Paspoortbesluit

Geldend van 01-01-2021 t/m 01-08-2021

Besluit van 15 oktober 2020, houdende regels betreffende het verstrekken van reisdocumenten (Paspoortbesluit)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 juli 2020, nr. 2020001558;

Gelet op de artikelen 2, eerste tot en met derde lid, 3, eerste, derde, vierde en achtste lid, 3a, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, 4c, tweede lid, 4d, derde en vierde lid, 4e, tweede en derde lid, 7, eerste, derde en zesde lid, 16, tweede lid, 26, eerste tot en met derde lid, 28, vierde lid, 40, eerste tot en met derde lid, 41, vierde lid, 42, vijfde lid, 43, 46b, 47, vierde lid, 50a, 54, zesde lid, 57 en 59, eerste lid, van de Paspoortwet;

De Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 2 september 2020, nr. W04.20.0260/I/K);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 oktober 2020, 2020-0000590495;

De bepalingen van het Statuut van het Koninkrijk in acht genomen zijnde;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Paragraaf 1. Definities en reikwijdte

Artikel 1.1. Definities

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a. wet: Paspoortwet;

  • b. reisdocumentenstation: door Onze Minister beschikbaar gestelde apparatuur en programmatuur, waarin gegevens met betrekking tot aangevraagde en uitgereikte reisdocumenten worden verwerkt en gearchiveerd en waarmee de gegevensuitwisseling tussen de bevoegde autoriteit en de leverancier plaatsvindt;

  • c. basisregister reisdocumenten: het register, bedoeld in Hoofdstuk 1, paragraaf 3 van de wet;

  • d. register vermiste of vervallen reisdocumenten: het register, bedoeld in artikel 4a van de wet;

  • e. basisadministratie: de basisregistratie personen in het Europese deel van Nederland, dan wel een basisadministratie als bedoeld in artikel 2 van de Wet basisadministraties persoonsgegevens BES, dan wel een bij landsverordening van Aruba, Curaçao of Sint Maarten ingestelde bevolkingsadministratie.

Artikel 1.2. Andere reisdocumenten

Reisdocumenten van het Koninkrijk der Nederlanden als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel g, van de wet zijn:

  • a. faciliteitenpaspoort;

  • b. tweede paspoort.

Paragraaf 2. Gegevens ten behoeve van reisdocumenten

Artikel 1.3. Vermelding woonplaats en adres

De woonplaats en het adres van de houder worden niet vermeld in de reisdocumenten, bedoeld in artikel 2 van de wet en in artikel 1.2 van dit besluit.

Artikel 1.4. Reisdocumenten zonder vingerafdrukken, gezichtsopname of handtekening

  • 1 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over gevallen waarin kan worden afgezien van het opnemen van de gezichtsopname, vingerafdrukken of de handtekening op het aangevraagde reisdocument, indien deze gegevens niet van de houder kunnen worden verkregen.

  • 2 Noodpaspoorten en laissez-passers worden niet voorzien van vingerafdrukken van de houder.

Artikel 1.5. Vermelding burgerservicenummer

Het burgerservicenummer van de houder wordt vermeld in het nationaal paspoort, het faciliteitenpaspoort, het tweede paspoort, de Nederlandse identiteitskaart en de vervangende Nederlandse identiteitskaart, tenzij aan de houder geen burgerservicenummer is toegekend.

Artikel 1.6. Plaatsing van het publiek identificatiemiddel

  • 1 Het publiek identificatiemiddel wordt geplaatst op de Nederlandse identiteitskaart in de vorm van een applet op de daarop aangebrachte chip.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde applet bevat de volgende gegevens:

    • a. het burgerservicenummer in versleutelde vorm ten behoeve van authenticatie van de houder van het document in het kader van elektronische dienstverlening als bedoeld in artikel 1, onderdeel s, van de wet en het burgerservicenummer in afgeleide vorm ten behoeve van authenticatie van de houder van het document in het kader van elektronische dienstverlening anders dan als bedoeld in artikel 1, onderdeel s, van de wet;

    • b. de initiële, door Onze Minister verstrekte PIN-code en de CAN-code ten behoeve van beveiligde toegang tot de applet om gebruik van het publieke identificatiemiddel mogelijk te maken;

    • c. een PUK-code waarmee de PIN-code kan worden gedeblokkeerd.

Hoofdstuk 2. Bepalingen over aanspraken op en geldigheid van reisdocumenten

Paragraaf 1. Nationaal paspoort, diplomatiek paspoort, dienstpaspoort

Artikel 2.1. Vaststelling identiteit en Nederlanderschap

  • 1 Voor het verkrijgen van de nodige zekerheid over de identiteit van de aanvrager, alsmede over zijn Nederlanderschap dan wel zijn behandeling als Nederlander, indien het een persoon betreft op wie de Wet betreffende de positie van Molukkers van toepassing is, wordt gebruik gemaakt van het door de aanvrager overgelegde Nederlandse reisdocument, de door de aanvrager bij de aanvraag verstrekte gegevens, alsmede van de in de basisadministratie dan wel de in het basisregister reisdocumenten opgenomen gegevens of van overige bij de tot uitreiking bevoegde autoriteit aanwezige documenten.

  • 2 Indien onzekerheid bestaat over de identiteit dan wel over het Nederlanderschap van de aanvrager wordt daarnaar een gericht onderzoek ingesteld. Dit onderzoek omvat zoveel mogelijk verificatie van de identiteit dan wel de nationaliteit met behulp van door de aanvrager over te leggen documenten die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit, waaronder zijn geboorteakte, reisdocumenten die op zijn naam zijn gesteld, dan wel buitenlandse reisdocumenten waarin hij staat vermeld en eventuele andere bewijsstukken.

Artikel 2.2. Geldigheid nationaal paspoort

  • 1 Het nationaal paspoort is geldig voor tien jaren en voor alle landen. Indien de aanvrager bij de aanvraag de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is het nationaal paspoort geldig voor vijf jaren en voor alle landen.

  • 2 Indien als gevolg van een tijdelijke verhindering bij de aanvrager geen vingerafdrukken in het nationaal paspoort worden opgenomen, bedraagt de geldigheidsduur van het nationaal paspoort één jaar.

Artikel 2.3. Vaststelling aanspraak op diplomatiek paspoort of dienstpaspoort

  • 1 De vaststelling van een aanspraak op verstrekking van een diplomatiek paspoort of een dienstpaspoort geschiedt door Onze Minister van Buitenlandse Zaken, met gebruikmaking van de gegevens die door de aanvrager bij de aanvraag zijn verstrekt.

Artikel 2.4. Geldigheid diplomatiek paspoort of dienstpaspoort

  • 1 De geldigheid van een diplomatiek paspoort of een dienstpaspoort wordt bij elke verstrekking afzonderlijk vastgesteld door Onze Minister van Buitenlandse Zaken, met een maximale geldigheid van tien jaar. Indien de aanvrager bij de aanvraag de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, wordt de geldigheid vastgesteld op maximaal vijf jaar.

  • 2 Indien als gevolg van een tijdelijke verhindering bij de aanvrager geen vingerafdrukken in het paspoort kunnen worden opgenomen, wordt de geldigheidsduur vastgesteld met een maximale geldigheid van een jaar.

Artikel 2.5. Vaststelling aanspraak en geldigheid dienstpaspoortclausule

  • 1 De vaststelling van een aanspraak op plaatsing van een dienstpaspoortclausule in een nationaal paspoort, waardoor dat paspoort tijdelijk de status van een dienstpaspoort verkrijgt, geschiedt door Onze Minister van Buitenlandse Zaken, met gebruikmaking van de gegevens die door de aanvrager bij de aanvraag zijn verstrekt.

  • 2 De geldigheidsduur van een dienstpaspoortclausule mag de geldigheidsduur van het nationaal paspoort waarin deze wordt aangebracht, niet overschrijden.

  • 3 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de dienstenpaspoortclausule in het nationale paspoort wordt geplaatst.

Paragraaf 2. Reisdocumenten voor niet-Nederlanders

Artikel 2.6. Vaststelling aanspraken op reisdocumenten als bedoeld in artikel 11 of 13 van de wet

  • 1 De vaststelling van het recht op een reisdocument voor vluchtelingen als bedoeld in artikel 11 van de wet geschiedt op grond van de gegevens die over het verblijfsrecht en de nationaliteit van de aanvrager in de basisadministratie, dan wel in het daarvoor bestemde aanvraag-informatieformulier zijn opgenomen, alsmede aan de hand van het door de aanvrager overgelegde verblijfsdocument waaruit diens nationaliteit blijkt, en:

  • 2 De vaststelling van het recht op een reisdocument voor vreemdelingen als bedoeld in artikel 13 van de wet geschiedt op grond van de gegevens die over het verblijfsrecht en de staatloosheid van de aanvrager in de basisadministratie, dan wel in het daarvoor bestemde aanvraag-informatieformulier zijn opgenomen, alsmede aan de hand van het door de aanvrager overgelegde verblijfsdocument, waaruit het gegeven van diens staatloosheid blijkt, en:

  • 3 Indien de in de basisadministratie, dan wel in het aanvraag-informatieformulier opgenomen gegevens afwijken van de gegevens die zijn vermeld in het door de aanvrager overgelegde verblijfsdocument dan wel anderszins onzekerheid bestaat over deze gegevens, wordt daarnaar een gericht onderzoek ingesteld waarbij de gegevens die over het verblijfsrecht en de nationaliteit dan wel staatloosheid van de aanvrager in de vreemdelingenadministratie zijn opgenomen, mede worden betrokken.

  • 4 Onze Minister stelt nadere regels over het aanvraag-informatieformulier.

Artikel 2.7. Vaststelling aanspraken op reisdocumenten als bedoeld in de artikelen 12, 14 of 15 van de wet

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de vaststelling van het recht op een reisdocument als bedoeld in de artikelen 12, 14 en 15 van de wet.

Artikel 2.8. Geldigheid reisdocument voor vluchtelingen

  • 1 Een reisdocument voor vluchtelingen, verstrekt aan een persoon die beschikt over een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de Vreemdelingenwet 2000, dan wel over een toelating als vluchteling in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, is geldig voor vijf jaren en voor alle landen, met uitzondering van het land waarvan de houder de nationaliteit bezit.

  • 2 Een reisdocument voor vluchtelingen, verstrekt aan een persoon die beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000, of als bedoeld in artikel 6 van de Wet toelating en uitzetting BES, dan wel over een overeenkomstige verblijfsvergunning in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, is geldig:

    • a. tot de datum waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning eindigt, met een minimale geldigheidsduur van een jaar en een maximale geldigheidsduur van drie jaren; en

    • b. voor alle landen, met uitzondering van het land waarvan de houder de nationaliteit bezit.

  • 3 De geldigheidsduur van het reisdocument bedraagt, in afwijking van het eerste en tweede lid, maximaal een jaar indien als gevolg van een tijdelijke verhindering bij de aanvrager geen vingerafdrukken in het document worden opgenomen.

Artikel 2.9. Geldigheid reisdocument voor vreemdelingen

  • 1 Een reisdocument voor vreemdelingen, verstrekt aan een persoon die beschikt over een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Vreemdelingenwet 2000 of als bedoeld in artikel 6 van de Wet toelating en uitzetting BES, dan wel over een overeenkomstige verblijfsvergunning in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, is geldig voor vijf jaren en voor alle landen, met uitzondering van het land waarvan de houder de nationaliteit bezit.

  • 2 Een reisdocument voor vreemdelingen, verstrekt aan een persoon die beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000, dan wel als bedoeld in artikel 6 van de Wet toelating en uitzetting BES, dan wel over een overeenkomstige verblijfsvergunning in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, is geldig:

    • a. tot de datum waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning eindigt, met een maximale geldigheidsduur van vijf jaren; en

    • b. voor alle landen, met uitzondering van het land waarvan de houder de nationaliteit bezit.

  • 3 Op een reisdocument als bedoeld in artikel 14 van de wet, verstrekt aan een in Nederland geboren minderjarige vreemdeling, is het bepaalde in het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het reisdocument ten hoogste geldig is tot de datum waarop de houder de leeftijd van zestien jaren bereikt.

  • 4 Een reisdocument voor vreemdelingen, verstrekt aan een persoon die op grond van de Wet betreffende de positie van Molukkers als Nederlander wordt behandeld, is geldig voor vijf jaren en voor alle landen.

  • 5 Een reisdocument als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de wet, is geldig:

    • a. voor het land van bestemming en de landen waarvan de houder op zijn doorreis de grens passeert, met uitzondering van het land waarvan de houder de nationaliteit bezit;

    • b. voor de duur van de reis, waarbij rekening wordt gehouden met de door het land van bestemming en de landen van doorreis vereiste minimale geldigheid van het reisdocument na binnenkomst, dan wel na vertrek van de houder, met een maximum van een jaar.

  • 6 De geldigheidsduur van het reisdocument bedraagt, in afwijking van het eerste tot en met het vijfde lid, maximaal een jaar indien als gevolg van een tijdelijke verhindering bij de aanvrager geen vingerafdrukken in het document worden opgenomen.

Paragraaf 3. Nooddocumenten

Artikel 2.10. Vaststelling aanspraken op nooddocumenten

  • 1 Het verstrekken van een nooddocument kan uitsluitend geschieden voor een aanvrager ten aanzien van wie voldoende aannemelijk is dat zijn reis geen uitstel gedoogt, en die niet in staat moet worden geacht op tijd een ander geldig reisdocument te verkrijgen.

  • 2 Van de aanvrager kan worden verlangd, dat hij reisbescheiden overlegt waaruit de spoedeisendheid van zijn reis kan worden afgeleid, zoals vlieg-, boot-, trein- of bus tickets, hotelreserveringen en reisverzekeringen.

  • 3 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de verificatie van de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie van de aanvrager en over de situaties waarin een noodpaspoort dan wel een laissez-passer wordt verstrekt.

Artikel 2.11. Geldigheid nooddocumenten

  • 1 Een noodpaspoort is geldig:

    • a. voor één jaar of zoveel korter als mogelijk, afhankelijk van de duur van de reis, alsmede van de door het land van bestemming en de landen van doorreis vereiste minimale geldigheid van het reisdocument na binnenkomst, dan wel vertrek van de houder; en

    • b. voor alle landen.

  • 2 Een laissez-passer is geldig:

    • a. voor één jaar of zoveel korter als mogelijk, afhankelijk van de duur van de reis, alsmede van de door het land van bestemming en de landen van doorreis vereiste minimale geldigheid van het reisdocument na binnenkomst, dan wel vertrek van de houder; en

    • b. voor het land van bestemming en de landen waarvan de houder op zijn doorreis de grens passeert.

  • 3 Indien de verstrekking van het laissez-passer geschiedt ten behoeve van een niet-Nederlander, omvat de territoriale geldigheid nooit het land waarvan de houder de nationaliteit bezit.

Paragraaf 4. Faciliteitenpaspoorten en tweede paspoorten

Artikel 2.12. Aanspraak op en vaststelling van aanspraak faciliteitenpaspoort

Artikel 2.13. Geldigheid faciliteitenpaspoort

  • 1 Een faciliteitenpaspoort is geldig voor tien jaren en voor alle landen. Indien de aanvrager bij de aanvraag de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is het faciliteitenpaspoort geldig voor vijf jaren en voor alle landen.

  • 2 Indien als gevolg van een tijdelijke verhindering bij de aanvrager geen vingerafdrukken in het document worden opgenomen, bedraagt de geldigheidsduur van het reisdocument een jaar.

Artikel 2.14. Aanspraak op en vaststelling van aanspraak tweede paspoort

  • 1 Een tweede paspoort als bedoeld in artikel 30 van de wet kan worden verstrekt op verzoek van houders van een nationaal paspoort, die aantonen dat zij:

    • a. in een reis achtereenvolgens verschillende landen moeten bezoeken waarbij zij de gerede kans lopen dat hun toelating tot een land op problemen zal stuiten, omdat uit het daartoe over te leggen nationaal paspoort blijkt dat zij eerder in een ander land zijn geweest, of

    • b. regelmatig dringend moeten reizen op een tijdstip dat hun nationaal paspoort zich in verband met visering bij een buitenlandse vertegenwoordiging bevindt.

  • 2 Onze Minister stelt na overleg met Onze Minister van Buitenlandse Zaken een overzicht op van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde landen.

  • 3 Bij de aanvraag dient het oorspronkelijke paspoort en het eventueel eerder uitgereikte tweede paspoort te worden overgelegd.

  • 4 In afwijking van het derde lid kan bij de aanvraag worden volstaan met afschriften van de houderpagina en van alle bestempelde visumbladzijden van het oorspronkelijke paspoort en het eventueel eerder uitgereikte tweede paspoort, indien de aanvrager met een door een buitenlandse vertegenwoordiging verstrekte verklaring of ander schriftelijk bewijs kan aantonen, dat het over te leggen reisdocument zich op dat moment in verband met visering bij die buitenlandse vertegenwoordiging bevindt.

  • 5 Indien bij de aanvraag blijkt dat de geldigheidsduur van het oorspronkelijke paspoort binnen zes maanden zal verstrijken, wordt de beslissing op de aanvraag pas genomen nadat het oorspronkelijke paspoort is vervangen door een nieuw nationaal paspoort.

Artikel 2.15. Geldigheid tweede paspoort

  • 1 Een tweede paspoort is geldig voor twee jaren en voor alle landen.

  • 2 Indien als gevolg van een tijdelijke verhindering bij de aanvrager geen vingerafdrukken in het document worden opgenomen, bedraagt de geldigheidsduur van het reisdocument een jaar.

Paragraaf 5. De Nederlandse identiteitskaart

Artikel 2.16. Vaststelling Nederlanderschap Nederlandse identiteitskaart

  • 1 Voor het verkrijgen van de nodige zekerheid over het Nederlanderschap, wordt gebruik gemaakt van het door de aanvrager overgelegde Nederlandse reisdocument, de door de aanvrager bij de aanvraag verstrekte gegevens, alsmede van de in de basisadministratie dan wel de in het basisregister reisdocumenten opgenomen gegevens en van overige bij de tot uitreiking bevoegde autoriteit aanwezige documenten.

  • 2 Indien onzekerheid bestaat over het Nederlanderschap van de aanvrager wordt daarnaar een gericht onderzoek ingesteld. Dit onderzoek omvat zoveel mogelijk verificatie van de nationaliteit met behulp van door de aanvrager over te leggen documenten die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit, waaronder zijn geboorteakte, reisdocumenten die op zijn naam zijn gesteld, dan wel buitenlandse reisdocumenten waarin hij staat vermeld en eventuele andere bewijsstukken.

Artikel 2.17. Geldigheid Nederlandse identiteitskaart

  • 1 De Nederlandse identiteitskaart is geldig voor tien jaren. Indien de aanvrager bij de aanvraag de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is de Nederlandse identiteitskaart geldig voor vijf jaren.

  • 2 De vervangende Nederlandse identiteitskaart is geldig voor vijf jaren.

Hoofdstuk 3. Aanvraag van reisdocumenten

Paragraaf 1. Aanvullende bevoegdheden in ontvangst nemen aanvragen

Artikel 3.1. Aanvullende bevoegdheden gezaghebbers en burgemeesters

  • 1 De burgemeester of de gezaghebber neemt ten behoeve van ingezetenen van zijn gemeente, onderscheidenlijk openbaar lichaam naast de in artikel 26, eerste lid, van de wet bedoelde reisdocumenten tevens de aanvragen in ontvangst voor:

    • a. faciliteitenpaspoorten;

    • b. tweede paspoorten.

  • 2 De gezaghebber neemt naast de in artikel 26, eerste lid, van de wet bedoelde reisdocumenten ten behoeve van personen die in aanmerking komen voor een reisdocument als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, d of e, van de wet maar die op het moment van vertrek uit het openbaar lichaam niet in het bezit zijn van een van deze reisdocumenten ook aanvragen in ontvangst voor:

    • a. noodpaspoorten, indien de aanvrager Nederlander is;

    • b. laissez-passers, indien de aanvrager vreemdeling is of indien verstrekking van een noodpaspoort met gebruikmaking van het reisdocumentenstation niet mogelijk is.

Artikel 3.2. Aanvullende bevoegdheden burgemeesters aangewezen gemeenten

  • 1 In de bij ministeriële regeling aangewezen gemeenten is de burgemeester tevens bevoegd aanvragen in ontvangst te nemen voor reisdocumenten als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, d, e of g of artikel 2, tweede lid, van de wet van personen die niet in de basisregistratie personen als ingezetene zijn ingeschreven.

  • 2 De burgemeester van Haarlemmermeer is bevoegd tot het in ontvangst nemen van aanvragen voor Nederlandse identiteitskaarten van personen die in de basisadministratie van Aruba, Curaçao of Sint Maarten zijn ingeschreven.

Artikel 3.3. Aanvullende bevoegdheden Gouverneurs

  • 1 De Gouverneur is namens Onze Minister van Buitenlandse Zaken bevoegd tot het in ontvangst nemen van aanvragen voor diplomatieke paspoorten en dienstpaspoorten ten behoeve van personen die in Aruba, Curaçao of Sint Maarten in de basisadministratie als ingezetene zijn ingeschreven.

Artikel 3.4. Aanvullende bevoegdheden Minister van Buitenlandse Zaken

Onze Minister van Buitenlandse Zaken neemt naast de in artikel 26, derde lid, van de wet bedoelde gevallen tevens aanvragen in ontvangst voor laissez-passers aan de in artikel 15, tweede lid, van de wet bedoelde personen.

Artikel 3.5. Bevoegdheden Koninklijke marechaussee

Aangewezen tot het in ontvangst nemen van aanvragen voor noodpaspoorten zijn de commandanten van de navolgende brigades: Grensbewaking, Noord-Holland, Zuid-Holland, Drenthe-IJsselstreek, Oostgrens-Noord, Brabant-Zuid en Limburg-Zuid.

Hoofdstuk 4. Verstrekking, wijziging en uitreiking van reisdocumenten

Paragraaf 1. Aanvullende bevoegdheden verstrekking reisdocumenten

Artikel 4.1. Aanvullende bevoegdheden gezaghebbers en burgemeesters

  • 1 De burgemeester of de gezaghebber gaat ten behoeve van ingezetenen van zijn gemeente, onderscheidenlijk openbaar lichaam naast de in artikel 40, eerste lid, van de wet bedoelde reisdocumenten tevens over tot verstrekking van:

    • a. faciliteitenpaspoorten;

    • b. tweede paspoorten.

  • 2 De gezaghebber gaat, naast de in artikel 40, eerste lid, van de wet bedoelde reisdocumenten, ten behoeve van personen die in aanmerking komen voor een reisdocument als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a, d of e, van de wet, maar op het moment van vertrek uit het openbaar lichaam niet in het bezit zijn van een van deze reisdocumenten ook over tot de verstrekking van:

    • a. noodpaspoorten, indien de aanvrager Nederlander is;

    • b. laissez-passers, indien de aanvrager vreemdeling is of indien verstrekking van een noodpaspoort met gebruikmaking van het reisdocumentenstation niet mogelijk is.

Artikel 4.2. Aanvullende bevoegdheden burgemeesters aangewezen gemeenten

  • 1 In de bij ministeriële regeling aangewezen gemeenten is de burgemeester tevens bevoegd tot verstrekking van reisdocumenten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a, d, e of g of artikel 2, tweede lid, van de wet aan personen die niet in de basisregistratie personen als ingezetene zijn ingeschreven.

  • 2 De burgemeester van Haarlemmermeer is bevoegd tot verstrekking van Nederlandse identiteitskaarten aan personen die in de basisadministratie van Aruba, Curaçao of Sint Maarten zijn ingeschreven.

Artikel 4.3. Aanvullende bevoegdheden Gouverneurs

  • 1 De Gouverneur is namens Onze Minister van Buitenlandse Zaken bevoegd tot het verstrekken van diplomatieke paspoorten en dienstpaspoorten ten behoeve van personen die in Aruba, Curaçao of Sint Maarten in de basisadministratie als ingezetene zijn ingeschreven.

Artikel 4.4. Aanvullende bevoegdheden Minister van Buitenlandse Zaken

Onze Minister van Buitenlandse Zaken gaat naast de in artikel 40, derde lid, van de wet genoemde gevallen tevens over tot de verstrekking van laissez-passers aan de in artikel 15, tweede lid, van de wet bedoelde personen.

Artikel 4.5. Bevoegdheden Koninklijke marechaussee

Aangewezen tot het overgaan tot verstrekking van noodpaspoorten zijn de commandanten van de navolgende brigades: Grensbewaking, Noord-Holland, Zuid-Holland, Drenthe-IJsselstreek, Oostgrens-Noord, Brabant-Zuid en Limburg-Zuid.

Paragraaf 2. Uitreiking van het document

Artikel 4.6. Algemeen

Tot uitreiking van het reisdocument wordt slechts overgegaan, nadat de identiteit van de aanvrager in zijn aanwezigheid is vastgesteld. Artikel 28, derde lid, van de wet, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.7. Verificatie van vingerafdrukken bij uitreiking

  • 1 Indien de tot uitreiking bevoegde persoon twijfelt aan de identiteit van de aanvrager worden de vingerafdrukken van de aanvrager geverifieerd tegen de vingerafdrukken die in het uit te reiken reisdocument zijn opgenomen.

  • 2 Indien de verificatie niet slaagt, wordt het reisdocument niet uitgereikt.

Hoofdstuk 7. Inhouding, inlevering en definitieve onttrekking aan het verkeer van reisdocumenten

Paragraaf 1. Definitieve onttrekking van een reisdocument aan het verkeer

Artikel 7.1. Redenen van onttrekking

  • 1 Een reisdocument wordt, naast het in artikel 42, vierde lid, van de wet gestelde, ook terstond definitief aan het verkeer onttrokken door de daartoe op grond van artikel 57 van de wet bevoegde autoriteit die het document onder zich heeft, indien:

    • a. het daartoe, al dan niet bij de uitreiking van een nieuw reisdocument, is ingeleverd;

    • b. het vervallen is verklaard dan wel ingevolge artikel 54, eerste lid, van de wet is ingehouden, tenzij nog een beroepstermijn open staat, een beroepsprocedure aanhangig is of het reisdocument anderszins in een gerechtelijke procedure nodig is;

    • c. het na uitreiking als onbruikbaar is beschouwd ten gevolge van misdruk of verkeerde personalisatie en dientengevolge is ingehouden of ingeleverd;

    • d. het als gevonden reisdocument is ontvangen, tenzij:

      • 1°. de gezaghebber in de gelegenheid is het terug te geven aan de in de basisadministratie als ingezetene van zijn openbaar lichaam ingeschreven houder die nog geen verklaring als bedoeld in artikel 31 van de wet heeft afgelegd; of

      • 2°. de Minister van Buitenlandse Zaken of de commandant, bedoeld in artikel 4.5, in de gelegenheid is het terug te geven aan de houder, die nog geen verklaring als bedoeld in artikel 31 van de wet heeft afgelegd.

  • 3 In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel d, onttrekt de commandant, bedoeld in artikel 4.5, een noodpaspoort of een op grond van artikel 16, eerste lid, van de wet verstrekt laissez-passer terstond definitief aan het verkeer, indien het als gevonden reisdocument is ontvangen.

  • 4 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de wijze van onttrekking aan het verkeer.

Hoofdstuk 8. Verwerking van persoonsgegevens

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 8.1. Passende maatregelen tot uitreiking bevoegde autoriteiten voor onder hen berustende gegevens

  • 1 De tot uitreiking bevoegde autoriteiten treffen passende technische en organisatorische maatregelen ter beveiliging van de onder hen berustende gegevens tegen verlies of aantasting van deze gegevens en tegen onbevoegde kennisneming, wijziging of verstrekking van deze gegevens.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde maatregelen omvatten ten minste:

    • a. maatregelen gericht op personen die werkzaam zijn voor de verantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens;

    • b. maatregelen gericht op de toegang tot gebouwen en ruimten waarin de in registers dan wel administraties opgenomen gegevens aanwezig zijn;

    • c. maatregelen gericht op een deugdelijke werking en beveiliging van de apparatuur, programmatuur en opslagmedia;

    • d. maatregelen voor het geval de geheimhouding of integriteit van de gegevens is geschaad;

    • e. maatregelen bij calamiteiten.

  • 3 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de in het eerste en tweede lid bedoelde maatregelen.

Paragraaf 2. Het publiek identificatiemiddel

Artikel 8.2. Eisen ten aanzien van vervaardiging publiek identificatiemiddel

  • 1 Bij ministeriële regeling worden voorschriften gesteld over de technische en organisatorische voorzieningen die noodzakelijk zijn voor de vervaardiging van het publiek identificatiemiddel.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde voorschriften bevatten tenminste eisen die zien op:

    • a. informatieveiligheid;

    • b. data-integriteit;

    • c. vertrouwelijkheid;

    • d. bescherming van persoonsgegevens.

Paragraaf 3. Het basisregister reisdocumenten

Artikel 8.3

Onverminderd het bepaalde in artikel 4e, eerste lid, van de wet kunnen de gegevens uit het basisregister reisdocumenten ook worden verstrekt aan het Centraal Bureau voor de Statistiek ten behoeve van statistische doeleinden.

Artikel 8.4. Verstrekkingen uit het register aan tot uitreiking bevoegde autoriteiten

Aan de autoriteiten bedoeld in de artikelen 26, 40 en 51 van de wet kunnen ten behoeve van de taken bedoeld in artikel 4e, eerste lid, onderdeel a, van de wet, alle in het basisregister reisdocumenten opgenomen gegevens worden verstrekt.

Artikel 8.5. Verwerking van gegevens, bewaartermijnen en vernietiging van gegevens na afloop bewaartermijnen

  • 1 In het basisregister reisdocumenten worden gegevens bijgehouden met betrekking tot de aanvraag, verstrekking, uitreiking dan wel weigering of vervallenverklaring van reisdocumenten.

  • 2 De in het basisregister reisdocumenten opgenomen gegevens met betrekking tot verstrekking en uitreiking van reisdocumenten, worden na de datum van verstrekking bewaard gedurende een periode van:

    • a. 11 jaar indien de geldigheidsduur van het verstrekte document 5 jaar of korter is of indien het verstrekte document niet wordt uitgereikt;

    • b. 16 jaar indien de geldigheidsduur van het verstrekte document langer dan 5 jaar is.

  • 3 De in het basisregister reisdocumenten opgenomen gegevens die betrekking hebben op een aanvraag waarbij geen reisdocument is verstrekt, worden bewaard gedurende een periode van vijf jaar.

  • 4 Na het verstrijken van de bewaartermijn worden de gegevens zo spoedig mogelijk vernietigd.

Hoofdstuk 10. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 10.1. Bevoegdheid vaststelling bij ministeriële regeling

Bij ministeriële regeling kunnen:

Artikel 10.2. Citeertitel

Deze algemene maatregel van rijksbestuur wordt aangehaald als «Paspoortbesluit».

Artikel 10.3. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 15 oktober 2020

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

R.W. Knops

Uitgegeven de vierde november 2020

De Minister van Justitie en Veiligheid,

F.B.J. Grapperhaus

Terug naar begin van de pagina