Uitvoeringsbesluit WVO 2020

Geraadpleegd op 29-09-2022.
Geldend van 01-08-2022 t/m heden

Besluit van 14 oktober 2021, houdende nadere regels over de inrichting, examinering en bekostiging van en deelname aan het voortgezet onderwijs (Uitvoeringsbesluit WVO 2020)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 6 juli 2021, nr. WJZ/27929139 (6797), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Gelet op de Wet voortgezet onderwijs 2020, de artikelen 7.3.4, tweede lid, 7.4.11, derde en vijfde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, en de artikelen 7.3.3, tweede lid, en 7.4.13, derde en vijfde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 25 augustus 2021, nr. W05.21.0191/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 12 oktober 2021, nr. WJZ/29176009 (6797), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Onderwijs

Paragraaf 1. Inrichting onderbouw voortgezet onderwijs

Artikel 2.2. Afwijkingen delen onderwijsprogramma eerste twee leerjaren voortgezet onderwijs

  • 2 Het bevoegd gezag stelt een commissie in die hem adviseert voor welke leerlingen artikel 2.18, tweede lid, van de wet kan worden toegepast. Het bevoegd gezag regelt de omvang en samenstelling van de commissie.

  • 3 In haar schriftelijk advies doet de commissie aan het bevoegd gezag voorstellen over de aard van de afwijkingen. Daarbij geeft zij aan waarop deze voorstellen zijn gegrond.

  • 4 De commissie betrekt in elk geval bij haar oordeelsvorming:

    • a. in voorkomende gevallen het onderwijskundig rapport, bedoeld in artikel 42, eerste lid, WPO, artikel 48 van de WPO BES of artikel 43 WEC en de resultaten van het onderzoek naar de geschiktheid, bedoeld in artikel 8.3, eerste lid, of artikel 9.40;

    • b. indien de omstandigheid op grond waarvan afwijking wordt voorgesteld daartoe aanleiding geeft, de verklaring die is afgegeven door een deskundige;

    • c. de schriftelijke zienswijze van de ouders van de leerlingen;

    • d. de schriftelijke zienswijze van de leraar of leraren die zijn belast met het betrokken onderwijs.

  • 5 Indien het bevoegd gezag het voornemen heeft om af te wijken van het advies van de commissie, overlegt het bevoegd gezag met de commissie.

  • 6 De beslissing van het bevoegd gezag van een bijzondere school over het afwijken van onderdelen van het onderwijsprogramma berust op een deugdelijke motivering.

  • 7 Het bevoegd gezag zendt zijn besluit, voorzien van een deugdelijke motivering en vergezeld van het advies van de commissie en de daarbij gevoegde gegevens, bedoeld in het vierde lid, aan de ouders van de betrokken leerlingen, aan de betrokken leraar of leraren en aan de inspectie.

Artikel 2.3. Aanvullende bepalingen talenonderwijs eerste drie leerjaren vwo en havo

  • 1 Het onderwijsprogramma in de eerste drie leerjaren aan een school voor vwo en aan een school voor havo omvat ook onderwijs in Franse taal en Duitse taal.

  • 2 Het bevoegd gezag kan een leerling van een school als bedoeld in het eerste lid ontheffing verlenen voor het volgen van onderwijs in Franse taal of Duitse taal, indien de leerling onderwijs volgt in Spaanse taal, Russische taal, Italiaanse taal, Arabische taal, Turkse taal of, in vwo, Chinese taal en cultuur.

  • 3 Het bevoegd gezag kan een leerling van een school als bedoeld in het eerste lid ook ontheffing verlenen voor het volgen van onderwijs in Franse taal of Duitse taal of in beide talen, indien de leerling:

    • a. voor de eerste maal tot een school als bedoeld in het eerste lid is toegelaten;

    • b. is geplaatst in een hoger leerjaar dan het eerste;

    • c. eerder buiten Nederland vergelijkbaar onderwijs heeft gevolgd; en

    • d. daarbij geen of te weinig onderwijs in deze taal of talen heeft gevolgd.

  • 4 Het onderwijsprogramma in de eerste drie leerjaren aan een gymnasium omvat ook onderwijs in Latijnse taal en cultuur en Griekse taal en cultuur.

Artikel 2.4. Aanvullende bepalingen talenonderwijs eerste twee leerjaren mavo en vbo

  • 1 Het onderwijsprogramma in de eerste twee leerjaren aan een school voor mavo en aan een school voor vbo omvat ook onderwijs in Franse taal of Duitse taal. De eerste volzin is niet van toepassing op leerlingen voor wie naar de verwachting van het bevoegd gezag het onderwijs in de basisberoepsgerichte leerweg het meest geschikt is.

  • 2 Het bevoegd gezag kan een leerling van een school als bedoeld in het eerste lid ontheffing verlenen voor het volgen van onderwijs in Franse taal of Duitse taal, indien de leerling onderwijs volgt in Spaanse taal, Arabische taal of Turkse taal.

  • 3 Het bevoegd gezag kan een leerling van een school als bedoeld in het eerste lid ook ontheffing verlenen voor het volgen van onderwijs in de Franse taal of Duitse taal, indien de leerling:

    • a. voor de eerste maal tot een school als bedoeld in het eerste lid is toegelaten;

    • b. is geplaatst in een hoger leerjaar dan het eerste;

    • c. eerder buiten Nederland vergelijkbaar onderwijs heeft gevolgd; en

    • d. daarbij geen of te weinig onderwijs in deze taal of talen heeft gevolgd.

  • 4 De leerling die op basis van het eerste lid, tweede volzin, geen onderwijs volgt in de Franse taal of Duitse taal, volgt in het profiel economie en ondernemen of het profiel horeca, bakkerij en recreatie van de basisberoepsgerichte leerweg in plaats hiervan, naar keuze van de leerling, het vak Arabische taal, Turkse taal, Spaanse taal, maatschappijkunde, geschiedenis en staatsinrichting of aardrijkskunde.

Paragraaf 2. Profielen bovenbouw vwo-onderwijs

Artikel 2.5. Inrichting gemeenschappelijk deel profielen vwo

  • 1 Het gemeenschappelijk deel van een profiel in het atheneum omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

    • a. Nederlandse taal en literatuur: 480;

    • b. Engelse taal en literatuur: 400;

    • c. Franse taal en literatuur, Duitse taal en literatuur, Spaanse taal en literatuur, Russische taal en literatuur, Italiaanse taal en literatuur, Arabische taal en literatuur, Turkse taal en literatuur, Chinese taal en cultuur of Friese taal en cultuur, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt: 480;

    • d. maatschappijleer: 120;

    • e. culturele en kunstzinnige vorming: 160; en

    • f. lichamelijke opvoeding: 160.

  • 2 Het gemeenschappelijk deel van een profiel in het gymnasium omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

    • a. Nederlandse taal en literatuur: 480;

    • b. Engelse taal en literatuur: 400;

    • c. Latijnse taal en cultuur of Griekse taal en cultuur, ter keuze van de leerling uit deze beide door het bevoegd gezag aan te bieden vakken: 760;

    • d. maatschappijleer: 120; en

    • e. lichamelijke opvoeding: 160.

Artikel 2.6. Inrichting profieldeel profielen vwo

  • 1 Het profieldeel van het profiel natuur en techniek in vwo omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

    • a. wiskunde B: 600;

    • b. natuurkunde: 480;

    • c. scheikunde: 440; en

    • d. een van de volgende profielkeuzevakken, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt:

      • 1°. natuur, leven en technologie: 440;

      • 2°. informatica: 440;

      • 3°. biologie: 480; of

      • 4°. wiskunde D: 440.

  • 2 Het profieldeel van het profiel natuur en gezondheid in vwo omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

    • a. wiskunde A: 520, met dien verstande dat de leerling het vak wiskunde A kan vervangen door wiskunde B, voor zover het bevoegd gezag dit vak als onderdeel van dit profiel aanbiedt;

    • b. biologie: 480;

    • c. scheikunde: 440; en

    • d. een van de volgende profielkeuzevakken, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt:

      • 1°. natuur, leven en technologie: 440;

      • 2°. aardrijkskunde: 440; of

      • 3°. natuurkunde: 480.

  • 3 Het profieldeel van het profiel economie en maatschappij in vwo omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

    • a. wiskunde A: 520, met dien verstande dat de leerling het vak wiskunde A kan vervangen door wiskunde B, voor zover het bevoegd gezag dit vak als onderdeel van dit profiel aanbiedt;

    • b. economie: 480;

    • c. geschiedenis: 440; en

    • d. een van de volgende profielkeuzevakken, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt:

      • 1°. bedrijfseconomie: 440;

      • 2°. aardrijkskunde: 440;

      • 3°. maatschappijwetenschappen: 440; of

      • 4°. Franse taal en literatuur, Duitse taal en literatuur, Spaanse taal en literatuur, Russische taal en literatuur, Italiaanse taal en literatuur, Arabische taal en literatuur, Turkse taal en literatuur, Chinese taal en cultuur of Friese taal en cultuur: 480.

  • 4 Het profieldeel van het profiel cultuur en maatschappij in vwo omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

    • a. wiskunde C: 480, met dien verstande dat de leerling het vak wiskunde C kan vervangen door wiskunde A of wiskunde B, voor zover het bevoegd gezag deze vakken als onderdeel van dit profiel aanbiedt;

    • b. geschiedenis: 480;

    • c. een van de volgende culturele profielkeuzevakken, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt:

      • 1°. kunst (beeldende vormgeving), kunst (muziek), kunst (drama), kunst (dans), muziek, tekenen, handvaardigheid of textiele vormgeving: 480;

      • 2°. filosofie: 480;

      • 3°. Franse taal en literatuur, Duitse taal en literatuur, Spaanse taal en literatuur, Russische taal en literatuur, Italiaanse taal en literatuur, Arabische taal en literatuur, Turkse taal en literatuur, Chinese taal en cultuur, Friese taal en cultuur met een normatieve studielast van 480 uren, Latijnse taal en cultuur of Griekse taal en cultuur met een normatieve studielast van 760 uren; of

    • d. een van de volgende maatschappelijke profielkeuzevakken, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt:

      • 1°. aardrijkskunde: 440;

      • 2°. maatschappijwetenschappen: 440; of

      • 3°. economie: 480.

Artikel 2.7. Inrichting vrij deel profielen vwo

Het vrije deel van een profiel in vwo omvat ter keuze van de leerling ten minste een vak uit het geheel van:

  • a. de vakken, genoemd in de artikelen 2.5 en 2.6, voor zover deze vakken niet al deel uitmaken van het profiel en het bevoegd gezag deze vakken als onderdeel van het vrije deel aanbiedt, met dien verstande dat:

    • 1°. binnen een profiel zijn toegestaan de combinatie van wiskunde A en wiskunde B of de combinatie van wiskunde B en wiskunde C, en dat wiskunde D kan worden gekozen indien wiskunde B al deel uitmaakt van het profiel;

    • 2°. kunst (beeldende vormgeving) niet gekozen kan worden in combinatie met tekenen, handvaardigheid of textiele vormgeving, dat kunst (muziek) niet gekozen kan worden in combinatie met muziek;

    • 3°. van de vakken tekenen, handvaardigheid en textiele vormgeving er een deel kan uitmaken van het profiel;

  • b. de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren, voor zover het vak niet al eerder is gevolgd of niet al deel uitmaakt van het profiel en voor zover het bevoegd gezag deze vakken in het vrije deel aanbiedt:

    • 1°. Spaanse taal en literatuur (elementair): 480;

    • 2°. Russische taal en literatuur (elementair): 480;

    • 3°. Italiaanse taal en literatuur (elementair): 480;

    • 4°. Arabische taal en literatuur (elementair): 480;

    • 5°. Turkse taal en literatuur (elementair): 480; en

    • 6°. Chinese taal en cultuur (elementair): 480;

  • c. de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast uitgedrukt in uren, voor zover het bevoegd gezag deze vakken als onderdeel van het vrije deel aanbiedt:

    • 1°. kunst (algemeen): 200;

    • 2°. algemene natuurwetenschappen: 120; en

    • 3°. bewegen, sport en maatschappij: 440;

  • d. door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en andere programmaonderdelen.

Artikel 2.8. Vrijstellingen leerlingen vwo

  • 1 De leerling van een school voor vwo met het diploma havo is vrijgesteld van het volgen van onderwijs in het vak maatschappijleer en als het gaat om een atheneum ook in het vak culturele en kunstzinnige vorming.

  • 2 De leerling van een school voor vwo met het diploma havo of het diploma vmbo die in plaats van een vak voor die schoolsoort of als extra vak examen heeft afgelegd in een overeenkomstig vak, genoemd in de artikelen 2.5 tot en met 2.7, is vrijgesteld van het volgen van onderwijs in dit vak.

  • 3 De leerling van een atheneum is vrijgesteld van het volgen van onderwijs in het vak culturele en kunstzinnige vorming, indien Latijnse taal en cultuur of Griekse taal en cultuur, of beide, deel uitmaken van het profiel.

Artikel 2.9. Ontheffing leerlingen profielen vwo (atheneum) voor tweede taal

  • 1 Het bevoegd gezag van een atheneum kan een leerling ontheffing verlenen voor het volgen van onderwijs in een tweede moderne vreemde taal als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, onderdeel c, indien:

    • a. de leerling een stoornis heeft die specifiek betrekking heeft op taal of een zintuiglijke stoornis heeft die effect heeft op taal;

    • b. de leerling een andere moedertaal heeft dan de Nederlandse taal of de Friese taal; of

    • c. de leerling onderwijs volgt in het profiel natuur en techniek of in het profiel natuur en gezondheid en het onderwijs in de taal naar verwachting verhindert dat de opleiding met goed gevolg wordt afgerond.

  • 2 In geval van een ontheffing als bedoeld in het eerste lid, wordt de taal vervangen door een van de vakken of programmaonderdelen, genoemd in de artikelen 2.6 of 2.7, onderdeel c en d, met een normatieve studielast van ten minste 440 uren, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken of programmaonderdelen als zodanig aanbiedt.

Paragraaf 3. Profielen bovenbouw havo-onderwijs

Artikel 2.10. Inrichting gemeenschappelijk deel profielen havo

Het gemeenschappelijk deel van een profiel in havo omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

  • a. Nederlandse taal en literatuur: 400;

  • b. Engelse taal en literatuur: 360;

  • c. maatschappijleer: 120;

  • d. culturele en kunstzinnige vorming: 120; en

  • e. lichamelijke opvoeding: 120.

Artikel 2.11. Inrichting profieldeel profielen havo

  • 1 Het profieldeel van het profiel natuur en techniek in havo omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

    • a. wiskunde B: 360;

    • b. natuurkunde: 400;

    • c. scheikunde: 320; en

    • d. een van de volgende profielkeuzevakken, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt:

      • 1°. natuur, leven en technologie: 320;

      • 2°. informatica: 320;

      • 3°. biologie: 400;

      • 4°. wiskunde D: 320.

  • 2 Het profieldeel van het profiel natuur en gezondheid in havo omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

    • a. wiskunde A: 320, met dien verstande dat de leerling wiskunde A kan vervangen door wiskunde B, voor zover het bevoegd gezag dit vak als onderdeel van dit profiel aanbiedt;

    • b. biologie: 400;

    • c. scheikunde: 320; en

    • d. een van de volgende profielkeuzevakken, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt:

      • 1°. natuur, leven en technologie: 320;

      • 2°. aardrijkskunde: 320;

      • 3°. natuurkunde: 400.

  • 3 Het profieldeel van het profiel economie en maatschappij in havo omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

    • a. wiskunde A: 320, met dien verstande dat de leerling wiskunde A kan vervangen door wiskunde B, voor zover het bevoegd gezag dit vak als onderdeel van dit profiel aanbiedt;

    • b. economie: 400;

    • c. geschiedenis: 320; en

    • d. een van de volgende profielkeuzevakken, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt:

      • 1°. bedrijfseconomie: 320;

      • 2°. aardrijkskunde: 320;

      • 3°. maatschappijwetenschappen: 320;

      • 4°. Franse taal en literatuur, Duitse taal en literatuur, Spaanse taal en literatuur, Russische taal en literatuur, Italiaanse taal en literatuur, Arabische taal en literatuur, Turkse taal en literatuur, of Friese taal en cultuur: 400.

  • 4 Het profieldeel van het profiel cultuur en maatschappij in havo omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

    • a. geschiedenis: 320;

    • b. Franse taal en literatuur, Duitse taal en literatuur, Spaanse taal en literatuur, Russische taal en literatuur, Italiaanse taal en literatuur, Arabische taal en literatuur, Turkse taal en literatuur, of Friese taal en cultuur, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt: 400;

    • c. een van de volgende culturele profielkeuzevakken, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt:

      • 1°. kunst (beeldende vormgeving), kunst (muziek), kunst (drama), kunst (dans), muziek, tekenen, handvaardigheid of textiele vormgeving: 320;

      • 2°. filosofie: 320;

      • 3°. Franse taal en literatuur, Duitse taal en literatuur, Spaanse taal en literatuur, Russische taal en literatuur, Italiaanse taal en literatuur, Arabische taal en literatuur, Turkse taal en literatuur, of Friese taal en cultuur: 400; en

    • d. een van de volgende maatschappelijke profielkeuzevakken, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt:

      • 1°. aardrijkskunde: 320;

      • 2°. maatschappijwetenschappen: 320;

      • 3°. economie: 400.

Artikel 2.12. Inrichting vrije deel profielen havo

Het vrije deel van een profiel in havo omvat ter keuze van de leerling ten minste één vak uit het geheel van:

  • a. de vakken, genoemd in de artikelen 2.10 en 2.11, voor zover deze vakken niet al deel uitmaken van het profiel en het bevoegd gezag deze vakken als onderdeel van het vrije deel aanbiedt, met dien verstande dat:

    • 1°. binnen een profiel zijn toegestaan de combinatie van wiskunde A en wiskunde B, en dat wiskunde D uitsluitend kan worden gekozen indien wiskunde B al deel uitmaakt van het profiel;

    • 2°. kunst (beeldende vormgeving) niet gekozen kan worden in combinatie met tekenen, handvaardigheid of textiele vormgeving, dat kunst (muziek) niet gekozen kan worden in combinatie met muziek;

    • 3°. van de vakken tekenen, handvaardigheid en textiele vormgeving er één deel kan uitmaken van het profiel;

  • b. de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren, voor zover het vak niet al eerder is gevolgd of al deel uitmaakt van het profiel en het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt:

    • 1°. Spaanse taal en literatuur (elementair): 320;

    • 2°. Russische taal en literatuur (elementair): 320;

    • 3°. Italiaanse taal en literatuur (elementair): 320;

    • 4°. Arabische taal en literatuur (elementair): 320;

    • 5°. Turkse taal en literatuur (elementair): 320;

  • c. de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast in uren:

    • 1°. kunst (algemeen): 120;

    • 2°. algemene natuurwetenschappen: 120;

    • 3°. bewegen, sport en maatschappij: 320;

  • d. door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en andere programmaonderdelen.

Paragraaf 4. Profielen bovenbouw mavo en vbo

Paragraaf 4.1. Profielen theoretische leerweg

Artikel 2.16. Inrichting profieldeel theoretische leerweg vmbo

  • 1 Het profieldeel van het profiel techniek van de theoretische leerweg omvat de volgende vakken:

    • a. wiskunde; en

    • b. natuur- en scheikunde I.

  • 2 Het profieldeel van het profiel zorg en welzijn van de theoretische leerweg omvat de volgende vakken:

    • a. biologie; en

    • b. een van de volgende vakken, ter keuze van de leerling, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welk vak, genoemd onder 2° tot met 4°, wordt of worden aangeboden:

      • 1°. wiskunde;

      • 2°. maatschappijkunde;

      • 3°. geschiedenis en staatsinrichting; of

      • 4°. aardrijkskunde.

  • 3 Het profieldeel van het profiel economie van de theoretische leerweg omvat de volgende vakken:

    • a. economie; en,

    • b. een van de volgende vakken, ter keuze van de leerling, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welk vak, genoemd onder 2° en 3°, wordt of worden aangeboden:

      • 1°. wiskunde;

      • 2°. Franse taal; of

      • 3°. Duitse taal.

  • 4 Het profieldeel van het profiel groen van de theoretische leerweg omvat de volgende vakken:

    • a. wiskunde; en

    • b. een van de volgende vakken, ter keuze van de leerling:

      • 1°. biologie; of

      • 2°. natuur- en scheikunde I.

Artikel 2.17. Inrichting vrije deel theoretische leerweg vmbo

  • 1 Het vrije deel van de theoretische leerweg:

    • a. omvat door de leerling te kiezen vakken, genoemd in artikel 2.16, voor zover deze niet al deel uitmaken van het profiel;

    • b. kan omvatten natuur- en scheikunde II, Spaanse taal, Turkse taal, Arabische taal, kunstvakken inclusief culturele en kunstzinnige vorming, Friese taal en cultuur, lichamelijke opvoeding 2 en informatietechnologie, door de leerling te kiezen, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke vakken worden aangeboden; en

    • c. kan omvatten door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en programmaonderdelen.

  • 2 Naast het onderwijsprogramma, bedoeld in het eerste lid en in de artikelen 2.15, 2.16 , kan het bevoegd gezag de leerling in de gelegenheid stellen om beroepsgerichte keuzevakken als bedoeld in artikel 2.26, onderdeel b, te volgen, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke beroepsgerichte keuzevakken worden aangeboden.

Artikel 2.19. Minimum aantal vakken derde leerjaar theoretische leerweg vmbo

  • 1 In het derde leerjaar volgt de leerling in de theoretische leerweg naast de vakken van het gemeenschappelijk deel, onderwijs in ten minste zeven vakken van het profieldeel of het vrije deel waarin eindexamen kan worden afgelegd.

  • 2 Indien de leerling onderwijs in een derde moderne vreemde taal volgt of heeft gevolgd in een voorafgaand leerjaar, is het aantal vakken, bedoeld in het eerste lid, zes.

Paragraaf 4.2. Profielen beroepsgerichte leerwegen vmbo

Artikel 2.21. Inrichting profieldeel van de beroepsgerichte leerwegen vmbo

  • 1 Het profieldeel van de beroepsgerichte leerwegen omvat voor de volgende profielen de daarachter vermelde profielvakken:

    • a. het profiel bouwen, wonen en interieur: het profielvak bouwen, wonen en interieur;

    • b. het profiel produceren, installeren en energie: het profielvak produceren, installeren en energie;

    • c. het profiel mobiliteit en transport: het profielvak mobiliteit en transport;

    • d. het profiel media, vormgeving en ICT: het profielvak media, vormgeving en ICT;

    • e. het profiel maritiem en techniek: het profielvak maritiem en techniek;

    • f. het profiel zorg en welzijn: het profielvak zorg en welzijn;

    • g. het profiel economie en ondernemen: het profielvak economie en ondernemen;

    • h. het profiel horeca, bakkerij en recreatie: het profielvak horeca, bakkerij en recreatie;

    • i. het profiel groen: het profielvak groen; en

    • j. het profiel dienstverlening en producten: het profielvak dienstverlening en producten.

  • 2 Naast het profielvak omvat het profieldeel voor de volgende profielen de daarachter vermelde vakken:

    • a. het profiel bouwen, wonen en interieur, het profiel produceren, installeren en energie, het profiel mobiliteit en transport en het profiel media, vormgeving en ICT:

      • 1°. wiskunde; en

      • 2°. natuur- en scheikunde I.

    • b. het profiel zorg en welzijn:

      • 1°. biologie; en

      • 2°. ter keuze van de leerling, wiskunde, maatschappijkunde, geschiedenis en staatsinrichting, of aardrijkskunde, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke van de laatste drie vakken wordt of worden aangeboden;

    • c. het profiel economie en ondernemen, en het profiel horeca, bakkerij en recreatie:

      • 1°. economie; en

      • 2°. ter keuze van de leerling, wiskunde, Franse taal of Duitse taal, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke van de twee laatste vakken wordt of worden aangeboden;

    • d. het profiel groen:

      • 1°. wiskunde; en

      • 2°. ter keuze van de leerling, biologie of natuur- en scheikunde I;

    • e. het profiel dienstverlening en producten:

    ter keuze van de leerling, twee van de vakken wiskunde, economie, biologie en natuur- en scheikunde I.

Artikel 2.23. Overeenkomstig vak op niveau vwo, havo of andere leerweg en extra vak

  • 1 Het bevoegd gezag kan een leerling in een beroepsgerichte leerweg in de gelegenheid stellen om in plaats van de vakken van het gemeenschappelijk deel of van het profieldeel van de beroepsgerichte leerweg, genoemd in de artikelen 2.20 en 2.21, of van de vakken die in de plaats komen van een tweede moderne vreemde taal te volgen:

  • 2 Indien het gaat om een leerling in de basisberoepsgerichte leerweg, kan het bevoegd gezag de leerling ook in de gelegenheid stellen om in plaats van de vakken van het gemeenschappelijk deel of het profieldeel van de basisberoepsgerichte leerweg, genoemd in de artikelen 2.20 en 2.21, van de vakken die in de plaats komen van een tweede moderne vreemde taal of van de beroepsgerichte keuzevakken, de overeenkomstige vakken van de kaderberoepsgerichte leerweg te volgen.

  • 3 Het bevoegd gezag kan de leerling in een beroepsgerichte leerweg in de gelegenheid stellen om Friese taal en cultuur als extra vak te volgen.

Paragraaf 4.3. Profielen gemengde leerweg vmbo

Artikel 2.25. Inrichting profieldeel gemengde leerweg vmbo

  • 1 Het profieldeel van de gemengde leerweg vmbo omvat voor de volgende profielen de daarachter vermelde profielvakken:

    • a. het profiel bouwen, wonen en interieur; het profielvak bouwen, wonen en interieur;

    • b. het profiel produceren, installeren en energie; het profielvak produceren, installeren en energie;

    • c. het profiel mobiliteit en transport; het profielvak mobiliteit en transport;

    • d. het profiel media, vormgeving en ICT; het profielvak media, vormgeving en ICT;

    • e. het profiel maritiem en techniek; het profielvak maritiem en techniek;

    • f. het profiel zorg en welzijn; het profielvak zorg en welzijn;

    • g. het profiel economie en ondernemen; het profielvak economie en ondernemen;

    • h. het profiel horeca, bakkerij en recreatie; het profielvak horeca, bakkerij en recreatie;

    • i. het profiel groen; het profielvak groen; en

    • j. het profiel dienstverlening en producten: het profielvak dienstverlening en producten.

  • 2 Naast het profielvak omvat het profieldeel voor de volgende profielen de daarachter vermelde vakken:

    • a. het profiel bouwen, wonen en interieur, het profiel produceren, installeren en energie, het profiel mobiliteit en transport, het profiel media, vormgeving en ICT:

      • 1°. wiskunde; en

      • 2°. natuur- en scheikunde I;

    • b. het profiel zorg en welzijn:

      • 1°. biologie; en,

      • 2°. ter keuze van de leerling, wiskunde, maatschappijkunde, geschiedenis en staatsinrichting, of aardrijkskunde, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke van de laatste drie vakken wordt of worden aangeboden;

    • c. het profiel economie en ondernemen, en het profiel horeca, bakkerij en recreatie:

      • 1°. economie; en,

      • 2°. ter keuze van de leerling, wiskunde, Franse taal of Duitse taal, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke van de twee laatste vakken wordt aangeboden;

    • d. het profiel groen:

      • 1°. wiskunde; en,

      • 2°. ter keuze van de leerling, biologie of natuur- en scheikunde I;

    • e. het profiel dienstverlening en producten: ter keuze van de leerling twee van de vakken wiskunde, economie, biologie en natuur- en scheikunde I.

Artikel 2.26. Inrichting vrije deel gemengde leerweg vmbo

Het vrije deel van een profiel in de gemengde leerweg:

  • a. omvat door de leerling te kiezen vakken, genoemd in artikel 2.25, voor zover deze niet al deel uitmaken van het profiel;

  • b. omvat door de leerling te kiezen beroepsgerichte keuzevakken, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke beroepsgerichte keuzevakken worden aangeboden;

  • c. kan omvatten natuur- en scheikunde II, Spaanse taal, Turkse taal, Arabische taal, kunstvakken inclusief culturele en kunstzinnige vorming, Friese taal en cultuur, lichamelijke opvoeding 2 en informatietechnologie, door de leerling te kiezen; en

  • d. kan omvatten door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en programmaonderdelen.

Artikel 2.28. Minimum aantal vakken derde leerjaar gemengde leerweg

  • 1 In het derde leerjaar volgt de leerling in de gemengde leerweg naast de vakken van het gemeenschappelijk deel ten minste onderwijs in een beroepsgericht programma als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, onderdeel d, en vijf algemene vakken waarin eindexamen kan worden afgelegd.

  • 2 Indien de leerling onderwijs in een derde moderne vreemde taal volgt of heeft gevolgd in enig voorafgaand leerjaar, is het aantal algemene vakken, bedoeld in het eerste lid, vier.

Paragraaf 4.4. Beroepsgerichte keuzevakken vmbo

Artikel 2.29. Beroepsgerichte keuzevakken vmbo

  • 1 Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke beroepsgerichte keuzevakken deel kunnen uitmaken van het beroepsgerichte programma in de basisberoepsgerichte, kaderberoepsgerichte en gemengde leerweg van het vmbo.

  • 2 Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de school voldoende beroepsgerichte keuzevakken aanbiedt waaruit leerlingen kunnen kiezen in het kader van hun beroepsgerichte programma.

  • 3 Bij zijn keuze welke beroepsgerichte keuzevakken door de school worden aangeboden, consulteert het bevoegd gezag een of meer instellingen voor educatie en beroepsonderwijs en een of meer regionale arbeidsmarktpartijen.

Artikel 2.30. Ontwikkeling nieuw beroepsgericht keuzevak vmbo

  • 1 Het bevoegd gezag van een school voor vmbo kan, in samenwerking met een of meer instellingen voor educatie en beroepsonderwijs en een of meer regionale arbeidsmarktpartijen, een beroepsgericht keuzevak ontwikkelen.

  • 2 Het bevoegd gezag stelt de medezeggenschapsraad van de school op de hoogte van het voornemen tot ontwikkeling van een beroepsgericht keuzevak.

  • 3 Het bevoegd gezag meldt het voornemen tot ontwikkeling van een beroepsgericht keuzevak zo spoedig mogelijk aan Onze Minister.

  • 4 Onze Minister brengt binnen zes weken na de melding schriftelijk advies uit over het voornemen.

  • 5 Bij ministeriële regeling wordt een model vastgesteld voor de melding van het voornemen en kunnen nadere regels worden gesteld over de procedure voor deze melding.

Artikel 2.31. Procedure goedkeuring nieuw beroepsgericht keuzevak vmbo

  • 1 Onze Minister beslist over de goedkeuring van een beroepsgericht keuzevak.

  • 2 Onze Minister beslist binnen dertien weken op de aanvraag tot goedkeuring en laat zich daarbij adviseren door een onafhankelijke adviescommissie.

  • 3 Als Onze Minister een aanvraag inwilligt, neemt hij het nieuwe beroepsgerichte keuzevak uiterlijk met ingang van 1 augustus daaropvolgend op in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 2.29, eerste lid.

  • 4 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over beroepsgerichte keuzevakken, waaronder in elk geval over:

    • a. de aard en omvang van het beroepsgerichte keuzevak;

    • b. de opbouw van de leerstof, gedifferentieerd naar de verschillende leerwegen waarin het beroepsgerichte keuzevak kan worden aangeboden;

    • c. de mate waarin een nieuw beroepsgerichte keuzevak zich onderscheidt van bestaande beroepsgerichte keuzevakken.

  • 5 Bij ministeriële regeling wordt een model vastgesteld voor de aanvraag tot goedkeuring van een beroepsgericht keuzevak en kunnen nadere regels worden gesteld over de procedure voor deze goedkeuring.

Paragraaf 4.5. Vrijstellingen en ontheffingen profielen vmbo

Artikel 2.32. Vrijstelling leerlingen profielen vmbo

  • 1 De leerling van een school voor mavo of vbo die in het bezit is van een diploma vmbo in een andere leerweg dan de leerweg van zijn inschrijving, en die met toepassing van de artikelen 2.18, 2.23 of 2.27 in plaats van een vak voor de leerweg waarin hij eindexamen heeft afgelegd, examen heeft afgelegd in een overeenkomstig vak voor een andere leerweg, voor havo of voor vwo, of als extra vak, is vrijgesteld van het volgen van onderwijs in dat vak.

  • 2 Dit artikel is ook van toepassing op een leerling die in een hoger leerjaar voor de eerste maal in Nederland tot een school is toegelaten.

Artikel 2.33. Ontheffing leerlingen profielen vmbo

  • 1 Het bevoegd gezag kan een ontheffing als bedoeld in artikel 2.4, tweede of derde lid, verleend voor de eerste twee leerjaren van het volgen van onderwijs in Franse taal of Duitse taal ook aanmerken als ontheffing voor het volgen van onderwijs in die taal voor de periode waarin de leerling onderwijs in de theoretische, kaderberoepsgerichte of gemengde leerweg volgt. Deze ontheffing wordt verleend aan leerlingen die:

    • a. op grond van artikel 2.4, tweede lid, beschikken over een ontheffing en deze ontheffing wordt voortgezet;

    • b. in de periode van de eerste twee leerjaren onderwijs in Spaanse taal, Arabische taal of Turkse taal volgden; of

    • c. onderwijs gaan volgen in de basisberoepsgerichte leerweg en die in het schooljaar voorafgaand aan het betrokken schooljaar leerwegondersteunend onderwijs volgden.

  • 2 Bij een ontheffing op grond van het eerste lid wordt het onderwijs in de betrokken taal vervangen door het onderwijs in Arabische taal, Turkse taal, Spaanse taal, maatschappijkunde, geschiedenis en staatsinrichting, of aardrijkskunde.

  • 3 Dit artikel is ook van toepassing op een leerling die in een hoger leerjaar voor de eerste maal in Nederland tot een school is toegelaten.

Paragraaf 5. Stage beroepsgerichte leerwegen en gemengde leerweg

Artikel 2.35. Stageplan en stageplaatsen

  • 1 Het doel, de inhoud, de omvang, de opbouw en de organisatie van de stage worden beschreven in een stageplan.

  • 2 Een stage wordt doorlopen op een of meer stageplaatsen, die ter beschikking worden gesteld door een of meer stagebieders.

Artikel 2.36. Stageovereenkomst

  • 1 Het bevoegd gezag sluit met de ouders respectievelijk de leerling indien deze handelingsbekwaam is en de stagebieder een schriftelijke stageovereenkomst waaruit blijkt dat de leerling leeractiviteiten ontplooit in het kader van het stageplan.

  • 2 Het bevoegd gezag wijst op de school een stageleraar aan die belast is met het toezicht op de leerling gedurende de stage. De stagebieder wijst een stagebegeleider aan die bij hem werkzaam is en belast is met de begeleiding van de leerling.

  • 3 De stageovereenkomst omvat in elk geval:

    • a. de leeractiviteiten die de leerling bij de aangewezen stagebieder op een of meer specifieke stageplaatsen moet ontplooien;

    • b. de aanvangsdatum, de einddatum en de tijden van de leeractiviteiten;

    • c. een regeling voor de begeleiding van de leerling bij de stagebieder waarin in elk geval wordt geregeld welk aandeel in de begeleiding door de stageleraar respectievelijk door de stagebegeleider wordt verzorgd;

    • d. de wijze waarop de stagebieder bij de beoordeling van de leeractiviteiten wordt betrokken;

    • e. een regeling die de inspectie in staat stelt toezicht te houden op de leeractiviteiten.

  • 4 De stageovereenkomst bepaalt ook:

    • a. wie de verzekering sluit tegen het financiële risico van ongevallen en tegen wettelijke aansprakelijkheid van de leerling voor de tijd dat deze zich bevindt bij de stagebieder; en

    • b. ten laste van wie de verzekeringspremie zal komen.

Paragraaf 6. Inrichting praktijkonderwijs

Artikel 2.38. Vakken praktijkonderwijs

  • 1 Praktijkonderwijs omvat ten minste onderwijs in:

    • a. Nederlandse taal;

    • b. rekenen/wiskunde;

    • c. informatiekunde;

    • d. lichamelijke opvoeding; en

    • e. aangelegenheden waarvan het bevoegd gezag heeft vastgesteld dat deze van belang zijn voor het uitoefenen van functies binnen de regionale arbeidsmarkt.

  • 2 Het bevoegd gezag overlegt voor de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, met het college van burgemeester en wethouders dat daarbij de werkgevers betrekt die werkzaam zijn op de regionale arbeidsmarkt.

Paragraaf 7. Overige bepalingen inrichting onderwijs

Artikel 2.40. Betrekken instellingen of deskundigen bij vrije deel profielen

  • 1 Indien het bevoegd gezag bij de vaststelling van vakken en andere programmaonderdelen van het vrije deel van profielen in vwo, havo, mavo of vmbo instellingen of deskundigen van buiten de school betrekt, kan het onderwijs in die vakken en andere programmaonderdelen van het vrije deel, onverminderd de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag voor het onderwijs aan de school, ook worden gegeven door die andere instellingen of deskundigen.

  • 2 Het bevoegd gezag stelt als voorwaarde dat die instellingen of deskundigen voldoen aan de wettelijke regels die voor hen gelden of, indien deze regels ontbreken, aan de binnen de beroepsgroep algemeen erkende normen.

  • 4 Het bevoegd gezag informeert de inspectie over de kwalificatie.

Artikel 2.41. Stageovereenkomst maatschappelijke stage vwo, havo, mavo, vmbo en praktijkonderwijs

  • 1 Een stageovereenkomst voor een maatschappelijke stage als bedoeld in 2.32 van de wet omvat in elk geval:

    • a. de leerdoelen;

    • b. de activiteiten die de leerling moet ontplooien om de leerdoelen te bereiken;

    • c. de aanvangsdatum, de einddatum en de tijden van de activiteiten;

    • d. een regeling voor de begeleiding van de leerling bij de stagebieder.

  • 2 Indien er geen externe stagebieder is, wordt de stageovereenkomst gesloten tussen het bevoegd gezag en ouders respectievelijk de leerling indien deze handelingsbekwaam is.

  • 3 Artikel 2.36, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de stageovereenkomst voor een maatschappelijke stage.

Paragraaf 8. Onderwijstijd, vakanties

Artikel 2.42. Dagen waarop geen onderwijs wordt gegeven

  • 1 Op de volgende dagen wordt geen onderwijs gegeven:

    • a. de zaterdag en de zondag, ingeval van een vijfdaagse schoolweek;

    • b. de zondag, ingeval van een zesdaagse schoolweek;

    • c. nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag en de beide Kerstdagen; en

    • d. Koningsdag en Bevrijdingsdag.

  • 2 Het bevoegd gezag van een bijzondere school waar onderwijs wordt gegeven gebaseerd op een godsdienst of levensovertuiging, kan in plaats van of naast de feestdagen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, andere dagen die verband houden met deze godsdienst of levensovertuiging aanwijzen als feestdagen waarop geen onderwijs wordt gegeven.

  • 3 Het bevoegd gezag wijst bij een zesdaagse schoolweek ten hoogste dertien extra dagen per schooljaar aan en bij een vijfdaagse schoolweek ten hoogste twaalf extra dagen per schooljaar aan waarop geen onderwijs wordt gegeven, waarvan ten hoogste zes dagen onmiddellijk aansluitend voor of na de zomervakantie die voor de school bij ministeriële regeling op grond van 2.39, vierde lid, van de wet is vastgesteld.

Artikel 2.43. Aantal dagen vakanties

  • 1 Het aantal dagen dat per schooljaar ten hoogste als vakantie wordt vastgesteld, bedraagt 66 bij een zesdaagse schoolweek en 55 bij een vijfdaagse schoolweek.

  • 2 Indien voor een school het aantal dagen vakanties dat bij ministeriële regeling op grond van artikel 2.39, vierde lid, van de wet wordt vastgesteld lager is dan het aantal dagen, bedoeld in het eerste lid, kan het bevoegd gezag voor het betrokken schooljaar extra dagen vakanties vaststellen, met dien verstande dat het totaal aantal dagen vakanties het aantal, bedoeld in het eerste lid, niet te boven gaat.

  • 3 Onder dagen in het eerste lid wordt verstaan elke dag van de week met uitzondering van de zondag bij een zesdaagse schoolweek en met uitzondering van de zaterdag en de zondag bij een vijfdaagse schoolweek.

Artikel 2.44. Aantal klokuren onderwijs in de praktijk bij praktijkonderwijs

Het aantal klokuren onderwijs in de praktijk van de uitoefening van een vak of beroep, bedoeld in artikel 2.38, achtste lid, van de wet op een school voor praktijkonderwijs bedraagt gedurende de cursusduur gemiddeld ten hoogste 50% van het aantal uren waarin onderwijs wordt gegeven, met dien verstande dat voor leerlingen tot en met het schooljaar waarop zij de leeftijd van 17 jaar hebben bereikt het aantal uren onderwijs in de praktijk van de uitoefening van een vak of beroep per schoolweek ten hoogste 80% bedraagt van het aantal uren waarin in die week onderwijs wordt gegeven.

Artikel 2.45. Meetellen onderwijstijd voortgezet speciaal onderwijs

  • 1 Onderwijstijd telt als klokuren als bedoeld in artikel 2.38 van de wet, indien tussen het bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap en het bevoegd gezag van een school voor voortgezet speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, of van een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, een schriftelijke overeenkomst over de uitvoering daarvan is gesloten.

  • 2 De schriftelijke overeenkomst omvat in elk geval afspraken over:

    • a. de termijn waarvoor deze is aangegaan;

    • b. de vakken die de leerling volgt;

    • c. het aantal uren onderwijstijd per week per vak dat ten minste wordt aangeboden;

    • d. de aanwezigheid van leraren, onderwijsondersteunend personeel en andere begeleiding van de leerling.

  • 3 Een leerling kan gedurende een termijn van ten hoogste drie maanden aaneengesloten het volledige onderwijsprogramma volgen op een school of instelling als bedoeld in het eerste lid. In dat geval omvat de overeenkomst in elk geval afspraken over:

    • a. de termijn waarvoor deze is aangegaan;

    • b. de aanwezigheid van leraren, onderwijsondersteunend personeel en andere begeleiding van de leerling; en

    • c. het bedrag voor de personele en materiële kosten dat het bevoegd gezag van de school of scholengemeenschap waar de leerling is ingeschreven betaalt aan het bevoegd gezag van de school of van een instelling, bedoeld in het eerste lid, waarmee de overeenkomst wordt gesloten.

  • 5 Indien voor de toepassing van artikel 2.40, eerste lid, van de wet, scholen, scholengemeenschappen of instellingen als bedoeld in het eerste lid binnen hetzelfde bevoegd gezag zijn betrokken, maakt dit bevoegd gezag afspraken met de directies van deze betrokken scholen, scholengemeenschappen of instellingen over de onderdelen, genoemd in het tweede, en, indien van toepassing, het derde lid.

Paragraaf 9. Extra begeleiding en ondersteuning van leerlingen

Artikel 2.46. Beoordelingscriteria samenwerkingsverband praktijkonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs

  • 1 Een samenwerkingsverband baseert zijn beslissing op een in artikel 2.30, vijfde lid, van de wet bedoelde aanvraag van het bevoegd gezag of de leerling toelaatbaar is voor het praktijkonderwijs, of een in artikel 2.43, eerste lid, van de wet bedoelde aanvraag of de leerling is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs uitsluitend op:

    • a. de door het bevoegd gezag gegeven motivering, gebaseerd op ervaringen met de leerling in het onderwijsleerproces, zoals die onder meer blijken uit het onderwijskundig rapport, bedoeld in artikel 42, eerste lid, WPO of in artikel 43 WEC;

    • b. de leerachterstand van de leerling in de domeinen technisch lezen, spellen, begrijpend lezen of inzichtelijk rekenen;

    • c. het intelligentiequotiënt van de leerling, uitdrukkende zijn cognitieve capaciteiten op basis van scores op verbaal en niet-verbaal gebied;

    • d. indien dat noodzakelijk is voor het vormen van een oordeel, de resultaten van een of meer persoonlijkheidsonderzoeken over prestatiemotivatie, faalangst en emotionele instabiliteit die een beeld geven van het sociaal-emotioneel functioneren van de leerling in relatie tot de leerprestaties; en

    • e. voor een aanvraag voor toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs: de zienswijze van de ouders.

  • 2 Bij ministeriële regeling worden jaarlijks voor 1 oktober screenings- of testinstrumenten vastgesteld voor de beoordeling van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met d, alsmede regels voor het gebruik van die instrumenten. Bij de beslissing op de aanvraag controleert het samenwerkingsverband of het bevoegd gezag deze screenings- of testinstrumenten heeft gebruikt. De testinstrumenten voor de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, worden toegepast onder verantwoordelijkheid van een diagnostisch geschoold psycholoog of diagnostisch geschoold orthopedagoog.

  • 3 De leerachterstand van de leerling in de domeinen technisch lezen, spellen, begrijpelijk lezen en inzichtelijk rekenen is de uitkomst van 1 minus (DLE/DL), waarin:

    • a. DLE staat voor didactische leeftijdseenheden en het aantal maanden onderwijs dat behoort bij het niveau dat de leerling feitelijk heeft bereikt;

    • b. DL staat voor didactische leeftijd en het aantal maanden dat een leerling vanaf groep 3 in de perioden van september tot en met juni was ingeschreven bij een school als bedoeld in artikel 1 WPO of een school voor speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 WEC.

  • 4 Het samenwerkingsverband wijst de aanvraag voor praktijkonderwijs uitsluitend toe indien de leerling:

    • a. een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte van 55 tot en met 80; en

    • b. een leerachterstand heeft op ten minste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste een van deze twee domeinen gaat om inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen en deze leerachterstand ten minste 0,5 bedraagt.

  • 5 Het samenwerkingsverband wijst de aanvraag voor leerwegondersteunend onderwijs uitsluitend toe indien:

    • a. de leerling:

      • 1°. een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte 75 tot en met 90; en

      • 2°. een leerachterstand heeft op ten minste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste een van deze twee domeinen inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreft en deze leerachterstand is gelegen binnen de bandbreedte van 0,25 tot 0,5; of

    • b. de leerling:

      • 1°. een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte 91 tot en met 120;

      • 2°. een leerachterstand heeft op ten minste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste een van deze twee domeinen inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreft en deze leerachterstand is gelegen binnen de bandbreedte van 0,25 tot 0,5; en

      • 3°. een sociaal-emotionele problematiek heeft waardoor het onderwijsleerproces substantieel wordt belemmerd.

  • 6 Een leerling die als het gaat om intelligentiequotiënt of leerachterstand voldoet aan de vereisten voor toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs en die bovendien voldoet aan de vereisten voor het leerwegondersteunend onderwijs, kan toelaatbaar worden verklaard tot praktijkonderwijs of aangewezen worden op het leerwegondersteunend onderwijs, afhankelijk van de door het bevoegd gezag gegeven motivering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

Artikel 2.47. Criteria toelaatbaarheid praktijkonderwijs voor bijzondere groepen leerlingen

  • 1 De criteria, bedoeld in artikel 2.30, tweede lid, onderdeel c, van de wet, voor de toelaatbaarheid van een leerling tot het praktijkonderwijs, zijn dat het zorg- en onderwijsaanbod van het praktijkonderwijs naar het oordeel van het bevoegd gezag het beste aansluit bij de behoeften van de leerling, en dat die leerling:

    • a. vbo of mavo bezoekt en op leerwegondersteunend onderwijs is aangewezen, en:

      • 1°. scores heeft op de criteria, bedoeld in artikel 2.46, in het grensvlak van het leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs;

      • 2°. naar het oordeel van het bevoegd gezag een toegenomen problematiek heeft nadat de beslissing is genomen dat de leerling op leerwegondersteunend onderwijs is aangewezen; of

      • 3°. naar het oordeel van het bevoegd gezag een stapeling van andersoortige problematiek heeft dan wordt beoordeeld in het onderzoek of de leerling is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs of praktijkonderwijs; of

    • b. beschikt over een toelaatbaarheidsverklaring voor het speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs van een samenwerkingsverband of een ontwikkelingsperspectief, en:

      • 1°. voldoet aan het intelligentiequotiëntcriterium of leerachterstandscriterium voor toelating tot het praktijkonderwijs, bedoeld in artikel 2.46, vierde lid, zoals blijkt uit gegevens die gebaseerd zijn op screenings- of testinstrumenten als bedoeld in artikel 2.46, tweede lid; of

      • 2°. naar het oordeel van het bevoegd gezag, ongeacht de intelligentiequotiënt of de leerachterstand, een zodanige problematiek heeft dat toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs geboden is.

  • 2 Het samenwerkingsverband baseert de beslissing over de toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs uitsluitend op de volgende, bij de aanvraag gevoegde, gegevens:

    • a. een kopie van de beslissing dat de leerling is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs, een kopie van de toelaatbaarheidsverklaring voor het speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, of een kopie van het ontwikkelingsperspectief;

    • b. de schriftelijke zienswijze en instemming van de ouders;

    • c. een motivering van het bevoegd gezag waaruit blijkt dat de leerling voldoet aan de criteria, bedoeld in het eerste lid; en

    • d. een leerling-dossier dat in elk geval omvat:

      • 1°. het ontwikkelingsperspectief of het onderwijskundig rapport over de leerling, bedoeld in artikel 42, eerste lid, WPO en artikel 43 WEC;

      • 2°. een beschrijving van de activiteiten van het verwijzende bevoegd gezag in het kader van de begeleiding van de leerling, en van de resultaten van die activiteiten;

      • 3°. een document waaruit blijkt welke externe deskundigen voor advies of hulp zijn ingeschakeld bij de begeleiding van de leerling;

      • 4°. een beschrijving van de risico’s die zich naar verwachting zullen voordoen indien de leerling vbo, mavo, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs blijft volgen; en

      • 5°. mogelijk relevante test- en toetsgegevens.

Artikel 2.48. Mogelijkheid afwijken van landelijke criteria, procedure en duur beoordeling en bekostiging (leerwegondersteunend onderwijs)

  • 1 Indien een samenwerkingsverband regels stelt als bedoeld in artikel 2.48, eerste lid, onderdeel b, van de wet, over de duur van de beoordeling voor het aangewezen zijn op leerwegondersteunend onderwijs, heeft de beslissing van het samenwerkingsverband over het aangewezen zijn op het leerwegondersteunend onderwijs betrekking op een periode van een of meer schooljaren. Indien de beslissing wordt genomen in de loop van een schooljaar, wordt de periode tot de eerste dag van het eerstvolgende schooljaar toegevoegd aan deze periode.

Artikel 2.49. Inhoud ontwikkelingsperspectief praktijkonderwijs of extra ondersteuning

  • 1 Het ontwikkelingsperspectief, bedoeld in artikel 2.44 van de wet, van een leerling die praktijkonderwijs volgt of extra ondersteuning nodig heeft, bevat ten minste informatie over het vervolgonderwijs dat wordt verwacht en de onderbouwing daarvan. Voor een leerling die praktijkonderwijs volgt heeft de informatie ook betrekking op de soort arbeid waarvan uitstroom van de leerling wordt verwacht, en de onderbouwing daarvan.

  • 2 De onderbouwing, bedoeld in het eerste lid, bevat ten minste een weergave van de belemmerende en bevorderende factoren die van invloed zijn op het onderwijs aan de leerling.

Artikel 2.50. Orthopedagogisch-didactische centra

  • 1 Een leerling die is of wordt ingeschreven bij een school, kan gedurende ten hoogste twee jaar het onderwijsprogramma of een gedeelte daarvan volgen bij een orthopedagogisch-didactisch centrum als bedoeld in artikel 2.47, twaalfde lid van de wet.

  • 2 Het onderwijs van leerlingen die langer dan drie maanden een programma volgen bij het orthopedagogisch-didactisch centrum, wordt gegeven door leraren die daartoe bevoegd zijn.

  • 3 Indien een samenwerkingsverband een orthopedagogisch-didactisch centrum heeft ingericht, wordt dat vermeld in het ondersteuningsplan, bedoeld in artikel 2.47, negende lid, van de wet.

Artikel 2.51. Deskundigen samenwerkingsverband

  • 1 De deskundigen, bedoeld in artikel 2.47, veertiende lid, van de wet zijn een orthopedagoog of een psycholoog en, afhankelijk van de leerling over wiens toelaatbaarheid wordt geadviseerd, ten minste een tweede deskundige, te weten een kinder- of jeugdpsycholoog, een pedagoog, een kinderpsychiater, een maatschappelijk werker of een arts.

  • 2 Indien het samenwerkingsverband beslist dat een leerling aangewezen is op het leerwegondersteunend onderwijs of toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs, kan de tweede deskundige ook een deskundige op het terrein van vbo, mavo, vmbo en praktijkonderwijs zijn.

Paragraaf 10. Indicatoren beoordeling leerresultaten voortgezet onderwijs

Artikel 2.52. Wijze van beoordeling leerresultaten voortgezet onderwijs

  • 1 De inspectie hanteert de volgende indicatoren voor de beoordeling van de leerresultaten van het voortgezet onderwijs:

    • a. het percentage leerlingen met een onvertraagde studievoortgang in de eerste twee leerjaar;

    • b. het percentage leerlingen met een onvertraagde studievoortgang in de overige leerjaren;

    • c. het niveau dat de leerling in het derde leerjaar daadwerkelijk heeft bereikt ten opzichte van het niveau dat de leerling gelet op het schooladvies, bedoeld in artikel 42, tweede lid, WPO, naar verwachting in het derde leerjaar zou bereiken; en

    • d. het gemiddelde cijfer van het centraal examen.

  • 3 Bij de bepaling van de leerresultaten, bedoeld in het eerste lid, kan rekening worden gehouden met groepskenmerken en individuele kenmerken van leerlingen, met dien verstande dat in elk geval rekening wordt gehouden met de sociaaleconomische situatie van de leerlingen.

  • 4 De scores waarop het oordeel over de indicatoren wordt gebaseerd, kunnen wegens bijzondere omstandigheden worden gecorrigeerd.

Artikel 2.53. Ministeriële regeling berekening indicatoren, benodigde gegevens en oordeel over leerresultaten onderwijs

  • 1 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de berekening van de indicatoren voor de beoordeling van de leerresultaten, waaronder begrepen de toe te passen correcties, bedoeld in artikel 2.52, derde en vierde lid.

  • 2 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:

    • a. de aard en de aantallen gegevens over de leerresultaten die ten minste nodig zijn voor de toepassing van de indicatoren;

    • b. de normering waarop de inspectie het oordeel voldoende of onvoldoende onderwijsresultaat baseert, na toepassing van de indicatoren;

    • c. de wijze waarop per schoolsoort of leerweg de beoordelingen, gebaseerd op de afzonderlijke indicatoren, leiden tot een oordeel over de leerresultaten van die schoolsoort respectievelijk leerweg.

Artikel 2.54. Procedure vaststelling en wijziging indicatoren

  • 1 Indien recente ontwikkelingen, een eigen analyse of signalen uit het veld daartoe aanleiding geven, kan de inspecteur-generaal van het onderwijs Onze Minister een voorstel doen voor het vaststellen van een nieuwe indicator voor de beoordeling van de leerresultaten of het aanpassen van een indicator.

  • 2 Over een voornemen tot een voorstel als bedoeld in het eerste lid overlegt de inspecteur-generaal met de daarvoor in aanmerking komende organisaties uit het onderwijsveld.

  • 3 De inspecteur-generaal legt het voorstel voor aan Onze Minister met vermelding van de wijze waarop het voorstel rekening houdt met de reacties van de geraadpleegde organisaties uit het onderwijsveld.

  • 4 Onze Minister beslist op basis van het voorstel of een voorstel van wet of ontwerp algemene maatregel van bestuur wordt voorbereid.

  • 5 De wijze van meting en de aanpassing van de wijze van meting in het kader van toepassing van de indicatoren, alsmede de normering en de aanpassing van de normering, stelt Onze Minister vast op voorstel van de inspecteur-generaal van het onderwijs.

Paragraaf 12. Onderwijskundige verbanden en samenwerking

Paragraaf 12.1. Samenwerking tussen scholen onderling en met instellingen voor educatie en beroepsonderwijs voor doelmatig en doeltreffend onderwijs

Artikel 2.56. Inhoud samenwerkingsovereenkomst voor doelmatig en doeltreffend onderwijs

Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 2.100 van de wet omvat in elk geval:

  • a. het doel van de samenwerking;

  • b. de doelgroep;

  • c. de wijze waarop wordt nagegaan of het doel wordt bereikt;

  • d. het onderwijsprogramma dat volgens de samenwerking wordt vormgegeven;

  • e. bij overdracht van een deel van de bekostiging met toepassing van artikel 5.39, zevende lid, van de wet, de omvang en de bestemming van de over te dragen middelen;

  • f. de wijze waarop de school geregeld contact onderhoudt met de leerlingen die aan die school zijn ingeschreven; en

  • g. een regeling voor de beslechting van geschillen tussen partijen over de uitvoering van de overeenkomst.

Artikel 2.57. Voorwaarden om onderwijs te ontvangen op een andere school of aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs

  • 2 Een leerling als bedoeld in het eerste lid volgt voor ten hoogste de helft van het aantal klokuren van het onderwijsprogramma lessen of stages aan de andere school of aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs.

Artikel 2.58. Voorwaarden voor scholen voor samenwerking voor doelmatig en doeltreffend onderwijs

Bij een samenwerking op grond van artikel 2.99, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet met een andere school wordt ten minste een deel van het onderwijs in de bovenbouw op de eigen school gegeven, met dien verstande dat:

  • a. als het gaat om een school voor vwo of een school voor havo, het onderwijs op de eigen school gegeven wordt in ten minste een van de profielen, bedoeld in artikel 2.20, derde lid, van de wet;

  • b. als het gaat om een school voor mavo, het onderwijs op de eigen school gegeven wordt in ten minste een van de profielen, bedoeld in artikel 2.25, tweede lid, van de wet;

  • c. als het gaat om een school voor vbo, het onderwijs op de eigen school gegeven wordt in ten minste een van de profielen bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, van de wet;

  • d. als het gaat om onderwijs in de gemengde leerweg aan een school voor mavo of aan een school voor vbo, het onderwijs op de eigen school gegeven wordt in ten minste een van de profielen, bedoeld in artikel 2.27, tweede lid van de wet.

Artikel 2.59. Voorwaarden om als VO-ingeschrevene deel te kunnen nemen aan een opleiding vavo

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op leerlingen van achttien jaar of ouder die ononderbroken in het voortgezet onderwijs of daarmee op grond van de LPW of de LPW BES gelijkgesteld onderwijs ingeschreven zijn geweest, voor ten hoogste de periode van de resterende cursusduur van de opleiding waarvoor zij aan de school zijn ingeschreven, vermeerderd met een jaar.

  • 3 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op leerlingen van zestien en zeventien jaar, die naar het oordeel van het bevoegd gezag grotere kans krijgen om vervolgonderwijs met gunstig resultaat te volgen door, aansluitend op hun met goed gevolg afgelegd eindexamen vwo, havo of vmbo in de theoretische of gemengde leerweg, aan het vavo onderwijs te volgen en examen te doen in een of meerdere vakken op het niveau van de schoolsoort of leerweg waarin zij reeds met goed gevolg eindexamen hebben afgelegd, voor ten hoogste de duur van een schooljaar.

Artikel 2.61. Onderwijs door docenten instelling

In afwijking van artikel 7.9, eerste lid, van de wet kan in geval van samenwerking het onderwijs bij een instelling voor educatie en beroepsonderwijs ook worden gegeven door docenten van de instelling voor educatie en beroepsonderwijs waarmee het bevoegd gezag van de school een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten als bedoeld in artikel 2.100 van de wet.

Paragraaf 12.2. Entreeopleiding in plaats van basisberoepsgerichte leerweg vmbo

Artikel 2.62. Voorwaarden entreeopleiding aan leerlingen jonger dan zestien jaar

Het bevoegd gezag van een school voor vbo kan leerlingen jonger dan zestien jaar op grond van artikel 2.102, eerste lid, van de wet de gelegenheid geven om een entreeopleiding te volgen, indien:

  • a. de beroepspraktijkvorming, bedoeld in de artikelen 7.2.8 en 7.2.9 WEB of de artikelen 7.2.8 en 7.2.9 WEB BES, alleen het verrichten van lichte arbeid van geschikte aard omvat;

  • b. in plaats van de basisberoepsgerichte leerweg geheel of gedeeltelijk zowel binnenschools als buitenschools onderwijs in de praktijk van de uitoefening van een vak of beroep wordt verzorgd;

  • c. een gekwalificeerde mentor of docentbegeleider de voortgang van het onderwijs in de praktijk van de uitoefening van het beroep bewaakt; en

  • d. het binnenschools en buitenschools onderwijs in de praktijk van de uitoefening van een vak of beroep geïntegreerd worden verzorgd.

Artikel 2.63. Inhoud samenwerkingsovereenkomst entreeopleiding in het vmbo

  • 1 Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 2.102, vijfde lid, van de wet voor het verzorgen van een entreeopleiding omvat in elk geval afspraken over:

    • a. de entreeopleiding die geheel of gedeeltelijk in plaats van de basisberoepsgerichte leerweg zal worden verzorgd;

    • b. de inschrijving van leerlingen als extraneus bij de instelling voor educatie en beroepsonderwijs;

    • c. de examinering en diplomering door de instelling voor educatie en beroepsonderwijs;

    • d. de invulling van de betrokkenheid van het bevoegd gezag bij de beroepspraktijkvorming, bedoeld in de artikelen 7.2.8 en 7.2.9 WEB of de artikelen 7.2.8 en 7.2.9 WEB BES, met dien verstande dat het bevoegd gezag de overeenkomst, bedoeld in artikel 7.2.9 WEB of artikel 7.2.9 WEB BES, ook ondertekent;

    • e. de toepassing van artikel 2.102, tweede lid, van de wet;

    • f. de rechtsbescherming van de leerling; en

    • g. de doorstroom van de leerlingen na het met goed gevolg afsluiten van de entreeopleiding.

  • 2 Indien het bevoegd gezag ook het bevoegd gezag is van een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, regelt het bevoegd gezag op overeenkomstige wijze de onderwerpen, genoemd in het eerste lid.

Paragraaf 12.3. Leer-werktrajecten als anders ingerichte basisberoepsgerichte leerweg

Artikel 2.64. Kwaliteitseisen leerbedrijven leer-werktraject vmbo

  • 1 Tot het verzorgen van het buitenschoolse praktijkgedeelte van een leer-werktraject als bedoeld in artikel 2.103 van de wet zijn bevoegd bedrijven en organisaties die voldoen aan de volgende voorschriften:

    • a. op de leer-werkplek of combinatie van leerwerkplekken kunnen de door het bevoegd gezag vastgestelde praktijkopdrachten daadwerkelijk worden uitgevoerd;

    • b. elke praktijkopdracht kan in een bedrijf of organisatie worden uitgevoerd;

    • c. in het bedrijf of de organisatie is een gekwalificeerde praktijkbegeleider of leermeester aanwezig, die in staat is om kennis, inzicht en vaardigheden van de leerling en de vorderingen daarin te beoordelen, en de leerling zowel werkinhoudelijk als pedagogisch-didactisch te begeleiden;

    • d. het bedrijf of de organisatie is bereid met de mentor of docentbegeleider, bedoeld in het tweede lid, contact te onderhouden;

    • e. de leerling kan zonder grote overgangsdrempels binnen hetzelfde bedrijf of dezelfde organisatie, dezelfde moederorganisatie of dezelfde branche, de leerdoelen van het vmbo en de eindtermen van de entreeopleiding of basisberoepsopleiding, bedoeld in de WEB behalen;

    • f. het bedrijf of de organisatie waarborgt dat een gekwalificeerde praktijkbegeleider of leermeester is gekoppeld aan een leerling, en dat deze leermeester er zorg voor draagt dat de leerling voldoende hulp en tijd krijgt om de praktijkopdrachten uit te voeren;

    • g. het productie- of dienstverleningsproces is technisch en organisatorisch voldoende gevarieerd en kan leerlingen goed praktijkmateriaal bieden en hen gedegen opleiden;

    • h. de leer-werkplek past binnen de dagelijkse bedrijfsvoering;

    • i. het bedrijf of de organisatie is bereid de leerling de vereiste praktijkopdrachten uit te laten voeren en het werk en het stageverslag te bespreken en te beoordelen;

    • j. het bedrijf of de organisatie is geschikt voor de betrokken leeftijdsgroep waar het gaat om onder meer ruimte om te leren of fouten te maken, erkenning van jong zijn;

    • k. het bedrijf of de organisatie respecteert, voor zover van toepassing, het multiculturele karakter van de leerlingenpopulatie.

  • 2 Het bevoegd gezag draagt zorg voor beschikbaarheid van een gekwalificeerde mentor of docentbegeleider die de voortgang op de leer-werkplek en ook de integratie tussen het binnenschools en buitenschools programma bewaakt.

Artikel 2.65. Leer-werkovereenkomst vmbo

Een leer-werkovereenkomst als bedoeld in artikel 2.103, zesde lid, van de wet regelt de rechten en plichten van partijen en omvat ten minste afspraken over:

  • a. inhoud, leerdoelen, duur, periode van en beoordelingsmaatstaven voor het buitenschoolse praktijkgedeelte;

  • b. de begeleiding van de leerling; en

  • c. de gevallen waarin en de wijze waarop de overeenkomst voortijdig kan worden beëindigd.

Paragraaf 12.4. Samenwerking voor examenbevoegdheid aangewezen onbekostigde scholen en onbekostigd vavo

Artikel 2.66. Voorwaarden deelname leerling aangewezen onbekostigde school aan een onbekostigde vavo-instelling

Leerlingen van zestien en zeventien jaar die naar het oordeel van het bevoegd gezag van een aangewezen school als bedoeld in de artikel 2.66 van de wet een grotere kans hebben een diploma of volgend diploma als bedoeld in artikel 2.58, tweede lid, van de wet te behalen indien zij vavo volgen in plaats van voortgezet onderwijs, kunnen op grond artikel 2.109, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet deelnemen aan een opleiding vavo bij een instelling voor educatie en beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 2.109, eerste lid, van de wet en die opleiding met een examen afsluiten.

Paragraaf 13. Beleidsinhoudelijke informatie

Artikel 2.68. Beschrijving van gegevens voor het beleid van Onze Minister

  • 1 De gegevens, bedoeld in artikel 2.111 van de wet, waarover een bevoegd gezag of een samenwerkingsverband beschikt voor het beleid van Onze Minister, worden gedefinieerd en geordend volgens de regels vermeld in bijlage 2.

  • 2 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de gegevens, bedoeld in het eerste lid, en over de wijze waarop de gegevens beschikbaar worden gesteld.

Hoofdstuk 3. Eindexamen

Paragraaf 1. Inhoud van het eindexamen

Artikel 3.1. Vakken en profielwerkstuk eindexamen vwo (atheneum)

  • 1 Het eindexamen vwo (atheneum) omvat in elk geval:

    • a. de vakken van het gemeenschappelijk deel van een profiel, genoemd in artikel 2.5, eerste lid;

    • b. de vakken van het profieldeel, genoemd in artikel 2.6; en

    • c. ten minste een vak met een normatieve studielast van ten minste 440 uren van het vrije deel van een profiel, genoemd in artikel 2.7, met dien verstande dat een door het bevoegd gezag vast te stellen vak alleen onderdeel is van het eindexamen voor zover Onze Minister daarvoor goedkeuring heeft verleend.

  • 2 Naast de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen vwo (atheneum) ter keuze van de examenkandidaat extra vakken omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vak niet inhoudelijk overeenkomt met een vak dat al onderdeel is van dat eindexamen.

  • 3 Het profielwerkstuk van het eindexamen vwo (atheneum) heeft betrekking op een of meer vakken van het eindexamen. Ten minste een van deze aan het profielwerkstuk gekoppelde vakken heeft een omvang van 400 uur of meer.

Artikel 3.2. Vakken en profielwerkstuk eindexamen vwo (gymnasium)

  • 1 Het eindexamen vwo (gymnasium) omvat in elk geval:

    • a. de vakken van het gemeenschappelijk deel van een profiel, genoemd in artikel 2.5, tweede lid;

    • b. de vakken van het profieldeel, genoemd in artikel 2.6; en

    • c. ten minste een vak met een normatieve studielast van ten minste 440 uur van het vrije deel van een profiel, genoemd in artikel 2.7, met dien verstande dat een door het bevoegd gezag vast te stellen vak alleen onderdeel is van het eindexamen voor zover Onze Minister daarvoor goedkeuring heeft verleend.

  • 2 Naast de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen vwo (gymnasium) ter keuze van de examenkandidaat extra vakken omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vak niet inhoudelijk overeenkomt met een vak dat al onderdeel is van dat eindexamen.

  • 3 Het profielwerkstuk van het eindexamen vwo (gymnasium) heeft betrekking op een of meer vakken van het eindexamen. Ten minste een van deze aan het profielwerkstuk gekoppelde vakken heeft een omvang van 400 uur of meer.

Artikel 3.3. Vakken en profielwerkstuk eindexamen havo

  • 1 Het eindexamen havo omvat in elk geval:

    • a. de vakken van het gemeenschappelijk deel van elk profiel, genoemd in artikel 2.10;

    • b. de vakken van het profieldeel, genoemd in artikel 2.11; en

    • c. ten minste een vak met een normatieve studielast van ten minste 320 uur van het vrije deel van elk profiel, genoemd in artikel 2.12, met dien verstande dat een door het bevoegd gezag vast te stellen vak alleen onderdeel is van het eindexamen voor zover Onze Minister daarvoor goedkeuring heeft verleend.

  • 2 In plaats van de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen havo ter keuze van de examenkandidaat overeenkomstige vakken als bedoeld in artikel 2.13 op het niveau van vwo omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vervangen vak niet als extra vak als bedoeld in het derde lid gekozen wordt.

  • 3 Naast de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen havo ter keuze van de examenkandidaat extra vakken omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vak niet inhoudelijk overeenkomt met een vak dat al onderdeel is van dat eindexamen.

  • 4 Het profielwerkstuk van het eindexamen havo heeft betrekking op een of meer vakken van het eindexamen. Ten minste een van deze aan het profielwerkstuk gekoppelde vakken heeft een omvang van 320 uur of meer.

Artikel 3.4. Vakken en profielwerkstuk eindexamen vmbo theoretische leerweg

  • 1 Het eindexamen vmbo theoretische leerweg omvat in elk geval:

    • a. de vakken van het gemeenschappelijk deel van elk profiel, genoemd in artikel 2.15;

    • b. de twee vakken van het profieldeel, genoemd in artikel 2.16; en

    • c. in het vrije deel twee nog niet in het profieldeel gekozen vakken, genoemd in artikel 2.17, onderdelen a, b, of d, met dien verstande dat het profieldeel en het vrije deel samen ten minste twee vakken omvatten die geen moderne vreemde taal zijn.

  • 2 Indien de examenkandidaat in het vrije deel twee kunstvakken kiest, wordt een kunstvak gekozen uit de vakken behorende tot de beeldende vorming en een kunstvak uit de vakken muziek, dans en drama.

  • 3 In plaats van de vakken, bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het eindexamen vmbo theoretische leerweg ter keuze van de examenkandidaat overeenkomstige vakken als bedoeld in artikel 2.18 op het niveau van vwo of havo omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vervangen vak niet als extra vak als bedoeld in het vierde lid gekozen wordt.

  • 4 Naast de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen vmbo theoretische leerweg ter keuze van de examenkandidaat de volgende extra vakken omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vak niet inhoudelijk overeenkomt met een vak dat al onderdeel is van het eindexamen:

    • a. een vak als bedoeld in artikel 2.17, onderdelen a en b, dat behoort tot het vrije deel van de theoretische leerweg;

    • b. een vak dat behoort tot het eindexamen vmbo gemengde leerweg; of

    • c. een vak dat behoort tot het eindexamen vwo of havo.

  • 5 Het profielwerkstuk van het eindexamen vmbo theoretische leerweg heeft betrekking op een thema uit een profiel waarin de leerling onderwijs volgt.

Artikel 3.5. Vakken eindexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg

  • 1 Het eindexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg omvat in elk geval:

    • a. de vakken van het gemeenschappelijk deel van elk profiel, genoemd in artikel 2.20,

    • b. de twee algemene vakken van het profieldeel, genoemd in artikel 2.21, tweede lid; en

    • c. een beroepsgericht programma, bestaande uit:

      • 1°. het profielvak, bedoeld in artikel 2.21, eerste lid; en

      • 2°. in het vrije deel van het profiel vier beroepsgerichte keuzevakken.

  • 2 In plaats van de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg ter keuze van de examenkandidaat overeenkomstige vakken als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, omvatten op het niveau van vwo, havo, vmbo theoretische leerweg of vmbo kaderberoepsgerichte leerweg, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vervangen vak niet als extra vak als bedoeld in het derde lid gekozen wordt.

  • 3 Naast de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg ter keuze van de examenkandidaat de volgende extra vakken omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat, het vak nog geen onderdeel van dat eindexamen is en niet inhoudelijk overeenkomt met een vak dat al onderdeel is van het eindexamen:

    • a. een algemeen vak van het profieldeel, bedoeld in artikel 2.21, tweede lid, of een beroepsgericht keuzevak;

    • b. het vak Friese taal en cultuur;

    • c. een vak als bedoeld in artikel 2.4, vierde lid, dat op grond van dat artikel onderdeel kan zijn van de basisberoepsgerichte leerweg;

    • d. een algemeen vak dat behoort tot het eindexamen vmbo theoretische leerweg, kaderberoepsgerichte leerweg of gemengde leerweg; of

    • e. een vak dat behoort tot het eindexamen vwo of havo.

  • 5 Bij een leer-werktraject als bedoeld in artikel 2.103 van de wet kan het eindexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg ter keuze van de examenkandidaat ook omvatten een of meer andere vakken van de basisberoepsgerichte leerweg waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 2.103, vierde lid, van de wet heeft beslist dat zij behoren tot het leer-werktraject van die leerling.

Artikel 3.6. Vakken eindexamen vmbo kaderberoepsgerichte leerweg

  • 1 Het eindexamen vmbo kaderberoepsgerichte leerweg omvat in elk geval:

    • a. de vakken van het gemeenschappelijk deel van elk profiel, genoemd in artikel 2.20;

    • b. de twee algemene vakken van het profieldeel, genoemd in artikel 2.21, tweede lid; en

    • c. een beroepsgericht programma, bestaande uit:

      • 1°. het profielvak, bedoeld in artikel 2.21, eerste lid, van het profieldeel; en

      • 2°. in het vrije deel van het profiel vier beroepsgerichte keuzevakken.

  • 2 In plaats van de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen vmbo kaderberoepsgerichte leerweg ter keuze van de examenkandidaat overeenkomstige vakken als bedoeld in artikel 2.23 op het niveau van vwo, havo of vmbo theoretische leerweg omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vervangen vak niet als extra vak als bedoeld in het derde lid gekozen wordt.

  • 3 Naast de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen vmbo kaderberoepsgerichte leerweg ter keuze van de examenkandidaat de volgende extra vakken omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat, het vak nog geen onderdeel van dat eindexamen is en niet inhoudelijk overeenkomt met een vak dat al onderdeel is van het eindexamen:

    • a. een algemeen vak van het profieldeel, genoemd in artikel 2.21, tweede lid, of een beroepsgericht keuzevak;

    • b. het vak Friese taal en cultuur;

    • c. een vak als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, dat op grond van dat artikel onderdeel kan zijn van de kaderberoepsgerichte leerweg,

    • d. een algemeen vak dat behoort tot het eindexamen vmbo theoretische leerweg of vmbo gemengde leerweg; of

    • e. een vak dat behoort tot het eindexamen vwo of havo.

Artikel 3.7. Vakken en profielwerkstuk eindexamen vmbo gemengde leerweg

  • 1 Het eindexamen vmbo gemengde leerweg omvat in elk geval:

  • 2 In plaats van de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen vmbo gemengde leerweg ter keuze van de examenkandidaat overeenkomstige vakken als bedoeld in artikel 2.27 op het niveau van vwo of havo omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vervangen vak niet als extra vak als bedoeld in het derde lid gekozen wordt.

  • 3 Naast de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen vmbo gemengde leerweg ter keuze van de examenkandidaat de volgende extra vakken omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vak niet inhoudelijk overeenkomt met een vak dat al onderdeel is van het eindexamen:

  • 4 Het profielwerkstuk van het eindexamen vmbo gemengde leerweg heeft betrekking op een thema uit een profiel waarin de leerling onderwijs volgt.

Artikel 3.8. Vrijstellingen vakken eindexamen vwo, havo en vmbo

  • 2 In geval van een ontheffing in vwo (atheneum) voor het volgen van onderwijs in een tweede moderne vreemde taal op grond van artikel 2.9, eerste lid, wordt het eindexamen in de taal vervangen door het eindexamen in het vak, bedoeld in het tweede lid van dat artikel.

  • 3 In geval van een ontheffing in vmbo op grond van artikel 2.33, eerste lid, voor het volgen van onderwijs in Franse of Duitse taal, wordt het eindexamen in de taal vervangen door het eindexamen in het vak, bedoeld in het tweede lid van dat artikel.

Paragraaf 2. Het schoolexamen

Artikel 3.11. Examendossier

  • 1 Het schoolexamen bestaat uit een examendossier. Het examendossier is het geheel van de onderdelen van het schoolexamen zoals gedocumenteerd in een door het bevoegd gezag gekozen vorm.

  • 2 Het examendossier voor het vmbo theoretische leerweg en gemengde leerweg omvat ook de resultaten die de leerling heeft behaald voor de vakken, bedoeld in artikel 2.19 onderscheidenlijk artikel 2.28, als in die vakken geen eindexamen is afgelegd.

Artikel 3.12. Tijdstip afsluiting schoolexamen in bijzondere gevallen

  • 1 In de gevallen, bedoeld in artikel 3.17, wordt het schoolexamen in het vak waarop dit schoolexamen betrekking heeft, afgesloten tien werkdagen voor de afname van het centraal examen in dat vak.

  • 2 Indien het centraal examen overeenkomstig artikel 2.56, vierde lid, van de wet wordt afgesloten in het voorlaatste leerjaar of het daaraan voorafgaande leerjaar, wordt het schoolexamen in dat vak of die vakken afgesloten voordat in dat leerjaar het centraal examen in dat vak of die vakken aanvangt.

Artikel 3.13. Beoordeling schoolexamen

  • 1 Het cijfer van het schoolexamen wordt uitgedrukt in een cijfer uit een schaal van cijfers lopende van 1 tot en met 10 met de daartussen liggende cijfers met 1 decimaal.

  • 2 Indien in een vak geen centraal examen wordt afgelegd, wordt het cijfer van het schoolexamen uitgedrukt in een cijfer van 1 tot en met 10, zonder decimaal.

  • 3 In afwijking van het eerste lid wordt in alle schoolsoorten het vak lichamelijke opvoeding uit het gemeenschappelijk deel van elk profiel en in het vmbo de kunstvakken beoordeeld met «goed», «voldoende» of «onvoldoende».

  • 4 De beoordeling van het vak lichamelijke opvoeding en de kunstvakken inclusief culturele en kunstzinnige vorming gaat uit van de prestaties van de leerling binnen zijn mogelijkheden, zoals blijkend uit het examendossier.

Artikel 3.14. Beoordeling profielwerkstuk in het vmbo

  • 1 In afwijking van artikel 3.13, eerste lid, wordt het profielwerkstuk in het vmbo beoordeeld met «goed», «voldoende» of «onvoldoende».

  • 2 De beoordeling van het profielwerkstuk in het vmbo vindt plaats op de grondslag van het voldoende voltooien van het profielwerkstuk, zoals blijkend uit het examendossier.

  • 3 Het profielwerkstuk in het vmbo wordt beoordeeld door ten minste twee examinatoren.

Artikel 3.15. Verstrekking beoordeling schoolexamen

  • 1 Voor de aanvang van het centraal examen verstrekt de rector of directeur aan de examenkandidaat:

    • a. het cijfer of de cijfers voor het schoolexamen;

    • b. de beoordeling van de vakken waarvoor geen cijfer wordt vastgesteld;

    • c. de beoordeling van het profielwerkstuk in het vmbo; en

    • d. een overzicht van de behaalde resultaten van alle onderdelen in het examendossier, bedoeld in artikel 3.11.

  • 2 De rector of directeur en de examensecretaris tekenen voor de verstrekking van de in het eerste lid genoemde cijfers, beoordelingen en overzicht.

  • 3 De examenkandidaat tekent voor ontvangst van de in het eerste lid genoemde cijfers, beoordelingen en overzicht.

Artikel 3.16. Herexamen schoolexamen vmbo zonder centraal examen

  • 1 De examenkandidaat die eindexamen vmbo aflegt kan het schoolexamen maatschappijleer behorend tot het gemeenschappelijk deel van de leerwegen opnieuw afleggen, indien hij voor dat vak een eindcijfer heeft behaald lager dan 6.

  • 2 Het bevoegd gezag van een school voor mavo of vbo kan bepalen dat een examenkandidaat voor een of meer andere vakken dan maatschappijleer het schoolexamen waarin geen centraal examen wordt afgenomen, opnieuw kan afleggen.

  • 3 Het herexamen omvat door het bevoegd gezag aangegeven onderdelen van het examenprogramma.

  • 4 Het bevoegd gezag stelt vast hoe het cijfer van het herexamen wordt bepaald.

  • 5 Het hoogste cijfer voor een vak, behaald bij het schoolexamen of het herexamen, is het definitieve cijfer van het schoolexamen in dat vak.

Paragraaf 3. Het centraal examen

Artikel 3.17. Afwijkend tijdstip centraal examen

  • 1 Het college kan bepalen dat een centraal examen in een vak wordt afgenomen op een tijdstip dat is gelegen voor de aanvang van het eerste tijdvak.

  • 2 Het college kan voor een centraal examen in een vak een afnameperiode instellen waarbinnen het bevoegd gezag zelf de afnametijdstippen bepaalt. Deze afnameperiode vangt niet eerder aan dan op 1 april van dat examenjaar en omvat het eerste en tweede tijdvak van dat examenjaar.

Artikel 3.19. De opgaven voor het centraal examen

  • 2 De rector of directeur draagt er zorg voor, dat de opgaven voor het centraal examen geheim blijven tot de aanvang van de toets waarvoor deze opgaven dienen.

  • 3 Het college kan opgaven aanwijzen waarop het tweede lid niet van toepassing is.

Artikel 3.20. Afname centraal examen

  • 1 De rector of directeur draagt zorg voor het nodige toezicht bij het centraal examen.

  • 2 Tijdens het centraal examen worden aan de examenkandidaten geen mededelingen van welke aard ook over de opgaven gedaan, uitgezonderd mededelingen van het college.

  • 3 Zij die toezicht hebben gehouden, maken een proces-verbaal op. Zij leveren dit in bij de rector of directeur samen met het gemaakte examenwerk.

  • 4 Een examenkandidaat wordt tot uiterlijk een half uur na de aanvang tot een toets toegelaten.

  • 5 De aan de examenkandidaten voorgelegde opgaven blijven in het examenlokaal tot het einde van die toets.

  • 6 Het college kan regels stellen voor de uitvoering van een toets van het centraal examen.

Artikel 3.21. Beoordeling centraal examen door examinator

  • 1 De rector of directeur doet aan de examinator in een vak toekomen:

    • a. het gemaakte werk van het centraal examen;

    • b. een exemplaar van de opgaven;

    • c. de beoordelingsnormen; en

    • d. het proces-verbaal van het examen.

  • 4 De examinator zendt de score en het beoordeelde werk aan de rector of directeur.

  • 5 Bij digitale examinering met gebruikmaking van de daartoe door het college beschikbaar gestelde programmatuur worden de handelingen, bedoeld in dit artikel, digitaal verricht, uitgezonderd de handelingen die betrekking hebben op het proces-verbaal.

  • 6 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de beoordeling van het centraal examen door de examinator.

Artikel 3.22. Koppeling door Minister van scholen voor tweede correctie

  • 1 Onze Minister maakt een koppeling van scholen en instellingen voor educatie en beroepsonderwijs voor de uitvoering van de tweede correctie door gecommitteerden als bedoeld in artikel 2.56, zesde lid, van de wet.

  • 2 Onze Minister maakt de koppeling bekend aan het bevoegd gezag van elke school of elke instelling voor educatie en beroepsonderwijs en kan, zo nodig, zelf een gecommitteerde aanwijzen voor een school of instelling.

Artikel 3.23. Aanwijzing gecommitteerden door bevoegd gezag

  • 1 Het bevoegd gezag wijst op grond van de koppeling, bedoeld in artikel 3.22, een of meer gecommitteerden aan.

  • 2 Het bevoegd gezag maakt de gecommitteerden, bedoeld in het eerste lid, bekend aan de scholen waarvoor zij de tweede correctie verrichten. Zij blijven als gecommitteerde aangewezen tot na de afloop van de herkansing.

  • 3 Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de aangewezen gecommitteerde zijn verplichtingen nakomt.

  • 4 Voor het cspe van het centraal examen vmbo wordt geen gecommitteerde aangewezen.

Artikel 3.24. Beoordeling centraal examen door gecommitteerde

  • 1 De rector of directeur, bedoeld in artikel 3.21, doet onverwijld na de beoordeling door de examinator aan de rector of directeur van de gecommitteerde toekomen:

    • a. het door de examinator beoordeelde werk van het centraal examen;

    • b. een exemplaar van de opgaven;

    • c. de beoordelingsnormen;

    • d. het proces-verbaal van het examen; en

    • e. de regels voor het bepalen van de score, bedoeld in artikel 3.21, derde lid.

  • 2 De rector of directeur van de gecommitteerde doet de documenten, bedoeld in het eerste lid, toekomen aan de gecommitteerde.

  • 4 De gecommitteerde voegt bij het gecorrigeerde werk een verklaring over de verrichte correctie. Deze verklaring is medeondertekend door het bevoegd gezag van de school waar de gecommitteerde werkzaam is.

  • 5 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven voor de toepassing van het bepaalde in dit artikel.

Artikel 3.25. Vaststelling score en cijfer centraal examen

  • 1 De examinator en de gecommitteerde stellen in onderling overleg de score voor het centraal examen vast.

  • 2 Indien de examinator en de gecommitteerde niet tot overeenstemming over de score komen, wordt het geschil voorgelegd aan het bevoegd gezag van de gecommitteerde. Het bevoegd gezag van de gecommitteerde kan hierover in overleg treden met het bevoegd gezag van de examinator.

  • 3 Indien het geschil niet kan worden beslecht, wordt hiervan melding gemaakt aan de inspectie. De inspectie kan een onafhankelijke corrector aanwijzen. De beoordeling van deze corrector komt in de plaats van de eerdere beoordelingen.

Artikel 3.26. Beoordeling centraal examen cspe vmbo door examinator

  • 1 De rector of directeur draagt er zorg voor dat bij het maken van het cspe van een eindexamen vmbo een examinator in het vak of programma aanwezig is.

  • 2 De examinator beoordeelt de prestaties van de examenkandidaat tijdens het maken van de opgaven en legt zijn bevindingen van de verrichtingen van de examenkandidaat schriftelijk vast, volgens daartoe door het college gegeven richtlijnen.

  • 5 De examinator doet de score en voor zover mogelijk het beoordeelde werk toekomen aan de rector of directeur.

Artikel 3.27. Beoordeling centraal examen cspe vmbo door tweede examinator

  • 2 De tweede examinator beoordeelt het resultaat van de opgaven en de verrichtingen van de examenkandidaat zoals blijkend uit de schriftelijke vastlegging, bedoeld in artikel 3.26, tweede lid.

  • 3 De rector of directeur overhandigt aan de tweede examinator:

    • a. een exemplaar van de opgaven;

    • b. de beoordelingsnormen;

    • c. het proces-verbaal; en

    • d. de regels voor het bepalen van de score, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.29. Centraal examen bij verhindering in eerste of tweede tijdvak

  • 1 Indien een examenkandidaat om een geldige reden, ter beoordeling van de rector of directeur, is verhinderd bij het centraal examen van een of meer vakken in het eerste tijdvak aanwezig te zijn, krijgt in het tweede tijdvak de gelegenheid het centraal examen alsnog te voltooien. De examenkandidaat maakt in dat geval maximaal twee toetsen per dag.

  • 2 Indien een examenkandidaat ook in het tweede tijdvak om een geldige reden, ter beoordeling van de rector of directeur, verhinderd is, of als hij het centraal examen in het tweede tijdvak niet kan voltooien, wordt hij in de gelegenheid gesteld in het derde tijdvak ten overstaan van het college zijn eindexamen te voltooien.

  • 3 Indien het bevoegd gezag op grond van artikel 3.17, tweede lid, zelf de afnametijdstippen van een centraal examen bepaalt, kan de rector of directeur een examenkandidaat de gelegenheid geven om binnen de afnameperiode die het college daarvoor heeft ingesteld, alsnog het centraal examen te voltooien, waarvoor hij eerder was verhinderd.

Artikel 3.30. Procedure afnemen centraal examen door college in tweede en derde tijdvak

  • 1 Indien een examenkandidaat gebruik wil maken van de gelegenheid, bedoeld in artikel 3.29, tweede lid, meldt hij dit zo spoedig mogelijk aan de rector of directeur.

  • 2 De rector of directeur deelt voorafgaande aan het tweede of het derde tijdvak aan het college mee welke examenkandidaten het centraal examen in deze tijdvakken ten overstaan van het college zullen afleggen en in welke vakken.

  • 3 Indien voor een examenkandidaat toepassing is gegeven aan de artikelen 3.54 of 3.55, deelt de rector of directeur dit mee aan het college, onder vermelding van de toepassing.

  • 4 De examenkandidaat levert de opgaven, de door hem gemaakte aantekeningen en andere door hem gemaakte stukken in bij een van degenen die toezicht houden. Het college bepaalt in welke gevallen wordt afgeweken van de eerste volzin en in welke gevallen en op welk tijdstip de opgaven, de aantekeningen en de andere stukken, bedoeld in die volzin, aan de examenkandidaat worden teruggegeven.

  • 5 Het college deelt het door de examenkandidaat behaalde cijfer voor het centraal examen aan de rector of directeur mee.

  • 6 Indien sprake is van een centraal eindexamen met geheime opgaven, kan de examenkandidaat over zijn werk gedurende een periode van zes maanden na de mededeling, bedoeld in het vijfde lid, inlichtingen inwinnen bij het college.

Artikel 3.31. Bewaren werk centraal examen

  • 1 Het bevoegd gezag bewaart het gemaakte werk van het centraal examen van de examenkandidaat gedurende ten minste zes maanden na de vaststelling van de uitslag, ter inzage voor belanghebbenden.

  • 2 Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat een volledig stel van de bij de centrale examens gebruikte opgaven gedurende ten minste zes maanden na de vaststelling van de uitslag bewaard blijft in het archief van de school.

Paragraaf 4. De uitslag van het eindexamen en herkansing centraal examen

Artikel 3.32. Eindcijfer vakken eindexamen

  • 1 Het eindcijfer voor vakken van het eindexamen wordt uitgedrukt in een geheel cijfer uit de reeks 1 tot en met 10.

  • 2 De rector of directeur bepaalt het eindcijfer op het rekenkundig gemiddelde van het cijfer voor het schoolexamen en het cijfer voor het centraal examen. Indien de uitkomst van de berekening niet een geheel getal is, wordt dat getal indien het eerste cijfer achter de komma een 4 of lager is, naar beneden afgerond en indien dat cijfer een 5 of hoger is, naar boven afgerond.

  • 3 Indien in een vak alleen een schoolexamen is afgenomen en niet ook een centraal examen, is het cijfer voor het schoolexamen ook het eindcijfer.

Artikel 3.33. Vaststelling uitslag eindexamen

  • 1 De rector of directeur stelt voor de vaststelling van de uitslag van het eindexamen vast of de examenkandidaat het eindexamen heeft afgelegd in de voor het eindexamen voorgeschreven vakken, bedoeld in de artikelen 3.1 tot en met 3.7.

  • 2 De examenkandidaat toont in voorkomend geval ten genoegen van de rector of directeur aan dat hij recht heeft op een vrijstelling op grond van artikel 3.8.

  • 3 Indien dat nodig is om de examenkandidaat te laten slagen betrekken de rector of directeur en de examensecretaris een of meer eindcijfers van de vakken niet bij de bepaling van de definitieve uitslag. De overgebleven vakken dienen een eindexamen te vormen.

  • 4 Indien de examenkandidaat eindexamen heeft afgelegd en in datzelfde jaar deelstaatsexamen heeft afgelegd of eindexamen in een of meer vakken aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, betrekken de rector of directeur en de examensecretaris de met het deelstaatsexamen respectievelijk dat eindexamen behaalde cijfers, indien de examenkandidaat daarom tijdig en schriftelijk heeft verzocht, bij de uitslagbepaling.

Artikel 3.34. Uitslag eindexamen vwo en havo

  • 1 De examenkandidaat die eindexamen vwo of havo heeft afgelegd, is geslaagd indien:

    • a. het rekenkundig gemiddelde van zijn bij het centraal examen behaalde cijfers ten minste 5,5 is;

    • b. hij voor één van de vakken Nederlandse taal en literatuur, Engelse taal en literatuur en voor zover van toepassing wiskunde A, wiskunde B of wiskunde C als eindcijfer 5 of hoger heeft behaald en hij voor het andere vak of andere hier genoemde vakken als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald;

    • c. hij onverminderd onderdeel b:

      • 1°. voor een van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 of hoger en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald;

      • 2°. voor een van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 4 en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers ten minste 6,0 bedraagt;

      • 3°. voor twee van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 heeft behaald en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers ten minste 6,0 bedraagt; of

      • 4°. voor een van de vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld als eindcijfer 4 en voor een van deze vakken als eindcijfer 5 heeft behaald en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers ten minste 6,0 bedraagt;

    • d. hij voor geen van de onderdelen, genoemd in het tweede lid, lager dan het eindcijfer 4 heeft behaald; en

    • e. hij voor het vak lichamelijke opvoeding van het gemeenschappelijk deel van elk profiel, de kwalificatie «voldoende» of «goed» heeft behaald.

  • 2 Bij de uitslagbepaling volgens het eerste lid, wordt het gemiddelde van de eindcijfers van ten minste de volgende onderdelen aangemerkt als het eindcijfer van een vak, voor zover voor deze onderdelen een eindcijfer is bepaald: maatschappijleer, culturele en kunstzinnige vorming en het profielwerkstuk. Het bevoegd gezag kan daaraan toevoegen:

    • a. literatuur, als onderdeel van alle afzonderlijke moderne talen, met dien verstande dat indien het bevoegd gezag daartoe niet besluit, literatuur voor de bepaling van de eindcijfers een onderdeel is van het schoolexamen van die taal en literatuur;

    • b. algemene natuurwetenschappen in vwo en havo;

    • c. bij bijzondere scholen: godsdienst of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs, met dien verstande dat indien het bevoegd gezag hiertoe niet besluit, godsdienst of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs geen onderdeel is van het eindexamen, tenzij Onze Minister daarvoor goedkeuring heeft verleend met toepassing van artikel 3.1, eerste lid, onderdeel c, artikel 3.2, eerste lid, onderdeel c, of artikel 3.3, eerste lid, onderdeel c.

  • 3 Indien het bevoegd gezag toepassing geeft aan het tweede lid, tweede volzin, wordt in het examenreglement vermeld welk onderdeel of welke onderdelen zijn toegevoegd voor de bepaling van het eindcijfer, bedoeld in dat lid.

  • 4 De rector of directeur bepaalt het eindcijfer, bedoeld in het tweede lid, als het rekenkundig gemiddelde van de eindcijfers van de samenstellende onderdelen. Indien de uitkomst van deze berekening niet een geheel getal is, wordt dat getal indien het eerste cijfer achter de komma een 4 of lager is, naar beneden afgerond en indien dat cijfer een 5 of hoger is, naar boven afgerond.

  • 5 Zodra de eindcijfers en indien mogelijk de uitslag zijn vastgesteld, maakt de rector of directeur deze schriftelijk aan de examenkandidaat bekend, onder mededeling van het recht van herkansing, bedoeld in artikel 3.38. Indien de examenkandidaat geen herexamen doet is deze uitslag de definitieve uitslag.

Artikel 3.35. Uitslag eindexamen vmbo

  • 1 De examenkandidaat die het eindexamen vmbo in een leerweg heeft afgelegd, is geslaagd indien:

    • a. het rekenkundig gemiddelde van zijn bij het centraal examen behaalde cijfers ten minste 5,5 is;

    • b. hij voor het vak Nederlandse taal als eindcijfer 5 of hoger heeft behaald;

    • c. hij onverminderd onderdeel b:

      • 1°. voor een van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 of hoger en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald;

      • 2°. voor een van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 4 en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger waarvan ten minste een 7 of hoger heeft behaald; of

      • 3°. voor twee van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 heeft behaald en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger waarvan ten minste een 7 of hoger heeft behaald;

    • d. hij voor geen van de onderdelen, genoemd in het derde of vierde lid, lager dan het eindcijfer 4 heeft behaald;

    • e. hij voor de vakken lichamelijke opvoeding en kunstvakken inclusief culturele en kunstzinnige vorming de kwalificatie «voldoende» of «goed» heeft behaald; en

    • f. als het gaat om een eindexamen vmbo gemengde of theoretische leerweg: hij voor het profielwerkstuk de kwalificatie «voldoende» of «goed» heeft behaald.

  • 2 Bij de uitslagbepaling volgens het eerste lid, onderdeel c, wordt bij het eindexamen vmbo theoretische leerweg het eindcijfer van een profielvak of beroepsgericht keuzevak behorende tot het eindexamen vmbo gemengde leerweg bij de uitslagbepaling betrokken als deze vakken samen ten minste een volledig beroepsgericht programma als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, onderdeel d, vormen. In dat geval is het vierde lid van overeenkomstige toepassing.

  • 3 Bij de uitslagbepaling volgens het eerste lid, onderdeel c, wordt bij het eindexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg en kaderberoepsgerichte leerweg het gemiddelde van de eindcijfers van alle beroepsgerichte keuzevakken aangemerkt als het eindcijfer van een vak.

  • 4 Bij de uitslagbepaling volgens het eerste lid, onderdeel c, wordt bij het eindexamen vmbo gemengde leerweg het gemiddelde van de eindcijfers van het profielvak en alle beroepsgerichte keuzevakken aangemerkt als het eindcijfer van een vak, met dien verstande dat het eindcijfer voor het profielvak daarbij net zo vaak meetelt als het aantal eindcijfers van beroepsgerichte keuzevakken dat in de berekening wordt betrokken.

  • 5 De rector of directeur bepaalt het eindcijfer, bedoeld in het derde en vierde lid, als het rekenkundig gemiddelde van de eindcijfers van de samenstellende onderdelen. Indien de uitkomst van deze berekening niet een geheel getal is, wordt dat getal indien het eerste cijfer achter de komma een 4 of lager is, naar beneden afgerond en indien dat cijfer een 5 of hoger is, naar boven afgerond.

  • 6 In afwijking van het eerste lid is de examenkandidaat die het eindexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg heeft afgelegd ter afsluiting van een leer-werktraject als bedoeld in artikel 2.103 van de wet geslaagd indien:

    • a. hij voor het vak Nederlandse taal als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald;

    • b. hij voor het profielvak als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald; en

    • c. hij als eindcijfer, bedoeld in het derde lid, 6 of hoger heeft behaald.

    Indien de vakken waarin examen is afgelegd, samen het eindexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg vormen, zijn het eerste en derde lid van overeenkomstige toepassing.

  • 7 Zodra de eindcijfers en indien mogelijk de uitslag zijn vastgesteld, maakt de rector of directeur deze schriftelijk aan de examenkandidaat bekend, onder mededeling van het recht van herkansing, bedoeld in artikel 3.38. Indien de examenkandidaat geen herexamen doet is deze uitslag de definitieve uitslag.

Artikel 3.36. Bekendmaking cijfer bij eindexamen in eerder leerjaar

  • 1 Indien een leerling overeenkomstig artikel 2.56, vierde lid, van de wet in een of meer vakken eindexamen heeft afgelegd in het voorlaatste of direct daaraan voorafgaande leerjaar, maakt de rector of directeur het eindcijfer van dit eindexamen schriftelijk aan de examenkandidaat bekend zodra deze is vastgesteld, onder mededeling van het recht van herkansing, bedoeld in artikel 3.38.

  • 2 Indien een leerling als bedoeld in het eerste lid niet is bevorderd tot het volgende leerjaar, vervallen de met dit centraal examen of deze centrale examens behaalde resultaten.

Artikel 3.38. Herkansing centraal examen

  • 1 De examenkandidaat kan voor één vak van het eindexamen waarin hij centraal examen heeft afgelegd, in het tweede of, indien artikel 3.29, eerste lid, van toepassing is, het derde tijdvak, opnieuw deelnemen aan het centraal examen of aan het cspe.

  • 2 Bij het eindexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg en kaderberoepsgerichte leerweg kan de examenkandidaat ook opnieuw deelnemen aan het cspe dat door het bevoegd gezag aansluitend aan het eerste tijdvak of in het tweede tijdvak wordt afgenomen.

  • 3 De herkansing van het cspe bestaat uit het opnieuw afleggen van deze toets of van een of meer onderdelen daarvan.

  • 5 De examenkandidaat deelt de rector of directeur voor een door deze laatste te bepalen dag en tijdstip schriftelijk mee dat hij gebruik maakt van het recht van herkansing, bedoeld in het eerste of tweede lid.

  • 6 Dit artikel is ook van toepassing als in plaats van een volledig eindexamen, eindexamen in een of meer vakken wordt afgelegd. De examenkandidaat die in een examenjaar zowel een volledig eindexamen als eindexamen in een of meer vakken aflegt, oefent het recht, bedoeld in het eerste en tweede lid, ten hoogste eenmaal uit.

Artikel 3.39. Cijfer en uitslag na herkansing

  • 1 Het hoogste cijfer voor een vak, behaald bij het centraal examen of de herkansing, is het definitieve cijfer van het centraal examen in dat vak.

  • 2 Na afloop van de herkansing in het laatste leerjaar stelt de rector of directeur de uitslag definitief vast met overeenkomstige toepassing van artikel 2.57, tweede lid, van de wet en de artikelen 3.34 en 3.35 en maakt deze schriftelijk aan de examenkandidaat bekend.

  • 3 Na afloop van een herkansing in het voorlaatste of direct daaraan voorafgaande leerjaar maakt de rector of directeur het definitief cijfer schriftelijk aan de examenkandidaat bekend.

Paragraaf 5. Cijferlijsten, diploma’s en certificaten

Artikel 3.40. Cijferlijst eindexamen

  • 1 Op de cijferlijst van het eindexamen worden vermeld:

    • a. de cijfers voor het schoolexamen en de cijfers voor het centraal examen;

    • b. voor vwo en havo het vak of de vakken en het onderwerp of de titel van het profielwerkstuk;

    • c. voor vmbo theoretische leerweg en gemengde leerweg het thema en de beoordeling van het profielwerkstuk;

    • d. de beoordeling van het vak lichamelijke opvoeding in vwo en havo;

    • e. de beoordeling van de vakken lichamelijke opvoeding en kunstvakken inclusief culturele en kunstzinnige vorming uit het gemeenschappelijk deel van een leerweg in mavo en vbo;

    • f. de beoordeling van de maatschappelijke stage, indien deze onderdeel is van het eindexamen en is beoordeeld met «voldoende» of «goed»;

    • g. de eindcijfers voor de examenvakken, met inbegrip van het eindcijfer, bedoeld in artikel 3.34, tweede lid, of artikel 3.35, derde lid; en

    • h. de uitslag van het eindexamen, bedoeld in artikel 2.57, tweede lid, van de wet.

  • 2 Indien een examenkandidaat in meer vakken examen heeft afgelegd dan in de vakken die ten minste samen een eindexamen vormen, worden de vakken die niet bij de bepaling van de uitslag zijn betrokken, op de cijferlijst vermeld, tenzij de examenkandidaat daartegen bedenkingen heeft geuit.

  • 3 De rector of directeur en de examensecretaris ondertekenen de cijferlijst.

  • 4 Indien de examenkandidaat in een bepaald jaar is geslaagd voor het eindexamen, draagt de rector of directeur er op verzoek van de examenkandidaat zorg voor dat de behaalde cijfers voor de vakken waarin in datzelfde jaar eindexamen in een of meer vakken of deelstaatsexamen is afgelegd, worden vermeld op de cijferlijst.