Verzamelbesluit Toeslagen

[Regeling vervallen per 15-01-2021.]
Geldend van 23-10-2019 t/m 07-09-2020

Dit onderdeel is (nog) niet in werking getreden; zie het overzicht van wijzigingen

1. Inleiding

[Vervallen per 15-01-2021]

[Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Dit onderdeel is (nog) niet in werking getreden; zie het overzicht van wijzigingen

2. Gemeenschappelijk beleid voor toeslagen

[Vervallen per 15-01-2021]

Dit onderdeel is (nog) niet in werking getreden; zie het overzicht van wijzigingen

2.1. Matiging van de terugvordering van toeslagen

[Vervallen per 15-01-2021]

Terugwerkende kracht

Voor dit onderdeel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Terugwerkende kracht

Stcrt. 2020, 45908, datum inwerkingtreding 08-09-2020, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze circulaire.divisie. Deze wijziging werkt terug tot en met 23-10-2019.

Terugwerkende kracht

Voor dit onderdeel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Als sprake is van een terug te vorderen bedrag aan onverschuldigd betaalde toeslagen, ontstaat een betalingsverplichting voor de belanghebbende ter grootte van dit bedrag aan de Belastingdienst/Toeslagen. Het uitgangspunt in artikel 26 Awir is dat het volledige bedrag aan toeslag dat te veel is betaald of verrekend, wordt teruggevorderd. In dit artikel is echter niet dwingend voorgeschreven dat de Belastingdienst/Toeslagen altijd het volledige bedrag dat te veel is betaald, van de belanghebbende moet terugvorderen.1

Dit betekent dat de Belastingdienst/Toeslagen op grond van artikel 13b, eerste lid, Awir de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen moet afwegen en onder bijzondere omstandigheden van terugvordering moet afzien of het terug te vorderen bedrag moet matigen. Op grond van artikel 13b, tweede lid, Awir mogen de nadelige gevolgen van het terugvorderingsbesluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Alleen bijzondere omstandigheden kunnen zich verzetten tegen gehele terugvordering. Als bij de aanwezigheid van dergelijke omstandigheden gehele terugvordering onevenredig is, kan de Belastingdienst/Toeslagen afzien van de terugvordering of het bedrag van de terugvordering matigen.

Van bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn als:

  • een derde (bijvoorbeeld een kinderopvangorganisatie) fraudeert zonder medeweten en (directe) betrokkenheid van de belanghebbende;

  • een derde identiteitsfraude pleegt en op naam en buiten medeweten van de belanghebbende de toeslag aanvraagt en de toeslag aantoonbaar – geheel of gedeeltelijk – niet ten gunste van de belanghebbende komt;

  • een door belanghebbende redelijkerwijze niet (meer) te herstellen geringe formele tekortkoming (zoals het ontbreken van een handtekening in een contract) heeft geleid tot aanzienlijke negatieve gevolgen voor het recht op toeslagen, terwijl aan alle materiële eisen voor de betreffende toeslag is voldaan. Er is geen sprake van een bijzondere omstandigheid als de belanghebbende na herhaalde verzoeken van de Belastingdienst/Toeslagen de geringe formele tekortkoming niet heeft hersteld, terwijl hij daartoe wel in de gelegenheid was.

Deze opsomming is niet limitatief. Op basis van ervaringen uit de praktijk kan deze opsomming worden aangevuld.

Van bijzondere omstandigheden is geen sprake als:

  • de belanghebbende te kwader trouw is;

  • de terugvordering het gevolg is van een afwijking tussen het daadwerkelijk afgenomen aantal uren kinderopvang en het aantal uren kinderopvang op basis waarvan het voorschot kinderopvangtoeslag is berekend in dat berekeningsjaar;

  • de terugvordering het gevolg is van een afwijking van het daadwerkelijke over het berekeningsjaar vastgestelde toetsingsinkomen voor de toeslagen en het geschatte inkomen op basis waarvan het voorschot is berekend;

  • de terugvordering het gevolg is van het overschrijden van een vermogensgrens.

Ook deze opsomming is niet limitatief. Op basis van ervaringen uit de praktijk kan deze opsomming worden aangevuld. Het uitgangspunt bij bovenstaande situaties is dat deze op zichzelf niet tot matiging van de terugvordering leiden. Afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval kan er bij de aanwezigheid van aanvullende omstandigheden die – op zichzelf of in samenhang – wel zijn aan te merken als bijzondere omstandigheden, na een belangenafweging echter toch reden zijn de terugvordering te matigen.

Indien sprake is van een bijzondere omstandigheid beoordeelt de Belastingdienst/Toeslagen door middel van een individuele belangenafweging of de nadelige gevolgen van de terugvorderingsbeschikking in het specifieke geval niet onevenredig zijn voor de belanghebbende in verhouding tot de met de terugvorderingsbeschikking te dienen doelen.

Overigens zullen de financiële situatie of financiële problemen van belanghebbende die terugbetaling van toeslagen verhinderen, in het algemeen niet leiden tot een matiging van de terugvordering.2 Voor deze situatie bestaat de mogelijkheid van een (persoonlijke) betalingsregeling.

Als de Belastingdienst/Toeslagen op de hoogte is van de bijzondere omstandigheden, moet hiermee – waar passend – bij de vaststelling van de terugvordering rekening worden gehouden door af te zien van de terugvordering of door de terugvordering te matigen. De Belastingdienst/Toeslagen zal de belanghebbende, indien de omstandigheden daartoe noodzaken, de gelegenheid bieden om zijn zienswijze te geven ten aanzien van het voorgenomen besluit tot matiging van de terugvordering. Het uitgangspunt is dat de belanghebbende de bijzondere omstandigheden voor matiging moet aandragen en bewijzen.

Herziening van op 23 oktober 2019 onherroepelijk vaststaande terugvorderingsbeschikkingen kinderopvangtoeslag

In beginsel is een herziening in het voordeel van belanghebbende van een terugvorderingsbeschikking die onherroepelijk is geworden niet mogelijk als die herziening voortvloeit uit beleid dat is uitgevaardigd nadat de terugvorderingsbeschikking onherroepelijk is geworden. Zo nodig kan de Minister van Financiën, in overeenstemming met de ministers die het aangaat, anders bepalen.

Over de toepassing van artikel 5a, onderdeel c, UR Awir en in overeenstemming met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bepaal ik het volgende. Bij wijze van uitzondering is – in samenhang met de goedkeuring in onderdeel 2.2 van dit besluit – herziening van een terugvorderingsbeschikking die op 23 oktober 2019 of daarvoor onherroepelijk is geworden wel mogelijk als die herziening van de terugvorderingsbeschikking betrekking heeft op de kinderopvangtoeslag en voortvloeit uit onderdeel 2.1 van dit besluit. Dit geldt echter uitsluitend in de situatie waarin het recht op de kinderopvangtoeslag in het berekeningsjaar waarop de terugvorderingsbeschikking betrekking heeft met ten minste € 1.500 is verlaagd. Artikel 5a UR Awir blijft voor het overige onverkort van toepassing.

Bovenstaande betekent dat herziening op basis van dit besluit in ieder geval niet meer aan de orde is als:

  • vijf jaren zijn verstreken na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop de terugvordering betrekking heeft en/of

  • het recht op kinderopvangtoeslag in een berekeningsjaar met minder dan € 1.500 is verlaagd.

De beslissing op het verzoek tot herziening is een beschikking in de zin van de Awb. De ouder kan bezwaar maken bij de Belastingdienst/Toeslagen tegen deze beschikking. Een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 Awb brengt advies uit over dit bezwaar. In de regel zal de Belastingdienst/Toeslagen dit advies volgen bij het nemen van de beslissing op bezwaar.

Rente en kosten van invordering

Met betrekking tot de in dit onderdeel bedoelde herziening van een op 23 oktober 2019 onherroepelijk vaststaande terugvorderingsbeschikking keur ik vooruitlopend op wetgeving goed dat de rentevergoeding van artikel 27 Awir over uit te betalen bedragen op overeenkomstige wijze wordt toegepast. Daarmee worden een herziening van een toekenningsbeschikking in het voordeel van belanghebbende en een herziening van de terugvorderingsbeschikking op dezelfde wijze betrokken in de renteberekening.

Bij een te late betaling van een op 23 oktober 2019 vaststaande terugvorderingsbeschikking kinderopvangtoeslag kan (invorderings)rente als bedoeld in artikel 29 Awir in rekening zijn gebracht. Vooruitlopend op wetgeving keur ik goed dat bij een herziening van die terugvorderingsbeschikking op basis van dit onderdeel, die in rekening gebrachte rente naar evenredigheid wordt vergoed. Deze goedkeuring geldt in combinatie met het voorgaande dus alleen voor de herziening – in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag – van op 23 oktober 2019 onherroepelijk vaststaande terugvorderingsbeschikkingen.

Daarnaast kan een overeenkomstige vergoeding van rente als bedoeld in artikel 27 Awir en evenredige vergoeding van de volgens artikel 29 Awir in rekening gebrachte rente worden verleend in de situatie waarin over een berekeningsjaar voorafgaand aan 2020 een terugvordering kinderopvangtoeslag heeft plaatsgevonden en na uitspraak op bezwaar, beroep of hoger beroep de terugvorderingsbeschikking na 23 oktober 2019 (alsnog) wordt herzien in overeenstemming met dit onderdeel.

Indien kosten van invordering ter zake van een hiervoor bedoelde terugvordering later geheel of gedeeltelijk onverschuldigd blijken te zijn als gevolg van toepassing van dit onderdeel van het besluit, worden deze onverschuldigd betaalde kosten aan de ouder vergoed.3

Terugwerkende kracht

Stcrt. 2020, 45908, datum inwerkingtreding 08-09-2020, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze tekst. Deze wijziging werkt terug tot en met 23-10-2019.

2.2. Herziening van terugvorderingsbeschikking

[Vervallen per 15-01-2021]

Terugwerkende kracht

Voor dit onderdeel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Terugwerkende kracht

Stcrt. 2020, 45908, datum inwerkingtreding 08-09-2020, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze circulaire.divisie. Deze wijziging werkt terug tot en met 23-10-2019.

Terugwerkende kracht

Voor dit onderdeel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

In bepaalde omstandigheden kan de Belastingdienst/Toeslagen een toegekende of herziene tegemoetkoming die onherroepelijk is geworden in het voordeel van belanghebbende herzien. Deze wettelijke basis is opgenomen in artikel 21a Awir juncto artikel 5a UR Awir en ziet op toekenningsbeschikkingen. Het staat niet vast dat deze wettelijke basis ook ziet op terugvorderingsbeschikkingen. Dit zou kunnen betekenen dat het niet mogelijk is om onherroepelijk vaststaande terugvorderingsbeschikkingen zelfstandig, dus zonder aanpassing van de vaststellingsbeschikking, in het voordeel van de belanghebbende te herzien. Ik acht dit, met het oog op de in onderdeel 2.1 beschreven mogelijkheid tot matiging van de terugvordering van toeslagen, niet wenselijk.

Goedkeuring

Ik keur vooruitlopend op wetgeving goed dat artikel 21a Awir en artikel 5a UR Awir op overeenkomstige wijze kunnen worden toegepast op een onherroepelijk vaststaande terugvorderingsbeschikking.

Terugwerkende kracht

Stcrt. 2020, 45908, datum inwerkingtreding 08-09-2020, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze tekst. Deze wijziging werkt terug tot en met 23-10-2019.

2.3. Toetsingsinkomen bij kwijtscheldingswinsten

[Vervallen per 15-01-2021]

[Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Dit onderdeel is (nog) niet in werking getreden; zie het overzicht van wijzigingen

3. Kinderopvangtoeslag

[Vervallen per 15-01-2021]

Terugwerkende kracht

Voor dit onderdeel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Terugwerkende kracht

Stcrt. 2020, 45908, datum inwerkingtreding 08-09-2020, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze circulaire.divisie. Deze wijziging werkt terug tot en met 23-10-2019.

Terugwerkende kracht

Voor dit onderdeel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Dit onderdeel bevat aanvullend beleid met betrekking tot de kinderopvangtoeslag.

Terugwerkende kracht

Stcrt. 2020, 45908, datum inwerkingtreding 08-09-2020, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze tekst. Deze wijziging werkt terug tot en met 23-10-2019.

3.1. Proportioneel vaststellen van kinderopvangtoeslag

[Vervallen per 15-01-2021]

Terugwerkende kracht

Voor dit onderdeel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Terugwerkende kracht

Stcrt. 2020, 45908, datum inwerkingtreding 08-09-2020, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze circulaire.divisie. Deze wijziging werkt terug tot en met 23-10-2019.

Terugwerkende kracht

Voor dit onderdeel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Een ouder heeft recht op kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten voor kinderopvang.4De hoogte van de kinderopvangtoeslag is afhankelijk van de draagkracht van de ouder en de hoogte van de kosten van kinderopvang in het berekeningsjaar.5 De Belastingdienst/Toeslagen kan het recht op kinderopvangtoeslag anders dan op nihil vaststellen als de ouder een deel van de kosten van kinderopvang heeft betaald.6

In die situatie stelt de Belastingdienst/Toeslagen het recht op kinderopvangtoeslag vast naar rato van het bedrag aan kosten waarvan de ouder heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie.

Voorbeeld

Een kinderopvangorganisatie factureert € 10.000 voor de kosten voor kinderopvang in een berekeningsjaar. De ouder ontvangt € 9.000 (90%) aan voorschotten kinderopvangtoeslag. De eigen bijdrage is € 1.000. De Belastingdienst/Toeslagen constateert na afloop van het berekeningsjaar dat de ouder slechts € 9.500 van de gefactureerde € 10.000 heeft betaald aan de kinderopvangorganisatie. De schuld van de ouder aan de kinderopvangorganisatie bedraagt € 500.

De Belastingdienst/Toeslagen berekent in die situatie het definitieve recht op kinderopvangtoeslag op basis van € 9.500 aan kinderopvangkosten in plaats van € 10.000. Dit betekent dat het recht op kinderopvangtoeslag op € 8.550 (90%7 van € 9.500) wordt vastgesteld. Het terug te vorderen bedrag aan onverschuldigd betaalde kinderopvangtoeslag bedraagt in beginsel € 450 (€ 9.000 minus € 8.550). De schuld van de ouder aan de kinderopvangorganisatie blijft hierbij € 500.

Herziening van op 23 oktober 2019 onherroepelijk vaststaande tegemoetkomingen

In beginsel is een herziening in het voordeel van belanghebbende van een toegekende of herziene tegemoetkoming die onherroepelijk is geworden niet mogelijk als die herziening voortvloeit uit beleid dat is uitgevaardigd nadat de vaststellingsbeschikking onherroepelijk is geworden. Zo nodig kan de Minister van Financiën, in overeenstemming met de ministers die het aangaat, anders bepalen.

Over de toepassing van artikel 5a, onderdeel c, UR Awir en in overeenstemming met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bepaal ik het volgende. Bij wijze van uitzondering is herziening van een toegekende of herziene tegemoetkoming die op 23 oktober 2019 of daarvoor onherroepelijk is geworden wel mogelijk als die herziening van de vaststelling van het recht op kinderopvangtoeslag voortvloeit uit onderdeel 3.1 van dit besluit. Dit geldt echter uitsluitend in de situatie waarin het recht op kinderopvangtoeslag in het berekeningsjaar waarop de vaststellingsbeschikking betrekking heeft met ten minste € 1.500 is verlaagd, omdat de ouder een deel van de kosten voor kinderopvang niet tijdig heeft betaald. Artikel 5a UR Awir blijft voor het overige onverkort van toepassing.

Bovenstaande betekent dat herziening op basis van dit besluit in ieder geval niet meer aan de orde is als:

  • vijf jaren zijn verstreken na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop de kinderopvangtoeslag betrekking heeft en/of

  • het recht op kinderopvangtoeslag in een berekeningsjaar met minder dan € 1.500 is verlaagd.

De beslissing op het verzoek tot herziening is een beschikking in de zin van de Awb. De ouder kan bezwaar maken bij de Belastingdienst/Toeslagen tegen deze beschikking. Een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 Awb brengt advies uit over dit bezwaar. In de regel zal de Belastingdienst/Toeslagen dit advies volgen bij het nemen van de beslissing op bezwaar.

Rente en kosten van invordering

Het kan zich voordoen dat over het berekeningsjaar waarop de op 23 oktober 2019 onherroepelijk vaststaande tegemoetkoming ziet een terugvordering heeft plaatsgevonden waarbij ter zake van de te late betaling van die terugvordering (invorderings)rente als bedoeld in artikel 29 Awir in rekening is gebracht. Vooruitlopend op wetgeving keur ik goed dat voor zover de op basis van dit onderdeel herziene toekenningsbeschikking tot een lager terug te vorderen bedrag zou hebben geleid, die in rekening gebrachte rente evenredig wordt vergoed. Deze vergoeding geldt dus bij de herziening – in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag – van op 23 oktober 2019 onherroepelijk vaststaande toekenningsbeschikkingen.

Daarnaast kan een overeenkomstige evenredige vergoeding van de volgens artikel 29 Awir in rekening gebrachte rente worden verleend in de situatie waarin over een berekeningsjaar voorafgaand aan 2020 een terugvordering heeft plaatsgevonden en bij het onherroepelijk worden van de toekenningsbeschikking na 23 oktober 2019 de kinderopvangtoeslag (alsnog) proportioneel wordt vastgesteld op basis van dit onderdeel.

De vergoeding van de rente als bedoeld inartikel 29 Awir geldt niet voor zover deze invorderingsrente reeds op andere wijze is vergoed.

Indien kosten van invordering ter zake van een hiervoor bedoelde terugvordering later geheel of gedeeltelijk onverschuldigd blijken te zijn als gevolg van toepassing van dit onderdeel van het besluit, worden deze onverschuldigd betaalde kosten aan de ouder vergoed.8

Terugwerkende kracht

Stcrt. 2020, 45908, datum inwerkingtreding 08-09-2020, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze tekst. Deze wijziging werkt terug tot en met 23-10-2019.

3.2. Tijdige betaling van kosten aan een kinderopvangorganisatie

[Vervallen per 15-01-2021]

Terugwerkende kracht

Voor dit onderdeel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Terugwerkende kracht

Stcrt. 2020, 45908, datum inwerkingtreding 08-09-2020, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze circulaire.divisie. Deze wijziging werkt terug tot en met 23-10-2019.

3.2.1. Tijdige betaling aan een kinderopvangorganisatie

[Vervallen per 15-01-2021]

Terugwerkende kracht

Voor dit onderdeel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Terugwerkende kracht

Stcrt. 2020, 45908, datum inwerkingtreding 08-09-2020, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze circulaire.divisie. Deze wijziging werkt terug tot en met 23-10-2019.

Terugwerkende kracht

Voor dit onderdeel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Voor gastouderopvang is geregeld dat de ouder de kosten voor gastouderopvang periodiek betaalt uiterlijk binnen twee kalendermaanden na afloop van het tijdvak waarover de kosten op grond van de overeenkomst worden berekend.9 Voor de betaling van de kosten voor de overige soorten kinderopvang, niet zijnde gastouderopvang, is in de wet- en regelgeving geen termijn opgenomen. De termijn voor gastouderopvang is van overeenkomstige toepassing op overige soorten van kinderopvang. Dit betekent dat alle betalingen aan een kinderopvangorganisatie die de ouder heeft gedaan vóór 1 maart van het jaar volgend op het berekeningsjaar, worden aangemerkt als tijdige betaling voor de vaststelling van het recht op kinderopvangtoeslag.

Terugwerkende kracht

Stcrt. 2020, 45908, datum inwerkingtreding 08-09-2020, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze tekst. Deze wijziging werkt terug tot en met 23-10-2019.

3.2.2. Betalingsregeling met de kinderopvangorganisatie

[Vervallen per 15-01-2021]

Terugwerkende kracht

Voor dit onderdeel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Terugwerkende kracht

Stcrt. 2020, 45908, datum inwerkingtreding 08-09-2020, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze circulaire.divisie. Deze wijziging werkt terug tot en met 23-10-2019.

Terugwerkende kracht

Voor dit onderdeel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

In de praktijk doen zich situaties voor dat een ouder door omstandigheden niet in staat is om tijdig de kosten aan de kinderopvangorganisatie te betalen. De ouder kan met de kinderopvangorganisatie een betalingsregeling treffen. Het is mogelijk dat deze betalingsregeling de gestelde termijn van twee kalendermaanden na afloop van het berekeningsjaar overschrijdt. Ik vind het in deze situatie redelijk dat betalingen na de gestelde termijn in aanmerking kunnen worden genomen voor de berekening van het recht op kinderopvangtoeslag. Daarom keur ik onder voorwaarden het volgende goed.

Goedkeuring

Ik keur goed dat betalingen gedaan in het kader van een betalingsregeling met de kinderopvangorganisatie ook als tijdige betaling kunnen worden aangemerkt.

Voorwaarden

Hierbij stel ik de volgende voorwaarden:

  • De betalingsregeling is schriftelijk overeengekomen vóór 1 maart van het jaar volgend op het berekeningsjaar;

  • De overeengekomen duur van de betalingsregeling is niet langer dan één jaar;

  • De ouder heeft eventuele (na)betalingen van de kinderopvangtoeslag over het betreffende berekeningsjaar gebruikt om de schuld bij de kinderopvangorganisatie af te lossen.

Als de betalingsregeling niet volledig wordt nagekomen, wordt het recht op kinderopvangtoeslag alsnog proportioneel vastgesteld conform onderdelen 3.1 en 3.2.1 van dit besluit.

Terugwerkende kracht

Stcrt. 2020, 45908, datum inwerkingtreding 08-09-2020, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze tekst. Deze wijziging werkt terug tot en met 23-10-2019.

3.2.3. Bijzondere gevallen

[Vervallen per 15-01-2021]

Terugwerkende kracht

Voor dit onderdeel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Terugwerkende kracht

Stcrt. 2020, 45908, datum inwerkingtreding 08-09-2020, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze circulaire.divisie. Deze wijziging werkt terug tot en met 23-10-2019.

Terugwerkende kracht

Voor dit onderdeel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

In bijzondere gevallen waarin de betaling niet tijdig is verricht aan de kinderopvangorganisatie, kan de Belastingdienst/Toeslagen afwijken van de in onderdelen 3.1 en 3.2 genoemde termijn en voorwaarden. Het gaat hierbij niet om situaties waarin de ouder financiële problemen heeft om de kosten van kinderopvang te betalen. Die omstandigheid kwalificeert niet als bijzonder geval in de hiervoor bedoelde zin.

Terugwerkende kracht

Stcrt. 2020, 45908, datum inwerkingtreding 08-09-2020, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze tekst. Deze wijziging werkt terug tot en met 23-10-2019.

4. Huurtoeslag

[Vervallen per 15-01-2021]

[Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Dit onderdeel is (nog) niet in werking getreden; zie het overzicht van wijzigingen

5. Ingetrokken besluit

[Vervallen per 15-01-2021]

[Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Dit onderdeel is (nog) niet in werking getreden; zie het overzicht van wijzigingen

6. Inwerkingtreding

[Vervallen per 15-01-2021]

[Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Dit onderdeel is (nog) niet in werking getreden; zie het overzicht van wijzigingen

7. Citeertitel

[Vervallen per 15-01-2021]

[Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Dit onderdeel is (nog) niet in werking getreden; zie het overzicht van wijzigingen

Dit onderdeel is (nog) niet in werking getreden; zie het overzicht van wijzigingen

  1. ABRvS 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3536.

    ^ [1]
  2. Zie ook ABRvS 4 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4069. In bepaalde gevallen als er sprake is van bijkomende omstandigheden kan dit anders zijn; zie ABRvS 5 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:356.

    ^ [2]
  3. Artikel 34, tweede lid, Awir en artikel 75.6 van de Leidraad Invordering 2008.

    ^ [3]
  4. Artikel 1.5, eerste lid, Wko.

    ^ [4]
  5. Artikel 1.7, eerste lid, Wko.

    ^ [5]
  6. ABRvS 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3535.

    ^ [6]
  7. Uitgaande van een gelijkblijvend inkomen. Het percentage kan anders zijn als het inkomen hoger of lager blijkt te zijn na afloop van het berekeningsjaar.

    ^ [7]
  8. Artikel 34, tweede lid, Awir en artikel 75.6 van de Leidraad Invordering 2008.

    ^ [8]
  9. Artikel 11f Regeling Wko.

    ^ [9]
Terug naar begin van de pagina