Besluit loonkostensubsidie en minimumbedragen studietoeslag Participatiewet 2021

Geraadpleegd op 28-09-2022.
Geldend van 01-04-2022 t/m 30-06-2022

Besluit van 23 februari 2021 tot het stellen van regels ten aanzien van de loonkostensubsidie Participatiewet met betrekking tot het bepalen van de doelgroep, de uniforme bepaling van de loonwaarde en het moment van uitbetalen van de loonkostensubsidie (Besluit loonkostensubsidie Participatiewet 2021)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 december 2020, nr. 2020-0000160093;

Gelet op artikel 10e van de Participatiewet en artikel 10a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 13 januari 2021, nr. W12.20.0456/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 februari 2021, nr. 2021-0000035086,

Hebben goedgevonden en verstaan:

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • hoofdtaak: een taak, of meerdere taken of handelingen met in de werkzaamheden onderlinge samenhang, waaraan de werknemer ten minste 1/16 deel van de werktijd per week en 30 minuten van de werktijd per werkdag besteedt;

  • kwaliteit: het gemiddelde aantal geproduceerde eenheden of diensten over een relevante periode dat bruikbaar is en voldoet aan de gestelde kwaliteit;

  • loonwaardedeskundige: de door het college voor het bepalen van de loonwaarde aangewezen natuurlijke persoon;

  • netto werktijd: de tijd die de werknemer besteedt aan het verrichten van handelingen behorend tot een hoofdtaak;

  • normfunctie: de functie van een gemiddelde werknemer met een soortgelijke opleiding en ervaring, die niet tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort die wat betreft samenstelling van de werkzaamheden het dichtst tegen de feitelijk uitgevoerde werkzaamheden van de potentiële werknemer aan ligt;

  • tempo: het gemiddelde aantal geproduceerde eenheden of diensten over een relevante periode;

  • werknemer: persoon als bedoeld in artikel 10d, eerste of tweede lid, van de Participatiewet met wie de werkgever voornemens is een dienstbetrekking als bedoeld in die leden aan te gaan, of met wie de werkgever een dienstbetrekking als bedoeld in die leden is aangegaan.

§ 2. Mogelijkheden tot arbeidsparticipatie

Artikel 2. Mogelijkheden tot arbeidsparticipatie bij loonkostensubsidie

  • 1 Een persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie indien die persoon:

    • a. een taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;

    • b. over basale werknemersvaardigheden beschikt;

    • c. aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; en

    • d. ten minste vier uur per dag belastbaar is of ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.

  • 3 Een taak als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is de kleinste eenheid van een functie en bestaat uit één of meerdere handelingen.

  • 4 Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot het eerste lid nadere regels worden gesteld.

§ 3. Bepalingen met betrekking tot de vaststelling van de loonwaarde

Artikel 3. Vaststelling van de loonwaarde

  • 1 Het college stelt de loonwaarde vast op basis van de feitelijke werkzaamheden op de werkplek van de werknemer bij de werkgever met inachtneming van het bij of krachtens deze paragraaf gestelde op grond van het rapport, bedoeld in het derde lid, onderdeel d, en met inbreng van de werknemer en de werkgever die voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan dan wel een dienstbetrekking is aangegaan met de werknemer.

  • 2 De loonwaarde bedraagt de som van de arbeidsprestaties per hoofdtaak, bedoeld in artikel 5, rekenkundig afgerond op hele procenten.

  • 3 De loonwaardedeskundige:

    • a. bepaalt de normfunctie overeenkomstig artikel 4;

    • b. stelt de arbeidsprestaties per hoofdtaak vast overeenkomstig artikel 5;

    • c. berekent de loonwaarde; en

    • d. legt de bevindingen, nadat de werknemer en de werkgever die een dienstbetrekking is aangegaan met de werknemer of dat voornemens is in staat zijn gesteld hun zienswijze kenbaar te maken, vast in een rapport dat voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen regels.

  • 4 Het college draagt er zorg voor dat de loonwaardedeskundige aan de krachtens artikel 6 gestelde kwaliteitseisen voldoet en in voldoende mate onafhankelijk functioneert.

Artikel 4. Bepalen van de normfunctie

  • 1 De loonwaardedeskundige bepaalt een normfunctie die wat betreft de werktijd die aan hoofdtaken wordt besteed voor ten minste 60% overeenkomt met de feitelijke hoofdtaken van de werknemer en gaat daarbij uit van functies die:

    • a. bij de werkgever beschikbaar zijn of, indien dat niet mogelijk is;

    • b. beschreven zijn in de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst of functies die beschikbaar zijn in de betreffende sector of, indien dat niet mogelijk is;

    • c. beschikbaar zijn op de Nederlandse arbeidsmarkt.

  • 2 Indien er geen functie is die voldoet aan het eerste lid, bepaalt de loonwaardedeskundige de normfunctie op grond van een samenstelling van hoofdtaken die overeenkomt met de hoofdtaken van de werknemer en gaat daarbij uit van hoofdtaken die:

    • a. bij de werkgever uitgevoerd worden, of, indien dat niet mogelijk is;

    • b. behoren tot functies die beschreven zijn in de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst of in de betreffende sector of, indien dat niet mogelijk is;

    • c. behoren tot functies die beschikbaar zijn op de Nederlandse arbeidsmarkt.

  • 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels gesteld worden met betrekking tot dit artikel.

Artikel 5. De arbeidsprestatie per hoofdtaak

  • 1 De loonwaardedeskundige stelt voor maximaal vijf hoofdtaken, die tezamen 100% van de werktijd van de werknemer omvatten, de arbeidsprestatie vast.

  • 2 De arbeidsprestatie per hoofdtaak bedraagt: AP=T*K*N*BT, waarbij:

    AP staat voor de arbeidsprestatie per hoofdtaak,

    T staat voor de prestatie in de hoofdtaak in tempo van de werknemer uitgedrukt in een percentage van de bij de normfunctie behorende prestatie in de hoofdtaak,

    K staat voor de prestatie in de taak in kwaliteit van de werknemer uitgedrukt in een percentage van de bij de normfunctie behorende prestatie in de hoofdtaak,

    N staat voor de netto werktijd in de hoofdtaak van de werknemer uitgedrukt in een percentage van de bij de normfunctie behorende prestatie in de hoofdtaak, en

    BT staat voor de bijdrage in werktijd van de hoofdtaak aan de tijd die de werknemer in totaal aan hoofdtaken besteedt.

  • 3 Factoren die van invloed zijn op meer dan een van de prestaties T, K of N komen in slechts een van de prestaties tot uitdrukking.

Artikel 6. Kwaliteitseisen loonwaardedeskundige

De loonwaardedeskundige voldoet wat betreft kennis over de relevante wet- en regelgeving met betrekking tot het bepalen van de loonwaarde, andere voor de bepaling van de loonwaarde relevante kennis, passende opleiding, vaardigheden en ervaring aan bij ministeriële regeling te stellen eisen.

§ 4a. Bedragen studietoeslag

Artikel 7a. bedragen studietoeslag

Het bedrag, bedoeld in artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet bedraagt per maand minimaal voor:

  • a. 21-jarigen en ouder: € 300,00;

  • b. 20-jarigen: € 240,00;

  • c. 19-jarigen: € 180,00;

  • d. 18-jarigen: € 150,00;

  • e. 17-jarigen: € 118,50;

  • f. 16-jarigen: € 103,50;

  • g. 15-jarigen: € 90,00.

Artikel 7c. Indexering

  • 2 De gewijzigde bedragen en de dag waarop de wijzigingen ingaan, worden door of namens Onze Minister medegedeeld in de Staatscourant.

§ 5. Slotbepalingen

Artikel 8. Overgangsrecht

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien de loonkostensubsidie ambtshalve wordt verleend en de voorbereiding van het besluit tot verlenen van loonkostensubsidie is aangevangen voor de dag van inwerkingtreding van dit besluit.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Apeldoorn, 23 februari 2021

Willem-Alexander

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

W. Koolmees

Uitgegeven de achtste maart 2021

De Minister van Justitie en Veiligheid,

F.B.J. Grapperhaus

Naar boven