Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering [...] tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, Moskou, 21-11-1986

Geldend van 27-09-1987 t/m heden

Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen

Authentiek : NL

Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

en

de Regering van de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken

Handelende in overeenstemming met de van belang zijnde bepalingen van de Slotakte van de Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, ondertekend te Helsinki op 1 augustus 1975, en

De wens koesterende een overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen,

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Personen op wie de Overeenkomst van toepassing is

  • 1 Deze Overeenkomst is van toepassing op inwoners van een van de Staten of van beide Staten.

  • 2 Voor de toepassing van de Overeenkomst betekent de uitdrukking „inwoner van een Staat” iedere persoon die, ingevolge de wetgeving van die Staat, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn verblijf of plaats van leiding.

  • 3 De uitdrukking „inwoner van beide Staten” betekent een persoon die gedurende hetzelfde tijdvak inwoner is van elk van de Staten.

  • 4 Indien een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het derde lid inwoner van beide Staten is, wordt zijn positie bepaald overeenkomstig de volgende regels:

    • a) hij wordt geacht inwoner te zijn van de Staat waar hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft; indien hij in elk van de Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarmede zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn (middelpunt van de levensbelangen);

    • b) indien niet kan worden bepaald in welke Staat hij het middelpunt van zijn levensbelangen heeft, of indien hij in geen van de Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waar hij gewoonlijk verblijft;

    • c) indien hij in elk van de Staten of in geen van beide gewoonlijk verblijft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarvan hij onderdaan is;

    • d) indien elk van de Staten hem beschouwt als zijn onderdaan of indien geen van de Staten hem beschouwt als zijn onderdaan, regelen de bevoegde autoriteiten van de Staten de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming overeenkomstig de bepalingen van artikel 20.

  • 5 Indien een andere dan een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het derde lid inwoner van beide Staten is, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waar de plaats van zijn werkelijke leiding is gelegen.

Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is

  • 1 Deze Overeenkomst is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen van zowel een nationaal als een lokaal karakter die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven in overeenstemming met de wetgeving van elk van de Staten:

    • a) voor het Koninkrijk der Nederlanden:

      • - de inkomstenbelasting,

      • - de loonbelasting,

      • - de vennootschapsbelasting,

      • - de dividendbelasting,

      • - de vermogensbelasting;

    • b) voor de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken:

      • - the income tax on foreign legal persons (de inkomstenbelasting van buitenlandse rechtspersonen),

      • - the income tax on population (de inkomstenbelasting van de bevolking),

      • - the agricultural tax (de landbouwbelasting),

      • - the tax on the owners of buildings (de belasting van de eigenaren van gebouwen),

      • - the ground tax (de grondbelasting),

      • - the tax on the owners of means of transport (de belasting van de eigenaren van vervoermiddelen).

  • 2 De Overeenkomst is ook van toepassing op alle belastingen waarvan het karakter in wezen gelijksoortig is aan dat van de belastingen vermeld in het eerste lid en die na de datum van ondertekening van de Overeenkomst naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven.

Artikel 3. Enige algemene begripsbepalingen

  • 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst hebben de hieronder genoemde uitdrukkingen de navolgende betekenis:

    • a) „een Staat” betekent, al naar de context vereist, het Koninkrijk der Nederlanden (Nederland) of de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken (USSR);

    • b) „persoon” betekent:

      • 1. voor Nederland, een natuurlijke persoon of een lichaam, omvattende elke rechtspersoon of elke eenheid die voor de belastingheffing in Nederland als rechtspersoon wordt behandeld;

      • 2. voor de USSR, een natuurlijke persoon of een rechtspersoon of andere organisatie opgericht ingevolge van wetgeving van de USSR of van elke Unie-republiek, die voor de belastingheffing in de USSR als rechtspersoon wordt behandeld;

    • c) „internationaal verkeer” betekent alle vervoer van vracht of passagiers door elk vervoermiddel dat wordt geëxploiteerd door een persoon waarvan de plaats van werkelijke leiding in een van de Staten is gelegen, behalve wanneer het vervoer slechts plaatsvindt tussen plaatsen die in de andere Staat zijn gelegen;

    • d) „bevoegde autoriteit” betekent:

      • 1. voor Nederland de Minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger;

      • 2. voor de USSR het Ministerie van Financiën van de USSR of de bevoegde vertegenwoordiger daarvan.

  • 2 Voor de toepassing van de Overeenkomst door een Staat heeft, tenzij de context anders vereist, elke niet in de Overeenkomst omschreven uitdrukking de betekenis welke die uitdrukking heeft volgens de wetgeving, in de eerste plaats de belastingwetgeving, van die Staat.

Artikel 4. Vaste inrichting

  • 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent de uitdrukking „vaste inrichting” een bureau, een kantoor of elke andere vaste bedrijfsinrichting door middel waarvan een inwoner van een Staat werkzaamheden uitoefent in de andere Staat.

  • 2 Werkzaamheden in samenhang met een plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie- of montagewerkzaamheden worden geacht niet te worden uitgeoefend door middel van een vaste inrichting indien de duur van de werkzaamheden 12 maanden niet overschrijdt. Indien de duur van de werkzaamheden 12 maanden overschrijdt, kan de bevoegde autoriteit van de Staat op het grondgebied waarvan zulk een plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie- of montagewerkzaamheden zich bevindt, op verzoek van de persoon die zulke werkzaamheden uitoefent, die werkzaamheden aanmerken als niet te worden uitgeoefend door middel van een vaste inrichting.

  • 3 Niettegenstaande de bepalingen van het eerste en tweede lid worden de volgende soorten werkzaamheden van een inwoner van een Staat geacht niet te worden uitgeoefend door middel van een vaste inrichting in de andere Staat:

    • a) het gebruikmaken van inrichtingen, uitsluitend voor de opslag, uitstalling of aflevering van aan die persoon toebehorende goederen of koopwaar;

    • b) de verkoop, na een tentoonstelling of jaarbeurs, van aan die persoon toebehorende tentoongestelde goederen of koopwaar;

    • c) het in voorraad houden van aan die persoon toebehorende goederen of koopwaar, uitsluitend voor de opslag, uitstalling of aflevering;

    • d) het in voorraad houden van aan die persoon toebehorende goederen of koopwaar, uitsluitend voor de bewerking of verwerking door een andere persoon;

    • e) het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting, uitsluitend om voor die persoon goederen of koopwaar aan te kopen, inlichtingen in te winnen of te verspreiden of marktonderzoek te doen dat van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid heeft;

    • f) het uitvoeren van werkzaamheden op het gebied van ordening, ontwikkeling en wetenschappelijk onderzoek (daaronder begrepen gezamenlijke werkzaamheden), van ingenieurswerkzaamheden, proefnemingen, van technische diensten, of van werkzaamheden van toezichthoudende of adviserende aard;

    • g) het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting, uitsluitend om voor die persoon enige andere werkzaamheid uit te oefenen die van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid heeft;

    • h) het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting om verscheidene van de in de letters a) tot en met g) genoemde werkzaamheden uit te oefenen, mits het totaal van de werkzaamheden voor die persoon van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid heeft.

  • 4 De volgende soorten van werkzaamheden van een inwoner van een Staat worden, niettegenstaande de bepalingen van het eerste en tweede lid, ook geacht niet te worden uitgeoefend door middel van een vaste inrichting in de andere Staat: het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting uitsluitend voor de vergemakkelijking van het afsluiten of slechts de ondertekening van overeenkomsten betreffende leningen, de levering van goederen of koopwaar of de verlening van technische diensten, ongeacht of deze werkzaamheden van voorbereidende aard zijn of het karakter van hulpwerkzaamheid hebben of de hoofdactiviteit vormen voor die persoon.

  • 5 Indien een inwoner van een Staat werkzaamheden uitoefent in de andere Staat door middel van een vertegenwoordiger, wordt die inwoner, niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid, geacht in de andere Staat een vaste inrichting te bezitten met betrekking tot alle werkzaamheden die de vertegenwoordiger voor die inwoner verricht, indien de vertegenwoordiger voldoet aan elk van de volgende voorwaarden:

    • a) hij bezit een machtiging om namens die persoon in de andere Staat overeenkomsten af te sluiten;

    • b) hij oefent dit recht gewoonlijk uit;

    • c) hij is niet een onafhankelijke vertegenwoordiger in de zin van het zesde lid;

    • d) zijn werkzaamheden blijven niet beperkt tot die werkzaamheden genoemd in het derde en vierde lid.

  • 6 Een inwoner van een Staat wordt niet geacht een vaste inrichting in de andere Staat te bezitten alleen op grond van de omstandigheid dat hij in die Staat zaken doet door bemiddeling van een makelaar, commissionair of enige andere onafhankelijke vertegenwoordiger, mits laatstgenoemde personen in de normale uitoefening van hun bedrijf handelen.

  • 7 Alleen de omstandigheid dat een inwoner van een Staat een inwoner van de andere Staat beheerst of wordt beheerst door een inwoner van de andere Staat of in die andere Staat zaken doet, stempelt een van beide inwoners niet tot een vaste inrichting van de andere.

Artikel 5. Winst

  • 1 Voordelen, daaronder begrepen inkomsten uit werkzaamheden anders dan in dienstbetrekking, verkregen door een inwoner van een Staat zijn slechts in die Staat belastbaar, tenzij hij in de andere Staat zijn bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting.

  • 2 Onder voorbehoud van de bepalingen van het derde lid worden, indien een inwoner van een Staat in de andere Staat zijn bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting, in elk van de Staten aan die vaste inrichting de voordelen toegerekend die hij geacht zou kunnen worden te behalen, indien hij een zelfstandige persoon zou zijn die dezelfde of soortgelijke werkzaamheden zou uitoefenen onder dezelfde of soortgelijke omstandigheden en die geheel onafhankelijk zou handelen met de inwoner waarvan hij een vaste inrichting is.

  • 3 Bij het bepalen van de voordelen verkregen door middel van een vaste inrichting worden in aftrek toegelaten kosten - daaronder begrepen kosten van de leiding en algemene beheerskosten - die ten behoeve van de vaste inrichting zijn gemaakt, hetzij in de Staat waar de vaste inrichting is gevestigd, hetzij elders.

  • 4 Geen voordelen worden aan een vaste inrichting toegerekend op grond van:

    • a) de enkele aankoop door die vaste inrichting van goederen of koopwaar voor de inwoner waarvan zij een vaste inrichting is, of

    • b) de werkzaamheden genoemd in artikel 4, vierde lid.

  • 5 In geval van voordelen uit werkzaamheden van toezichthoudende aard, leveringen, installatie- of constructiewerkzaamheden is slechts zoveel hiervan toe te rekenen aan een vaste inrichting als volgt uit het werkelijk door die vaste inrichting verrichten van deze werkzaamheden. Dienovereenkomstig worden voordelen uit de leveringen van goederen aan die vaste inrichting door het hoofdkantoor, een andere vaste inrichting of een derde persoon, al of niet in samenhang met deze werkzaamheden, niet toegerekend aan die vaste inrichting.

  • 6 Voor de toepassing van de voorgaande leden worden de aan de vaste inrichting toe te rekenen voordelen van jaar tot jaar volgens dezelfde methode bepaald, tenzij er een goede en genoegzame reden bestaat hiervan af te wijken.

  • 7 Indien in de voordelen bestanddelen zijn begrepen die afzonderlijk in andere artikelen van deze Overeenkomst worden behandeld, worden de bepalingen van die artikelen niet aangetast door de bepalingen van dit artikel.

Artikel 6. Winst uit internationaal verkeer

  • 1 Voordelen uit internationaal verkeer verkregen door een inwoner van een Staat zijn slechts belastbaar in de Staat waar de plaats van de werkelijke leiding van die inwoner is gelegen.

  • 2 Indien de plaats van de werkelijke leiding van een scheepvaartonderneming zich aan boord van een schip bevindt, wordt deze plaats geacht te zijn gelegen in de Staat waar de thuishaven van het schip is gelegen, of, indien er geen thuishaven is, in de Staat waarvan de exploitant van het schip inwoner is.

  • 3 De bepalingen van het eerste lid zijn ook van toepassing op voordelen uit de deelneming in een „pool”, een gemeenschappelijke onderneming of een internationaal geëxploiteerd agentschap.

Artikel 7. Dividenden

  • 1 Dividenden betaald door een persoon die inwoner is van een Staat aan een inwoner van de andere Staat, mogen in die andere Staat worden belast.

  • 2 Deze dividenden mogen echter ook in de Staat waarvan de persoon die de dividenden betaalt inwoner is, overeenkomstig de wetgeving van die Staat worden belast, maar de aldus geheven belasting mag 15 percent van het brutobedrag van de dividenden niet overschrijden.

  • 3 De bevoegde autoriteit van de Staat waarvan de persoon die de dividenden betaalt inwoner is, regelt de wijze van toepassing van het tweede lid.

  • 4 De bepalingen van het tweede lid laten onverlet de belastingheffing van de persoon die de dividenden betaalt ter zake van de winst waaruit de dividenden worden betaald.

  • 5 De uitdrukking „dividenden", zoals gebezigd in dit artikel, betekent inkomsten uit aandelen en inkomsten uit rechten die door de wetgeving van de Staat waarvan de persoon die de winsten uitdeelt inwoner is, op dezelfde wijze aan de belastingheffing worden onderworpen als inkomsten uit aandelen.

  • 6 De bepalingen van het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing, indien de genieter van de dividenden, die inwoner is van een Staat, in de andere Staat waarvan de persoon die de dividenden betaalt inwoner is, een bedrijf of werkzaamheden anders dan in dienstbetrekking uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting, en het aandelenbezit uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald, tot het bedrijfsvermogen van die vaste inrichting behoort. In dat geval zijn de bepalingen van artikel 5 van toepassing.

Artikel 8. Interest

  • 1 Interest afkomstig uit een Staat en betaald aan een inwoner van de andere Staat, is slechts belastbaar in die andere Staat.

  • 2 De uitdrukking „interest”, zoals gebezigd in dit artikel, betekent inkomsten uit schuldvorderingen van welke aard ook, al dan niet verzekerd door hypotheek, doch niet aanspraak gevend op een aandeel in de winst van de schuldenaar, alsmede alle andere inkomsten die door de wetgeving van de Staat waarvan de persoon die de interest betaalt inwoner is, op dezelfde wijze aan de belastingheffing worden onderworpen als interest.

  • 3 De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing indien de genieter van de interest, die inwoner is van een Staat, in de andere Staat waaruit de interest afkomstig is een bedrijf of werkzaamheden anders dan in dienstbetrekking uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting, en de vordering uit hoofde waarvan de interest wordt betaald, tot het bedrijfsvermogen van die vaste inrichting behoort. In dat geval zijn de bepalingen van artikel 5 van toepassing.

  • 4 Indien het bedrag van de betaalde interest hoger is dan het bedrag dat zou zijn overeengekomen tussen onafhankelijke partijen, blijft het daarboven uitgaande deel van het betaalde bedrag belastbaar overeenkomstig de wetgeving van elk van de Staten, zulks met inachtneming van de overige bepalingen van deze Overeenkomst.

Artikel 9. Vergoedingen voor auteursrechten en licenties

  • 1 Vergoedingen voor auteursrechten en licenties afkomstig uit een Staat en betaald aan een inwoner van de andere Staat zijn slechts belastbaar in die andere Staat.

  • 2 De uitdrukking „vergoedingen voor auteursrechten en licenties”, zoals gebezigd in dit artikel, betekent vergoedingen van welke aard ook voor het gebruik van, of voor het recht van gebruik van, een auteursrecht op een werk op het gebied van letterkunde, kunst of wetenschap - daaronder begrepen bioscoopfilms en films of geluidsbanden voor radio, televisie en geluidsweergave -, van een octrooi, een fabrieks- of handelsmerk, een dienstenmerk, een handelsnaam, een tekening, een model of staal, een ontwerp, een computerprogramma, een geheim recept, een werkwijze, of alle andere uitvindingen of vernieuwingen, dan wel voor het gebruik van, of voor het recht van gebruik van, nijverheids- en handelsuitrusting of wetenschappelijke uitrusting, of voor inlichtingen omtrent ervaringen op het gebied van nijverheid, handel of wetenschap (know-how).

  • 3 De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing, indien de genieter van de vergoedingen voor auteursrechten en licenties, die inwoner is van een Staat, in de andere Staat waaruit de vergoedingen voor auteursrechten en licenties afkomstig zijn een bedrijf of werkzaamheden anders dan in dienstbetrekking uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting, en het recht of de zaak uit hoofde waarvan die vergoedingen verschuldigd zijn, tot het bedrijfsvermogen van die vaste inrichting behoort. In dat geval zijn de bepalingen van artikel 5 van toepassing.

  • 4 Indien het bedrag van de vergoedingen voor auteursrechten en licenties hoger is dan het bedrag dat zou zijn overeengekomen tussen onafhankelijke partijen, blijft het daarboven uitgaande deel van het betaalde bedrag belastbaar overeenkomstig de wetgeving van elk van de Staten, zulks met inachtneming van de overige bepalingen van deze Overeenkomst.

Artikel 10. Inkomsten uit onroerende goederen

  • 1 Inkomsten verkregen door een inwoner van een Staat uit de rechtstreekse exploitatie, uit het verhuren of verpachten, of uit elke andere vorm van exploitatie van onroerende goederen die in de andere Staat zijn gelegen, mogen in die andere Staat worden belast.

  • 2 De uitdrukking „onroerende goederen” heeft de betekenis welke daaraan wordt gehecht volgens de wetgeving van de Staat waar de desbetreffend goederen zijn gelegen. Voor Nederland omvat de uitdrukking vruchtgebruik van onroerende goederen en rechten op veranderlijke of vaste vergoedingen ter zake van de exploitatie, of concessie to exploitatie, van minerale aardlagen, bronnen en andere natuurlijke rijkdommen. Schepen en luchtvaartuigen worden niet als onroerende goederen beschouwd.

Artikel 11. Inkomsten uit de vervreemding van vermogen

  • 1 Inkomsten verkregen door een inwoner van een Staat uit de vervreemding van onroerende goederen, zoals bedoeld in artikel 10 en die zijn gelegen in de andere Staat mogen in die andere Staat worden belast.

  • 2 Inkomsten verkregen uit de vervreemding van roerende zaken die deel uitmaken van het vermogen van een vaste inrichting die een inwoner van een Staat in de andere Staat heeft, daaronder begrepen inkomsten verkregen uit de vervreemding van alle vermogensbestanddelen van die vaste inrichting, mogen in die andere Staat worden belast.

  • 3 Inkomsten verkregen door een persoon uit de vervreemding van vervoermiddelen die in internationaal verkeer worden geëxploiteerd, of van roerende zaken die worden gebruikt bij de exploitatie van deze vervoermiddelen, zijn slechts belastbaar in de Staat waar de plaats van de werkelijke leiding van die persoon is gelegen. De bepalingen van artikel 6, tweede lid, vinden hierbij toepassing.

  • 4 Inkomsten verkregen uit de vervreemding van alle andere zaken dan die bedoeld in het eerste, tweede en derde lid zijn slechts belastbaar in de Staat waarvan de vervreemder inwoner is.

Artikel 12. Inkomsten uit dienstbetrekking

  • 1 Onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 13 en 14 zijn salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen verkregen door een inwoner van een Staat ter zake van een dienstbetrekking slechts in die Staat belastbaar, tenzij de dienstbetrekking in de andere Staat wordt uitgeoefend. Indien de dienstbetrekking aldaar wordt uitgeoefend, mag de ter zake daarvan verkregen beloning in die andere Staat worden belast.

  • 2 Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid is de beloning verkregen door een inwoner van een Staat ter zake van een in de andere Staat uitgeoefende dienstbetrekking slechts in de eerstbedoelde Staat belastbaar, indien:

    • a) de genieter in de andere Staat verblijft gedurende een tijdvak of tijdvakken, die in een kalenderjaar een totaal van 183 dagen niet te boven gaan, en

    • b) de beloning wordt betaald door of namens een werkgever die geen inwoner van de andere Staat is, en

    • c) de beloning niet ten laste komt van een vaste inrichting die de werkgever in de andere Staat heeft.

  • 3 Niettegenstaande de bepalingen van het eerste en tweede lid is de beloning verkregen door een inwoner van een Staat ter zake van een dienstbetrekking uitgeoefend in de andere Staat slechts belastbaar in de eerstgenoemde Staat indien de dienstbetrekking wordt uitgeoefend in samenhang met een plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie- of montagewerkzaamheden en de in samenhang met zulk een plaats van uitvoering uitgeoefende werkzaamheden geacht worden niet te worden uitgeoefend door middel van een vaste inrichting overeenkomstig de bepalingen van artikel 4, tweede lid.

  • 4 Niettegenstaande de bepalingen van het eerste en tweede lid is de beloning verkregen door een inwoner van een Staat ter zake van een dienstbetrekking uitgeoefend op vervoermiddelen die in internationaal verkeer worden geëxploiteerd slechts in die Staat belastbaar.

  • 5 Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel, mogen, wat Nederland betreft, bestuurdersbeloningen (directors' fees) en andere beloningen verkregen door een inwoner van een Staat in zijn hoedanigheid van lid van de raad van beheer, van bestuurder of van commissaris van een lichaam dat inwoner is van de andere Staat, in die andere Staat worden belast in overeenstemming met de bepalingen van zijn belastingwetgeving.

Artikel 13. Overheidsfunctionarissen

  • 1 Beloningen, daaronder begrepen pensioenen, betaald door, of uit fondsen in het leven geroepen door, een Staat of een regionaal of plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan aan een natuurlijke persoon ter zake van diensten bewezen aan die Staat of dat publiekrechtelijke lichaam in de uitoefening van overheidsfuncties, mogen in die Staat worden belast.

  • 2 Diensten bewezen binnen een organisatie of onderneming die handelsactiviteiten uitoefent, zoals een Nederlandse handelsorganisatie of een organisatie van de USSR voor buitenlandse handel, worden niet geacht te zijn bewezen in de uitoefening van overheidsfuncties.

Artikel 14. Hoogleraren, andere docenten en onderzoekers

  • 1 Vergoedingen die een hoogleraar, andere docent of onderzoeker die inwoner is van een Staat en die in de andere Staat verblijft met het doel gedurende een tijdvak van ten hoogste twee jaren onderwijs te geven of zich met wetenschappelijk onderzoek bezig te houden aan een universiteit of elke andere inrichting voor onderwijs of wetenschappelijk onderzoek in die andere Staat, voor dat onderwijs of dat onderzoek ontvangt, zijn slechts in de eerstbedoelde Staat belastbaar.

  • 2 Dit artikel is niet van toepassing op inkomsten uit het verrichten van wetenschappelijk onderzoek, indien dit onderzoek in de eerste plaats wordt verricht voor het persoonlijke nut van een bepaalde persoon of bepaalde personen.

Artikel 15. Studenten en stagiaires

Betalingen die een persoon die inwoner is of onmiddellijk voor zijn bezoek aan een Staat, inwoner was van de andere Staat en die uitsluitend voor zijn studie of opleiding in de eerstbedoelde Staat verblijft, ontvangt ten behoeve van zijn onderhoud, studie of opleiding, zijn in die Staat niet belastbaar, mits deze betalingen aan hem worden gedaan uit bronnen buiten die Staat.

Artikel 16. Overige inkomsten

Bestanddelen van het inkomen van een inwoner van een Staat, van waaruit ook afkomstig, die niet in de voorgaande artikelen van deze Overeenkomst zijn behandeld, zijn slechts in die Staat belastbaar.

Artikel 17. Vermogen

  • 1 Onroerende goederen, zoals bedoeld in artikel 10, die een inwoner van een Staat bezit en die zijn gelegen in de andere Staat, mogen in die andere Staat worden belast.

  • 2 Roerende zaken die deel uitmaken van het vermogen van een vaste inrichting die een inwoner van een Staat in de andere Staat bezit, mogen in die andere Staat worden belast.

  • 3 Vervoermiddelen die een persoon bezit en die in internationaal verkeer worden geëxploiteerd en roerende zaken die worden gebruikt bij de exploitatie van deze vervoermiddelen, zijn slechts belastbaar in de Staat waar de plaats van de werkelijke leiding van die persoon is gelegen. De bepalingen van artikel 6, tweede lid, vinden hierbij toepassing.

  • 4 Alle andere bestanddelen van het vermogen van een inwoner van een Staat zijn slechts in die Staat belastbaar.

Artikel 18. Vermijding van dubbele belasting

  • 1 Nederland is bevoegd bij het heffen van belasting van zijn inwoners in de grondslag waarnaar de belasting wordt geheven, de bestanddelen van het inkomen of het vermogen te begrijpen die overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst in de USSR mogen worden belast. Indien echter een inwoner van Nederland bestanddelen van het inkomen verkrijgt of vermogensbestanddelen bezit die volgens de bepalingen van deze Overeenkomst in de USSR mogen worden belast en die in deze grondslag zijn begrepen, stelt Nederland deze bestanddelen vrij door een vermindering van zijn belasting toe te staan. Deze vermindering wordt berekend overeenkomstig de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting. Te dien einde worden genoemde bestanddelen geacht te zijn begrepen in het totale bedrag van de bestanddelen van het inkomen of het vermogen die ingevolge die bepalingen van Nederlandse belasting zijn vrijgesteld.

  • 2 De USSR vermijdt bij het heffen van belasting van zijn inwoners dubbele belasting overeenkomstig de bepalingen van zijn wetgeving.

Artikel 19. Non-discriminatie

  • 1 Onderdanen van een Staat worden in de andere Staat niet aan enige wijze van belastingheffing onderworpen, die anders of zwaarder is dan de wijze van belastingheffing, waaraan onderdanen van die andere Staat onder dezelfde omstandigheden zijn of kunnen worden onderworpen.

  • 2 Inwoners of vaste inrichtingen van inwoners van een Staat worden in de andere Staat niet aan enige wijze van belastingheffing onderworpen, die anders of zwaarder is dan de wijze van belastingheffing, waaraan inwoners of vaste inrichtingen van inwoners van derde Staten die dezelfde werkzaamheden uitoefenen, zijn of kunnen worden onderworpen.

  • 3 De bepalingen van dit artikel mogen niet aldus worden uitgelegd dat zij een Staat verplichten aan onderdanen, inwoners of vaste inrichtingen van inwoners van de andere Staat bij de belastingheffing tegemoetkomingen te verlenen, die door de eerstbedoelde Staat worden verleend aan onderdanen, inwoners of vaste inrichtingen van inwoners van derde Staten krachtens overeenkomsten met deze derde Staten.

  • 4 De bepalingen van dit artikel zijn, niettegenstaande de bepalingen van artikel 2, van toepassing op belastingen van elke soort.

Artikel 20. Regeling voor onderling overleg

  • 1 Indien een persoon van oordeel is dat de maatregelen van een van de Staten of van beide Staten voor hem leiden of zullen leiden tot een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van deze Overeenkomst, kan hij, ongeacht de rechtsmiddelen waarin de nationale wetgeving van die Staten voorziet, zijn geval voorleggen aan de bevoegde autoriteit van de Staat waarvan hij inwoner is. Het geval moet worden voorgelegd binnen drie jaren nadat de maatregel die leidt tot een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van de Overeenkomst, voor het eerst te zijner kennis is gebracht.

  • 2 De bevoegde autoriteit tracht, indien het bezwaar haar gegrond voorkomt en indien zij niet zelf in staat is tot een bevredigende oplossing te komen, de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming met de bevoegde autoriteit van de andere Staat te regelen ten einde een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de Overeenkomst, te vermijden. Indien een regeling is overeengekomen, betaalt de bevoegde autoriteit van de desbetreffende Staat al het teveel betaalde terug of verleent zij bij de belastingheffing de noodzakelijke tegemoetkomingen.

  • 3 De bevoegde autoriteiten van de Staten trachten moeilijkheden of twijfelpunten die mochten rijzen met betrekking tot de uitlegging of de toepassing van de Overeenkomst in onderlinge overeenstemming op te lossen. Zij kunnen ook, met inachtneming van de bestaande procedures, met elkaar overleg plegen ten einde dubbele belasting ongedaan te maken in gevallen waarvoor in de Overeenkomst geen voorziening is getroffen.

Artikel 21. Uitwisseling van inlichtingen

De bevoegde autoriteiten van de Staten delen elkaar alle wezenlijke wijzigingen mede die in hun onderscheiden belastingwetgevingen zijn aangebracht.

Artikel 22. Grondgebied waarop de Overeenkomst van toepassing is

  • 1 Wat Nederland betreft is deze Overeenkomst alleen van toepassing op het grondgebied in Europa.

  • 2 Voor de toepassing van deze Overeenkomst worden verwijzingen naar een Staat beschouwd als verwijzingen naar zowel het grondgebied van die Staat als naar het continentaal plat dat aansluit op de buitengrenzen van de territoriale wateren (territoriale zee) van die Staat en waarover die Staat soevereine rechten uitoefent in overeenstemming met het internationale recht en zijn eigen wetgeving met betrekking tot de exploratie van het continentaal plat en de exploitatie van de natuurlijke rijkdommen ervan.

Artikel 23. Toepassing van de Overeenkomst

Indien deze Overeenkomst voorziet in een belastingvrijstelling in een Staat die afhankelijk is van een bepaalde tijdsduur, dan heft deze Staat pas belasting nadat die tijdsduur is verstreken, tenzij van te voren bekend was dat deze zou worden overschreden.

Artikel 24. Inwerkingtreding van de Overeenkomst

  • 1 De Overeenkomstsluitende Partijen delen elkaar, langs diplomatieke weg, mede dat de procedures die noodzakelijk zijn voor de inwerkingtreding van deze Overeenkomst zijn voltooid.

  • 2 De Overeenkomst treedt in werking op de dertigste dag na de uitwisseling van de mededelingen bedoeld in het eerste lid en de bepalingen ervan vinden toepassing met betrekking tot belastingen over belastingtijdvakken die aanvangen op of na 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de Overeenkomst in werking treedt.

Artikel 25. Beëindiging van de Overeenkomst

Deze Overeenkomst blijft van kracht totdat zij door een van de Overeenkomstsluitende Partijen is opgezegd. Elk van de Partijen kan, ten minste zes maanden voor het einde van enig kalenderjaar na het verstrijken van een tijdvak van vijfjaren sedert de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst, langs diplomatieke weg, een schriftelijke kennisgeving van beëindiging zenden. In dat geval houdt de Overeenkomst op van toepassing te zijn met betrekking tot belastingen over belastingtijdvakken die aanvangen na het einde van het kalenderjaar waarin de kennisgeving van beëindiging van de Overeenkomst is gedaan.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, deze Overeenkomst hebben ondertekend.

GEDAAN te Moskou, de „21” november 1986, in tweevoud, in de Nederlandse, de Russische en de Engelse taal, zijnde de drie teksten gelijkelijk authentiek.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden,

(w.g.) H. VAN DEN BROEK

Voor de Regering van de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken,

(w.g.) B. I. GOSTEW

Authentiek : EN

Convention between the Government of the Kingdom of the Netherlands and the Government of the Union of Soviet Socialist Republics for the Avoidance of Double Taxation with Respect to Taxes on Income and on Property

The Government of the Kingdom of the Netherlands

and

the Government of the Union of Soviet Socialist Republics

Acting in accordance with the relevant provisions of the Final Act of the Conference on Security and Cooperation in Europe, signed in Helsinki on August 1, 1975, and

Desiring to conclude a Convention for the avoidance of double taxation with respect to taxes on income and property,

Have agreed as follows:

Article 1. Persons to whom the Convention shall apply

  • 1 This Convention shall apply to residents of one or both of the States.

  • 2 For the purposes of the Convention, the term “resident of a State” means any person who, under the laws of that State, is liable to tax therein by reason of his residence or place of management.

  • 3 The term “resident of both States” means a person who is a resident of each of the States during the same period of time.

  • 4 Where by reason of the provisions of paragraph 3 an individual is a resident of both States, his status shall be determined in accordance with the following rules:

    • a) he shall be deemed to be a resident of the State in which he has a permanent home available to him; if he has a permanent home available to him in each of the States, he shall be deemed to be a resident of the State with which his personal and economic relations are closer (centre of vital interest);

    • b) if the State in which he has his centre of vital interest cannot be determined, or if he has not a permanent home available to him in either State, he shall be deemed to be a resident of the State in which he has an habitual abode;

    • c) if he has an habitual abode in each of the States or in neither of them, he shall be deemed to be a resident of the State of which he is a national;

    • d) if each of the States regards him as its national or if neither State regards him as its national, the competent authorities of the States shall settle the question by mutual agreement in accordance with the provisions of Article 20.

  • 5 Where by reason of the provisions of paragraph 3 a person other than an individual is a resident of both States, it shall be deemed to be a resident of the State in which its place of effective management is situated.

Article 2. Taxes covered by the Convention

  • 1 This Convention shall apply to taxes on income and on property either of a national or of a local character imposed in conformity with the laws of each of the States, irrespective of the manner in which they are levied:

    • a) in the case of the Kingdom of the Netherlands:

      • - de inkomstenbelasting (income tax),

      • - de loonbelasting (wages tax),

      • - de vennootschapsbelasting (company tax),

      • - de dividendbelasting (dividend tax),

      • - de vermogensbelasting (capital tax);

    • b) in the case of the Union of Soviet Socialist Republics:

      • - the income tax on foreign legal persons,

      • - the income tax on population,

      • - the agricultural tax,

      • - the tax on the owners of buildings,

      • - the ground tax,

      • - the tax on the owners of means of transport.

  • 2 The Convention shall apply also to any taxes of a character substantially similar to that of the taxes specified in paragraph 1 which are imposed in addition to, or in place of the existing taxes after the date of signature of the Convention.

Article 3. Some General Definitions

  • 1 For the purposes of this Convention the terms mentioned below shall have the following meaning:

    • a) “a State” means, as the context requires, the Kingdom of the Netherlands (the Netherlands) or the Union of Soviet Socialist Republics (the USSR);

    • b) “person” means:

      • 1) in the case of the Netherlands, an individual or a company, comprising any body corporate or any entity which in the Netherlands is treated as a body corporate for tax purposes;

      • 2) in the case of the USSR, an individual or a legal person or other organization created under the law of the USSR or any Union Republic, which in the USSR is treated as a legal person for tax purposes;

    • c) “international traffic” means any transportation of load or passengers by any means of transport between places in different States except when the transportation takes place only between places in one State;

    • d) “competent authority” means:

      • 1) in the case of the Netherlands, the Minister of Finance or his authorized representative;

      • 2) in the case of the USSR, the Ministry of Finance of the USSR or its authorized representative.

  • 2 As regards the application of the Convention by a State any term not defined in the Convention shall, unless the context otherwise requires, have the meaning which it has under the laws, in the first instance the tax laws, of that State.

Article 4. Permanent Establishment

  • 1 For the purposes of this Convention, the term “permanent establishment” means a bureau, an office or any other fixed place of business through which a resident of a State carries on activities in the other State.

  • 2 Activities connected with a building site or construction or installation project shall be deemed not to be carried on through a permanent establishment if its duration does not exceed 12 months. Where its duration exceeds 12 months, the competent authority of the State in the territory of which such site or project exists may, upon request of the person carrying on such activities, consider these not to be carried on through a permanent establishment.

  • 3 Notwithstanding the provisions of paragraphs 1 and 2, the following types of activities of a resident of a State shall be deemed not to be carried on through a permanent establishment in the other State:

    • a) the use of facilities solely for the purpose of storage, display or delivery of goods or merchandise belonging to that person;

    • b) the sale, after an exhibition or a fair, of goods or merchandise displayed belonging to that person;

    • c) the maintenance of a stock of goods or merchandise belonging to that person solely for the purpose of storage, display or delivery;

    • d) the maintenance of a stock of goods or merchandise belonging to that person solely for the purpose of processing by another person;

    • e) the maintenance of a fixed place of business solely for the purpose of purchasing goods or merchandise, of collecting or disseminating information or of marketing of a preparatory or auxiliary character, for that person;

    • f) the performance of planning, development and scientific research activities (including joint activities), engineering, testing, technical services, or supervisory or consultancy activities;

    • g) the maintenance of a fixed place of business solely for the purpose of carrying on, for that person, any other activity of a preparatory or auxiliary character;

    • h) the maintenance of a fixed place of business for the purpose of carrying on several of the activities mentioned in sub-paragraphs a) to g), provided that the overall activity is of a preparatory or auxiliary character for that person.

  • 4 Notwithstanding the provisions of paragraphs 1 and 2, the following types of activities of a resident of a State shall also be deemed not to be carried on through a permanent establishment in the other State: the maintenance of a fixed place of business solely for the purpose of the facilitation of the conclusion or the mere signing of contracts concerning loans, the delivery of goods or merchandise or technical services, whether or not these activities are activities of a preparatory or auxiliary character or main activities for that person.

  • 5 Notwithstanding the provisions of paragraph 1, where a resident of a State carries on activities in the other State through an agent, that resident shall be deemed to have a permanent establishment in that other State in respect of any activities which the agent undertakes for that resident, when the agent complies with each of the following conditions:

    • a) he has an authority to conclude contracts in the other State in the name of that resident;

    • b) he habitually exercises that authority;

    • c) he is not an agent of an independent status to whom paragraph 6 applies;

    • d) his activities are not limited to those mentioned in paragraphs 3 and 4.

  • 6 A resident of a State shall not be deemed to have a permanent establishment in the other State merely because it carries on business in that State through a broker, general commission agent or any other agent of an independent status, provided that the latter persons are acting in the ordinary course of their business.

  • 7 The fact that a resident of a State controls or is controlled by a resident of the other State, or carries on business in that other State, shall not of itself constitute either resident a permanent establishment of the other.

Article 5. Profits

  • 1 Profits, including income from activities other than employment, derived by a resident of a State shall be taxable only in that State unless he carries on business in the other State through a permanent establishment situated therein.

  • 2 Subject to the provisions of paragraph 3, where a resident of a State carries on business in the other State through a permanent establishment situated therein, there shall in each State be attributed to that permanent establishment the profits which it might be expected to make if it were a distinct and separate person engaged in the same or similar activities under the same or similar conditions and dealing wholly independently with the resident of which it is a permanent establishment.

  • 3 In determining the profits derived through a permanent establishment, there shall be allowed as deductions expenses which are incurred for the purposes of the permanent establishment, including executive and general administrative expenses so incurred, whether in the State in which the permanent establishment is situated or elsewhere.

  • 4 No profits shall be attributed to a permanent establishment by reason of:

    • a) the mere purchase by that permanent establishment of goods or merchandise for the resident of which it is a permanent establishment, or

    • b) the activities mentioned in paragraph 4 of Article 4.

  • 5 In the case of profits from survey, supply, installation or construction activities only so much of them is attributable to a permanent establishment as results from the actual performance of these activities through that permanent establishment. Accordingly, profits from deliveries of goods, whether or not in connection with these activities, to that permanent establishment by the head office, another permanent establishment or a third person shall not be attributed to that permanent establishment.

  • 6 For the purposes of the preceding paragraphs, the profits to be attributed to the permanent establishment shall be determined by the same method year by year unless there is good and sufficient reason to the contrary.

  • 7 Where profits include items of income which are dealt with separately in other Articles of this Convention, then the provisions of those Articles shall not be affected by the provisions of this Article.

Article 6. Profits from International Traffic

  • 1 Profits from international traffic derived by a resident of a State shall be taxable only in the State in which the place of effective management of that resident is situated.

  • 2 If the place of effective management of a shipping enterprise is aboard a ship, then it shall be deemed to be situated in the State in which the home harbour of the ship is situated, or if there is no such home harbour, in the State of which the operator of the ship is a resident.

  • 3 The provisions of paragraph 1 shall also apply to profits from the participation in a pool, a joint business or an international operating agency.

Article 7. Dividends

  • 1 Dividends paid by a person which is a resident of a State to a resident of the other State may be taxed in that other State.

  • 2 However, such dividends may also be taxed in the State of which the person paying the dividends is a resident and according to the laws of that State, but the tax so charged shall not exceed 15 per cent of the gross amount of the dividends.

  • 3 The competent authority of the State of which the person paying the dividends is a resident, shall settle the mode of application of paragraph 2.

  • 4 The provisions of paragraph 2 shall not affect the taxation of the person paying the dividends in respect of the profits out of which the dividends are paid.

  • 5 The term “dividends” as used in this Article means income from shares and income from rights which is subjected to the same taxation treatment as income from shares by the laws of the State of which the person distributing the profits is a resident.

  • 6 The provisions of paragraphs 1 and 2 shall not apply if the recipient of the dividends, being a resident of a State, carries on business or performs activities other than employment in the other State of which the person paying the dividends is a resident, through a permanent establishment situated therein, and the holding in respect of which the dividends are paid is effectively connected with such permanent establishment. In such case the provisions of Article 5 shall apply.

Article 8. Interest

  • 1 Interest arising in a State and paid to a resident of the other State shall be taxable only in that other State.

  • 2 The term “interest” as used in this Article means income from debt-claims of every kind, whether or not secured by mortgage but not carrying a right to participate in the debtor's profits, as well as any other income which is subjected to the same taxation treatment as interest by the laws of the State of which the person paying the interest is a resident.

  • 3 The provisions of paragraph 1 shall not apply if the recipient of the interest, being a resident of a State, carries on business or performs activities other than employment in the other State in which the interest arises, through a permanent establishment situated therein and the debt-claim in respect of which the interest is paid is effectively connected with such permanent establishment. In such case the provisions of Article 5 shall apply.

  • 4 Where the amount of the interest paid exceeds the amount which would have been agreed upon between independent parties, the excess part of the payments shall remain taxable according to the laws of each State, due regard being had to the other provisions of this Convention.

Article 9. Payment for Copyrights and Licences

  • 1 Payments for copyrights and licences arising in a State and paid to a resident of the other State shall be taxable only in that other State.

  • 2 The term “payments for copyrights and licences” as used in this Article means payments of any kind received as a consideration for the use of, or the right to use, any copyright of literary, artistic or scientific work including cinematograph films and films or tapes for broadcasting, television and sound reproduction, any patent, trade mark or service mark, trade name, design, model or sample, project, computer programme, secret formula, process, or any other invention or innovation or for the use of, or the right to use, industrial, commercial, or scientific equipment, or form information concerning industrial, commercial or scientific experience (know-how).

  • 3 The provisions of paragraph 1 shall not apply if the recipient of the payments for copyrights and licences, being a resident of a State, carries on business or performs activities other than employment in the other State in which the payments for copyrights and licences arise, through a permanent establishment situated therein, and the right or property in respect of which those payments are paid is effectively connected with such permanent establishment. In such case the provisions of Article 5 shall apply.

  • 4 Where the amount of the payments for copyrights and licences exceeds the amount which would have been agreed upon between independent parties, the excess part of the payments shall remain taxable according to the laws of each State, due regard being had to the other provisions of this Convention.

Article 10. Income from Immovable Property

  • 1 Income derived by a resident of a State from the direct use, letting, or use in any other form of immovable property situated in the other State may be taxed in that other State.

  • 2 The term “immovable property” shall have the meaning which is attached to it under the law of the State in which the property in question is situated. In the case of the Netherlands the term shall include usufruct of immovable property and rights to variable or fixed payments as consideration for the working of, or the right to work, mineral deposits, sources and other natural resources. Ships, boats and aircraft shall not be regarded as immovable property.

Article 11. Income from the Alienation of Property

  • 1 Income derived by a resident of a State from the alienation of immovable property referred to in Article 10 and situated in the other State may be taxed in that other State.

  • 2 Income from the alienation of movable property forming part of the property of a permanent establishment which a resident of a State has in the other State, including such income from the alienation of all the properties of such a permanent establishment, may be taxed in that other State.

  • 3 Income derived by a person from the alienation of means of transport operated in international traffic or movable property pertaining to the operation of such means of transport, shall be taxable only in the State in which the place of effective management of that person is situated. For the purposes of this paragraph the provisions of paragraph 2 of Article 6 shall apply.

  • 4 Income from the alienation of any property other than that referred to in paragraphs 1, 2 and 3, shall be taxable only in the State of which the alienator is a resident.

Article 12. Income from Employment

  • 1 Subject to the provisions of Articles 13 and 14, salaries, wages and other similar remuneration derived by a resident of a State in respect of an employment shall be taxable only in that State unless the employment is exercised in the other State. If the employment is so exercised, such remuneration as is derived therefrom may be taxed in the other State.

  • 2 Notwithstanding the provisions of paragraph 1, remuneration derived by a resident of a State in respect of an employment exercised in the other State shall be taxable only in the first-mentioned State if:

    • a) the recipient is present in the other State for a period or periods not exceeding in the aggregate 183 days in a calendar year, and

    • b) the remuneration is paid by, or on behalf of, an employer who is not a resident of the other State, and

    • c) the remuneration is not borne by a permanent establishment which the employer has in the other State.

  • 3 Notwithstanding the provisions of paragraphs 1 and 2, remuneration derived by a resident of a State in respect of an employment exercised in the other State shall be taxable only in the first-mentioned State if the employment is exercised in connection with a building site or construction or installation project and the activities connected with such site or project are deemed not to be carried on through a permanent establishment according to the provisions of paragraph 2 of article 4.

  • 4 Notwithstanding the provisions of paragraphs 1 and 2, remuneration derived by a resident of a State in respect of an employment exercised on means of transport operated in international traffic, shall be taxable only in that State.

  • 5 Notwithstanding the preceding provisions of this Article, in the case of the Netherlands directors' fees or other remuneration derived by a resident of a State in his capacity as a member of the board of directors, a “bestuurder” or a “commissaris” of a company which is a resident of the other State may be taxed in that other State in accordance with its tax laws.

Article 13. Government Officials

  • 1 Remuneration, including pensions, paid by, or out of funds created by, a State or a regional or local authority thereof to an individual in respect of services rendered to that State or authority in the discharge of functions of a governmental nature may be taxed in that State.

  • 2 Services rendered in an organization or enterprise carrying on commercial activities, such as a Netherlands commercial organization or a USSR foreign trade organization, shall not be considered as rendered in the discharge of functions of a governmental nature.

Article 14. Professors, Teachers and Researchers

  • 1 Payments which a professor, teacher or researcher who is a resident of a State and who is present in the other State for the purpose of teaching or scientific research for a period not exceeding two years in a university or any other establishment for teaching or scientific research in that other State, receives for such teaching or research, shall be taxable only in the firstmentioned State.

  • 2 This Article shall not apply to income from research if such research is undertaken primarily for the private benefit of a specific person or persons.

Article 15. Students and Trainees

Payments which a person who is or was immediately before visiting a State a resident of the other State and who is present in the first-mentioned State solely for the purpose of his education or training receives for the purpose of his maintenance, education or training shall not be taxed in that State, provided that such payments arise from sources outside that State.

Article 16. Other Income

Items of income of a resident of a State, wherever arising, not dealt with in the foregoing Articles of this Convention shall be taxable only in that State.

Article 17. Property

  • 1 Immovable property referred to in Article 10, owned by a resident of a State and situated in the other State, may be taxed in that other State.

  • 2 Movable property forming part of the property of a permanent establishment which a resident of a State has in the other State, may be taxed in that other State.

  • 3 Means of transport owned by a person and operated in international traffic and movable property pertaining to the operation of such means of transport, shall be taxable only in the State in which the place of effective management of that person is situated. For the purposes of this paragraph the provisions of paragraph 2 of Article 6 shall apply.

  • 4 All other elements of property of a resident of a State shall be taxable only in that State.

Article 18. Elimination of Double Taxation

  • 1 The Netherlands, when imposing tax on its residents, may include in the basis upon which such taxes are imposed the items of income or property which, according to the provisions of this Convention, may be taxed in the USSR. However, where a resident of the Netherlands derives items of income or owns property which according to the provisions of this Convention may be taxed in the USSR and are included in that basis, the Netherlands shall exempt such items by allowing a reduction of its tax. This reduction shall be computed in conformity with the provisions of Netherlands law for the avoidance of double taxation. For that purpose the said items of income or property shall be deemed to be included in the total amount of the items of income or property which are exempt from Netherlands tax under those provisions.

  • 2 The USSR, when imposing tax on its residents, shall avoid double taxation in conformity with the provisions of its law.

Article 19. Non-Discrimination

  • 1 Nationals of a State shall not be subjected in the other State to any taxation treatment which is other or more burdensome than the taxation treatment to which nationals of that other State in the same circumstances are or may be subjected.

  • 2 Residents or permanent establishments of residents of a State shall not be subjected in the other State to any taxation treatment which is other or more burdensome than the taxation treatment to which residents or permanent establishments of residents of third States carrying on the same activities, are or may be subjected.

  • 3 The provisions of this Article shall not be construed as obliging a State to grant tax reliefs to nationals, residents or permanent establishments of residents of the other State which are granted by the first mentioned State to nationals, residents or permanent establishments of residents of third States by virtue of agreements with these third States.

  • 4 The provisions of this Article shall, notwithstanding the provisions of Article 2, apply to taxes of every kind.

Article 20. Mutual Agreement Procedure

  • 1 Where a person considers that the actions of one or both of the States result or will result for him in taxation not in accordance with the provisions of this Convention, he may, irrespective of the remedies provided by the domestic law of those States, present his case to the competent authority of the State of which he is a resident. The case must be presented within three years from the first notification of the action resulting in taxation not in accordance with the provisions of the Convention.

  • 2 The competent authority shall endeavour, if the objection appears to it to be justified and if it is not itself able to arrive at a satisfactory solution, to resolve the case by mutual agreement with the competent authority of the other State, with a view to the avoidance of taxation which is not in accordance with the Convention. When an agreement is reached, the competent authority of the State concerned shall refund any overpayment or grant the necessary tax reliefs.

  • 3 The competent authorities of the States shall endeavour to resolve by mutual agreement any difficulties or doubts arising as to the interpretation or application of the Convention. They may also complying with existing procedures consult together for the elimination of double taxation in cases not provided for in the Convention.

Article 21. Exchange of Information

The competent authorities of the States shall notify each other of any substantial changes which have been made in their respective taxation laws.

Article 22. Territorial Scope

  • 1 In the case of the Netherlands this Convention shall apply only to the territory of the Kingdom of the Netherlands that is situated in Europe.

  • 2 For the purposes of this Convention references to a State shall be considered as references to both the territory of that State and the continental shelf adjacent to the outer limits of the territorial waters (territorial sea) of that State with respect to which that State exercises sovereign rights in accordance with international law and its own legislation for the purposes of the exploration of the continental shelf and exploitation of its natural resources.

Article 23. Application of the Convention

Where this Convention provides for a tax exemption in a State conditionally under a certain length of time, that State shall only levy tax after the length of time has elapsed unless it was known beforehand that the period would be surpassed.

Article 24. Entry into Force of the Convention

  • 1 The Contracting Parties shall notify each other through diplomatic channels of the completion of the formalities necessary for the entry into force of this Convention.

  • 2 The Convention shall enter into force on the thirtieth day after the exchange of notifications referred to in paragraph 1 and its provisions shall have effect in respect of taxes relating to tax periods beginning on or after the first day of January in the calendar year following the year in which the Convention enters into force.

Article 25. Termination of the Convention

This Convention shall remain in force until terminated by one of the Contracting Parties. Either Party may terminate the Convention, through diplomatic channels, by giving notice of termination at least six months before the end of any calendar year after the expiration of a period of five years from the date of entry into force of the Convention. In such event the Convention shall cease to have effect in respect of taxes relating to tax periods beginning after the end of the calendar year in which the notice of termination of the Convention has been given.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, duly authorized thereto, have signed this Convention.

DONE at Moscow, this “21” day of November, 1986 in duplicate, in the Netherlands, Russian and English languages, the three texts being equally authentic.

For the Government of the Kingdom of the Netherlands,

(sd.) H. VAN DEN BROEK

For the Government of the Union of Soviet Socialist Republics,

(sd.) B. I. GOSTEW

Terug naar begin van de pagina