Reglement van Orde van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Geraadpleegd op 20-07-2024.
Geldend van 13-06-2023 t/m heden

Reglement van Orde van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Begripsbepalingen

Artikel 1

Overal in dit Reglement betekent:

  • a. “Voorzitter": de Voorzitter van de Kamer.

  • b. "Ondervoorzitters": de Ondervoorzitters van de Kamer.

  • c. “commissievoorzitter”: de voorzitter van een commissie van de Kamer.

  • d. “commissieondervoorzitter”: de ondervoorzitter van een commissie van de Kamer.

  • e. "minister": een of meerdere verantwoordelijke ministers en staatssecretarissen. De bepalingen die in dit Reglement op een minister van toepassing zijn, zijn van overeenkomstige toepassing op het lid of de leden van de Tweede Kamer aan wie door die Kamer de verdediging van een aldaar aangenomen wetsvoorstel is opgedragen.

  • f. “zitting”, de periode waarin een gekozen Kamer werkzaam is. Deze periode loopt vanaf de eerste vergadering van een nieuw gekozen Kamer tot aan de eerste vergadering van de daaropvolgende nieuw gekozen Kamer.

  • g. “oude samenstelling”: de samenstelling van de Kamer onmiddellijk voorafgaand aan de eerste vergadering van een nieuw gekozen Kamer.

  • h. “openbaarheid” van de vergaderingen van de commissies: de vergaderingen zijn toegankelijk voor het publiek binnen de ruimtelijke mogelijkheden en in elk geval te volgen via een livestream.

  • i. “publiceren”: het voor een ieder fysiek of digitaal beschikbaar stellen.

Hoofdstuk I. Toelating en ontslag van de leden

Toelating van de leden

Artikel 2

  • 1 Elk nieuw benoemd lid legt aan de Kamer de bij de Kieswet voorgeschreven stukken over.

  • 2 Deze stukken worden samen met de geloofsbrief van het nieuw benoemde lid bij de griffie ter inzage gelegd voor de leden.

Artikel 3

Over de toelating van leden die na een verkiezing benoemd zijn verklaard beslist, voor zover mogelijk, de Kamer in oude samenstelling.

Artikel 4

  • 1 De Voorzitter vertrouwt het onderzoek van de geloofsbrief toe aan een commissie van drie leden, die hij voor dat doel aanwijst. Een van hen benoemt hij tot voorzitter.

  • 2 In geval van een verkiezing wijst de Voorzitter een tweede commissie als bedoeld in het vorige lid aan. Hij verdeelt het onderzoek van de geloofsbrieven over de beide commissies. Behoort een lid van een van beide commissies tot de nieuwverkozenen, dan wordt zijn geloofsbrief onderzocht door de commissie waarvan hij geen deel uitmaakt.

Einde van het lidmaatschap

Artikel 5

  • 1 Een lid dat een van de vereisten voor het lidmaatschap van de Kamer niet meer bezit of een met het lidmaatschap onverenigbare betrekking vervult, geeft hiervan conform de Kieswet kennis aan de Kamer.

  • 2 Indien de kennisgeving als bedoeld in het eerste lid niet is gedaan en de Voorzitter van oordeel is dat het betrokken lid een van de vereisten voor het lidmaatschap van de Kamer niet meer bezit of een met het lidmaatschap onverenigbare betrekking vervult, waarschuwt hij dit lid schriftelijk.

  • 3 Het lid dat door de Voorzitter is gewaarschuwd, kan daarover binnen acht dagen het oordeel van de Kamer vragen.

  • 4 De Kamer stelt in het in het vorige lid bedoelde geval uit haar midden een commissie van onderzoek in en spreekt geen oordeel uit voordat deze commissie verslag heeft uitgebracht. Het betrokken lid wordt door de commissie gehoord, tenzij hij aangeeft daar geen behoefte aan te hebben.

Hoofdstuk II. Inrichting van de Kamer

Tijdelijk Voorzitterschap

Artikel 6

  • 1 Zolang geen Voorzitter is benoemd, treedt als tijdelijk Voorzitter op:

    • a. een oud-Voorzitter, waarbij de laatst afgetredene voorrang heeft;

    • b. als er geen oud-Voorzitter beschikbaar is: een oud-Ondervoorzitter, waarbij degene die het langst zitting heeft in de Kamer voorrang heeft, en bij gelijke zittingsduur de oudste in leeftijd;

    • c. als er ook geen oud-Ondervoorzitter beschikbaar is: het lid dat het langst in de Kamer zitting heeft, waarbij bij gelijke zittingsduur het oudste lid in leeftijd voorrang heeft.

  • 2 De tijdelijk Voorzitter legt ten overstaan van de vergadering de eed of verklaring en belofte af.

  • 3

Benoeming van de Voorzitter en de Ondervoorzitters

Artikel 7

  • 1 Zo spoedig mogelijk na de aanvang van een nieuwe zitting, dan wel bij tussentijds openvallen van het voorzitterschap, gaat de Kamer over tot het opstellen van een profielschets in verband met de benoeming van een Voorzitter.

  • 2 Na vaststelling van de profielschets kunnen leden zich kandidaat stellen voor het voorzitterschap.

  • 3 Nadat de kandidaatstellingsprocedure is gesloten, gaat de Kamer over tot de benoeming van een Voorzitter.

  • 4 Indien de Voorzitter niet meer het vertrouwen van de Kamer bezit, ontslaat de Kamer hem en benoemt zij een nieuwe Voorzitter.

Artikel 8

Nadat de Kamer een Voorzitter heeft benoemd, gaat zij over tot de benoeming van een eerste en een tweede Ondervoorzitter. Artikel 7 is op de Ondervoorzitters van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9

  • 1 De Voorzitter kan aan een van de Ondervoorzitters het voorzitterschap tijdelijk overdragen.

  • 2 Is geen gebruikgemaakt van het eerste lid, dan wordt bij afwezigheid van de Voorzitter het voorzitterschap van rechtswege waargenomen door de eerste, dan wel bij diens afwezigheid de tweede Ondervoorzitter.

  • 3

Is noch de Voorzitter, noch een van de Ondervoorzitters beschikbaar, dan wordt de Voorzitter vervangen overeenkomstig de regeling in artikel 6, eerste lid.

Taken van de Voorzitter

Artikel 10

De Voorzitter is belast met:

  • a. het met inachtneming van dit Reglement leiden van de werkzaamheden van de Kamer;

  • b. het handhaven van de orde tijdens de vergaderingen van de Kamer;

  • c. het juist formuleren van de punten waarover de Kamer moet besluiten en het vaststellen van de uitslag van gehouden stemmingen;

  • d. het ten uitvoer leggen van alle besluiten door of vanwege de Kamer genomen;

  • e. het vertegenwoordigen van de Kamer naar buiten.

Artikel 11

  • 1 De Voorzitter is lid en voorzitter van het College van Voorzitter en Ondervoorzitters.

  • 2 Hij zit de bijeenkomsten van het College van fractievoorzitters voor.

College van Voorzitter en Ondervoorzitters

Artikel 12

  • 1 Er is een College van Voorzitter en Ondervoorzitters.

  • 2 De Voorzitter en de twee Ondervoorzitters zijn lid van het College van Voorzitter en Ondervoorzitters.

  • 3 De vergaderingen van het College van Voorzitter en Ondervoorzitters zijn besloten.

  • 4 De agenda’s en besluitenlijsten van de vergaderingen worden openbaar gemaakt.

Artikel 13

  • 1 Het College van Voorzitter en Ondervoorzitters oefent namens de Kamer de taken en bevoegdheden uit die bij of krachtens de wet aan de Kamer zijn toegekend, tenzij dit Reglement anders bepaalt of het de wetgevende of controlerende taken en bevoegdheden van de Kamer betreft.

  • 2 Het College van Voorzitter en Ondervoorzitters is bevoegd tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de Kamer te besluiten.

  • 3 Het College van Voorzitter en Ondervoorzitters is bevoegd aan de Voorzitter mandaat en machtiging te verlenen tot het geheel of gedeeltelijk uitoefenen van de in de vorige leden bedoelde taken en bevoegdheden. Hierbij kunnen nadere regels worden gesteld.

  • 4 Het College van Voorzitter en Ondervoorzitters oefent toezicht uit op de ambtsuitoefening door de Griffier.

Artikel 14

  • 1 Het College van Voorzitter en Ondervoorzitters stelt een raming op van de in het volgende jaar benodigde uitgaven.

  • 2 Zij vertrouwt het voorbereidend onderzoek toe aan een daartoe door de Kamer aangewezen vaste of tijdelijke commissie.

  • 3 De raming wordt, nadat zij door de Kamer is vastgesteld, vóór 1 juli toegezonden aan de minister die verantwoordelijk is voor het hoofdstuk van de rijksbegroting waarbij de posten voor de Staten-Generaal worden vastgesteld.

College van fractievoorzitters

Artikel 15

  • 1 Er is een College van fractievoorzitters.

  • 2 De voorzitters van de in de Kamer vertegenwoordigde fracties zijn lid van het College van fractievoorzitters. Zij kunnen zich laten vervangen.

  • 3 De Ondervoorzitters van de Kamer kunnen de vergaderingen van het College bijwonen.

  • 4 De vergaderingen van het College zijn besloten.

  • 5 Van iedere vergadering wordt de agenda openbaar gemaakt, evenals een beknopt verslag.

Artikel 16

  • 1 Het College van fractievoorzitters ondersteunt en adviseert de Voorzitter bij het leiden van de werkzaamheden van de Kamer.

  • 2 De Voorzitter raadpleegt het College over de voorstellen die hij doet en de besluiten die hij neemt, met uitzondering van de besluiten inzake de handhaving van de orde tijdens de vergaderingen van de Kamer. In de zijns inziens eenvoudige of spoedeisende gevallen kan het raadplegen eveneens achterwege blijven. Het College kan de Voorzitter ook uit eigen beweging van advies dienen.

  • 3 De Voorzitter roept het College samen wanneer hij het nodig oordeelt of op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van ten minste vier leden van het College.

  • 4 De Voorzitter doet van zijn besluiten bedoeld in het tweede lid mededeling aan de Kamer.

Fracties

Artikel 17

  • 1 De leden die gekozen zijn op lijsten waarboven dezelfde aanduiding van een politieke groepering of hetzelfde nummer geplaatst is, worden bij de aanvang van de zitting als een fractie beschouwd.

  • 2 Is onder een aanduiding of een nummer slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke fractie beschouwd.

  • 3 De naam van de fractie correspondeert met de aanduiding van de politieke groepering die of het nummer dat boven de lijst als bedoeld in het eerste lid was geplaatst.

Artikel 18

  • 1 Fracties kunnen besluiten samen te gaan en aldus een nieuwe fractie te vormen. Hiervan wordt de Voorzitter zo spoedig mogelijk op de hoogte gesteld.

  • 2 De naam van de nieuwe fractie bestaat uit de namen van de samengevoegde fracties, in de door hen gewenste volgorde.

Artikel 19

  • 1 Fracties informeren na de aanvang van een zitting de Voorzitter hoe hun fractiebestuur is samengesteld.

  • 2 Bij tussentijdse wijzigingen in de samenstelling van een fractie of een fractiebestuur wordt de Voorzitter daarvan zo spoedig mogelijk op de hoogte gesteld.

Artikel 20

  • 1 Vindt in een fractie een splitsing plaats, dan wordt dit zo spoedig mogelijk aan de Voorzitter gemeld. De melding geschiedt:

    • a. bij een afscheiding: door het lid of de leden die zich hebben afgescheiden.

    • b. bij een verwijdering uit de fractie: door de fractie die een of meerdere leden uit de fractie heeft gezet.

  • 2 Leden die zich hebben afgescheiden of uit de fractie zijn gezet kunnen afzonderlijk of gezamenlijk nieuwe fracties vormen. Hiervan geven zij zo spoedig mogelijk kennis aan de Voorzitter. Artikel 19 is op deze nieuwgevormde fracties van overeenkomstige toepassing.

  • 3 De nieuwe fracties als bedoeld in het tweede lid kunnen uitsluitend de naam van hun fractievoorzitter voeren.

  • 4 Indien bij een splitsing in een fractie naar het oordeel van de Voorzitter onduidelijk is welk deel van de leden als voortzetting van de oorspronkelijke fractie moet worden beschouwd, voeren beide nieuwe fracties de naam van de gesplitste fractie, voorzien van de naam van hun fractievoorzitter.

Artikel 21

  • 1 Bij afzonderlijke regeling van de Kamer worden regels gesteld voor de toekenning en het beheer van een financiële bijdrage aan fracties ten behoeve van hun werkzaamheden.

  • 2 Deze regeling bepaalt de gevolgen van een samenvoeging als bedoeld in artikel 18.

  • 3 In deze regeling kan voor wat betreft de hoogte van de financiële bijdrage onderscheid worden gemaakt tussen fracties die bij aanvang van de zitting bestonden en nieuwe fracties als bedoeld in artikel 20.

De griffie

Artikel 22

  • 1 De Kamer benoemt en ontslaat de Griffier en besluit tot het aangaan, wijzigen en beëindigen van diens arbeidsovereenkomst. Het College van Voorzitter en Ondervoorzitters is belast met het uitoefenen van de overige rechtspositionele bevoegdheden ten aanzien van de Griffier.

  • 2 De Griffier besluit, gehoord het College van Voorzitter en Ondervoorzitters, tot het aangaan, wijzigen en beëindigen van arbeidsovereenkomsten met de plaatsvervangend griffiers en de directeuren. Hij is belast met het uitoefenen van de overige rechtspositionele bevoegdheden ten aanzien van hen.

  • 3 De Griffier besluit tot het aangaan, wijzigen en beëindigen van arbeidsovereenkomsten met de overige ambtenaren bij de griffie, en is belast met het uitoefenen van de overige rechtspositionele bevoegdheden ten aanzien van hen.

  • 4 Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op medewerkers bij de griffie die niet als ambtenaar zijn aan te merken.

Artikel 23

Indien de Kamer beraadslaagt over de benoeming of het ontslag van de Griffier, dan vindt deze beraadslaging achter gesloten deuren plaats.

Artikel 24

Het College van Voorzitter en Ondervoorzitters bepaalt de taken en bevoegdheden van de Griffier en verleent de Griffier de benodigde mandaten en machtigingen. Het kan bepalen dat de Griffier zijn taken en bevoegdheden aan andere medewerkers bij de griffie kan opdragen.

Artikel 25

De Griffier heeft, onder toezicht van het College van Voorzitter en Ondervoorzitters, de leiding van de ambtelijke organisatie.

Artikel 26

Bij afzonderlijke regeling, vast te stellen door de beide Kamers der Staten-Generaal, wordt de instelling en aansturing van een griffie voor de interparlementaire betrekkingen geregeld.

Artikel 27

  • 1 Bij afzonderlijke regeling, vast te stellen door de beide Kamers der Staten-Generaal, worden de zorg voor de Dienst Verslag en Redactie, de taakuitoefening, de openbaarmaking van het verslag van het verhandelde in de vergaderingen van de Staten-Generaal alsmede de bewaartermijnen geregeld.

  • 2 De bevoegdheid om in het door de dienst geleverde verslag wijzigingen aan te brengen of aangebrachte wijzigingen ongedaan te maken wordt uitgeoefend door de bij genoemd reglement in te stellen gemengde commissie van beroep voor de Dienst Verslag en Redactie.

Hoofdstuk III. Vaste en tijdelijke commissies

Wijze van samenstellen en functioneren

Artikel 28

  • 1 De Kamer bepaalt bij aanvang van iedere zitting voor welke ministeries zij een of meerdere vaste commissies wenst in te stellen. Desgewenst kan zij ook tussentijds een of meerdere vaste commissies voor een ministerie instellen.

  • 2 De Kamer kan daarnaast vaste of tijdelijke commissies instellen voor specifieke onderwerpen of beleidsterreinen.

Artikel 29

De Kamer besluit over opheffing van een vaste of tijdelijke commissie. Een tijdelijke commissie die haar opdracht heeft uitgevoerd, houdt ook zonder daartoe strekkend besluit op te bestaan, tenzij de Kamer anders heeft besloten.

Artikel 30

  • 1 De Voorzitter bepaalt het aantal leden van een commissie.

  • 2 De Voorzitter draagt er zorg voor dat iedere fractie in elke commissie vertegenwoordigd is, tenzij de Kamer per commissie anders besluit of een fractie bij monde van haar bestuur aangeeft van haar recht op vertegenwoordiging af te zien.

  • 3 Met inachtneming van de omvang van de fracties wijst de Voorzitter de leden en, indien gewenst, plaatsvervangende leden van de commissie aan.

  • 4 De aanwijzing van de leden geschiedt zo mogelijk bij de aanvang van de zitting en geldt behoudens uitdrukkelijke wijziging voor de duur daarvan.

Artikel 31

  • 1 De Voorzitter benoemt voor iedere commissie een commissievoorzitter en een commissieondervoorzitter.

  • 2 Bij afwezigheid van zowel de commissievoorzitter als de commissieondervoorzitter treedt het lid van de commissie dat het langst zitting heeft in de Kamer, of bij gelijke zittingsduur het oudste lid in leeftijd, op als voorzitter.

  • 3 Als twee of meer commissies een gezamenlijke vergadering houden, bepalen de commissievoorzitters in onderling overleg wie van hen, of welke commissieondervoorzitter, als voorzitter optreedt. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 32

De commissievoorzitter is belast met de volgende taken:

  • a. het met inachtneming van dit Reglement leiden van de werkzaamheden van de commissie;

  • b. het handhaven van de orde tijdens de vergaderingen van de commissie;

  • c. het juist formuleren van de punten waarover de commissie moet besluiten en het vaststellen van welk besluit genomen is;

  • d. het ten uitvoer leggen van alle besluiten door de commissie genomen;

  • e. het vertegenwoordigen van de commissie naar buiten.

Artikel 33

Indien in de commissies tot stemming wordt overgegaan, worden besluiten genomen bij meerderheid van stemmen, waarbij het stemgewicht van de aanwezige leden wordt bepaald door de omvang van de fractie waartoe zij behoren.

Artikel 34

  • 1 Commissies kunnen werkzaamheden met een beperkte looptijd opdragen aan werkgroepen uit hun midden.

  • 2 Een werkgroep verricht uitsluitend werkzaamheden ten behoeve van de betrokken commissie of commissies en rapporteert uitsluitend aan die commissie of commissies.

  • 3 De opdracht van de werkgroep wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk vastgelegd. Hierbij kan tevens de duur van de werkzaamheden worden vastgelegd.

Artikel 35

Een commissie wordt samengeroepen door de commissievoorzitter. Op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van een of meer leden van de commissie belegt deze eveneens een vergadering. De commissievoorzitter stelt de agenda vast.

Openbaarheid en toegankelijkheid

Artikel 36

  • 1 De vergaderingen van de commissies zijn openbaar, tenzij een commissie besluit dat een vergadering, of een gedeelte daarvan, besloten zal zijn.

  • 2 De Kamer kan besluiten dat de vergaderingen van een bepaalde commissie besloten zijn of mogen zijn.

  • 3 Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan een commissie besluiten geheel of gedeeltelijk op digitale wijze te vergaderen.

  • 4 De besluiten van de commissies worden in beknopte vorm openbaar gemaakt.

Artikel 37

  • 1 De Voorzitter heeft toegang tot alle vergaderingen van de commissies en kan daaraan deelnemen.

  • 2 Leden die geen lid of plaatsvervangend lid van een commissie zijn, worden tot de vergaderingen van deze commissie toegelaten en kunnen daaraan deelnemen voor zover de aard van de vergadering zich niet tegen hun aanwezigheid verzet.

Bevoegdheden

Artikel 38

Commissies zijn in ieder geval bevoegd:

  • a. zich tot een minister te wenden om de stukken te verkrijgen waarvan zij de kennisneming nodig achten;

  • b. schriftelijk in overleg te treden met een minister;

  • c. mondeling in overleg te treden met een minister;

  • d. personen en organisaties te horen over een door hen te bepalen onderwerp;

  • e. technische briefings te houden;

  • f. de Kamer voor te stellen voorlichting of advies te vragen aan een adviescollege;

  • g. de Kamer voor te stellen een of meer rapporteurs te benoemen voor een complex wetsvoorstel of een ander complex onderwerp.

Artikel 39

  • 1 Een commissie die schriftelijk in overleg wenst te treden met een minister bepaalt in welke vergadering de inbreng daarvoor kan worden geleverd.

  • 2 In spoedeisende gevallen kan een commissie besluiten dat ook buiten de vergadering inbreng kan worden geleverd. De commissie stelt hiervoor een termijn vast.

Artikel 40

  • 1 Commissies die de benoeming van een of meer rapporteurs wenselijk achten, stellen hiervoor een gemotiveerd voorstel op en leggen dit aan de Kamer ter besluitvorming voor.

  • 2 In het voorstel worden in elk geval opgenomen:

    • a. de opdracht van de rapporteur of rapporteurs,

    • b. een indicatie van de duur van de werkzaamheden en

    • c. een indicatie van de benodigde ambtelijke ondersteuning.

  • 3

Een rapport wordt na gereedkomen aan de Voorzitter aangeboden, die het naar de betrokken commissie of commissies doorgeleidt.

Artikel 41

  • 1 Door de Kamer ontvangen stukken worden doorgeleid naar de meest betrokken commissie of commissies.

  • 2 Indien een commissie besluit een stuk in behandeling te nemen, kan zij daarbij de in artikel 38 genoemde bevoegdheden inzetten.

  • 3 Bij afzonderlijke regeling van de Kamer worden regels gesteld over de omgang met vertrouwelijke en staatsgeheime stukken.

Hoofdstuk IV. Commissieverslagen inzake wetsvoorstellen

Inhandenstelling door de Voorzitter

Artikel 42

  • 1 De Voorzitter stelt elk wetsvoorstel in handen van een commissie voor een voorbereidend onderzoek, tenzij het volgende artikel toepassing vindt.

  • 2 Hij kan het wetsvoorstel ook in handen van meerdere commissies stellen, die vervolgens het voorbereidend onderzoek gezamenlijk verrichten.

Termijnbrief

Artikel 43

  • 1 Als een wetsvoorstel zonder beraadslaging en zonder stemming in de Tweede Kamer is aanvaard, bericht de Griffier aan alle leden van de Kamer dat het wetsvoorstel in handen van een of meerdere commissies is gesteld. Daarbij vermeldt hij de wijze waarop het wetsvoorstel in de Tweede Kamer is behandeld.

  • 2 Verzoekt geen van de commissieleden of overige leden binnen de daartoe door de Griffier te stellen termijn een voorbereidend onderzoek te houden, dan wordt een blanco verslag uitgebracht en wordt het wetsvoorstel in een volgende vergadering van de Kamer voor afdoening zonder beraadslaging en zonder stemming geagendeerd.

  • 2 De in het vorige lid bedoelde termijn moet ten minste tien dagen omvatten. De termijn kan in geval van spoedeisendheid door de Griffier, na machtiging van de Voorzitter, worden bekort.

Wetsvoorstellen met spoedeisend karakter

Artikel 44

  • 1 Indien een wetsvoorstel naar het oordeel van de Voorzitter wegens zijn spoedeisende karakter niet schriftelijk kan worden voorbereid, brengt de commissie waaraan het wetsvoorstel werd toevertrouwd een blanco verslag uit of een verslag waarin zij zich het recht voorbehoudt bij de plenaire beraadslaging in te gaan op de inhoud van het voorstel.

  • 2 De commissie komt zo spoedig mogelijk samen om het in het eerste lid bedoelde verslag vast te stellen en de Voorzitter te adviseren over de wijze van plenaire afhandeling van het wetsvoorstel.

Verslagen

Artikel 45

  • 1 Een commissie brengt over een in haar handen gesteld wetsvoorstel een verslag uit. Zijn er binnen de commissie geen vragen of opmerkingen, dan kan zij volstaan met een blanco verslag of een verslag waarin zij zich het recht voorbehoudt bij de plenaire beraadslaging in te gaan op de inhoud van het voorstel.

  • 2 Na ontvangst van een nota naar aanleiding van het verslag kan een commissie besluiten het wetsvoorstel aan te melden voor plenaire behandeling, dan wel een tweede verslag uit te brengen.

  • 3 Na ontvangst van een nota naar aanleiding van het tweede verslag kan een commissie besluiten het wetsvoorstel aan te melden voor plenaire behandeling, dan wel een derde verslag uit te brengen.

  • 4 In het verslag en het tweede verslag kan een commissie melden dat zij het wetsvoorstel bij tijdige ontvangst van de nota gereed acht voor plenaire behandeling. Zij kan het wetsvoorstel aanmelden voor plenaire behandeling onder voorbehoud van die ontvangst.

  • 5 Bij het uitbrengen van het derde verslag meldt een commissie het wetsvoorstel aan voor plenaire behandeling, onder voorbehoud van tijdige ontvangst van de nota.

  • 6 De commissie bepaalt telkens in welke vergadering de inbreng voor een verslag kan worden geleverd. In spoedeisende gevallen kan zij besluiten dat ook buiten de vergadering inbreng kan worden geleverd. De commissie stelt hiervoor een termijn vast.

  • 7 De commissie kan voor de ontvangst van iedere nota een termijn stellen.

Artikel 46

  • 1 Indien een commissie een vierde verslag wenst uit te brengen, dient zij hiervoor aan de Kamer verlof te vragen.

  • 2 Indien het verlof is verleend, meldt een commissie bij het uitbrengen van het vierde verslag het wetsvoorstel opnieuw aan voor plenaire behandeling, onder voorbehoud van tijdige ontvangst van de nota.

Vorm van de verslagen

Artikel 47

  • 1 De verslagen bedoeld in de artikelen 45 en 46 worden zo beknopt en duidelijk mogelijk opgesteld. Gelijkgerichte vragen en opmerkingen worden zo mogelijk gegroepeerd.

  • 2 Nadat het verslag is gereedgemaakt en vastgesteld, wordt het, voorzien van de naam van de commissievoorzitter en de griffier van de commissie, dan wel de griffier voor het verslag, gezonden aan de betrokken ministers.

  • 3 De verslagen worden gepubliceerd.

Artikel 48

  • 1 Conceptverslagen over wetsvoorstellen worden toegezonden aan de leden van de betrokken commissie of commissies en aan de overige leden die inbreng hebben geleverd.

  • 2 Binnen een op het toegezonden conceptverslag vermelde termijn kunnen de leden aan wie het concept is toegezonden opmerkingen maken. De termijn moet ten minste vijf dagen inclusief een weekend omvatten. De commissievoorzitter kan, indien grotere spoed geboden is, de genoemde termijn bekorten.

  • 3 De griffier van de commissie, dan wel de griffier voor het verslag, verwerkt de opmerkingen in het conceptverslag.

Hoofdstuk V. Algemene bepalingen betreffende de plenaire vergaderingen

Samenroepen en agenda

Artikel 49

  • 1 De Voorzitter roept de Kamer in vergadering bijeen. Hij stelt de agenda vast.

  • 2 Op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van ten minste zeven leden roept hij binnen veertien dagen na ontvangst van het verzoek de Kamer eveneens samen.

  • 3 Hij geeft de leden ten minste vierentwintig uur vóór de aanvang van de vergadering kennis van de door hem vastgestelde agenda.

Artikel 50

  • 1 De Voorzitter plaatst een wetsvoorstel op de agenda van de Kamer nadat de schriftelijke voorbereiding ervan als bedoeld het vorige hoofdstuk is voltooid.

  • 2 De commissie waaraan de schriftelijke voorbereiding werd toevertrouwd adviseert de Voorzitter over de datum van de plenaire beraadslaging, indien deze door de commissie of door één of meer leden gewenst wordt.

  • 3 De Voorzitter nodigt conform artikel 69, tweede lid, van de Grondwet de minister die de eerste ondertekenaar van het wetsvoorstel is uit om ter vergadering aanwezig te zijn. De commissie kan de Voorzitter verzoeken ook andere ministers dan de eerste ondertekenaar voor de beraadslaging uit te nodigen.

Artikel 51

  • 1 De Kamer kan op voorstel van de Voorzitter, van een commissie of van een of meer leden, besluiten te beraadslagen over andere zaken dan wetsvoorstellen.

  • 2 Aan deze beraadslagingen behoeft geen schriftelijke voorbereiding vooraf te gaan.

  • 3 Onder de benamingen Algemene Politieke Beschouwingen en Algemene Financiële Beschouwingen beraadslaagt de Kamer jaarlijks in het kader van de behandeling van de Rijksbegroting over de hoofdlijnen van het regeringsbeleid, dan wel het financiële beleid van de regering. De Kamer kan besluiten in een bepaald jaar van het houden van Algemene Politieke Beschouwingen of Algemene Financiële Beschouwingen af te zien.

Quorum

Artikel 52

  • 1 Voor aanvang van de vergadering meldt ieder lid dat aan de vergadering wenst deel te nemen zijn aanwezigheid in het Kamergebouw op een door de Kamer te bepalen wijze, zodat een presentielijst kan worden opgesteld. Leden die later aankomen, melden hun aanwezigheid bij aankomst.

  • 2 Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de Kamer bij afzonderlijke regeling bepalen dat leden die aan de vergadering wensen deel te nemen dit ook op digitale wijze kenbaar kunnen maken, zonder aanwezig te zijn in het Kamergebouw.

Artikel 53

  • 1 De presentielijst wordt aan de Voorzitter overhandigd op het voor de aanvang van de vergadering vastgestelde tijdstip, tenzij nog niet meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden hun aanwezigheid hebben gemeld.

  • 2 Na de ontvangst van de presentielijst opent de Voorzitter de vergadering direct.

  • 3 Als de presentielijst niet aan de Voorzitter kan worden overhandigd vanwege het ontbreken van het vereiste quorum, wordt het aanvangsuur van de vergadering met een half uur uitgesteld.

  • 4 Is gedurende dit halve uur niet alsnog het vereiste quorum bereikt, dan raadpleegt de Voorzitter de in de zaal aanwezige leden.

  • 5 De Voorzitter kan na de raadpleging besluiten het aanvangsuur van de vergadering te verplaatsen naar een later uur op dezelfde dag. Hiervan doet hij aan alle leden mededeling.

  • 6 Indien de Voorzitter meent dat een uitstel als bedoeld in het vorige lid niet zinvol is, of als blijkt dat op het uitgestelde aanvangsuur nog steeds het quorum niet is bereikt, leest hij de namen op van de afwezigen met vermelding van berichten van verhindering. Deze namen en die van de aanwezige leden worden in het officiële verslag opgenomen. .

  • 7 Na deze voorlezing stelt de Voorzitter de vergadering tot een nader te bepalen datum uit.

Zitplaatsen

Artikel 54

  • 1 Elk lid heeft een voor hem bestemde zitplaats in de vergaderzaal. De Voorzitter wijst deze zitplaats aan. Indien de Voorzitter dit vraagt, nemen de leden hun zitplaatsen in.

  • 3 De Voorzitter stelt verder zitplaatsen beschikbaar voor diegenen, in het bijzonder de gevolmachtigde ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten of de bijzondere gedelegeerden van de vertegenwoordigende lichamen van die landen, aan wie bij Statuut, wet of verdrag enige bijzondere bevoegdheid is toegekend in de vergaderingen van de beide Kamers der Staten-Generaal.

Openbaarheid en gedrag aanwezigen

Artikel 56

  • 1 De toehoorders van een vergadering van de Kamer en de overige aanwezigen in het Kamergebouw mogen de orde niet verstoren. Alle aanwezigen moeten de aanwijzingen opvolgen van de Voorzitter, de ambtenaren van de Kamer, de politie en andere toezichthoudende functionarissen.

  • 2 Onder de aanwijzingen als bedoeld in het eerste lid worden mede verstaan door de Voorzitter vastgestelde richtlijnen voor het maken van beeld- en geluidsopnamen in het Kamergebouw door journalisten.

  • 3 De toehoorders nemen stilte in acht en onthouden zich van tekenen van goed- of afkeuring.

  • 4 De Voorzitter ziet toe op het gedrag van de toehoorders van een vergadering en kan bij overtreding van de bovengenoemde gedragsregels de overtreders of allen die zich op een bepaald tribunegedeelte bevinden doen vertrekken. Hierbij kan hij gebruikmaken van de ambtenaren van de Kamer, de politie en andere toezichthoudende functionarissen.

  • 5 De Voorzitter schorst de vergadering indien hij dit met het oog op de orde noodzakelijk acht.

  • 6 Dit artikel is, met uitzondering van het tweede lid, van overeenkomstige toepassing op vergaderingen van commissies, waarbij voor ‘de Voorzitter’ kan worden gelezen: ‘de commissievoorzitter’.

Artikel 57

Als dit naar zijn oordeel noodzakelijk is, is de Voorzitter ten aanzien van alle aanwezigen in het Kamergebouw bevoegd maatregelen te nemen teneinde hen het gebouw te doen verlaten. Hierbij kan hij gebruikmaken van de ambtenaren van de Kamer, de politie en andere toezichthoudende functionarissen.

Publiceren stukken

Artikel 58

De Griffier en de plaatsvervangend griffiers dragen zorg voor het publiceren van de daarvoor in aanmerking komende stukken die de Kamer van de regering ontvangt, alsmede van de van de Kamer uitgaande stukken, tenzij openbaarmaking niet mogelijk is of een stuk vertrouwelijk is.

Hoofdstuk VI. Voeren van het woord

Spreekplaats en sprekerslijst

Artikel 59

  • 1 De leden voeren het woord vanaf de spreekplaats, tenzij de Voorzitter hun verlof geeft vanaf een andere plaats in de vergaderzaal te spreken.

  • 2 De leden richten zich tot de Voorzitter.

  • 3 Uitsluitend met voorafgaande toestemming van de Voorzitter mag vanaf de spreekplaats iets worden getoond dan wel iets worden overhandigd.

Artikel 60

  • 1 Niemand voert het woord zonder het van de Voorzitter te hebben gekregen.

  • 2 Indien de Voorzitter zelf het woord wil voeren over het onderwerp dat aan de orde is, op een andere wijze dan nodig is ter uitvoering van de hem ingevolge artikel 10 opgedragen taken, verlaat hij de voorzittersstoel. Hij neemt die niet weer in zolang het onderwerp aan de orde is en wordt gedurende deze tijd vervangen overeenkomstig het bepaalde in artikel 9.

  • 3 De Voorzitter kan interrupties toelaten. Deze moeten bestaan uit korte opmerkingen of vragen.

  • 4 Het interrumperen geschiedt op de plaatsen in de zaal die daarvoor aangewezen zijn.

Artikel 61

  • 1 Zodra de Voorzitter een wetsvoorstel of enig ander onderwerp heeft geagendeerd of het voornemen daartoe aan de leden heeft kenbaar gemaakt, kunnen de leden zich bij de griffie laten inschrijven op de sprekerslijst.

  • 2 De Voorzitter verleent het woord naar de volgorde van de sprekerslijst en daarna aan hen die het later vragen. Hij kan besluiten van de lijst af te wijken indien de aard van de beraadslaging dat vordert.

  • 3 Hij kan van tevoren een volgorde vaststellen waarin sprekers van diverse fracties het woord zullen voeren.

Persoonlijk feit en voorstel van orde

Artikel 62

  • 1 Ieder lid krijgt onmiddellijk het woord voor een persoonlijk feit.

  • 2 Voorstellen van orde worden zo mogelijk bij de aanvang van de vergadering gedaan. Indien dit niet mogelijk is, verleent de Voorzitter een lid tijdens de vergadering het woord om een voorstel van orde te doen.

Terugverwijzen naar de commissie

Artikel 63

  • 1 De Kamer kan besluiten een wetsvoorstel op de agenda terug te verwijzen naar de commissie die het voorbereidend onderzoek heeft verricht als zich na de aanmelding voor plenaire behandeling nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die terugverwijzing naar haar oordeel wenselijk maken.

  • 2 De Voorzitter of ten minste vijf leden kunnen een voorstel tot terugverwijzen als bedoeld in het vorige lid doen. De Kamer besluit onmiddellijk over het voorstel.

  • 3 Na de terugverwijzing kan de commissie gebruikmaken van haar bevoegdheden ingevolge artikel 38.

Spreken van ministers en leden

Artikel 64

Wanneer ministers, personen die zij hebben aangewezen om hen bij te staan, de gevolmachtigde ministers en de bijzondere gedelegeerden het woord verlangen, dan verleent de Voorzitter dit pas wanneer de spreker die aan het woord is zijn rede heeft beëindigd.

Artikel 65

De leden voeren in ten hoogste twee termijnen het woord over hetzelfde onderwerp, tenzij de Kamer verlof geeft voor een volgende termijn.

Moties

Artikel 66

  • 1 Een lid dat het woord voert, kan daarbij, alleen of samen met andere leden, moties over het in behandeling zijnde onderwerp indienen.

  • 2 Een motie moet op schrift worden gebracht en door de voorsteller of voorstellers ondertekend zijn.

  • 3 Een motie kan alleen in behandeling komen indien zij door ten minste vier andere leden mede ondertekend is of de indiening door ten minste vier andere leden ondersteund wordt.

  • 4 Een lid kan gedurende zijn eerste termijn geen moties indienen, tenzij de Kamer daarvoor verlof geeft.

  • 5 De behandeling van moties vindt plaats tegelijk met de beraadslaging over het in behandeling zijnde onderwerp, tenzij de Kamer anders besluit.

  • 6 De eerste ondertekenaar kan de motie wijzigen of intrekken totdat erover is gestemd. Hij informeert daarover onmiddellijk de Griffier, die de Kamer hiervan in kennis stelt.

  • 7 Indien een motie is gewijzigd of ingetrokken, meldt de Voorzitter dit ter vergadering, voorafgaand aan de stemming.

Artikel 67

  • 1 De Kamer kan de stemming over moties aanhouden. Heeft zij niet plaatsgevonden uiterlijk in de eerste vergadering twaalf weken na het besluit tot aanhouden dan wordt de motie geacht te zijn vervallen, tenzij de Kamer anders besluit.

  • 2 Bij het eindigen van een zitting vervallen alle aangehouden moties, tenzij de Kamer anders besluit.

Artikel 68

  • 1 De Voorzitter deelt tijdens de beraadslaging mee dat een motie die is gericht aan de regering is overgenomen, indien:

    • a. de minister te kennen geeft zich met de inhoud van de voorgestelde motie te kunnen verenigen en

    • b. de Voorzitter zich ervan heeft overtuigd dat geen van de in de vergaderzaal aanwezige leden zich tegen het overnemen van de motie verzet.

  • 2 Na overneming maakt een motie geen deel meer uit van de beraadslaging en wordt er niet meer over gestemd.

Gedrag in de vergadering en ordemaatregelen

Artikel 69

Ieder lid gedraagt zich in de vergadering op een wijze die:

  • a. getuigt van onderling respect en respect ten aanzien van de andere deelnemers aan de vergadering, en

  • b. die geen afbreuk doet aan de waardigheid en het functioneren van de Kamer.

Artikel 70

Indien een spreker van het onderwerp in beraadslaging afwijkt, wijst de Voorzitter hem hier op en roept hij hem tot de behandeling van het onderwerp terug.

Artikel 71

  • 1 . Leden onthouden zich van:

    • a. het gebruik van beledigende en bedreigende uitdrukkingen;

    • b. het verstoren van de orde;

    • c. het betuigen van instemming met of het aansporen tot onwettige handelingen;

    • d. het schenden van een plicht tot geheimhouding of tot het betrachten van vertrouwelijkheid.

  • 2 Indien een lid handelt in strijd met het eerste lid, vermaant de Voorzitter hem en stelt hij hem in de gelegenheid de woorden die tot de waarschuwing aanleiding gaven terug te nemen, dan wel alsnog de plicht tot geheimhouding of het betrachten van vertrouwelijkheid in acht te nemen.

Artikel 72

  • 1 De Voorzitter kan een spreker het woord ontnemen, indien deze spreker:

    • a. ondanks een terugroeping als bedoeld in artikel 70 doorgaat van het onderwerp in beraadslaging af te wijken;

    • b. ondanks een vermaning als bedoeld in artikel 71 doorgaat met het gebruik van beledigende en bedreigende uitdrukkingen, het verstoren van de orde, het betuigen van instemming met of het aansporen tot onwettige handelingen, dan wel het schenden van een plicht tot geheimhouding of tot het betrachten van vertrouwelijkheid.

  • 2 Een lid aan wie ingevolge het vorige lid het woord over een bepaald onderwerp ontnomen is, mag in de vergadering waarin dit plaatsvindt aan de beraadslagingen over dit onderwerp niet meer deelnemen.

Artikel 73

De Voorzitter kan, indien hij dit met het oog op de vergaderorde noodzakelijk acht, een spreker op wie het vorige artikel is toegepast en ieder ander lid dat zich schuldig maakt aan gedragingen als bedoeld in dat artikel uitsluiten van de verdere bijwoning van de vergadering op de dag waarop de uitsluiting plaatsvindt.

Artikel 74

  • 1 De Voorzitter kan, indien hij dit met het oog op de vergaderorde noodzakelijk acht, een lid dat van het bijwonen van de vergadering is uitgesloten, verplichten het Kamergebouw onmiddellijk te verlaten en dit niet weer te betreden voordat de uitsluiting is geëindigd.

  • 2 De Voorzitter zorgt dat het uitgesloten lid zo nodig tot het verlaten van het Kamergebouw gedwongen wordt. Hierbij kan hij gebruikmaken van de ambtenaren van de Kamer, de politie en andere toezichthoudende functionarissen.

Artikel 75

  • 2 Inzake de beslissingen van de Voorzitter ingevolge de artikelen 73 en 74 kan ieder lid direct na mededeling van de beslissing een besluit van de Kamer vragen. De Kamer besluit onmiddellijk en bevestigt of verwerpt het oordeel van de Voorzitter. Over het oordeel wordt niet beraadslaagd.

Artikel 76

De artikelen 69 tot en met 72 en 75, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing op vergaderingen van commissies, waarbij voor ‘de Voorzitter’ kan worden gelezen: ‘de commissievoorzitter’, en voor ‘de Kamer’: ‘de commissie’.

Maximumspreektijden

Artikel 77

  • 1 De Voorzitter bepaalt de spreektijden over een voorstel van orde en een interpellatie.

  • 2 Hij kan eveneens ten behoeve van beraadslagingen over andere zaken dan wetsvoorstellen als bedoeld in artikel 51, maximumspreektijden per fractie vaststellen voor de eerste termijn. Hierover raadpleegt hij zo spoedig mogelijk het College van fractievoorzitters.

  • 3 Indien het vorige lid toepassing vindt, houdt de Voorzitter bij de vaststelling van de maximumspreektijden rekening met de grootte van de fracties waartoe de sprekers behoren.

  • 4 Indien het tweede lid toepassing vindt, beschikken de leden in de tweede termijn over ten hoogste de helft van de spreektijd die hun in de eerste termijn was toegewezen. De Voorzitter kan ook maximumspreektijden voor twee termijnen gezamenlijk vaststellen, waarbij de leden zelf beslissen over de verdeling van de spreektijd over deze termijnen.

  • 5 Indien een lid de aan zijn fractie toegekende spreektijd overschrijdt, kan de Voorzitter hem het woord ontnemen. Tegen deze beslissing staat geen beroep op de Kamer open.

Schorsing van de beraadslaging

Artikel 78

  • 1 De Voorzitter kan de beraadslaging schorsen, indien hij dit met het oog op het verloop van de werkzaamheden of voor het handhaven van de orde wenselijk acht.

  • 2 In andere gevallen kan de Kamer over schorsing van de beraadslaging beslissen op voorstel van de Voorzitter of ten minste vijf aanwezige leden, die daartoe een voorstel van orde als bedoeld in artikel 62, tweede lid, doen. Het voorstel bevat de tijdsduur waarvoor geschorst wordt.

Sluiting van de beraadslaging

Artikel 79

  • 1 De Voorzitter sluit de beraadslagingen wanneer niemand meer het woord verlangt.

  • 2 De Voorzitter kan tijdens de beraadslagingen aan de Kamer voorstellen om de verdere beraadslaging van haar zijde op een bepaald daarbij te vermelden tijdstip te sluiten. Ook ten minste vijf aanwezige leden kunnen een daartoe strekkend voorstel van orde aan de Kamer doen.

  • 3 Indien de Kamer een voorstel als bedoeld in het vorige lid aanvaardt, verdeelt de Voorzitter naar billijkheid de nog resterende spreektijd van de zijde van de Kamer, waarbij hij rekening houdt met de grootte van de fracties waartoe de sprekers behoren.

Hoofdstuk VII. Stemmingen over zaken en personen

Stemmen over zaken

Artikel 80

  • 1 Na de beraadslaging te hebben gesloten, stelt de Voorzitter de stemming over een wetsvoorstel of ander voorstel aan de orde.

  • 2 Wanneer geen van de leden om stemming verzoekt, stelt de Voorzitter vast dat het voorstel zonder stemming is aanvaard.

  • 3 De Voorzitter bepaalt het moment waarop de stemming zal plaatsvinden.

  • 4 Indien om stemmen bij hoofdelijke oproeping is verzocht, vindt de stemming in de volgende vergadering plaats, tenzij de Kamer anders besluit of dit Reglement anders bepaalt.

  • 5 Het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de besluitvorming over voorstellen van orde als bedoeld in artikel 62, tweede lid.

Artikel 81

Indien tijdens de beraadslaging over een wetsvoorstel moties zijn ingediend, wordt hierover gestemd na de stemming over het wetsvoorstel, tenzij de Kamer anders besluit.

Artikel 82

Voor de stemming stelt de Voorzitter de leden in de gelegenheid korte verklaringen af te leggen om hun uit te brengen stem toe te lichten.

Artikel 83

  • 1 Stemmen geschiedt bij zitten en opstaan, tenzij de Kamer op verzoek van een van de leden tot stemmen bij hoofdelijke oproeping overgaat.

  • 2 Bij stemmen bij zitten en opstaan wordt het stemgewicht van de aanwezige leden bepaald door de omvang van de fractie waartoe zij behoren.

  • 3 Indien de leden van een fractie bij stemmen bij zitten en opstaan verdeeld wensen te stemmen, geven zij dit ruim voor de stemming aan bij de Voorzitter, onder vermelding van de leden die voor en tegen zullen stemmen.

  • 4 Indien de uitslag van een stemming bij zitten en opstaan naar het oordeel van de Voorzitter of dat van een van de leden onduidelijk is, wordt op dezelfde wijze herstemd.

  • 5 Indien de uitslag vervolgens naar het oordeel van de Voorzitter of dat van een van de leden nog steeds onduidelijk is, wordt hoofdelijk herstemd. Artikel 80, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 84

  • 1 Voor de hoofdelijke oproeping beslist het lot bij welk lid de oproeping begint. De Voorzitter volgt daarna de nummers van de presentielijst en brengt zelf zijn stem als laatste uit.

  • 2 Ieder lid stemt met de woorden "voor" of "tegen", zonder enige bijvoeging.

Artikel 85

  • 1 Indien een lid zich tijdens het stemmen bij zitten en opstaan vergist, kan hij zijn vergissing slechts herstellen voordat de Voorzitter de uitslag heeft vastgesteld.

  • 2 Indien een lid zich tijdens het stemmen bij hoofdelijke oproeping vergist, kan hij zijn vergissing slechts herstellen voordat het volgende lid heeft gestemd.

  • 3 Als een lid zijn vergissing niet tijdig heeft hersteld, kan hij na afloop van de stemming vragen om aantekening dat hij zich heeft vergist. Dit brengt geen verandering in de uitslag van de stemming.

Artikel 86

  • 1 Behoudens de in de Grondwet genoemde gevallen worden alle besluiten over zaken genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen.

  • 2 Bij het staken van de stemmen wordt het nemen van een besluit uitgesteld tot een volgende vergadering. Staken ook dan de stemmen, dan wordt het in stemming gebrachte voorstel geacht te zijn verworpen.

Artikel 87

Indien tijdens de stemming wordt geconstateerd dat het quorum, als bedoeld in de artikelen 52 en 53, niet meer aanwezig is, kan geen uitslag van de stemming worden vastgesteld. Zij wordt beschouwd als niet te zijn gehouden. De Voorzitter sluit, na te hebben geconstateerd dat het quorum niet aanwezig is, de vergadering.

Artikel 88

Indien een voorstel zonder stemming is aanvaard, kunnen in de vergaderzaal aanwezige leden in het officiële verslag laten aantekenen dat zij geacht willen worden te hebben tegengestemd. Een dergelijke aantekening wordt niet van een toelichting voorzien.

Stemmen over personen

Artikel 89

  • 1 Stemming over personen geschiedt met behulp van stembiljetten die in een stembus gedeponeerd worden.

  • 2 Stemming over een persoon kan achterwege blijven wanneer geen van de leden daarom verzoekt, tenzij het de benoeming of het ontslag van de Voorzitter, de Ondervoorzitters of de Griffier betreft.

  • 3 De Voorzitter benoemt bij iedere keuze een commissie van vier leden, die als stemopnemers:

    • a. nagaan of het aantal stembiljetten gelijk is aan het aantal aanwezige leden;

    • b. de stembiljetten openen en de geldigheid daarvan vaststellen;

    • c. vaststellen op wie gestemd is en de inhoud van ieder stembiljet bij monde van het eerstbenoemde lid bekendmaken;

    • d. de uitkomst van de stemming vaststellen en bij monde van het eerstbenoemde lid bekendmaken.

Artikel 90

  • 1 Niet, niet behoorlijk of niet duidelijk ingevulde stembiljetten zijn ongeldig.

  • 2 Onder niet behoorlijk ingevulde stembiljetten worden mede verstaan stembiljetten waarop de naam voorkomt van een persoon die geen kandidaat is.

Artikel 91

Voor het tot stand komen van een keuze als bedoeld in artikel 89 is de volstrekte meerderheid van de geldige stemmen vereist.

Artikel 92

  • 1 Stemming over personen vindt plaats in een of meerdere stemrondes. Wanneer bij de eerste stemming niemand de volstrekte meerderheid als bedoeld in het vorige artikel heeft verkregen, wordt tot een tweede, eveneens geheel vrije, stemming overgegaan.

  • 2 Indien daarbij wederom niemand de volstrekte meerderheid heeft verkregen, wordt een derde stemming gehouden over de twee personen die bij de tweede stemming de meeste stemmen hebben behaald.

  • 3 Als toepassing van het bepaalde in het vorige lid niet mogelijk is doordat twee of meer personen een gelijk aantal stemmen hebben behaald, dan wordt eerst door middel van een afzonderlijke stemming uitgemaakt wie van hen in herstemming komt of komen.

Artikel 93

Indien bij de stemming over de vraag wie in herstemming komt of komen, de stemmen staken, of wanneer de stemmen bij een eindstemming staken, beslist het lot.

Kennisgeving van de uitslag van de stemmingen

Artikel 94

  • 1 Wanneer de Kamer een wetsvoorstel heeft aangenomen, geeft zij daarvan kennis aan de Koning en aan de Tweede Kamer.

  • 2 Indien het voorstel door de Koning ingediend werd, richt de Kamer zich

    • a. tot de Koning met de volgende woorden:

      "Aan de Koning, De Staten-Generaal hebben het voorstel aangenomen zoals het daar ligt".

    • b. tot de Tweede Kamer met de volgende woorden:

      "Aan de Tweede Kamer, De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft kennis aan de Tweede Kamer van het feit dat zij het voorstel van wet betreffende ..., op de ... aan haar door de Tweede Kamer toegezonden, heeft aangenomen."

  • 3 Indien het voorstel door de Tweede Kamer ingediend werd, richt de Kamer zich

    • a. tot de Koning met de volgende woorden:

      "Aan de Koning, De Staten-Generaal hebben nevenstaand voorstel aangenomen. Zij verzoeken daarop de bekrachtiging van de Koning."

    • b. tot de Tweede Kamer met de volgende woorden:

      "De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft kennis aan de Tweede Kamer van het feit dat zij het van haar op de ... ontvangen voorstel betreffende ... heeft aangenomen en daarop namens de Staten-Generaal de bekrachtiging van de Koning heeft verzocht."

Artikel 95

  • 1 Wanneer de Kamer een wetsvoorstel heeft verworpen, geeft zij daarvan kennis op de in het tweede en derde lid aangegeven wijze.

  • 2 Indien het voorstel door de Koning werd ingediend, richt de Kamer zich

    • a. tot de Koning met de volgende woorden:

      "Aan de Koning, De Eerste Kamer der Staten-Generaal heeft nevenstaand voorstel verworpen."

    • b. Tot de Tweede Kamer met de volgende woorden:

      "Aan de Tweede Kamer, De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft aan de Tweede Kamer kennis van het feit dat zij het voorstel van wet betreffende ..., op de ... aan haar toegezonden, heeft verworpen."

  • 3

Indien het voorstel door de Tweede Kamer ingediend werd, richt de Kamer zich tot die Kamer met de volgende woorden:

"Aan de Tweede Kamer, De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft aan de Tweede Kamer kennis van het feit dat zij het voorstel van wet betreffende ..., op de ... aan haar toegezonden, heeft verworpen."

Artikel 96

  • 1 De Voorzitter is belast met het opmaken en ondertekenen van de kennisgevingen bedoeld in de voorgaande artikelen en met het verzenden daarvan aan de Koning en aan de Tweede Kamer.

  • 2 Het opmaken, ondertekenen en verzenden geschiedt zo spoedig mogelijk nadat de Kamer heeft besloten een wetsvoorstel al dan niet te aanvaarden.

Hoofdstuk VIII. Officieel verslag

Vorm van het officiële verslag

Artikel 98

Het officiële verslag bevat:

  • a. een woordelijk verslag van de gehouden beraadslagingen;

  • b. de namen van de leden die blijkens de presentielijst hun aanwezigheid in het Kamergebouw hebben gemeld;

  • c. de namen van de leden die met kennisgeving afwezig waren;

  • d. de uitslagen van de stemmingen en, bij een hoofdelijke stemming, de namen van de leden die zich voor dan wel tegen verklaarden;

  • e. aantekening voor het geval een of meerdere leden gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid geboden in artikel 88;

  • f. een opgave van alle door de Kamer of door de Voorzitter genomen besluiten.

Artikel 99

  • 2 De notulen worden door de Voorzitter en de Griffier vastgesteld.

  • 3 Deze vastgestelde notulen worden op de dag van de eerstvolgende vergadering voor de leden ter inzage gelegd op de griffie.

  • 4 Tijdens bedoelde vergadering kan elk lid bezwaar maken tegen het gestelde in de notulen en daarover een uitspraak van de Kamer vragen. Een Kameruitspraak wordt aan de notulen gehecht en wordt geacht daarin de gewraakte gedeelten te vervangen, aan te vullen of te bevestigen.

  • 5 De notulen worden bij de griffie bewaard.

Vergaderingen met gesloten deuren

Artikel 100

  • 1 Het officiële verslag van de vergaderingen die volgens het bepaalde van artikel 66 van de Grondwet met gesloten deuren worden gehouden, wordt afzonderlijk opgemaakt en bewaard.

  • 2 De Kamer beslist of de Dienst Verslag en Redactie met het maken hiervan wordt belast, dan wel de Griffier of een door hem aan te wijzen ambtenaar bij de griffie.

  • 3 De notulen uit dit verslag worden door de Voorzitter en de Griffier vastgesteld en ter vertrouwelijke kennisneming voor de leden bij de griffie ter inzage gelegd en behandeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 99, vierde lid. Indien de Kamer overeenkomstig dit artikel om een uitspraak wordt gevraagd, worden de deuren gesloten voordat over de notulen wordt beraadslaagd.

  • 4 De notulen worden afzonderlijk gehouden en bij de griffie bewaard.

  • 5 De Kamer beslist of, en onder welke voorwaarden, inzage wordt verleend aan anderen dan de leden van de Kamer.

Hoofdstuk IX. Recht van enquête en onderzoek, van interpellatie en het stellen van schriftelijke vragen

Enquête en ander onderzoek

Artikel 101

Bij afzonderlijke regeling, vast te stellen door de Kamer, worden voorschriften gegeven over de besluitvorming en over andere onderwerpen met betrekking tot een parlementaire enquête en ander parlementair onderzoek.

Artikel 102

Een parlementaire enquête wordt uitgevoerd door een hiervoor in te stellen commissie uit de Kamer, de parlementaire enquêtecommissie.

Artikel 103

Ander parlementair onderzoek dan bedoeld in het vorige artikel wordt uitgevoerd door een hiervoor in te stellen commissie uit de Kamer, de parlementaire onderzoekscommissie.

Interpellatie

Artikel 104

  • 1 Een lid dat over een onderwerp dat niet op de agenda van de Kamer of een van haar commissies staat inlichtingen van een minister verlangt, kan aan de Kamer verlof vragen tot het houden van een interpellatie. Bij het vragen van verlof vermeldt het lid de voornaamste punten waarover hij vragen wil stellen.

  • 2 Zo mogelijk wordt het verlof gevraagd bij de aanvang van de vergadering en brengt het lid de Voorzitter vóór het begin van de vergadering van zijn voornemen op de hoogte.

  • 3 Wanneer de Kamer het gevraagde verlof verleent, bepaalt de Voorzitter de dag waarop de interpellatie zal worden gehouden. Indien bij een interpellatie zeer veel spoed vereist is en de minister aanwezig is, kan de Voorzitter besluiten dat de interpellatie dadelijk wordt gehouden. De minister geeft dan dadelijk de gevraagde inlichtingen. Als dit niet mogelijk is, dan stelt de Voorzitter de verdere behandeling tot een later tijdstip uit.

  • 4 De interpellant dient, tenzij de interpellatie dadelijk wordt gehouden, zo spoedig mogelijk de vragen die hij bij de interpellatie zal stellen schriftelijk in bij de Voorzitter. Deze zendt ze aan de daarbij betrokken minister door, tenzij hij van oordeel is dat de vragen woorden als bedoeld in artikel 71 bevatten. Doorgezonden vragen brengt de Voorzitter ter kennis van de leden.

  • 5 Bij een interpellatie voert de interpellant niet meer dan tweemaal en een ander lid niet meer dan eenmaal het woord, tenzij de Kamer verlof geeft voor een volgende termijn.

Schriftelijke vragen

Artikel 105

  • 1 Het lid dat schriftelijke vragen wil stellen aan een minister dient deze vragen bij de Voorzitter in. De vragen dienen kort en duidelijk geformuleerd te zijn.

  • 2 De Voorzitter zendt de vragen aan de betrokken minister, tenzij hij van oordeel is dat de vragen woorden als bedoeld in artikel 71 bevatten.

  • 3 De Voorzitter brengt de doorgezonden vragen ter kennis van de leden en maakt deze openbaar.

  • 4 Het besluit van de Voorzitter vragen al dan niet door te zenden, is geen besluit in de zin van artikel 16, tweede lid.

  • 5 De vragen worden met de schriftelijke antwoorden opgenomen in het Aanhangsel van de Handelingen.

Hoofdstuk X. Verzoekschriften

Artikel 106

Er is een commissie voor de verzoekschriften. Haar samenstelling, taak en werkwijze worden bij afzonderlijk reglement geregeld.

Artikel 107

  • 1 De Voorzitter stelt in handen van deze commissie de bij de Kamer ingekomen verzoekschriften, met uitzondering van de verzoekschriften die:

    • a. betrekking hebben op bij een van de Kamers der Staten-Generaal aanhangige wetsvoorstellen of

    • b. betrekking hebben op onderwerpen die algemeen beleid van de regering betreffen.

  • 2 Een verzoekschrift als bedoeld in het vorige lid onder a. of b. wordt gesteld in handen van de daarvoor in aanmerking komende commissie of commissies.

Hoofdstuk XI. Europese aangelegenheden

Begripsbepalingen

Artikel 108

  • 1 Dit hoofdstuk dient ter uitwerking van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Protocol betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie, het Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid en de artikelen 3 en 4 van de Rijkswet houdende goedkeuring van het Verdrag van Lissabon.

  • 2 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    • a. discussiedocumenten: groenboeken, witboeken en mededelingen van de Europese Commissie als bedoeld in artikel 1 van het Protocol betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie;

    • b. ontwerpen van wetgevingshandelingen: voorstellen, initiatieven, verzoeken en aanbevelingen als bedoeld in artikel 2 van het Protocol betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie en artikel 3 van het Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid;

    • c. subsidiariteitsbeginsel: het beginsel bedoeld in artikel 5, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid;

    • d. gemotiveerd advies: een gemotiveerd advies als bedoeld in artikel 6 van het Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van proportionaliteit en evenredigheid;

    • e. beginsel van bevoegdheidstoedeling: het beginsel bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie;

    • f. evenredigheidsbeginsel: het beginsel bedoeld in artikel 5, vierde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie;

    • g. parlementair voorbehoud: het voorbehoud bedoeld in artikel 4 van de Rijkswet houdende goedkeuring van het Verdrag van Lissabon;

    • h. parlementair instemmingsrecht: het instrument bedoeld in artikel 3 van de Rijkswet houdende goedkeuring van het Verdrag van Lissabon.

Selectieprocedure

Artikel 109

  • 1 Jaarlijks wordt het werkprogramma van de Europese Commissie in alle commissies als bedoeld in artikel 28, eerste lid, geagendeerd

  • 2 De commissies selecteren uit het werkprogramma die discussiedocumenten en ontwerpen van wetgevingshandelingen die zij direct na publicatie wensen te agenderen.

  • 3 De door de commissies geselecteerde discussiedocumenten en ontwerpen van wetgevingshandelingen worden samengevoegd tot één lijst, die door de Kamer wordt vastgesteld. Deze lijst draagt de benaming Europees werkprogramma van de Eerste Kamer.

  • 4 De in het eerste lid bedoelde commissies kunnen ook los van het werkprogramma discussiedocumenten en ontwerpen van wetgevingshandelingen selecteren die zij wensen te agenderen. Daartoe wordt wekelijks aan de leden een overzicht van recent gepubliceerde Europese voorstellen aangeboden.

Artikel 110

  • 1 Discussiedocumenten en ontwerpen van wetgevingshandelingen die tot het Europees werkprogramma van de Eerste Kamer behoren, alsmede overige geselecteerde voorstellen worden na publicatie in een vergadering van de betrokken commissie geagendeerd teneinde de procedure te bepalen.

  • 2 De commissie besluit of zij bij de toetsing van een voorstel gebruik wenst te maken van de haar in artikel 38 toegekende bevoegdheden.

  • 3 De commissie kan tevens in overleg treden met de Europese instellingen, organen en instanties, en met de nationale parlementen van andere lidstaten van de Europese Unie.

Subsidiariteitstoets, parlementair voorbehoud en parlementair instemmingsrecht

Artikel 111

  • 1 Indien een commissie besluit een ontwerp van een wetgevingshandeling in behandeling te nemen, kan zij toetsen of het ontwerp strookt met het subsidiariteitsbeginsel.

  • 2 De commissie kan tevens toetsen of het ontwerp strookt met het beginsel van bevoegdheidstoedeling en het evenredigheidsbeginsel.

  • 3 Indien de commissie van oordeel is dat het ontwerp een of meer van de in de vorige leden genoemde beginselen schendt, kan zij de Kamer voorstellen een gemotiveerd advies te zenden aan de voorzitters van het Europees Parlement, de Raad en de Europese Commissie. De commissie stelt daartoe een concept voor een gemotiveerd advies op.

  • 4 De Kamer en haar commissies streven bij de uitvoering van de subsidiariteitstoets naar afstemming met de Tweede Kamer.

Artikel 112

  • 1 De Kamer kan op voorstel van elk van haar commissies besluiten dat zij een ontwerp van een wetgevingshandeling van zodanig politiek belang acht dat zij over de behandeling daarvan op bijzondere wijze wenst te worden geïnformeerd. De commissie motiveert in haar voorstel aan de Kamer waarom zij het voorstel van zodanig politiek belang acht. De Kamer deelt haar besluit mee aan de regering en verzoekt haar een parlementair voorbehoud te maken.

  • 2 De commissie belast met de behandeling van het ontwerp voert binnen vier weken na de mededeling, bedoeld in het eerste lid, mondeling overleg met de regering over het bijzondere politieke belang van het voorstel. Desgewenst kan zij ook kiezen voor schriftelijk overleg.

  • 3 In het overleg, bedoeld in het vorige lid, geeft de commissie aan over welke aspecten van het voorstel of de behandeling daarvan zij in het bijzonder geïnformeerd wenst te worden, en binnen welke termijn. Tijdens het overleg gemaakte afspraken over de wijze van informatieverstrekking door de regering, over het verloop van de onderhandelingen en van de wetgevingsprocedure en over eventueel vervolgoverleg worden schriftelijk vastgelegd en aan de regering ter kennis gebracht.

  • 4 De Kamer deelt de regering na afloop van het overleg, bedoeld in het vorige lid, mee dat zij voortzetting van het door de regering gemaakte parlementair voorbehoud niet langer noodzakelijk acht.

  • 5 In afwijking van het vorige lid kan de Kamer, op voorstel van de behandelende commissie, de regering mededelen dat zij voortzetting van het parlementair voorbehoud noodzakelijk acht gedurende een door de Kamer te bepalen termijn. Vervolgens vindt nader overleg tussen de commissie en de regering plaats. Na afloop van dit overleg zijn het vorige lid en dit lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 113

De Kamer besluit op voorstel van de meest betrokken commissie of commissies over het verlenen van instemming met ontwerpen van besluiten die beogen het Koninkrijk te binden als bedoeld in artikel 3 van de Rijkswet houdende goedkeuring van het Verdrag van Lissabon.

Algemene Europese Beschouwingen

Artikel 114

Onder de benaming Algemene Europese Beschouwingen beraadslaagt de Kamer jaarlijks over Europese samenwerking en integratie, de betrokkenheid van Nederland daarbij en de rol van de Europese Unie en de Raad van Europa daarin. De Kamer kan besluiten in een bepaald jaar van het houden van Algemene Europese Beschouwingen af te zien.

Hoofdstuk XII. Behandeling van verdragen en (ontwerp)besluiten

Behandeling van verdragen

Artikel 115

  • 1 Zodra een verdrag ter stilzwijgende goedkeuring aan de Kamer wordt overgelegd, tekent de Griffier op de begeleidende brief aan:

    • a. de dag van ontvangst en

    • b. de uiterste dag waarop door of namens de Kamer of door ten minste vijftien van haar leden de wens te kennen kan worden gegeven dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal zal worden onderworpen.

  • 2 De Griffier zendt de begeleidende brief met de genoemde aantekening zo spoedig mogelijk aan de leden toe

  • 3 Binnen dertig dagen na de dag van ontvangst van het overgelegde verdrag moet de in het eerste lid bedoelde kennisgeving worden gedaan.

  • 4 De kennisgeving kan alleen met toestemming van de Kamer worden ingetrokken.

Artikel 116

  • 1 Binnen de in artikel 115 genoemde termijn kunnen een of meer leden de Voorzitter verzoeken hun gelegenheid te geven over een overgelegd verdrag aan een minister inlichtingen te vragen.

  • 2 De Voorzitter nodigt daarop de betrokken minister uit om de gevraagde inlichtingen mondeling of schriftelijk te verstrekken.

Artikel 117

  • 1 De Kamer kan de wens tot uitdrukkelijke goedkeuring van een verdrag te kennen geven op voorstel van een of meer leden.

  • 2 Indien de Kamer besluit die wens te kennen te geven, deelt de Voorzitter dit zo spoedig mogelijk mee aan de minister van Buitenlandse Zaken en aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

Artikel 118

De Voorzitter kan namens de Kamer de wens tot uitdrukkelijke goedkeuring van een verdrag te kennen geven. Alvorens hiertoe te besluiten raadpleegt hij de meest betrokken commissie of commissies. Hij geeft van zijn besluit zo spoedig mogelijk kennis aan de minister van Buitenlandse Zaken, aan de leden en aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

Artikel 119

Indien vijftien of meer leden de wens tot uitdrukkelijke goedkeuring van een verdrag te kennen willen geven, doen zij dit door mededeling daarvan aan de Voorzitter, die hiervan zo spoedig mogelijk kennis geeft aan de minister van Buitenlandse Zaken, aan de leden en aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

Artikel 120

Het bepaalde in de vorige artikelen van dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing op voornemens tot:

  • a. sluiting van een verdrag uitsluitend betreffende de uitvoering van een goedgekeurd verdrag,

  • b. verlenging van een aflopend verdrag of

  • c. opzegging van een verdrag.

Behandeling van (ontwerp)besluiten

Artikel 121

  • 1 Indien op grond van de wet aan de Kamer een (ontwerp)besluit wordt overgelegd en de wens te kennen kan worden gegeven dat het onderwerp of de inwerkingtreding van het (ontwerp)besluit bij wet wordt geregeld, tekent de Griffier op de begeleidende brief aan:

    • a. a. de dag van ontvangst en

    • b. b. de uiterste dag waarop de wens te kennen kan worden gegeven.

  • 2 De Griffier brengt de leden zo spoedig mogelijk op de hoogte van het (ontwerp)besluit en van de uiterste datum genoemd in het eerste lid onder b.

  • 3 Dit artikel vindt overeenkomstige toepassing in andere gevallen waarin naar aanleiding van een door de Kamer ontvangen brief een in de wet omschreven wens te kennen kan worden gegeven.

Artikel 122

  • 1 Voor zover de wet hierin voorziet, kan de wens als bedoeld in het vorige artikel aan de betrokken minister te kennen worden gegeven:

    • a. door de Kamer, onder overeenkomstige toepassing van artikel 117,

    • b. namens de Kamer, onder overeenkomstige toepassing van artikel 118;

    • c. door een in de wet genoemd aantal leden, onder overeenkomstige toepassing van 119.

Hoofdstuk XIII. Behartiging van aangelegenheden van het Koninkrijk

Artikel 123

De Voorzitter geeft aan de gevolmachtigde ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en de bijzondere gedelegeerden van de vertegenwoordigende lichamen van die landen de gelegenheid de hun in het bijzonder bij de artikelen 17 en 18 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden toegekende bevoegdheden uit te oefenen.

Artikel 124

De Voorzitter verleent het woord aan de gevolmachtigde ministers en de bijzondere gedelegeerden wanneer zij dit verlangen, echter pas nadat de spreker die aan het woord is zijn rede heeft beëindigd.

Artikel 125

De commissie waaraan een voorstel van Rijkswet is toevertrouwd, is bevoegd de gevolmachtigde ministers en de bijzondere gedelegeerden om inlichtingen te verzoeken, alsmede de inlichtingen te aanvaarden die zij uit eigen beweging aan de commissie wensen te verstrekken.

Artikel 126

Wanneer de gevolmachtigde ministers of de daartoe aangewezen bijzondere gedelegeerden gebruikmaken van de hun bij artikel 18 van het Statuut toegekende bevoegdheid om te verzoeken de stemming tot de volgende vergadering aan te houden, wordt aan dat verzoek voldaan.

Artikel 127

De artikelen 66 en 68 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in deze artikelen in plaats van “een lid dat” moet worden gelezen “een bijzondere gedelegeerde die”, in plaats van “een lid” telkens moet worden gelezen “een bijzondere gedelegeerde” en in plaats van “leden” telkens moet worden gelezen “leden of bijzondere gedelegeerden”.

Artikel 128

Wanneer de Kamer op grond van artikel 104 aan een lid gelegenheid heeft gegeven om over een aangelegenheid van het Koninkrijk aan een minister inlichtingen te vragen, stelt de Voorzitter de gevolmachtigde ministers in de gelegenheid de behandeling van die interpellatie bij te wonen en daarbij zodanige voorlichting aan de Kamer te verstrekken als zij gewenst oordelen.

Artikel 129

  • 2 In het bijzonder worden de gevolmachtigde ministers in de gelegenheid gesteld de mondelinge behandeling van vragen en voorstellen als bedoeld in de artikelen 116 en 117 bij te wonen en daarbij zodanige voorlichting aan de Kamer te verstrekken als zij gewenst oordelen.

Hoofdstuk XIV. Integriteit en ongewenste omgangsvormen

Artikel 130

Bij afzonderlijke regeling van de Kamer wordt een Gedragscode integriteit Eerste Kamer vastgesteld waarin voorschriften worden gegeven ter bevordering van integer handelen door leden van de Kamer. In deze afzonderlijke regeling wordt tevens een instrumentarium vastgelegd ten behoeve van de naleving en interpretatie van deze Gedragscode.

Artikel 131

Bij afzonderlijke regeling van de Kamer wordt een Gedragscode ongewenste omgangsvormen vastgesteld waarin voorschriften worden gegeven ter voorkoming van ongewenst gedrag door leden van de Kamer. In deze afzonderlijke regeling wordt tevens een instrumentarium vastgelegd ten behoeve van de naleving en interpretatie van deze Gedragscode.

Hoofdstuk XV. Wijzigingen in het Reglement

Algemeen

Artikel 132

  • 1 Ieder lid kan een wijziging voorstellen in het Reglement. Een voorstel kan ook door een aantal leden gezamenlijk of door een vaste of tijdelijke commissie worden gedaan.

  • 2 Het voorstel wordt schriftelijk gedaan en bevat de tekst van de beoogde wijziging en een toelichting daarop. Elk voorstel wordt onmiddellijk nadat het is gedaan gepubliceerd.

  • 3 In de navolgende artikelen wordt onder “de voorsteller” steeds verstaan het lid of de leden van wie, dan wel de vaste of tijdelijke commissie waarvan het voorstel afkomstig is.

Artikel 133

  • 1 De Kamer stelt voor het voorbereidend onderzoek van het voorstel een tijdelijke commissie in of belast een bestaande commissie hiermee.

  • 2 Indien het voorstel van zeer eenvoudige aard is of wordt gedaan door een daartoe ingestelde tijdelijke commissie, kan de Kamer besluiten zonder voorbereidend onderzoek over het voorstel te beraadslagen.

Amendementen en wijzigingen

Artikel 134

  • 1 Nadat een voorstel is gepubliceerd, kan ieder lid, alleen of met andere leden, amendementen daarop indienen. Een amendement wordt schriftelijk gedaan, bevat de tekst van de beoogde wijziging en een toelichting daarop. Een amendement wordt onmiddellijk nadat het is ingediend gepubliceerd.

  • 2 De eerste ondertekenaar van een amendement kan het amendement wijzigen en tijdens de beraadslaging van de Kamer intrekken. Indien de beraadslaging gesloten is, is intrekking alleen mogelijk met toestemming van de Kamer.

  • 3 Ieder lid kan, alleen of met andere leden, subamendementen indienen tot wijziging van door andere leden ingediende amendementen.

  • 4 De regels die voor amendementen gelden, zijn van overeenkomstige toepassing op subamendementen.

Artikel 135

De voorsteller is gerechtigd om tot aan de eindstemming wijzigingen in het voorstel aan te brengen.

Schriftelijke voorbereiding

Artikel 136

  • 1 Een voorstel tot wijziging van het Reglement wordt door een commissie als bedoeld in artikel 133, eerste lid, behandeld op dezelfde wijze als een wetsvoorstel dat aan een commissie is toevertrouwd, waarbij de voorsteller in de plaats treedt van de minister.

  • 2 De commissie kan amendementen indienen op het voorstel.

  • 3 Indien tijdens het voorbereidend onderzoek amendementen bij de griffie zijn binnengekomen, geven de voorsteller en de commissie in de te wisselen stukken hun oordeel over deze amendementen.

  • 4 De voorsteller kan niet in de commissie als bedoeld in artikel 133, eerste lid, deelnemen aan het voorbereidend onderzoek van een door hem ingediend voorstel.

Mandaat uitoefening rechten

Artikel 137

  • 1 Indien een voorstel door meer dan één lid is gedaan oefent de eerste ondertekenaar de rechten uit die dit Reglement aan de voorsteller toekent.

  • 2 Indien een voorstel is gedaan door een vaste of tijdelijke commissie, oefent de voorzitter van die commissie namens de commissie de rechten uit die dit Reglement aan de voorsteller toekent.

  • 3 Een vaste of tijdelijke commissie als bedoeld in het tweede lid kan ook één of meer van haar leden aanwijzen om de genoemde rechten uit te oefenen.

Volgorde van de beslissingen

Artikel 138

  • 1 Bij het nemen van beslissingen over een artikel en de daarop voorgestelde amendementen wordt als volgorde in acht genomen:

    • a. beslissing over eventuele subamendementen;

    • b. beslissing over amendementen;

    • c. beslissing over het al dan niet gewijzigde artikel of het vervangende artikel.

  • 2 Indien op een bepaald onderdeel van een voorstel meer dan één amendement is ingediend, heeft het amendement met de verste strekking voorrang. Voor zover de vorige zinsnede naar het oordeel van de Voorzitter geen uitsluitsel biedt, wordt gestemd in de volgorde waarin zij zijn ingediend.

  • 3 De Kamer kan beslissen dat amendementen door het aanbrengen van andere wijzigingen als vervallen moeten worden beschouwd.

  • 4 Nadat over alle artikelen is beslist, neemt de Kamer de eindbeslissing over het voorstel in zijn geheel.

Artikel 139

  • 1 Indien het voorstel in de loop van de beraadslagingen wijzigingen heeft ondergaan, kan de Kamer besluiten de eindbeslissing tot een volgende vergadering uit te stellen. In de tussentijd beraadt de commissie bedoeld in artikel 133, eerste lid, zich in overleg met de voorsteller over het voorstellen van mogelijke wijzigingen die door de aangebrachte wijzigingen of door de verwerping van artikelen noodzakelijk zijn geworden of die strekken tot herstellen van kennelijke vergissingen.

  • 2 Over de aldus voorgestelde wijzigingen en de artikelen waarop zij betrekking hebben wordt de beraadslaging heropend, tenzij de Kamer besluit onmiddellijk over de voorgestelde wijzigingen te beslissen.

  • 3 De Voorzitter brengt in een door de Kamer aangenomen voorstel verandering aan in de nummering van hoofdstukken, artikelen, artikelleden of artikelonderdelen, en in de op die tekstdelen gerichte verwijzingen, voor zover hij dit nodig acht door wijzigingen die in het voorstel zijn aangebracht.

Hoofdstuk XVI. Slotbepalingen

Artikel 140

De artikelen van Hoofdstuk XV van dit Reglement zijn van overeenkomstige toepassing op voorstellen tot vaststelling of wijziging van de overige op grond van dit Reglement door de Kamer vast te stellen regelingen.

Artikel 141

  • 1 Nadat een kabinet demissionair is geworden, kan de Kamer op voorstel van een of meer leden besluiten bepaalde wetsvoorstellen en onderwerpen controversieel te verklaren.

  • 2 Indien een wetsvoorstel of onderwerp controversieel is verklaard, wordt de behandeling daarvan uitgesteld totdat een nieuw kabinet is aangetreden of de Kamer tussentijds anders besluit.

Artikel 142

De Kamer kan te allen tijde besluiten van de bepalingen van dit Reglement af te wijken, indien geen van de leden zich daartegen verzet en indien de afwijking niet in strijd is met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, de Grondwet of een andere wet.

Artikel II

[Wijzigt het Reglement voor de Commissie voor de Verzoekschriften van de Eerste Kamer der Staten-Generaal]

Artikel IV

Zolang de Kamer de in artikel 21 van het Reglement van Orde bedoelde regeling niet heeft vastgesteld, blijft de Regeling financiële ondersteuning fracties Eerste Kamer van de Huishoudelijke Commissie van 10 december 2020 van kracht.

Artikel V

Alle op grond van artikel 93, derde lid, van het huidige Reglement van Orde aangehouden moties komen bij inwerkingtreding van het nieuwe Reglement van Orde te vervallen, tenzij de Kamer uiterlijk in de eerste vergadering vier weken na deze inwerkingtreding anders besluit.

Artikel Va

Bij inwerkingtreding van het nieuwe Reglement van Orde blijft Hoofdstuk IV van het huidige Reglement van Orde van toepassing op voorstellen van wet ten aanzien waarvan reeds voorafgaand aan genoemde inwerkingtreding een voorlopig verslag of nader voorlopig verslag is uitgebracht of inbreng daarvoor is geleverd.

Naar boven