Uitvoeringswet Erasmusprogramma en Europees Solidariteitskorps

Geraadpleegd op 05-10-2022.
Geldend van 03-07-2021 t/m heden

Wet van 17 maart 2021, houdende regels ter uitvoering van de EU-verordening betreffende het programma voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en de EU-verordening betreffende het programma Europees Solidariteitskorps (Uitvoeringswet Erasmusprogramma en Europees Solidariteitskorps)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen in verband met de uitvoering van verordeningen inzake het programma voor onderwijs opleiding, jeugd en sport en het programma Europees Solidariteitskorps;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • Erasmusverordening: door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan te wijzen verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport op grond van artikel 165, vierde lid en artikel 166, vierde lid van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

  • Erasmusprogramma: programma voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport als bedoeld in de Erasmus-verordening;

  • programmaperiode: in een Erasmusverordening of een Verordening Europees Solidariteitskorps vastgestelde periode waarvoor een programma wordt opgesteld;

  • Verordening Europees Solidariteitskorps: door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan te wijzen verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma «Europees Solidariteitskorps» op grond van artikel 165, vierde lid en artikel 166, vierde lid van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Artikel 2. De nationale autoriteit

  • 1 Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap treedt op als nationale autoriteit als bedoeld in de Erasmusverordening, voor zover het betreft de monitoring van en het toezicht op het beheer van het deel van het Erasmus-programma dat betrekking heeft op de beleidsterreinen van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

  • 2 Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport treedt op als nationale autoriteit als bedoeld in de Erasmusverordening, voor zover het betreft de monitoring van en het toezicht op het beheer van het deel van het Erasmus-programma dat betrekking heeft op de beleidsterreinen van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, alsmede als nationale autoriteit als bedoeld in de Verordening Europees Solidariteitskorps.

Artikel 3. De nationale agentschappen

  • 1 Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wijst een agentschap als bedoeld in de Erasmusverordening aan, dat belast is met het beheer van de uitvoering van het deel van het Erasmus-programma dat betrekking heeft op de beleidsterreinen van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

  • 2 Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wijst één of twee nationale agentschappen als bedoeld in de Erasmusverordening aan, die belast zijn met het beheer van de uitvoering van het deel van het Erasmus-programma dat betrekking heeft op de beleidsterreinen van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, alsmede het nationaal agentschap, bedoeld in de Verordening Europees Solidariteitskorps.

  • 3 De nationale agentschappen worden aangewezen voor de duur van een programmaperiode.

  • 4 Aan de aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden met het oog op de goede uitvoering van de Erasmusverordening of de Verordening Europees Solidariteitskorps.

  • 5 Indien het aangewezen nationaal agentschap niet langer voldoet aan de in de verordeningen, bedoeld in het eerste en tweede lid, neergelegde eisen, of aan de op grond van het vierde lid gestelde voorschriften, kan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap respectievelijk Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de aanwijzing intrekken en een ander nationaal agentschap aanwijzen voor de resterende duur van de programmaperiode.

Artikel 4. Het onafhankelijk auditorgaan

  • 1 Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wijst in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport het onafhankelijk auditorgaan, bedoeld in de Erasmusverordening, aan.

  • 2 Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wijst het onafhankelijk auditorgaan, bedoeld in de Verordening Europees Solidariteitskorps, aan.

Artikel 5. Uitvoeringsregels

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de coördinatie van de betrekkingen tussen de nationale autoriteiten en de nationale agentschappen en tussen de nationale agentschappen onderling met het oog op de goede uitvoering van de Erasmusverordening of de Verordening Europees Solidariteitskorps.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te

’s-Gravenhage, 17 maart 2021

Willem-Alexander

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

I.K. van Engelshoven

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

P. Blokhuis

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

R.W. Knops

Uitgegeven de negentiende april 2021

De Minister van Justitie en Veiligheid,

F.B.J. Grapperhaus

Naar boven