Tijdelijke subsidieregeling verduurzaming binnenvaartschepen 2021–2025

[Regeling vervalt per 01-01-2026.]
Geraadpleegd op 15-08-2022.
Geldend van 30-01-2021 t/m 04-10-2021

Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 26 januari 2021, nr. IENW/BSK-2021/10986, houdende vaststelling van de Tijdelijke subsidieregeling verduurzaming binnenvaartschepen (Tijdelijke subsidieregeling verduurzaming binnenvaartschepen 2021–2025)

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,

Gelet op de artikelen 2, eerste lid, 4, 8, eerste lid en tweede lid, onderdeel b, 9, 22 en 23, vijfde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M en artikel 36 van verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014;

BESLUIT:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • aanvrager: natuurlijke of rechtspersoon uit een lidstaat van de Europese Unie of uit Zwitserland aan wie het binnenschipcertificaat voor het desbetreffende vaartuig is verstrekt;

  • algemene groepsvrijstellingsverordening (AGVV): verordening (EU) 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard;

  • bedrijfsmatig vervoer: bedrijfsmatig vervoer als bedoeld in de Binnenvaartwet;

  • binnenschipcertificaat: certificaat van onderzoek als bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 1, van het Binnenvaartbesluit of een Uniebinnenvaartcertificaat voor binnenschepen overeenkomstig de richtlijn;

  • erkend meetbedrijf: meetbedrijf erkend door de Raad voor Accreditatie voor het verrichten van emissiemetingen aan boord van binnenvaartschepen;

  • gecertificeerd meetbedrijf: meetbedrijf dat door een erkend meetbedrijf is gecertificeerd voor het verrichten van emissiemetingen aan boord van binnenvaartschepen;

  • groep: groep, als bedoeld in artikel 2:24b van het Burgerlijk Wetboek;

  • Kaderbesluit: Kaderbesluit subsidies I en M;

  • NRMM-Verordening: verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde interne verbrandingsmotoren, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1024/2012 en (EU) nr. 167/2013, en tot wijziging en intrekking van Richtlijn 97/68/EG;

  • Richtlijn: richtlijn (EU) 2016/1629 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen, tot wijziging van Richtlijn 2009/100/EG en tot intrekking van Richtlijn 2006/87/EG;

  • ROSR: Reglement onderzoek schepen op de Rijn;

  • SCR-katalysator: nabehandelingssysteem voor selectieve katalytische reductie, dat overeenkomstig artikel 9.09 van bijlage 1.1a bij de Binnenvaartregeling op een motor van een binnenvaartschip kan worden geplaatst, teneinde uitlaatgassen van die motor te ontdoen van stikstofoxiden;

  • staatssteun: steunmaatregelen als omschreven in artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

  • uitvoeringsinstantie: de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO);

  • vaartuig: binnenvaartschip of drijvend werktuig als bedoeld in de Richtlijn.

Artikel 2. Doel en toepassingsbereik van de regeling

  • 1 Deze regeling heeft als doel het ondersteunen van de verbetering van de emissieprestatie van vaartuigen met een interne verbrandingsmotor. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan subsidie verstrekken aan de aanvrager van subsidie voor een vaartuig uit de binnenvaartsector met een interne verbrandingsmotor, teneinde de emissieprestatie van het vaartuig te verbeteren.

  • 2 Deze regeling is van toepassing op bedrijfsmatig vervoer met schepen die vallen binnen het toepassingsbereik van het ROSR of de Richtlijn (EU) 2016/1629, alsmede op activiteiten met drijvende werktuigen die vallen binnen het toepassingsbereik van die richtlijn, met uitzondering van drijvende werktuigen die vallen onder bijlage 3.12 bij de Binnenvaartregeling.

Artikel 3. Subsidiabele activiteiten

  • 1 De volgende maatregelen komen voor subsidie in aanmerking:

    • a. aanschaf en installatie van een motor van het type IWP, IWA of NRE, als bedoeld in NRMM-verordening, of van een motor die op basis van die verordening als gelijkwaardig is erkend;

    • b. aanschaf en installatie van een SCR-katalysator ten behoeve van de reeds ingebouwde motor, voor zover dit leidt tot een vermindering van de uitstoot van stikstofoxiden met tenminste 60% van de norm die wordt gesteld aan een motor met vergelijkbaar vermogen met een typegoedkeuring CCR2;

    • c. aanschaf en installatie van een elektrische aandrijfmotor, als bedoeld in artikel 11.00, vijfde lid, van bijlage 1.1a bij de Binnenvaartregeling; de aanschaf en installatie van een elektrische aandrijfmotor komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien de elektriciteit wordt opgewekt door een batterij of een brandstofcel of indien de verbrandingsmotor eenvoudig door een batterij of brandstofcel kan worden vervangen;

    • d. het laten opstellen van een rapport door een erkend meetbedrijf of een gecertificeerd meetbedrijf waarin de meetresultaten van emissies van de motor na uitvoering van de in het eerste lid, onder b, uitgevoerde maatregelen in de praktijk zijn weergegeven, voorafgaand aan de aanvraag tot subsidievaststelling. De metingen worden uitgevoerd conform de norm ISO 8178, testcyclus E3 of D2.

  • 2 In aanmerking voor subsidie komen voorts extra maatregelen die leiden tot reductie van geluidsemissie binnen en buiten het vaartuig, voor zover deze maatregelen rechtstreeks samenhangen met de in het eerste lid bedoelde maatregelen.

Artikel 4. Subsidieplafond en hoogte van de subsidie

  • 1 Voor de periode tot en met 31 december 2023 is voor de subsidiëring van de maatregelen, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a en c, en artikel 3, tweede lid, ten hoogste € 11.700.000,– beschikbaar:

    • a. € 4.900.000,- voor het jaar 2021;

    • b. € 5.900.000,– voor het jaar 2022;

    • c. € 900.000,– voor het jaar 2023.

  • 2 Voor de periode tot en met 31 december 2025 is voor de maatregelen, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen b en d en artikel 3, tweede lid, ten hoogste € 65.000.000,– beschikbaar:

    • a. € 15.600.000,– voor het jaar 2021;

    • b. € 13.600.000,– voor het jaar 2022;

    • c. € 15.600.000,– voor het jaar 2023;

    • d. € 15.600.000,– voor het jaar 2024;

    • e. € 4.600.000,– voor het jaar 2025.

  • 3 Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld.

  • 4 De subsidieverlening wordt gerechtvaardigd op grond van artikel 36, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 5 De subsidie bedraagt ten hoogste 40% van de totale investeringskosten tot een maximum van € 200.000,– per vaartuig.

  • 6 Conform artikel 36, zevende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, kan de steunintensiteit met 10 procentpunten worden verhoogd voor subsidie aan middelgrote ondernemingen en met 20 procentpunten voor subsidie aan kleine ondernemingen

  • 7 De subsidieverdeling vindt plaats op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 5. Specifieke afwijzingsgronden

Onverminderd de in artikel 11 en 12 van het Kaderbesluit vermelde afwijzingsgronden, wordt de subsidie in ieder geval afgewezen indien:

  • a. er al een subsidie is verstrekt op grond van deze regeling voor dezelfde maatregel;

  • b. er sprake is van ongeoorloofde cumulatie van steun als bedoeld in artikel 8 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • c. er sprake is van een onderneming in moeilijkheden als bedoeld artikel 2, achttiende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • d. indien de werkzaamheden aan de maatregelen reeds zijn aangevangen voordat de aanvraag voor dat project is ingediend en het stimulerend effect als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening daardoor ontbreekt;

  • e. de subsidieverstrekking niet in overeenstemming is met enige andere bepaling in de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • f. de aanvrager op grond van de NRMM-verordening en de Richtlijn verplicht is een motor te plaatsen van het type IWP, IWA of NRE of een motor die op basis van de NRMM-verordening als gelijkwaardig is erkend, of

  • g. in het kalenderjaar waarin de aanvraag wordt gedaan aan een aanvrager, dan wel aan aanvragers die tot eenzelfde groep behoren, reeds voor drie vaartuigen subsidie is verstrekt.

Artikel 7. Aanvraagvereisten

  • 1 Een aanvraag voor subsidie heeft betrekking op één vaartuig.

  • 2 Een aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend met gebruikmaking van een door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat beschikbaar gesteld digitaal formulier dat wordt geplaatst op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

  • 4 Een aanvrager toont bij de aanvraag aan dat het vaartuig waarvoor de subsidie wordt aangevraagd in de 12 maanden voorafgaand aan de aanvraag minimaal 60 dagen in bedrijf is geweest op het Nederlandse vaarwegennet.

Artikel 8. Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1 In geval subsidie is verleend op grond van artikel 3, eerste lid, onder b, levert de subsidieontvanger uiterlijk 13 weken nadat de maatregel is uitgevoerd een rapport aan, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder d.

  • 2 De aanvrager rondt de maatregelen, als bedoeld in artikel 3, binnen 12 maanden na subsidieverlening af.

  • 3 Over de twee kalenderjaren na uitvoering van de maatregel waarvoor subsidie is ontvangen toont de aanvrager bij een steekproefsgewijze controle aan dat het vaartuig minimaal 60 dagen op de Nederlandse vaarwegen actief is geweest.

  • 4 Indien blijkt dat de aanvrager niet voldaan heeft aan het in artikel 8, derde lid, benoemde vereiste kan de subsidie, met in achtneming van de redelijkheid en billijkheid en naar rato van het aantal dagen dat met het vaartuig op de Nederlandse vaarwegen actief is geweest, teruggevorderd worden.

  • 5 De subsidieontvanger is verplicht medewerking te verlenen aan controles die kunnen worden verricht door de uitvoeringsinstantie om te onderzoeken of door de subsidieontvanger aan de verplichtingen uit de regeling is of wordt voldaan.

Artikel 9. Subsidievaststelling

  • 1 Indien bij de subsidievaststelling blijkt dat niet de emissiereductie is behaald conform artikel 3, eerste lid, onderdeel b, wordt, met inachtneming van de redelijkheid en de billijkheid, de subsidievaststelling naar rato vastgesteld.

Artikel 10. Evaluatie

  • 1 De subsidieontvanger verleent medewerking aan een evaluatie van de effecten van de door hem op grond van deze titel uitgevoerde activiteiten, voor zover medewerking redelijkerwijs van hem kan worden verlangd.

  • 2 De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.

  • 3 De Minister van Infrastructuur en Waterstaat publiceert voor 1 juli 2026 een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de uitkering in de praktijk.

Artikel 11. Inwerkingtreding

  • 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

  • 2 Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2026, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de voor die datum aangevraagde subsidies.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,

C. van Nieuwenhuizen Wijbenga

Naar boven