Besluit bescherming koopvaardij

Geraadpleegd op 28-09-2022.
Geldend van 01-02-2022 t/m heden

Besluit van 22 december 2021, houdende regels ter uitvoering van de Wet ter Bescherming Koopvaardij (Besluit bescherming koopvaardij) alsmede vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet ter Bescherming Koopvaardij

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 24 november 2020, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 3098778;

Gelet op de artikelen 2, 4, tweede en vierde lid, 6, derde en vierde lid, 8, 9, achtste lid, 11, vijfde lid, en 13, eerste en vijfde lid, van de Wet ter Bescherming Koopvaardij en 9, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 januari 2021, no. W16.20.0437/II);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 17 december 2021, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 3685395;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. (definities)

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens: het op 4 november 1950 te Rome tot stand gekomen Europees Verdrag tot bescherming van de rechte van de mens en de fundamentele vrijheden;

  • geweldsinstructie: regels in artikel 9, eerste tot en met zevende lid, van de wet en artikel 3.4;

  • opslagplaats: locatie op het land of een schip waarvan de vergunninghouder gebruik maakt voor opslag van vuurwapens en munitie, met uitzondering van een door hem gebruikte wapenkluis aan boord van het schip;

  • particulier beveiligingsteam: het op een schip in te zetten of ingezette particulier maritiem beveiligingspersoneel, met inbegrip van de teamleider;

  • particuliere maritieme beveiliger: gewapend lid van het beveiligingsteam dat door de vergunninghouder op een schip wordt of is ingezet;

  • risicogebied: het in artikel 1.2, eerste lid, bedoelde zeegebied;

  • toestemming: toestemming, bedoeld in de artikelen 3, tweede lid, en 4 van de wet;

  • vergunning: vergunning, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet;

  • wet: Wet ter Bescherming Koopvaardij.

Artikel 1.2. (aanwijzing risicogebied)

  • 1 Het zeegebied, bedoeld in artikel 2 van de wet, is het gebied dat door de volgende coördinaten volgens het World Geodetic System (WGS1986) wordt begrensd:

    • a. In de zuidelijke Rode Zee, een noordelijke grens op 15°00’ N;

    • b. In de Indische Oceaan een lijn die de volgende punten verbindt:

      • 1°. Vanaf de kust van Oost-Afrika op 01° 30’ S

      • 2°. achtereenvolgens naar de punten:

        • (a) 01° 30’ S - 046° 00’ E,

        • (b) 01° 00’ N - 049° 30’ E,

        • (c) 09° 00’ N - 055° 00’ E,

        • (d) 14° 20’ N - 057° 30’ E, en

      • 3°. vervolgens naar de kust van Jemen naar het punt 053° 00’N.

  • 2 Het in het eerste lid bedoelde zeegebied is bij wijze van illustratie ingetekend op de als bijlage bij dit besluit gevoegde kaart.

Hoofdstuk 2. De toestemming voor de inzet van particulier maritiem beveiligingspersoneel

Artikel 2.1. (uitgangspunt Nederlandse wet)

De gewapende bescherming van op grond van voor Nederland geldende rechtsregels onder vlag van het Koninkrijk varende koopvaardijschepen is een overheidstaak, behoudens indien de wet en de daarop gebaseerde regels maritieme beveiligingswerkzaamheden toestaan.

Artikel 2.2. (aanvraag bij Kustwachtcentrum)

  • 1 De scheepsbeheerder dient de aanvraag om toestemming in bij het Kustwachtcentrum.

  • 2 Bij de aanvraag wordt aangetoond dat alle redelijkerwijs mogelijke beschermingsmaatregelen worden getroffen en dat, indien van toepassing en voor zover mogelijk, aan artikel 2.3, eerste of tweede lid, wordt voldaan.

  • 3 Bij de aanvraag worden in ieder geval gegevens verstrekt over:

    • a. het type schip, het marktsegment en het accommodatieplan;

    • b. de lading en de verzekering van het schip en de lading;

    • c. de risicoanalyse;

    • d. de omvang van het beveiligingsteam, en

    • e. de prijsopgave van de vergunninghouder waarmee wordt beoogd een overeenkomst tot het verrichten van gewapende beveiligingswerkzaamheden te sluiten.

  • 4 Onze Minister neemt binnen achtenveertig uur een besluit op de aanvraag. De uren tussen vrijdag acht uur ’s avonds en maandag acht uur ’s morgens worden hierbij niet meegerekend.

  • 5 De toestemming kan worden geweigerd indien:

    • a. militaire bescherming binnen een redelijke termijn kan worden geboden;

    • b. niet alle redelijkerwijs mogelijke beschermingsmaatregelen zijn getroffen;

    • c. niet aan de criteria van artikel 2.3 is voldaan;

    • d. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en deze verstrekking tot een onjuiste beschikking zou hebben geleid;

    • e. schorsing of intrekking van de vergunning van de in het derde lid, onderdeel e, bedoelde vergunninghouder op grond van artikel 14 van de wet wordt overwogen en in afwachting daarvan onmiddellijke weigering geboden is;

    • f. niet aan artikel 1.2 is voldaan, of

    • g. niet aan artikel 3, eerste lid, van de wet is voldaan.

  • 6 Bij regeling van Onze Minister wordt een formulier vastgesteld met betrekking tot het tweede en derde lid.

Artikel 2.4. (informatieplicht; verantwoordelijkheid kapitein)

  • 1 De kapitein en de teamleider ontvangen voorafgaand aan het aan boord gaan van het beveiligingsteam de juiste en volledige informatie van de scheepsbeheerder onderscheidenlijk de vergunninghouder omtrent:

    • a. de beschermingsmaatregelen;

    • b. de omvang van het beveiligingsteam, de identificerende gegevens en de nationaliteit van de particuliere maritieme beveiligers;

    • c. het aantal vuurwapens en merk, type en registratienummer van elk wapen en de hoeveelheid bijbehorende munitie;

    • d. de wapenkluis of -kluizen, en

    • e. het aantal sets handboeien en het aantal camera’s en microfoons.

  • 2 Voorts ontvangen zij:

    • a. een kopie van de verplichte nationale en lokale documenten van de desbetreffende kuststaten om de betreffende vuurwapens op wettige wijze aan boord te mogen nemen;

    • b. een kopie van de eindgebruikerscertificaten ten bewijze van de wettige eigendom van de desbetreffende vuurwapens;

    • c. een kopie van de toestemming, de vergunning en de in artikel 5.1 bedoelde ISO-certificaten, en

    • d. een kopie van de overeenkomst tussen de scheepsbeheerder en de vergunninghouder met betrekking tot het verrichten van de maritieme beveiligingswerkzaamheden.

  • 3 Indien de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste en tweede lid, niet volledig en juist zijn, dan weigert de kapitein om de beveiligers en vuurwapens en munitie aan boord te nemen.

  • 4 De kapitein stelt het vertrek van het schip of het invaren van het risicogebied uit indien niet aan de bij of krachtens de wet gestelde regels is voldaan.

  • 5 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste en tweede lid, en het tijdstip waarop deze uiterlijk moeten worden verstrekt, alsmede de vastlegging ervan door de kapitein en de teamleider binnen de gegeven termijn.

Hoofdstuk 3. De geweldsmiddelen, uitrusting en de nadere geweldsinstructie

Artikel 3.1. (vuurwapens, munitie, handboeien)

  • 1 Het geweldsmiddel van de particuliere maritieme beveiligers bestaat uit een niet-automatisch vuurwapen of een semi-automatisch schoudervuurwapen met een maximumkaliber van .50 (12,7 mm) met bijbehorende munitie van het type full metal jacket.

  • 2 Een teamlid beschikt over ten hoogste twee vuurwapens en ten hoogste 200 eenheden van de in het eerste lid bedoelde munitie.

  • 3 Een teamlid beschikt over ten minste een set handboeien.

Artikel 3.2. (wapen- of munitiekluis)

  • 1 De vuurwapens en de bijbehorende munitie worden tijdens een transport op een veilige wijze op het schip opgeslagen in afzonderlijke, deugdelijk afgesloten wapen- of munitiekluizen.

  • 2 Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld over de wapen- of munitiekluis.

Artikel 3.3. (verantwoordelijkheid kapitein)

  • 1 De kapitein is verantwoordelijk voor het beheer en de veilige opslag van de vuurwapens en de bijbehorende munitie aan boord van het schip en is in het bezit van de sleutels van de wapen- en munitiekluizen.

  • 2 Uiterlijk twee uren voorafgaand aan het binnenvaren van het risicogebied gaat het beheer van de vuurwapens en de bijbehorende munitie over naar de teamleider, waarbij de kapitein de sleutels van de wapen- en munitiekluizen overdraagt.

  • 3 Schietoefeningen door particuliere maritieme beveiligers mogen in verband met de veiligheid op en rond het schip slechts plaatsvinden na door de teamleider verkregen instemming van de kapitein.

Artikel 3.4. (nadere geweldsinstructie)

  • 1 In aanvulling op en met inachtneming van artikel 9 van de wet geldt dat een particuliere maritieme beveiliger, ter afwending van dreigend gevaar van piraterij, alvorens gericht te schieten, een of meer waarschuwingsschoten in de lucht afvuurt.

  • 2 Als het gevaar daarmee niet is afgewend, vuurt de particuliere maritieme beveiliger voor de boeg van het schip waarvan de piraterijdreiging uitgaat en daarna, als het gevaar niet is afgewend, op de motor van het schip met het doel het schip het varen te beletten.

  • 3 Als in het uiterste geval het gevaar niet is afgewend, en er onmiddellijk gevaar dreigt voor het leven of de veiligheid van de opvarenden van het te beschermen schip, is de particuliere maritieme beveiliger bevoegd om te vuren op de niet vitale delen van het lichaam van personen op het schip waarvan de piraterijdreiging uitgaat.

  • 4 Het derde lid is eveneens van toepassing indien personen op het schip waarvan dreigend gevaar van piraterij uitgaat, zich toegang tot het te beschermen schip trachten te verschaffen of hebben verschaft.

  • 5 De kapitein wordt voortdurend door de teamleider van zijn opdrachten aan de teamleden en van het verloop van het aanwenden van geweld op de hoogte gehouden, tenzij dat redelijkerwijs niet mogelijk is.

Hoofdstuk 4. De vergunning

Artikel 4.1. (reikwijdte vergunning)

De vergunning wordt verleend voor het aanbieden of verrichten van gewapende maritieme beveiligingswerkzaamheden door een maritiem beveiligingsbedrijf aan boord van een schip dat op grond van Nederlandse rechtsregels gerechtigd is de Nederlandse vlag te voeren, binnen het risicogebied.

Artikel 4.3. (duur en voorschriften per vergunning)

  • 1 De vergunning wordt verleend met een geldigheidsduur van ten hoogste drie jaar.

  • 2 De vergunning kan worden verlengd, telkens voor ten hoogste drie jaar.

  • 3 Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden, onder meer met betrekking tot:

    • a. het toezicht van overheidswege op naleving van de bij en krachtens de wet gestelde regels, en

    • b. de samenwerking met andere staten in het kader van maritieme beveiligingswetgeving.

Artikel 4.4. (beslistermijn)

  • 1 De beschikking op de aanvraag omtrent een vergunning wordt gegeven binnen acht weken nadat de aanvraag is ontvangen.

  • 2 Onze Minister kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste twaalf weken verlengen, indien naar zijn oordeel advies van of onderzoek door een derde nodig is.

  • 3 Indien de termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt verlengd, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en geeft hij aan binnen welke termijn de beschikking op de aanvraag kan worden gegeven.

Artikel 4.6. (schorsing vergunning)

  • 1 De schorsing van de vergunning op grond van artikel 14 van de wet eindigt op de dag na de dag waarop de beschikking omtrent de intrekking van de vergunning is bekendgemaakt of de dag waarop sedert de schorsing acht weken zijn verstreken.

  • 2 Onze Minister kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste acht weken verlengen, indien naar zijn oordeel advies van of onderzoek door een derde nodig is.

  • 3 Indien de termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt verlengd, stelt Onze Minister het maritiem beveiligingsbedrijf daarvan in kennis.

  • 4 De schorsing van de vergunning op grond van artikel 14 van de wet heeft geen gevolgen voor transporten waarvoor toestemming is verleend en die zich reeds in het risicogebied bevinden of geen mogelijkheid hebben om dat nog te ontwijken.

Hoofdstuk 5. Eisen vergunning

Paragraaf 5.1. Algemene eisen

Artikel 5.1. (ISO-certificaten)

  • 1 Het maritiem beveiligingsbedrijf beschikt te allen tijde over geldige ISO-certificaten met betrekking tot de normdocumenten 9001:2015, 28000:2007 en 28007:2015 van de International Organization for Standardization.

  • 2 De ISO-certificaten hebben bij het indienen van een aanvraag voor een vergunning ten minste nog een geldigheidsduur van zes maanden, te rekenen vanaf de datum van indiening van de aanvraag.

Artikel 5.2. (naleving internationale verplichtingen)

Het maritiem beveiligingsbedrijf beschikt te allen tijde over instructies aan het in te zetten particulier maritiem beveiligingspersoneel waarin het invulling geeft aan internationaalrechtelijke verplichtingen van Nederland, in het bijzonder die met betrekking tot het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens.

Artikel 5.3. (transparantie en zetel onderneming)

  • 1 Het maritiem beveiligingsbedrijf verschaft inzicht in de eigenaars- en zeggenschapsstructuur van zijn onderneming, in die van het concern waartoe hij behoort en in de persoon van de uiteindelijke belanghebbende.

  • 2 Het maritiem beveiligingsbedrijf dat zijn statutaire zetel, zijn hoofdbestuur of zijn hoofdvestiging niet in een staat heeft die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, organiseert de maritieme beveiligingswerkzaamheden geheel of gedeeltelijk vanuit een nevenvestiging in Nederland, die is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007.

Artikel 5.4. (continuïteit onderneming)

  • 1 De continuïteit van het maritiem beveiligingsbedrijf is redelijkerwijs gewaarborgd.

  • 2 De continuïteit is in ieder geval niet gewaarborgd, indien:

    • a. het bedrijf in staat van faillissement of liquidatie verkeert;

    • b. aan het bedrijf surseance van betaling is verleend;

    • c. beslag is gelegd op een aanmerkelijk deel van het vermogen van het maritiem beveiligingsbedrijf of op een of meer van zijn bedrijfsmiddelen die een aanmerkelijk deel van zijn vermogen vormen.

  • 3 Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.

Artikel 5.5. (betrouwbaarheid onderneming)

  • 1 De betrouwbaarheid van het maritiem beveiligingsbedrijf staat buiten twijfel.

  • 2 Onze Minister beoordeelt de betrouwbaarheid van het bedrijf, van de personen die diens beleid bepalen of mede bepalen, van diens uiteindelijke belanghebbenden op basis van hun voornemens, handelingen en antecedenten.

  • 3 Onze Minister neemt bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval in aanmerking:

    • a. overtredingen van bij of krachtens de wet en van de maritieme beveiligingswetgeving van andere staten gestelde regels en voorschriften;

    • b. de mate waarin het maritiem beveiligingsbedrijf heeft voldaan aan zijn financiële verplichtingen uit bestuurlijke sancties wegens overtredingen van bij of krachtens de wet gestelde regels en voorschriften.

    • c. de bij regeling van Onze Minister genoemde strafrechtelijke antecedenten, en

    • d. toezichtantecedenten, financiële antecedenten, fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten en overige antecedenten.

  • 4 Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld over het eerste en tweede lid.

Artikel 5.6. (organisatie onderneming)

  • 1 Het maritiem beveiligingsbedrijf richt zijn bedrijfsvoering zodanig in dat een verantwoorde, betrouwbare en controleerbare organisatie van de gewapende maritieme beveiligingswerkzaamheden, alsmede het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de wet gestelde regels en voorschriften en de handhaving daarvan, zijn gewaarborgd.

  • 2 Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld over het eerste lid.

Artikel 5.7. (intern toezicht)

  • 1 Het maritiem beveiligingsbedrijf draagt zorg voor een stelsel van intern toezicht, uitgeoefend door een of meer functionarissen die beschikken over de nodige deskundigheid, kennis en bevoegdheden om hun werkzaamheden goed en volledig uit te voeren en zijn bestuur met raad terzijde staan.

  • 2 Het stelsel van intern toezicht bevat in ieder geval waarborgen voor:

    • a. de scheiding in functionele of organieke zin van de functies van het bestuur en het interne toezicht, en

    • b. de onafhankelijkheid van het functioneren van de functionarissen, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Het maritiem beveiligingsbedrijf draagt er zorg voor dat het te allen tijde aan de met toezicht belaste ambtenaren verantwoording kan afleggen over de wijze waarop het interne toezicht is georganiseerd en wordt uitgevoerd.

  • 4 Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld over het eerste, tweede en derde lid.

Artikel 5.8. (administratie- en bewaarplicht gegevens)

  • 1 Het maritiem beveiligingsbedrijf beschikt te allen tijde over ten minste de volgende gegevens:

    • a. de identiteit en de antecedenten van zijn leidinggevenden, degenen die zijn beleid bepalen of mede bepalen en van de personen op sleutelposities;

    • b. de identiteit en de antecedenten van de uiteindelijke belanghebbende, en

    • c. de formele en feitelijke organisatie-, financierings-, eigendoms- en zeggenschapsstructuur van het concern waartoe hij behoort;

    • d. de identiteit en de antecedenten van het door hem op een transport in te zetten particulier maritiem beveiligingspersoneel;

    • e. de bewijzen van vakbekwaamheid en geoefendheid van het door hem op een transport in te zetten particulier maritiem beveiligingspersoneel;

    • f. de in eigendom en beheer zijnde vuurwapens en de bijbehorende munitie waarmee het op een transport in te zetten particulier maritiem beveiligingspersoneel wordt uitgerust;

    • g. de in eigendom en beheer zijnde handboeien waarmee het op een transport in te zetten particulier maritiem beveiligingspersoneel wordt uitgerust,

    • h. de in eigendom en beheer zijnde camera’s en microfoons waarmee het op een transport in te zetten particulier maritiem beveiligingspersoneel wordt uitgerust, en

    • i. de aan Onze Minister gezonden rapportages als bedoeld in artikel 12 van de wet, met de onderliggende gegevens, over een periode van drie jaren.

  • 2 Het maritiem beveiligingsbedrijf draagt er zorg voor dat hij te allen tijde aan de met toezicht belaste ambtenaren inzicht kan bieden in de actuele en volledige gegevens, bedoeld in het eerste lid.

Paragraaf 5.2. Eisen inzake verrichten van maritieme beveiligingswerkzaamheden

Artikel 5.9. (eisen beveiligingsteam)

  • 1 Het maritiem beveiligingsbedrijf draagt er zorg voor dat elk lid van het beveiligingsteam:

    • a. voldoet aan de eisen van betrouwbaarheid, medische geschiktheid, vakbekwaamheid en geoefendheid voor het verrichten van maritieme beveiligingswerkzaamheden;

    • b. deelneemt aan veiligheidsoefeningen aan boord van het schip, na opdracht daartoe van de kapitein;

    • c. bekend is met de fundamentele rechten zoals die worden gewaarborgd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en het bepaalde bij en krachtens de wet, in het bijzonder de geweldsinstructie;

    • d. bekend is met het door het maritiem beveiligingsbedrijf gevoerde beleid met betrekking tot het verrichten van de maritieme beveiligingswerkzaamheden, en in staat is die voorschriften en dat beleid en de daaruit voortvloeiende instructies goed en volledig uit te voeren, en

    • e. op het moment van inzet de leeftijd van eenentwintig jaar heeft bereikt.

  • 2 De omvang van het op een transport in te zetten beveiligingsteam bedraagt ten minste drie personen.

  • 3 Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld over het eerste lid. Daarbij worden in ieder geval regels gesteld over:

    • a. Nederlandse en buitenlandse bewijsstukken met betrekking tot de betrouwbaarheid en de medische geschiktheid;

    • b. Nederlandse en buitenlandse bewijsstukken met betrekking tot vakbekwaamheid en geoefendheid, in het bijzonder waar het de geweldsinstructie betreft;

    • c. het periodiek gezamenlijk oefenen van de maritieme beveiligingswerkzaamheden, en

    • d. de wijze waarop de teamleider de operationele leiding voert.

Artikel 5.10. (veilige opslag vuurwapens en munitie)

  • 1 Het maritiem beveiligingsbedrijf draagt zorg voor de veilige opslag van vuurwapens en bijbehorende munitie:

    • a. op de opslagplaats waarvan het gebruik maakt, en

    • b. tijdens het vervoer tussen de opslagplaats en het schip.

  • 2 Het maritiem beveiligingsbedrijf maakt zijn beleid en instructies ingevolge het eerste lid voldoende kenbaar aan het op een transport in te zetten beveiligingsteam.

  • 3 Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld over de veilige opslag, het beheer en het vervoer van vuurwapens en munitie.

Artikel 5.11. (gebruik opslagplaats)

  • 1 Het maritiem beveiligingsbedrijf maakt uitsluitend gebruik van een opslagplaats waarmee contractuele afspraken zijn gemaakt die inhouden dat de opslagplaats zich periodiek laat controleren door de betreffende kuststaat, de door Onze Minister met toezicht belaste ambtenaren en zo nodig door een door Onze Minister aan te wijzen persoon van een derde partij die daartoe als ambtenaar wordt aangesteld.

  • 2 Het maritiem beveiligingsbedrijf maakt uitsluitend gebruik van een opslagplaats op een schip waarvoor geldt dat de scheepsbeheerder voor zijn floating armoury-diensten over een geldig certificaat met betrekking tot ISO-normdocument 28007:2015 beschikt en zich door de desbetreffende vlaggenstaat en, indien van toepassing kuststaat, laat controleren.

  • 3 Het maritiem beveiligingsbedrijf is verplicht medewerking te verlenen aan de controle, bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 5.13. (camera’s en microfoons)

  • 1 Het maritiem beveiligingsbedrijf draagt zorg voor voldoende beschikbaarheid van deugdelijke camera’s en microfoons bij de uitvoering van maritieme beveiligingswerkzaamheden.

  • 2 Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over:

    • a. de aard van de camera’s en microfoons en de verantwoordelijkheid van het functioneren ervan;

    • b. de functionele of technische vereisten van de beeld- en geluidsopnamen;

    • c. de termijn voor het bewaren en vernietigen van de beeld- en geluidsopnamen.

Artikel 5.14. (beleid en instructies beveiligingsteam)

  • 1 Het maritiem beveiligingsbedrijf ontwikkelt en onderhoudt zijn beleid met betrekking tot het verrichten van de gewapende maritieme beveiligingswerkzaamheden, en de daaruit voor beveiligingsteam voortvloeiende instructies.

  • 2 Het maritiem beveiligingsbedrijf draagt er zorg voor dat hij te allen tijde aan de met toezicht belaste ambtenaren inzicht kan bieden in het actuele beleid en de instructies, bedoeld in het eerste lid.

Hoofdstuk 6. Bescherming persoonsgegevens

Artikel 6.1. (waarborgen)

  • 1 De persoonsgegevens, bedoeld in artikel 14a, eerste en tweede lid, van de wet, worden vernietigd zodra zij niet langer noodzakelijk zijn voor de taakuitoefening van Onze Minister, en worden in ieder geval uiterlijk vijf jaar na de datum van eerste verwerking verwijderd uit de systemen. Indien de verwerking noodzakelijk is voor de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering kunnen de persoonsgegevens langer dan vijf jaar worden bewaard.

  • 2 Bij regeling van Onze Minister kan in andere waarborgen worden voorzien voor de verwerking van de in het eerste lid bedoelde persoonsgegevens.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 22 december 2021

Willem-Alexander

De Minister van Justitie en Veiligheid,

F.B.J. Grapperhaus

Uitgegeven de vierde januari 2022

De Minister van Justitie en Veiligheid,

F.B.J. Grapperhaus

Naar boven