1 Bij zijn uitspraak geeft het Hof slechts een beslissing over de vraag van uitleg die aan het Hof is voorgelegd. Van die beslissing blijkt uit een door de griffier van het Hof afgegeven expeditie. De griffier van het Hof zendt deze expeditie zo spoedig mogelijk toe aan het gerecht waar het bodemgeschil aanhangig is alsmede aan partijen of haar gemachtigden.

  • 2 De nationale rechters die daarna in de zaak uitspraak doen, zijn gebonden aan de uitleg welke voortvloeit uit de door het Beneluxhof gedane uitspraak.

  • 3 De termijnen welke in de procedure voor de nationale rechter in acht genomen moeten worden, alsmede de termijnen van verjaring, zijn rechtens geschorst gedurende de tijd dat de zaak bij het Beneluxhof aanhangig is, en wel met ingang van de dag waarop ingevolge artikel 6 de opschorting is uitgesproken tot de dag waarop de overeenkomstig het bepaalde in lid 1 van dit artikel verzonden beslissing ter griffie zal zijn ontvangen.

Artikel 8

Het Beneluxhof kan kennis nemen van een verzoek tot uitleg, zelfs indien de beslissing van de nationale rechter waarbij die uitleg wordt gevraagd volgens de bepalingen van het nationale recht nog geen kracht van gewijsde heeft verkregen.

Artikel 9

  • 1 Wanneer het voor de uitleg van een op grond van artikel 1 aangewezen rechtsregel nodig is een rechtsinstelling of de daaruit voortvloeiende rechtsbetrekkingen te kwalificeren en die kwalificatie niet door een zodanige rechtsregel bepaald is, zal die kwalificatie door het Beneluxhof geschieden overeenkomstig de wet van het land waar de beslissing waarbij uitleg wordt gevraagd, is gegeven.

  • 2 Het Beneluxhof is niet bevoegd om te beoordelen of de toepassing van enig voorschrift, waarnaar een krachtens artikel 1 aangewezen rechtsregel verwijst, in strijd is met de openbare orde.

HOOFDSTUK IV. Adviezen

Artikel 10

  • 1 Elk van de drie Regeringen kan het Hof verzoeken bij wege van advies zijn oordeel te geven over de uitleg van een krachtens artikel 1 aangewezen rechtsregel.

  • 2 Van dit verzoek wordt door de griffie van het Hof mededeling gedaan aan de beide andere Regeringen, die dan op hun beurt beschouwingen ter zake aan het Hof kunnen doen toekomen. Het Hof doet een kennisgeving, waarin het voorwerp van het verzoek summier is omschreven, onverwijld opnemen in het officiële publikatieblad van elk der drie landen.

  • 3 Partijen die betrokken mochten zijn bij een rechtsgeding of een arbitrage, waarbij dezelfde vraag aan de orde is, kunnen eveneens hun beschouwingen doen toekomen aan het Hof, dat dan zijn oordeel kan opschorten totdat de rechter voor wie de zaak aanhangig is, uitspraak heeft gedaan.

  • 4 Het Hof zal bij de uitoefening van zijn adviserende bevoegdheden de op de rechtspraak betrekking hebbende bepalingen van dit Verdrag zoveel mogelijk tot richtsnoer nemen.

HOOFDSTUK V. College van Scheidsrechters

Artikel 11

  • 1 Wanneer blijkt, dat de uitspraak in een voor het in het Unieverdrag bedoeld College van Scheidsrechters aanhangige zaak medebrengt de beantwoording van een vraag van uitleg van een krachtens artikel 1 aangewezen rechtsregel, moet het College van Scheidsrechters, indien het van mening is dat een beslissing op dit punt noodzakelijk is om zelf uitspraak te kunnen doen, zonodig ambtshalve de definitieve uitspraak opschorten teneinde een beslissing van het Beneluxhof over de vraag van uitleg uit te lokken.

  • 2 Het College van Scheidsrechters zal dit echter niet doen:

    • 1°. indien het van oordeel is dat er redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan omtrent de oplossing van de gerezen vraag van uitleg;

    • 2°. indien de zaak wegens haar spoedeisend karakter geen uitstel gedoogt.

  • 3 Voorts kan het College nalaten de vraag aan het Beneluxhof voor te leggen indien het zich verenigt met een reeds eerder door het Beneluxhof in een andere zaak of bij een advies op dezelfde vraag gegeven antwoord.

  • 4 Het is gebonden door de uitleg welke voortvloeit uit de door het Beneluxhof gegeven beslissing.

HOOFDSTUK VI. Rechtspleging en gerechtskosten

Artikel 12

  • 1 De regels die van oudsher in acht worden genomen door de rechterlijke colleges zullen ook richtsnoer zijn bij de uitoefening door het Beneluxhof van zijn rechtsprekende taak.

  • 2 Het Hof stelt zijn reglement op de procesvoering vast en legt dit ter goedkeuring voor aan het Comité van Ministers.

  • 3 Regel is dat de procedure voor het Hof wordt gevoerd bij geschrifte. Het Hof kan echter gelegenheid geven tot in het openbaar te houden pleidooien op door het Hof te bepalen plaats, dag en uur.

  • 4 Elke partij is bevoegd om binnen een door de President van het Hof te bepalen termijn een memorie in te dienen inhoudende haar stellingen en conclusies. Indien de aard der zaak daartoe aanleiding geeft kan aan partijen een termijn worden gegeven voor het indienen van een memorie van antwoord. Deze termijnen kunnen worden verlengd.

  • 5 Als pleiter voor het Hof mogen optreden de advocaten van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen, alsmede alle andere personen die voor een bepaalde zaak door het Hof als zodanig worden toegelaten. Advocaten van de balies van Lid-Staten, andere dan de Beneluxlanden, dienen, wanneer ze voor het Hof pleiten, te worden bijgestaan door een lid van de balie van een van de Beneluxlanden. De advocaten, raadslieden en gemachtigden, die voor het Hof verschijnen, genieten, onverminderd het ten deze toepasselijke tuchtrecht, de voor de onafhankelijke uitoefening van hun functies nodige rechten en waarborgen, overeenkomstig de bepalingen van het reglement op de procesvoering. Ten aanzien van de advocaten en raadslieden die voor het Hof optreden bezit het Hof, overeenkomstig de bepalingen van bedoeld reglement, de bevoegdheden welke op dit gebied gewoonlijk aan de rechter worden toegekend.

  • 6 De beraadslagingen van het Hof zijn en blijven geheim. De beslissing van het Hof is met redenen omkleed, zij vermeldt de namen van de rechters die haar genomen hebben en wordt in openbare zitting uitgesproken. Tegen de beslissing staat generlei voorziening open.

  • 7 De talen die door en voor het Hof worden gebezigd zijn het Nederlands en het Frans. Bij de processtukken moet steeds een vertaling in de andere taal worden gevoegd. De procesvoering, de pleidooien en de uitspraak vinden plaats in de taal welke is gebezigd voor de rechter bij wie het bodemgeschil aanhangig is. Het Hof kan ten aanzien van de pleidooien afwijking van deze laatste regel toestaan. Indien pleidooien zijn gehouden moet een pleitnota worden overgelegd.

    Wanneer de beslissing waarbij uitleg wordt gevraagd in de Duitse taal is gesteld, kan het Hof bevelen, hetzij dat de procesvoering en de uitspraak in het Nederlands, hetzij dat deze in het Frans plaatsvinden.

    Bij de processtukken moet steeds een vertaling in de beide andere talen worden gevoegd. De pleidooien kunnen in een der drie talen worden gehouden; een pleitnota moet worden overgelegd.

  • 8 Aan de griffie van het Hof is een vertaaldienst verbonden. Deze dienst verstrekt kosteloos alle hierbovenbedoelde vertalingen.

Artikel 13

  • 1 In zaken waarin het Hof rechtsprekende bevoegdheid uitoefent, stelt het de kosten vast welke op de behandeling voor het Hof zijn gevallen. Deze kosten omvatten de honoraria voor de raadslieden van de partijen, voorzover zulks in overeenstemming is met de wetgeving van het land waar het bodemgeschil aanhangig is.

  • 2 De aldus vastgestelde kosten maken deel uit van de proceskosten waarover de nationale rechter uitspraak doet.

  • 3 De schrifturen welke deel uitmaken van een voor het Beneluxhof gevoerde procedure, alsmede de beslissingen of adviezen van het Hof, zijn in de drie landen vrij van alle formaliteiten en rechten van zegel en registratie en van alle andere heffingen.

HOOFDSTUK VII. Financiële bepaling

Artikel 14

De aan de werkzaamheden van het Hof, de griffie en de vertaaldienst verbonden kosten vormen een post op de begroting van het Secretariaat-Generaal van de Benelux Economische Unie.

HOOFDSTUK VIII. Slotbepalingen

Artikel 15

  • 1 Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag slechts van toepassing op het in Europa gelegen grondgebied.

  • 2 De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden kan de toepassing van dit Verdrag uitbreiden tot Suriname of de Nederlandse Antillen bij een daartoe strekkende verklaring, te richten tot het Secretariaat-Generaal van de Benelux Economische Unie.

Artikel 16

  • 1 Dit Verdrag wordt bekrachtigd en de akten van bekrachtiging worden neergelegd bij het Secretariaat-Generaal van de Benelux Economische Unie.

  • 2 Het Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de maand, volgende op de datum van neerlegging van de derde akte van bekrachtiging.

TEN BLIJKE WAARVAN de gevolmachtigden dit Verdrag hebben ondertekend en voorzien van hun zegel.

GEDAAN te Brussel, op 31 maart 1965, in drievoud, in de Nederlandse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Terug naar begin van de pagina