Besluit diergezondheid

Geraadpleegd op 04-07-2022.
Geldend van 05-05-2022 t/m heden

Besluit van 24 maart 2021, houdende regels met betrekking tot de preventie en bestrijding van dierziekten en tot wijziging van het Besluit dierlijke producten, het Besluit diergeneesmiddelen, het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren en het Besluit houders van dieren (Besluit diergezondheid)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 16 november 2020, nr. WJZ / 20277340, gedaan in overeenstemming met Onze Minister voor Medische Zorg en Sport en na overleg met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelet op Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid («diergezondheidswetgeving») (PbEU 2016, L 84), Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bestrijding van salmonella en andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers (PbEU 2003, L 325), Richtlijn 2003/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 november 2003 inzake de bewaking van zoönosen en zoönoseverwekkers en houdende wijziging van Beschikking 90/424/EEG van de Raad en intrekking van Richtlijn 92/117/EEG van de Raad (PbEU 2003, L 325), Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PbEG 2002, L 31, Verordening (EU) nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 998/2003 (PbEU 2013, L 178) en de artikelen 2.2, tiende lid, 2.4, tweede lid, 2.5, tweede lid, 2.6, tweede lid, 2.7, tweede lid, 2.12, 2.22, tweede lid, 3.1, tweede lid, 5.4, tweede lid, 5.6, vierde en vijfde lid, artikel 6.4, eerste lid, artikel 7.2, tweede lid, 7.8, 9.8, tweede en zesde lid, 9.9, eerste en tweede lid, 10.2, eerste lid, en artikel 11.1 van de Wet dieren;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 10 februari 2021, nr. W11.20.0420/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 22 maart 2021, nr. WJZ 21059158, gedaan in overeenstemming met Onze Minister voor Medische Zorg en Sport en na overleg met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1.1. Begripsbepaling

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • besmet dier: dier dat is aangewezen als besmet als bedoeld in artikel 2.2;

  • deskundige: deskundige als bedoeld in artikel 9.8, vijfde lid, van de wet;

  • verdacht dier: dier dat is aangewezen als verdacht als bedoeld in artikel 2.1;

  • verordening (EU) nr. 2016/429: verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid («diergezondheidswetgeving») (PbEU 2016, L 84);

  • wet: Wet dieren.

Hoofdstuk 2. Besmette en van besmetting verdachte dieren

Artikel 2.1. Verdenking

  • 1 Onze Minister wijst een dier of groep dieren aan als verdacht van besmetting met een dierziekte of zoönose als bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, van de wet, anders dan een ziekte als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2016/429, indien:

    • a. uit klinisch, post-mortem- of laboratoriumonderzoeken blijkt dat een of meer klinische tekenen of post-mortemlaesies of histologische bevindingen op die ziekte wijzen;

    • b. een of meer resultaten van een diagnostische methode op de waarschijnlijke aanwezigheid van de ziekte in een monster van een dier of een groep dieren wijzen; of

    • c. er een epidemiologisch verband met een bevestigd geval is vastgesteld.

  • 2 Onze Minister trekt een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid in, indien:

    • a. er geen agens, antigeen of indirecte immunologische reactie is aangetoond; of

    • b. Onze Minister anderszins de overtuiging heeft gekregen dat het dier niet aan een ziekte als bedoeld in de aanhef van het eerste lid lijdt.

Artikel 2.2. Besmetting

Onze Minister wijst een dier of een groep dieren aan als besmet met een dierziekte of zoönose als bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, van de wet, anders dan een ziekte als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2016/429, indien:

  • a. de ziekteverwekker, vaccinstammen uitgezonderd, is geïsoleerd in een monster van een dier of een groep dieren;

  • b. een antigeen of nucleïnezuur dat specifiek is voor de ziekteverwekker en niet het gevolg is van vaccinatie, is aangetroffen in een monster van een dier of een groep dieren waarbij klinische symptomen die bij de ziekte passen of een epidemiologisch verband met een vermoedelijk of bevestigd geval zijn vastgesteld; of

  • c. een positief resultaat van een indirecte diagnostische methode dat niet het gevolg is van vaccinatie, is verkregen in een monster van een dier of een groep dieren waarbij klinische symptomen die bij de ziekte passen of een epidemiologisch verband met een vermoedelijk of bevestigd geval zijn vastgesteld.

Artikel 2.3. Borden en kentekenen

  • 2 Het is verboden dieren, producten of voorwerpen te vervoeren van en naar gebouwen, ruimten, terreinen, gebieden of andere onroerende zaken waar een kenteken als bedoeld in artikel 5.6, derde lid, onderdeel b, van de wet is geplaatst.

  • 3 De toegang tot gebouwen, ruimten, terreinen, gebieden of andere onroerende zaken waar een kenteken als bedoeld in 5.6, derde lid, van de wet is geplaatst, of door Onze Minister aangewezen gedeelten daarvan, is aan anderen dan door Onze Minister aan te wijzen personen of groepen van personen verboden.

Hoofdstuk 3. Uitvoering monitoringsprogramma’s door aangewezen laboratoria

Artikel 3.1. Aanwijzing laboratorium en monitoringsprogramma’s

Voor daartoe aangewezen monitoringsprogramma’s wijst Onze Minister een instelling met een laboratorium aan die:

  • a. monsters neemt;

  • b. laboratoriumanalyses, -tests en -diagnoses uitvoert;

  • c. ander onderzoek verricht in het kader van de opsporing en bestrijding van dierziektes; of

  • d. rapportages maakt over de verrichte werkzaamheden.

Artikel 3.3. Meewerkverplichting exploitant

Een exploitant als bedoeld in artikel 4, onderdeel 24, van verordening nr. (EU) 2016/429 verleent medewerking ten behoeve van het nemen van monsters van de door hem gehouden dieren, kadavers, delen van dieren of dierlijke producten en staat deze af aan het op grond van artikel 3.1 aangewezen instelling ter uitvoering van de aangewezen monitoringsprogramma’s.

Hoofdstuk 4. Waardevaststelling bij ziektebestrijdingsmaatregelen

Artikel 4.2. Waardevaststelling dieren, producten en voorwerpen

  • 1 De waardevaststelling, bedoeld in artikel 9.8, derde lid, van de wet geschiedt op basis van:

    • a. het in artikel 5.4, vijfde lid, van de wet bedoelde vastgestelde aantal dieren; en

    • b. de waarde die het dier, product of voorwerp had op het moment waarop aan de desbetreffende houder is medegedeeld dat ten aanzien van zijn dier, product of voorwerp een bestrijdingsmaatregel wordt of is toegepast.

  • 2 Bij toepassing van het eerste lid, onderdeel b, wordt rekening gehouden met de bij ministeriele regeling vast te stellen indeling van dieren, producten of voorwerpen in soorten, categorieën of andere onderverdelingen.

  • 3 De deskundige, bedoeld in artikel 9.8, vijfde lid, van de wet, verstrekt de houder van het dier, product of voorwerp een afschrift van het formulier, bedoeld in artikel 9.8, zevende lid, van de wet.

Artikel 4.3. Waarden dieren, producten en voorwerpen

  • 1 De waarde van een verdacht dier en de marktwaarde van een product, bedoeld in artikel 9.8, eerste lid, onderdelen a en c, van de wet, zijn het bedrag dat de eigenaar onder normale omstandigheden voor dat dier of product had kunnen ontvangen op de markt, al naar gelang de conditie, de kwaliteit, het gewicht, het ras of type, de leeftijd of ouderdom.

  • 2 In afwijking van het eerste lid is de waarde van een dier of product dat zich bevindt in een levensfase of fase van het productieproces waarin het onder normale omstandigheden niet verhandelbaar is, de waarde, al naar gelang het gebruiksdoel, de aanwending, de leeftijd of ouderdom.

Artikel 4.5. Herwaardering

  • 1 Een houder die zich niet met het advies van de deskundige, bedoeld in artikel 9.8, vijfde lid, van de wet, kan verenigen, kan Onze Minister gemotiveerd verzoeken om een herwaardering.

  • 2 Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan binnen een week te rekenen vanaf de dag na de dagtekening van het advies.

  • 3 Indien het verzoek, bedoeld in het eerste lid, aanleiding geeft tot het opstellen van een nieuw advies, wijst Onze Minister drie deskundigen aan, waaronder de deskundige die het oorspronkelijke advies uitbracht, die Onze Minister adviseren over de waarde van het dier, product of voorwerp.

  • 4 Indien de drie deskundigen geen overeenstemming bereiken, wordt het advies over de waarde bepaald door de som van de door de drie deskundigen voorgestelde waarden te delen door drie.

Artikel 4.6. Vakbekwaamheidseisen deskundige

  • 1 Een deskundige heeft in ieder geval theoretische kennis over:

    • a. marktontwikkelingen en marktprijzen;

    • b. productiekengetallen;

    • c. administratieve processen en bescheiden;

    • d. dierenrassen, hun eigenschappen en productiekenmerken;

    • e. bedrijfskolommen; en

    • f. de aanwezige en gebruikte producten en voorwerpen van het bedrijf of bedrijfstype waar de waardevaststelling betrekking op heeft.

  • 2 Een deskundige kan in ieder geval:

    • a. fokvee, gebruiksvee en slachtvee beoordelen;

    • b. het ras of de kruising, de leeftijd, de lichamelijke conditie, het gewicht van dieren bepalen;

    • c. het exterieur, de productiviteit en het gebruiksdoel van dieren beoordelen;

    • d. de waarde van dieren, producten en voorwerpen bepalen in gevallen als bedoeld in artikel 4.3; en

    • e. mondeling, schriftelijk of digitaal rapporteren in de Nederlandse taal over uitgevoerde en uit te voeren werkzaamheden.

Hoofdstuk 5. Diergezondheidsheffing

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 5.1. Begripsbepaling en grondslag

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • A-, B-, C-, D-, E- of F-bedrijf: bedrijf dat op grond van artikel 2.27a van het Besluit houders van dieren is geregistreerd als A-, B-, C-, D-, E- of F-bedrijf;

  • beer: geslachtsrijp varken van het mannelijk geslacht; bestemd voor de fokkerij;

  • big: varken vanaf de geboorte tot aan het spenen;

  • diergezondheidsheffing: heffing als bedoeld in artikel 9.14 van de wet;

  • eendagskuiken: kuiken dat nog geen 72 uur oud is;

  • gebruikspluimvee: pluimvee dat bestemd is voor de productie van consumptie-eieren of direct bestemd is voor de productie van vlees;

  • gelt: geslachtsrijp varken van het vrouwelijk geslacht dat nog niet heeft geworpen, bestemd voor de fokkerij;

  • grootouderdier: kip die 17 weken of ouder is en gehouden wordt voor de productie van broedeieren ter verkrijging van ouderdieren;

  • legkip: kip die 17 weken of ouder is en gehouden wordt voor de productie van consumptie-eieren of vaccinbroedeieren;

  • leghaan: haan van een legras die direct bestemd is voor de productie van vlees;

  • legras: pluimveeras dat bestemd is voor de productie van eieren;

  • ouderdier: kip die 17 weken of ouder is en gehouden wordt voor de productie van broedeieren ter verkrijging van gebruikspluimvee;

  • traaggroeiend ras: ras waarvan de dieren minder dan 50 gram per dag groeien;

  • verordening (EG) nr. 589/2008: Verordening (EG) nr. 589/2008 van de Commissie van 23 juni 2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat betreft de handelsnormen voor eieren (PbEU 2008, L 163);

  • verordening (EU) 2018/848: Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (PbEU 2018, L 150);

  • vleeskalkoen: kalkoen van 72 uur of ouder die direct bestemd is voor de productie van vlees;

  • vleeskuiken: kip van 72 uur of ouder die direct bestemd is voor de productie van vlees;

  • vleesras: pluimveeras dat bestemd is voor de productie van vlees;

  • vleesvarken: gespeend varken dat wordt gehouden voor de productie van vlees;

  • zeug: varken van het vrouwelijk geslacht na de worp van haar eerste biggen.

Artikel 5.3. Aantal gehouden dieren

  • 1 Het aantal in een kalenderjaar gehouden varkens wordt bepaald op basis van het aantal dieren dat in het kalenderjaar uit de stal is afgevoerd.

  • 2 Het aantal in een kalenderjaar gehouden runderen, jonger dan een jaar, wordt bepaald op basis van het aantal dieren dat in het kalenderjaar uit de stal is afgevoerd om te worden geëxporteerd of om te worden vervoerd naar een slachthuis, al dan niet via een verzamelcentrum.

Artikel 5.4. Plafondbedragen

De tarieven voor de diergezondheidsheffing worden voor de jaren 2020 tot en met 2024 zodanig vastgesteld dat de totale opbrengst in die periode niet meer bedraagt dan:

  • a. voor runderen: € 43.220.000;

  • b. voor varkens: € 57.947.300;

  • c. voor kippen, kalkoenen, eenden en broedeieren: € 78.000.000;

  • d. voor schapen en geiten: € 9.095.440.

§ 2. Tarieven diergezondheidsheffing

Artikel 5.6. Kippen vleesras

  • 1 Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van eendagskuikens die behoren tot een vleesras bedraagt:

    • a. € 0,220974 per eendagskuiken dat bestemd is om te worden opgefokt tot grootouderdier;

    • b. € 0,011730 per eendagskuiken dat bestemd is om te worden opgefokt tot ouderdier.

  • 2 Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van kippen die behoren tot een vleesras bedraagt:

    • a. € 0,039875 per ouderdier;

    • b. € 0,264947 per grootouderdier.

  • 3 Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van vleeskuikens bedraagt:

    • a. € 0,002319 per vleeskuiken van een traaggroeiend ras;

    • b. € 0,001578 per vleeskuiken van andere rassen dan bedoeld in onderdeel a.

  • 4 Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van de inleg van broedeieren, afkomstig van kippen die behoren tot een vleesras, bedraagt:

    • a. € 0,000770 per broedei voor fok- en vermeerderingspluimvee;

    • b. nihil per broedei voor gebruikspluimvee.

Artikel 5.7. Kippen legras

  • 1 Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van eendagskuikens die behoren tot een legras bedraagt:

    • a. € 0,245013 per eendagskuiken dat bestemd is om te worden opgefokt tot grootouderdier;

    • b. € 0,112171 per eendagskuiken dat bestemd is om te worden opgefokt tot ouderdier;

    • c. € 0,079776 per eendagskuiken dat bestemd is om te worden opgefokt tot legkip.

  • 2 Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van kippen die behoren tot een legras bedraagt:

    • a. € 0,276751 per grootouderdier;

    • b. € 0,066760 per ouderdier.

  • 3 Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van legkippen bedraagt:

    • a. € 0,119829 per legkip die wordt gehouden voor de productie van biologische eieren als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van verordening (EU) 2018/848;

    • b. € 0,063053 per legkip die wordt gehouden voor de productie van eieren van hennen met vrije uitloop als bedoeld in bijlage II, onderdeel 1, van verordening (EG) nr. 589/2008;

    • c. € 0,031780 per legkip die wordt gehouden voor de productie van scharreleieren als bedoeld in bijlage II, onderdeel 2, van verordening (EG) nr. 589/2008 of vaccinbroedeieren;

    • d. € 0,021081 per legkip die wordt gehouden voor de productie van kooi-eieren als bedoeld in bijlage II, onderdeel 3, van verordening (EG) nr. 589/2008.

  • 4 Het tarief voor de diergezondheidsheffing voor de inleg van broedeieren, afkomstig van kippen die behoren tot een legras, bedraagt:

    • a. € 0,001383 per broedei voor fok- en vermeerderingspluimvee;

    • b. nihil per broedei voor gebruikspluimvee;

    • c. € 0,000082 per vaccinbroedei.

  • 5 Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van leghanen bedraagt € 0,004538 per leghaan.

Artikel 5.8. Kalkoenen

  • 1 Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van vleeskalkoenen bedraagt:

    • a. € 0,013797 per vrouwelijke vleeskalkoen;

    • b. € 0,025824 per mannelijke vleeskalkoen.

  • 2 Het tarief voor de diergezondheidsheffing voor de inleg van broedeieren, afkomstig van kalkoenen, bedraagt € 0,001071 per broedei.

Artikel 5.9. Eenden

  • 1 Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van eenden bedraagt  0,003972 per eend.

  • 2 Het tarief voor de diergezondheidsheffing voor de inleg van broedeieren, afkomstig van eenden, bedraagt € 0,000316 per broedei.

Artikel 5.10. Runderen

  • 1 Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van runderen van 1 jaar of ouder bedraagt € 2,416 per rund.

  • 2 Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van runderen, jonger dan 1 jaar, bedraagt € 0,379 per rund.

Artikel 5.11. Schapen en geiten

  • 1 Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van schapen bedraagt € 0,863 per schaap.

  • 2 Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van geiten bedraagt € 1,571 per geit.

Artikel 5.12. Varkens

  • 1 Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van varkens op een A-bedrijf bedraagt:

    • a. € 0,163 per vleesvarken dat is afgevoerd naar een slachthuis of naar een bestemming buiten Nederland, al dan niet via een verzamelcentrum;

    • b. € 0,081 per zeug, beer, gelt of big die is afgevoerd naar een A-, B-, C- of D-bedrijf, naar een slachthuis of naar een bestemming buiten Nederland, al dan niet via een verzamelcentrum;

    • c. € 0,057 per big die is afgevoerd naar een E-bedrijf.

  • 2 Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van varkens op een B-bedrijf bedraagt:

    • a. € 0,163 per vleesvarken dat is afgevoerd naar een slachthuis of naar een bestemming buiten Nederland, al dan niet via een verzamelcentrum;

    • b. € 0,081 per zeug, beer of gelt die is afgevoerd naar een slachthuis of naar een bestemming buiten Nederland, al dan niet via een verzamelcentrum;

    • c. € 0,081 per big die is afgevoerd naar een D-bedrijf, naar een slachthuis of naar een bestemming buiten Nederland, al dan niet via een verzamelcentrum;

    • d. € 0,057 per big die is afgevoerd naar een F-bedrijf.

  • 3 Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van varkens op een C-bedrijf bedraagt € 0,081 per varken dat is afgevoerd naar A-, B-, of D-bedrijf, naar een slachthuis of naar een bestemming buiten Nederland, al dan niet via een verzamelcentrum.

  • 4 Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van varkens op een D-bedrijf bedraagt € 0,081 per varken dat is afgevoerd naar een slachthuis of naar een bestemming buiten Nederland, al dan niet via een verzamelcentrum.

  • 5 Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van varkens op een E-bedrijf bedraagt € 0,024 per varken.

  • 6 Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van varkens op een F-bedrijf bedraagt € 0,024 per varken.

  • 7 Op geslachtsrijpe varkens die eerder bestemd waren voor de fokkerij en van een A-bedrijf of een B-bedrijf zijn afgevoerd naar een slachthuis, al dan niet via een verzamelcentrum, is uitsluitend het eerste lid, onderdeel b, dan wel het tweede lid, onderdeel b, van toepassing.

Hoofdstuk 6. Wijziging andere besluiten

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Artikel 7.1. Overgangsrecht

Besluiten die op grond van artikel 13 van uitvoeringsverordening (EU) 2015/262 van de Commissie van 17 februari 2015 tot vaststelling van voorschriften overeenkomstig de Richtlijnen 90/427/EEG en 2009/156/EG van de Raad met betrekking tot de methoden voor de identificatie van paardachtigen (verordening paardenpaspoort) (Pb EU 2015, L 59) zijn genomen, worden geacht te zijn genomen op grond van artikel 60 van verordening (EU) 2019/2035 onder dezelfde voorschriften, beperkingen en voorwaarden.

Artikel 7.5. Inwerkingtreding

  • 1 Dit besluit treedt in werking met ingang van 21 april 2021, met uitzondering van artikel 6.4, onderdeel B, ten aanzien van de artikelen 1.29, 1.30 en 1.31 van het Besluit houders van dieren, en van artikel 6.5.

  • 2 Indien het bij koninklijke boodschap van 17 februari 2020 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet dieren in verband met de uitvoering van de herziene Europese diergezondheidswetgeving (Kamerstukken 35 398) tot wet is of wordt verheven en artikel I, onderdeel B, van die wet in werking treedt, treedt artikel 6.4, onderdeel B, ten aanzien van de artikelen 1.29, 1.30 en 1.31 van het Besluit houders van dieren, op hetzelfde tijdstip in werking.

  • 3 Artikel 6.5 treedt in werking op het tijdstip dat artikel I, onderdeel A, onderdeel 3, van het besluit van 15 oktober 2020 tot wijziging van het Besluit diergezondheidsheffing in verband met de vaststelling van de tarieven voor 2021 (Stb. 399) in werking treedt.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 24 maart 2021

Willem-Alexander

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

C.J. Schouten

Uitgegeven de zesde april 2021

De Minister van Justitie en Veiligheid,

F.B.J. Grapperhaus

Naar boven