Regeling tegemoetkoming herplaatsing flexwoningen 2024–2029

[Regeling vervalt per 01-01-2029.]
Geraadpleegd op 15-07-2024.
Geldend van 01-01-2024 t/m heden

Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 7 december 2023, houdende de aanwijzing van de DAEB flexwoningen en regels over het verlenen van subsidie in de vorm van een garantie en het vaststellen van subsidie aan investeerders bij herplaatsing van flexwoningen (Regeling tegemoetkoming herplaatsing flexwoningen 2024–2029)

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Gelet op de artikelen 6, 8 en 14 van het Kaderbesluit BZK-subsidies;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • college: college van burgemeester en wethouders;

  • DAEB flexwoningen: een dienst van algemeen economisch belang die conform het Vrijstellingsbesluit DAEB voor deze regeling is opgericht, waarmee wordt beoogd een flexibele schil in de woningvoorraad te vormen ten behoeve van de versnelde huisvesting van de doelgroep.

    • artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en

    • het Besluit van de Europese Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen;

  • doelgroep: ontheemden en mensen die door hun inkomen of anderszins moeilijkheden ondervinden bij het vinden van passende huisvesting;

  • flexwoning: bouwwerk ten behoeve van huisvesting van personen, geschikt voor verplaatsing en gebruik op een volgende locatie;

  • Minister: Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

  • ontheemde: persoon die vreemdeling is en tijdelijke bescherming geniet als bedoeld in artikel 2, eerste lid, Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022;

  • vrijstellingsbesluit DAEB: het Besluit van de Europese Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen.

Artikel 2. Doel en activiteiten

  • 1 Met deze regeling wordt door de Staat een dienst van algemeen economisch belang opgedragen conform het Vrijstellingsbesluit DAEB, aangeduid als de DAEB flexwoningen.

  • 2 Aan iedere investeerder die een flexwoning met een in deze regeling voorgeschreven kwaliteitsniveau tijdelijk plaatst voor minimaal 10 jaar als sociale huurwoning in Nederland voor het huisvesten of doen huisvesten van de doelgroep, wordt de DAEB flexwoningen opgedragen.

  • 3 Met de DAEB flexwoningen wordt beoogd om te zorgen voor financieel acceptabele risico’s voor een investeerder bij de realisering van een flexwoning in Nederland, zodat een flexibele schil in de woningvoorraad ontstaat ten behoeve van de versnelde huisvesting van de doelgroep.

Artikel 3. Dienst van algemeen economisch belang

  • 1 Ter compensatie van de DAEB flexwoningen wordt aan de investeerder een subsidie in de vorm van een garantie verleend, indien wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 5.

  • 2 De investeerder maakt aanspraak op vaststelling van de subsidie, indien de flexwoning na de termijn, bedoeld in artikel 15, eerste of tweede lid, niet op een nieuwe locatie kan worden geëxploiteerd of om andere redenen met verlies moet worden verkocht, mits wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 15.

  • 3 De hoogte van de compensatie wordt berekend op de wijze, bedoeld in artikel 18.

  • 5 De compensatie bedraagt maximaal € 15 miljoen per investeerder per jaar.

  • 6 Het vijfde lid is niet van toepassing op een toegelaten instelling.

  • 8 De investeerder administreert de netto kosten, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het Vrijstellingsbesluit DAEB, verbonden met de gerealiseerde investeringen op een zodanige wijze dat inzicht kan worden verkregen in de hoogte van deze kosten, zulks afgescheiden van de reguliere bedrijfsvoering, in relatie tot de subsidie.

Artikel 4. Plafond

  • 1 Het plafond voor het totaalbedrag aan subsidieverleningen bedraagt € 783 miljoen.

  • 2 Per 10.000 inwoners binnen een gemeente kan voor maximaal honderd flexwoningen een subsidie worden verleend.

Hoofdstuk 2. Subsidieverlening

Artikel 5. Voorwaarden

  • 1 Voor een subsidie in de vorm van een garantie komt alleen een grondgebonden of een gestapelde flexwoning in aanmerking:

    • a. waarvoor het college van de gemeente waarin is beoogd de flexwoning te realiseren een besluit heeft genomen waarin is beslist dat zij 25% uitkeert van het vastgestelde subsidiebedrag indien aan de voorwaarden voor subsidievaststelling is voldaan;

    • b. die nieuw wordt geproduceerd; en

    • c. die aan de technische voorschriften voldoet, bedoeld in het tweede en het derde of vierde lid.

  • 3 In aanvulling op het tweede lid dient een flexwoning die onder de categorie van tijdelijke bouwwerken uit het Besluit bouwwerken leefomgeving valt aan de volgende aanvullende technische voorschriften te voldoen:

    • a. een flexwoning heeft een milieuprestatie van ten hoogste 0,65, bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken;

    • b. een flexwoning is bijna energiezuinig en voldoet aan de voorschriften uit artikelen 4.148 en 4.149 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, waarbij de flexwoning dient te worden aangemerkt als een ‘andere woonfunctie’;

    • c. een flexwoning heeft een waarde voor oververhitting en voldoet aan artikel 4.149b van het Besluit bouwwerken leefomgeving, waarbij de flexwoning dient te worden aangemerkt als een ‘niet in een woongebouw gelegen woonfunctie’;

    • d. een flexwoning is minimaal eenmaal verplaatsbaar binnen een termijn van 25 jaar; en

    • e. een flexwoning voldoet aan de standaardeisen zoals opgenomen in de Woonstandaard, versie 3.0 van juli 2023 voor Product Marktcombinatie 11, 12, 13 of 14.

  • 4 In aanvulling op het tweede lid dient een flexwoning die onder de categorie van nieuwbouw uit het Besluit bouwwerken leefomgeving valt aan de volgende aanvullende technische eisen te voldoen:

    • a. een flexwoning heeft een milieuprestatie van ten hoogste 0,5, bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken;

    • b. een flexwoning is minimaal tweemaal verplaatsbaar binnen een termijn van 50 jaar; en

    • c. een flexwoning voldoet minimaal aan de standaardeisen zoals opgenomen in de Woonstandaard, versie 3.0 van juli 2023 voor Product Marktcombinatie 11, 12, 13 of 14.

  • 5 In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, komt tevens een bestaande flexwoning in aanmerking, mits daarvoor niet eerder dan op 26 augustus 2022 een opdracht voor de productie ervan is verstrekt en de subsidieaanvraag voor deze flexwoning niet later dan op 31 januari 2024 is ingediend. Indien op het moment van plaatsing het Besluit bouwwerken leefomgeving niet in werking is getreden dient de flexwoning, in afwijking van het tweede lid, te voldoen aan de technische voorschriften zoals neergelegd in het Bouwbesluit 2012.

  • 6 In afwijking van het tweede tot en met het vierde lid voldoet een flexwoning aan de technische voorschriften, indien door de investeerder een gelijkwaardig kwaliteitsniveau kan worden aangetoond.

Artikel 6. Aanvraag subsidieverlening

  • 1 Een aanvraag tot een subsidie in de vorm van een garantie wordt door de investeerder ingediend.

  • 2 Een aanvraag kan worden ingediend totdat het subsidieplafond is bereikt.

  • 3 Een aanvraag bevat in ieder geval:

    • a. het besluit van het college, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a;

    • b. de gekozen locatie van de flexwoning, een plattegrond daarvan en termijn waarvoor de tijdelijke locatie voor de woningen beschikbaar is;

    • c. het type Product Marktcombinatie flexwoning;

    • d. de volgende rapporten waaruit blijkt dat de flexwoning aan de technische eisen voldoet:

      • 1°. een NTA 8800 rapport;

      • 2°. een berekening conform Bepalingsmethode Milieuprestatie Bouwwerken; en

      • 3°. een onderbouwing en berekening van de losmaakbaarheid van de flexwoning.

    • e. de verwachte start- en einddatum van het project op de tijdelijke locatie; en

    • f. een offerte voor de realisering van het project ter onderbouwing van de bouwkosten van de flexwoning.

  • 4 In afwijking van het derde lid, onderdeel d, kan ook een ander gevalideerd rapport worden overgelegd, mits daarmee een gelijkwaardig kwaliteitsniveau wordt aangetoond.

  • 5 Een aanvraag wordt ingediend door middel van een aanvraagmodule die door de Minister digitaal ter beschikking wordt gesteld.

Artikel 7. Rangschikking van de aanvragen

De Minister behandelt de ontvangen aanvragen op volgorde van binnenkomst.

Artikel 8. Verlening

De beschikking tot subsidieverlening bevat in ieder geval:

  • a. de locatie, het type flexwoning en de exploitatietermijn waartoe een subsidie wordt verleend;

  • b. de hoogte van de subsidieverlening en de berekening daarvan;

  • c. de verplichtingen die aan de subsidieverlening zijn verbonden; en

  • d. de wijze van verantwoording door de investeerder.

Artikel 9. Weigeringsgronden

De Minister wijst een aanvraag voor een subsidieverlening geheel of gedeeltelijk af, indien:

  • a. niet is voldaan aan het doel en activiteiten, bedoeld in artikel 2;

  • b. de verlening leidt tot een overschrijding van het plafond, bedoeld in artikel 4;

  • c. niet is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 5; of

  • d. een gebruikte flexwoning beschikbaar en geschikt is om voor een nieuw project te worden gebruikt.

Artikel 10. Verplichtingen

  • 1 Indien een subsidie wordt verleend, dient de investeerder:

    • a. binnen drie maanden, gerekend vanaf de dag na de verzenddatum van deze beschikking, een eigen bijdrage van € 1.000 per flexwoning aan de Minister te voldoen;

    • b. binnen 18 maanden, gerekend vanaf de dag na de verzenddatum van deze beschikking, het project op de locatie, zoals hierin vermeld, te hebben geplaatst en in exploitatie te hebben genomen; en

    • c. de Minister direct schriftelijk te informeren zodra het project is gerealiseerd, waarbij de volgende documenten worden aangeleverd:

      • 1°. een rapport van feitelijke bevindingen van een accountant ter onderbouwing van de bouwkosten van het gerealiseerde project, bedoeld in artikel 19 tweede lid;

      • 2°. de omgevingsvergunning die betrekking heeft op het gerealiseerde project; en

      • 3°. een bestuurdersverklaring of eigen verklaring.

  • 2 De flexwoning dient gedurende de gehele periode waarvoor de subsidie is verleend:

    • a. als een sociale huurwoning te worden verhuurd aan de doelgroep, dan wel middels een gebruiksovereenkomst tijdelijk te worden ingezet voor de opvang van ontheemden;

    • b. als zelfstandige woonruimte te worden gebruikt;

    • c. conform NEN 2767 norm, met minimaal conditiescore 3, of de uitgangspunten Kwaliteit in Balans te zijn onderhouden; en

    • d. niet materieel te zijn gewijzigd, nadat hiervoor een subsidie is verleend, tenzij de investeerder na overleg met de Minister aantoont dat de wijziging een kwalitatieve verbetering van de flexwoning tot gevolg heeft gehad.

  • 3 In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, bedraagt de termijn maximaal 36 maanden, indien beroep is ingesteld tegen de voor het project benodigde omgevingsvergunning.

  • 4 Onverminderd het tweede lid, dient de flexwoning gedurende de gehele periode waarvoor de subsidie is verleend te worden verhuurd overeenkomstig artikelen 47 tot en met 49 van de Woningwet, indien de subsidie wordt verleend aan een toegelaten instelling.

Artikel 11. Verantwoording

  • 1 De investeerder informeert de Minister op zijn of haar verzoek over de voortgang van het project waarvoor de subsidie is verleend.

  • 2 Op verzoek van de Minister verleent de investeerder medewerking en verstrekt informatie ten behoeve van de voortgang en evaluatie van de doelmatigheid en doeltreffendheid van deze regeling.

Artikel 12. Intrekking

  • 1 De subsidieverlening wordt geheel of gedeeltelijk ingetrokken, indien de investeerder niet voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 10.

  • 2 Indien de subsidieverlening wordt ingetrokken, heeft de investeerder geen recht op restitutie van de eigen bijdrage.

Artikel 13. Overdraagbaarheid

  • 1 Indien een flexwoning waarvoor een subsidie is verleend wordt verkocht, kan de subsidieverlening aan de nieuwe eigenaar worden overgedragen, indien:

    • a. de verkoper de Minister schriftelijk heeft geïnformeerd naar welke locatie de flexwoning wordt herplaatst en of dit binnen dezelfde of een andere gemeente valt;

    • b. de Minister een door de verkoper ingediend verzoek om wijziging van de tenaamstelling en locatie van de beschikking heeft toegekend; en

    • c. het besluit van de gemeente, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, ook van toepassing is bij verkoop van de flexwoning.

  • 2 Ook in elk geval een flexwoning wordt overgedragen aan een nieuwe eigenaar, blijven de termijn en data uit de oorspronkelijke subsidieverlening gelden.

Hoofdstuk 3. Subsidievaststelling

Artikel 15. Voorwaarden

  • 1 Een investeerder kan de aanvraag tot subsidievaststelling voor een flexwoning die voldoet aan de technische voorschriften, bedoeld in artikel 5, tweede en derde lid, bij de Minister indienen nadat minimaal 10 jaar en maximaal 20 jaar zijn verstreken, gerekend vanaf de dag na de verzenddatum van de subsidieverlening.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, kan de aanvraag voor een flexwoning die voldoet aan de technische voorschriften, bedoeld in artikel 5, tweede en vierde lid, worden gedaan nadat minimaal 10 jaar en maximaal 30 jaar zijn verstreken, gerekend vanaf de dag na de verzenddatum van de subsidieverlening.

  • 3 De Minister stelt de subsidie vast, indien:

    • a. hij heeft vastgesteld dat de relevante stappen van de herplaatsingsladder zijn doorlopen;

    • b. de transactie van de flexwoning passend is gelet op de koper, de herplaatsingslocatie en het beoogde gebruik;

    • c. de investeerder aantoont dat de transactieprijs van de flexwoning lager uitvalt dan de fictieve boekwaarde;

    • d. de flexwoning in zijn geheel door de investeerder aan een derde-partij wordt verkocht die de flexwoning niet op dezelfde locatie exploiteert; en

    • e. is voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 10, tweede lid.

Artikel 16. Herplaatsingsladder

De herplaatsingsladder bestaat uit de volgende stappen:

  • a. de investeerder dient minimaal 24 maanden voordat de termijn, bedoeld in artikel 15, eerste of tweede lid, afloopt aan de Minister schriftelijk door te geven wanneer de flexwoning niet op de huidige locatie kan blijven staan;

  • b. de investeerder heeft een inspanningsverplichting om, onder begeleiding van de Minister, te zoeken naar een nieuwe locatie voor de flexwoning, waarbij de gemeente waarin het project is gerealiseerd moet worden betrokken; en

  • c. indien de inspanningsverplichting, bedoeld in onderdeel b, geen nieuwe locatie heeft opgeleverd, heeft de investeerder een inspanningsverplichting om, onder begeleiding van de Minister, te zoeken naar een nieuwe locatie voor de flexwoning in het regionale werkgebied in de zin van de Woningwet, de woningmarktregio, bedoeld in artikel 1 van de Huisvestingswet 2014, de eigen provincie of andere locaties in het land.

Artikel 17. Aanvraag subsidievaststelling

  • 1 Een aanvraag tot subsidievaststelling bevat in ieder geval:

    • a. de ondertekende voorlopige koopakte met transactieprijs van de flexwoning;

    • b. de begin- en einddatum van het project waarvan de flexwoning deel uitmaakt;

    • c. een beschrijving hoe wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 15;

    • d. een onderbouwing waaruit blijkt dat de marktwaarde van de flexwoning op het moment van verkoop lager uitvalt dan de fictieve boekwaarde; en

    • e. de bestuurdersverklaring of eigen verklaring.

  • 2 Een aanvraag tot subsidievaststelling wordt ingediend door middel van een aanvraagmodule die door de Minister digitaal ter beschikking wordt gesteld.

Artikel 18. Hoogte van de compensatie

  • 1 De subsidievaststelling wordt gebaseerd op het verschil tussen de fictieve boekwaarde van de flexwoning en de transactieprijs van de flexwoning na verloop van de termijn, bedoeld in artikel 15, eerste of tweede lid.

  • 2 De Minister keert 60% uit van de uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 19. Fictieve boekwaarde

  • 1 De fictieve boekwaarde, bedoeld in artikel 18, eerste lid, wordt vastgesteld aan de hand van een lineaire afschrijving van de periode tussen de termijn, bedoeld in artikel 15, eerste of tweede lid, en wordt gebaseerd op de bouwkosten van de flexwoning, vermeerderd met 21%.

  • 2 Onder bouwkosten, bedoeld in het eerste lid, vallen:

    • a. de casco en bouwkosten, bedoeld in de Woonstandaard, versie 3.0 van juli 2023; en

    • b. de gebouwdelen, voor zover onderdeel van het project en mits redelijkerwijs mag worden aangenomen dat deze bij toekomstige verkoop met de flexwoning mee verkocht zullen worden, waaronder wordt verstaan:

      • 1°. ontsluitingsgalerijen;

      • 2°. trappenhuizen;

      • 3°. installatieruimtes;

      • 4°. inpandige fietsenstallingen;

      • 5°. inpandige bergingen;

      • 6°. omheiningen voor tuinen; en

      • 7°. ruimtes voor sociaal beheer en leefbaarheid.

  • 3 Onder bouwkosten, bedoeld in het eerste lid, vallen niet:

    • a. kosten voor het bouw- en woonrijp maken van de flexwoning;

    • b. grondkosten;

    • c. stoffering en meubilair;

    • d. parkeerplaatsen;

    • e. aansluiting op nutsvoorzieningen;

    • f. een niet verplaatsbare fundering;

    • g. losse overige gebouwen bij de flexwoning, al dan niet demontabel, die niet individueel worden verhuurd of in gebruik genomen;

    • h. kosten die zien op de exploitatie van de flexwoning, inhoudende erfpacht, onderhoud, beheer, overdrachtsbelasting en herplaatsing; en

    • i. overige stichtingskosten, namelijk advies, ontwerp, leges en rente.

Artikel 20. Vaststelling

  • 1 De beschikking tot subsidievaststelling vermeldt in ieder geval de hoogte en de specificatie van de subsidievaststelling.

  • 2 Na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 15, eerste of tweede lid, neemt de Minister ambtshalve een beschikking waarin de subsidie op nihil wordt vastgesteld.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

H.M. de Jonge

Bijlage I. bij artikelen 5, 6 en 10

Norm

Omschrijving methode

Datum of versie

Uitgever

Artikel in regeling waarin verwijzing staat

Bepalings-

methode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken

De milieuprestatie vergelijken, met als doel de uiteindelijke milieu-impact van een bouwwerk te verlagen

Geïntegreerde versie 1.1 (maart 2022) en de vigerende Bepalingsmethode ‘Milieuprestatie Bouwwerken’ versie 1.0

Bepalingsmethode | Stichting Nationale Milieudatabase (milieudatabase.nl) en Rekeninstrumenten (milieudatabase.nl)

5, derde lid, onderdeel a, en vierde lid, onderdeel a.

6, derde lid, onderdeel d, onder 2°

Product Marktcombinatie 11, 12, 13 of 14

Onderscheiding in woningtypes en huurklassen met basiseisen voor concepten van grondgebonden, gestapelde, flexibel en onzelfstandige woningen

versie 3.0 van juli 2023

De Woonstandaard | conceptueelbouwen.nl

5, derde lid, onderdeel e, en vierde lid, onderdeel c

NTA 8800 rapport

Bepaling van de energieprestatie van gebouwen, waarmee aangetoond wordt of men voldoet aan de BENG-eisen

NTA 8800:2023

https://www.nen.nl/bouw/energieprestatie-en-duurzaamheid/energieprestatie

6, derde lid, onderdeel d, onder 1°

Losmaakbaar-heidsindex

Beschrijving van de mogelijkheden hoe losmaakbaarheid in bestaande duurzaamheids-

instrumenten geïntegreerd kan worden

v2.0

Circular Buildings - een meetmethodiek voor losmaakbaarheid v2.0 - Dutch Green Building Council (dgbc.nl)

6, derde lid, onderdeel d, onder 3°

NEN 2767 norm, met minimaal conditiescore 3, of de uitgangs-punten Kwaliteit in Balans

Instrument voor het meten van de fysieke kwaliteit van bouw- en installatiedelen van gebouwen en/of infrastructuur door een waarde toe te kennen, een combinatie aan te geven van de soorten gebreken (ernst, omvang en intensiteit) en een rangorde aan te brengen in de noodzaak van herstel

20 juni 2022

https://www.nen.nl/bouw/beheer-en-onderhoud/conditiemeting

10, tweede lid, onderdeel c

Naar boven