Regeling voorzieningenplanning vo CN 2020

Geldend van 01-01-2021 t/m 30-09-2021

Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 28 augustus 2020, nr. VO/5375953, houdende regels voor de voorzieningenplanning bij scholen in het voortgezet onderwijs in Caribisch Nederland (Regeling voorzieningenplanning vo CN 2020)

Hoofstuk 1. Voorzieningenplanning

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • aanvrager: bevoegd gezag dat bij de minister een aanvraag indient voor bekostiging van een openbare of een bijzondere school;

  • belangstellingsmeting: belangstellingsmeting als bedoeld in artikel 124a van de wet;

  • bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in de wet;

  • bijzondere school: bijzondere school als bedoeld in de wet;

  • DUO: Dienst Uitvoering Onderwijs;

  • havo: hoger algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 14 van de wet;

  • mavo: middelbaar algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 15 van de wet;

  • minister: Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media;

  • Rijksvertegenwoordiger: Rijksvertegenwoordiger als bedoeld in de wet;

  • school: school als bedoeld in de wet;

  • scholengemeenschap: scholengemeenschap als bedoeld in de wet;

  • vbo: voorbereidend beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 17 van de wet;

  • voedingsgebied: voedingsgebied als bedoeld in artikel 124a, tweede lid, onderdeel b, van wet;

  • vwo: voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 13 van de wet;

  • wet: Wet voortgezet onderwijs BES.

Artikel 2. Stichtingsnormen school

  • 1 Het aantal leerlingen, bedoeld in artikel 120, eerste lid, van de wet, bedraagt voor een school per schoolsoort op Bonaire:

    • a. 210 leerlingen voor een school voor vwo;

    • b. 175 leerlingen voor een school voor havo;

    • c. 140 leerlingen voor een school voor mavo;

    • d. 140 leerlingen voor een school voor vbo met één profiel;

    • e. 80 leerlingen voor elk profiel van een school voor vbo, indien meer dan één profiel binnen de school voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht; of

    • f. 60 leerlingen voor praktijkonderwijs.

  • 2 Op Sint Eustatius en Saba kan uitsluitend een nieuwe scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs voor bekostiging in aanmerking komen.

Artikel 3. Stichtingsnormen nevenvestiging

  • 1 Het aantal leerlingen, bedoeld in artikel 120, vierde lid, onderdeel a, van de wet, bedraagt voor een nevenvestiging per schoolsoort op Bonaire:

    • a. 105 leerlingen voor een nevenvestiging voor vwo;

    • b. 105 leerlingen voor een nevenvestiging voor havo;

    • c. 70 leerlingen voor een nevenvestiging voor mavo;

    • d. 70 leerlingen voor een nevenvestiging voor vbo met één profiel;

    • e. 40 leerlingen voor elk profiel voor vbo indien meer dan een profiel binnen de nevenvestiging voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht;

    • f. 24 leerlingen voor praktijkonderwijs.

  • 2 Op Sint Eustatius en Saba kan uitsluitend een nevenvestiging van een scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking komen.

Artikel 4. Opheffing of beëindiging bekostiging

Het aantal leerlingen, bedoeld in artikel 188, eerste lid, van de wet, bedraagt voor een school of scholengemeenschap 75% van het aantal genoemd in artikel 2, eerste lid en derde lid.

Artikel 5. Melding voorgenomen aanvraag tot bekostiging

  • 1 Het bevoegd gezag maakt melding van een voorgenomen aanvraag als bedoeld in artikel 123, tweede lid, van de wet, van 1 juni tot en met 30 juni in het kalenderjaar van de aanvraag, bedoeld in artikel 123, eerste lid, van de wet.

  • 2 De melding bevat de volgende gegevens:

    • a. naam van de contactpersoon;

    • b. correspondentieadres;

    • c. telefoonnummer van de contactpersoon;

    • d. e-mailadres van de contactpersoon;

    • e. KVK-nummer van de rechtspersoon;

    • f. naam van de rechtspersoon;

    • g. naam van het eiland dat de beoogde plaats van vestiging omvat;

    • h. methode van de belangstellingsmeting;

    • i. voorgenomen naam van de school; en

    • j. korte beschrijving van het onderwijskundig concept van de school in ten hoogste 2000 tekens.

  • 3 De gegevens in het tweede lid, onderdeel d en de onderdelen f tot en met j, worden openbaar gemaakt op de website www.duo.nl.

  • 4 Publicatie op de website www.duo.nl geschiedt slechts indien de gegevens voor 1 juli volledig zijn aangeleverd.

  • 5 De melding van de voorgenomen aanvraag tot bekostiging wordt gedaan met een formulier dat is bekend gemaakt op de website www.duo.nl.

Artikel 6. Aanvraag tot bekostiging

  • 1 Een aanvraag als bedoeld in artikel 123, eerste lid, van de wet, bevat naast de gegevens, genoemd in artikel 124, eerste, tweede en derde lid, van de wet de volgende gegevens:

    • a. naam van de contactpersoon;

    • b. correspondentieadres;

    • c. telefoonnummer van de contactpersoon;

    • d. e-mailadres van de contactpersoon;

    • e. naam van de rechtspersoon;

    • f. statuten van de rechtspersoon;

    • g. namen van de bestuurders;

    • h. namen van de leden van het interne toezicht;

    • i. naam van de school;

    • j. naam van het eiland dat de beoogde plaats van vestiging omvat;

    • k. gewaarmerkt uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel; en

    • l. beschrijving van het onderwijskundig concept in ten hoogste 3.000 tekens.

  • 2 Uit het document, bedoeld in artikel 124, tweede lid, onderdeel c, van de wet, blijkt dat in de periode van 15 september in het kalenderjaar voorafgaand aan de aanvraag en 15 september van het kalenderjaar van de aanvraag de in dat artikel bedoelde partijen zijn uitgenodigd om te overleggen.

  • 3 De aanvraag tot bekostiging wordt ingediend met een formulier dat is bekendgemaakt op de website www.duo.nl.

Artikel 7. Verklaring omtrent het gedrag

  • 2 De verklaring omtrent het gedrag wordt zowel met het formulier langs digitale weg als bedoeld in artikel 6, derde lid, als in originele vorm aan DUO verstrekt.

Artikel 8. Verblijfsjaren

  • 1 Het aantal verblijfsjaren, bedoeld in artikel 124a, derde lid, onderdeel a, letter w en onderdeel b, letter w, van de wet, is voor de schoolsoort:

    • a. vwo: 5,70;

    • b. havo: 5,40;

    • c. mavo: 3,90;

    • d. vbo, de profielen bouwen, wonen en interieur, produceren, installeren en energie, mobiliteit en transport, media, vormgeving en ICT, maritiem en techniek, dienstverlening en producten: 3,90;

    • e. vbo, de profielen economie en ondernemen en horeca, bakkerij en recreatie: 3,80;

    • f. vbo, het profiel zorg en welzijn: 4,10;

    • g. vbo, het profiel groen: 4,00;

    • h. het praktijkonderwijs: 4,80.

  • 2 Het aantal verblijfsjaren voor een nevenvestiging als bedoeld in artikel 127c van de wet is voor de schoolsoort:

    • a. vwo: 2,96;

    • b. havo: 2,96;

    • c. mavo: 1,96;

    • d. vbo, de profielen bouwen, wonen en interieur, produceren, installeren en energie, mobiliteit en transport, media, vormgeving en ICT, maritiem en techniek: 1,96;

    • e. vbo, de profielen economie en ondernemen en horeca, bakkerij en recreatie: 1,97;

    • f. vbo, het profiel zorg en welzijn: 2,04;

    • g. vbo, het profiel groen: 2,00;

    • h. vbo, het profiel dienstverlening en producten: 1,99.

Artikel 9. Nadere regels belangstellingsmeting

Artikel 10. Nadere regels ouderverklaringen

  • 1 De ouderverklaring, bedoeld in artikel 124a, eerste lid, onder a, van de wet, wordt door de ouder ingediend bij de afdeling OCW Caribisch Gebied, ondergebracht bij de Rijksdienst Caribisch Nederland in de periode van 1 juli tot en met 15 oktober in het kalenderjaar van de aanvraag.

  • 2 Na indiening van de aanvraag kan daarvoor geen ouderverklaring meer worden ingediend.

  • 3 De ouder kan de ouderverklaring uiterlijk op 15 oktober, bedoeld in het eerste lid, intrekken. Deze maakt dan geen onderdeel meer uit van de belangstellingsmeting.

  • 4 Na indiening van de aanvraag kan de ouderverklaring niet meer worden ingetrokken.

  • 5 Indien de aanvrager een melding van een voorgenomen aanvraag intrekt, vervallen de hierbij behorende ingediende ouderverklaringen.

  • 6 De ouder kan in een volgend kalenderjaar opnieuw een ouderverklaring als bedoeld in artikel 124a, eerste lid, van de wet, indienen ten aanzien van hetzelfde kind, indien de aanvraag waarvoor eerder een ouderverklaring is ingediend:a. wel is gemeld, maar niet is ingediend; ofb. onherroepelijk is afgewezen.

  • 7 Vanaf 15 oktober in het jaar van de aanvraag stelt DUO aan de aanvrager het aantal geldige ouderverklaringen beschikbaar.

Artikel 11. Uitzonderingssituaties toepassing marktonderzoek

  • 1 Een marktonderzoek als bedoeld in artikel 124a, eerste lid, onderdeel b, van de wet is uitsluitend toegestaan indien:

    • a. op het eiland van de plaats van vestiging een groei van ten minste 19% in het aantal leerlingen in de leeftijd van 10 tot en met 12 jaar wordt verwacht tussen het kalenderjaar waarin het marktonderzoek plaatsvindt en het tiende kalenderjaar daaraanvolgend; of

    • b. met een beroep op artikel 122 van de wet een aanvraag tot bekostiging van een openbare school of scholengemeenschap wordt ingediend.

  • 2 Bij het aantonen van een groei als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, gebruikt het bevoegd gezag in ieder geval gegevens verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek en een voorspelling ten aanzien van de woningbouw van het eiland.

Artikel 12. Nadere regels marktonderzoek

  • 2 Per individuele leerling vult de ouder een vragenlijst in.

  • 3 Het marktonderzoek inventariseert de voorkeur van de ondervraagden voor een school en schoolsoort, doordat de ondervraagden een keuze kunnen maken uit het reeds bestaande scholenaanbod binnen het voedingsgebied aangevuld met de school en schoolsoort waarop de aanvraag betrekking heeft. Het reeds bestaande scholenaanbod omvat alleen scholen die de schoolsoort aanbieden waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 4 Het marktonderzoek heeft als hoofdvraag ‘Op welke gepresenteerde school en schoolsoort zou u uw kind inschrijven?’.

  • 5 De vraagstelling en de informatie die voorafgaand en tijdens het marktonderzoek wordt verstrekt door het onderzoeksbureau, is ten aanzien van de scholen, bedoeld in het derde lid, op dezelfde wijze vormgegeven en gepresenteerd, neutraal opgesteld en op geen enkele wijze sturend.

  • 6 De informatie die wordt verstrekt per school, bedoeld in het derde lid, is in ieder geval voorzien van de naam van de school, de naam van het bevoegd gezag, een website van de school, en eiland van vestiging. De informatie voor de school en schoolsoort waarop de aanvraag betrekking heeft omvat tevens een korte omschrijving van het onderwijskundig concept.

  • 7 Voor controle door de minister op de juistheid van de berekeningen, levert het bevoegd gezag een volledig onderzoeksrapport aan, waarin de volgende gegevens zijn opgenomen:

    • a. een beschrijving van de gebruikte onderzoeksmethode, met daarin opgenomen op welke wijze tot een aselecte groep van ondervraagden is gekomen, hoe de representativiteit van de ondervraagden is geborgd, hoe de data zijn geanalyseerd, inclusief de berekening van het belangstellingspercentage, het totale aantal ondervraagden, het totale aantal reacties, het totale aantal reacties per school en schoolsoort en de beperkingen van het onderzoek;

    • b. een beschrijving van de wijze waarop ondervraagden benaderd zijn, inclusief correspondentie aan ondervraagden;

    • c. de vragenlijst zoals voorgelegd aan ondervraagden;

    • d. de informatie over de scholen, bedoeld in het derde lid, zoals gepresenteerd aan ondervraagden; en

    • e. de periode waarin het onderzoek heeft plaatsgevonden.

  • 9 Indien de onderzoekspopulatie, bedoeld in artikel 124a, vijfde lid, onderdeel a, van de wet, minder dan 5.000 leerlingen bedraagt, is het minimale aantal leerlingen ten aanzien van wie aan het marktonderzoek is deelgenomen, bedoeld in artikel 124a, derde lid, onderdeel b, letter x, van de wet, 10% van de onderzoekspopulatie. Indien de onderzoekspopulatie 5.000 of meer leerlingen bedraagt dan is het minimale aantal leerlingen ten aanzien van wie aan het marktonderzoek is deelgenomen, bedoeld in artikel 124a, derde lid, onderdeel b, letter x, van de wet, 500.

Artikel 13. Omzetting openbare school in bijzondere school

  • 1 Het bevoegd gezag kan een aanvraag voor een omzetting als bedoeld in artikel 126, eerste lid, van de wet, indienen voor 1 november voorafgaand aan het kalenderjaar van de omzetting.

  • 2 Het bevoegd gezag vraagt advies aan de Rijksvertegenwoordiger over de voorgenomen omzetting. Indien de Rijksvertegenwoordiger advies geeft, wordt dit advies met de aanvraag voor omzetting meegezonden.

Artikel 14. Omzetting bijzondere school in openbare school

  • 1 Het bevoegd gezag meldt voor 1 april schriftelijk aan DUO het voornemen om per 1 augustus daaraanvolgend over te gaan tot omzetting van een bijzondere school in een openbare school als bedoeld in artikel 126, tweede lid, van de wet.

  • 2 Bij de melding voegt het bevoegd gezag een document waaruit blijkt dat het bevoegd gezag over de omzetting overleg heeft gevoerd met de gezaghebber en gedeputeerden van het betreffende openbaar lichaam.

Artikel 15. Verplaatsing vestiging of deel onderwijsaanbod vestiging

  • 1 Het bevoegd gezag doet uiterlijk 17 weken voorafgaand aan de verplaatsing, bedoeld in artikel 127d van de wet, een schriftelijke melding aan DUO.

  • 2 De melding gaat vergezeld van een document waaruit blijkt dat de eilandsraad van het openbaar lichaam met ingang van de datum van de feitelijke ingebruikneming de benodigde huisvesting ter beschikking stelt.

Hoofdstuk 2. Startbekostiging en aanvullende bekostiging nieuwe scholen voortgezet onderwijs

Artikel 16. Startbekostiging nieuwe school of scholengemeenschap

  • 1 Voorafgaand aan de feitelijke start per 1 augustus verstrekt de minister een nieuwe school of scholengemeenschap op aanvraag eenmalig een bekostiging voor personeelskosten overeenkomstig het vijfde lid.

  • 2 Voorafgaand aan de feitelijke start per 1 augustus verleent de minister op aanvraag eenmalig een bekostiging voor exploitatiekosten ter hoogte van een derde van het jaarbedrag voor deze kosten op basis van de prognose van het aantal leerlingen in het eerste schooljaar. De in de vorige volzin bedoelde bekostiging wordt vastgesteld in december van het eerste schooljaar op basis van het werkelijke aantal leerlingen op 1 oktober.

  • 3 De startbekostiging, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt verstrekt nadat het bevoegd gezag van de school de prognose van het aantal leerlingen op 1 oktober van het eerste schooljaar heeft ingediend bij de minister.

  • 4 De in het derde lid vermelde prognose wordt ingediend nadat de nieuwe school voor bekostiging in aanmerking is gebracht.

  • 5 De bekostiging voor de personeelskosten bedraagt in USD:

    Schoolsoort

    Directie

    Onderwijsondersteunend personeel (oop)

    Totaal

    A. Categoraal mavo en praktijkonderwijs

    16042.82

    8397.11

    24439.93

    B. Categoraal, vwo, havo en scholengemeenschap vwo/havo

    19147.23

    8397.11

    27544.34

    C. Categoraal vbo en scholengemeenschap mavo/vbo

    24064.22

    12595.67

    36659.89

    D. Scholengemeenschap havo/mavo al dan niet met vwo

    37855.71

    16794.22

    54649.93

    E. Scholengemeenschap mavo/havo/vbo al dan niet met vwo

    46001.10

    20992.78

    66993.88

  • 6 De bedragen, genoemd in het vijfde lid, worden jaarlijks geïndexeerd.

Artikel 17. Aanvullende bekostiging nieuwe school eerste schooljaar

  • 1 De minister verleent een nieuwe school op aanvraag personele en materiële bekostiging over de eerste vijf maanden van het eerste schooljaar op basis van de prognose van het aantal leerlingen op 1 oktober van het eerste schooljaar. Deze bekostiging wordt vastgesteld in december van het eerste schooljaar op basis van het werkelijk aantal leerlingen op 1 oktober van dat kalenderjaar.

  • 2 De minister verstrekt in het eerste schooljaar eenmalig een aanvullende bekostiging ten bedrage van eenmaal de landelijk gemiddelde personeelslast die op 1 augustus van dat kalenderjaar geldt voor leraren van de schoolsoortgroep waartoe de school behoort. Deze aanvullende bekostiging wordt in een keer in de maand augustus van het eerste schooljaar uitbetaald.

Artikel 18. Aanvullende bekostiging nieuwe school in tweede en volgende schooljaar

  • 1 Het bevoegd gezag van de nieuwe school kan vanwege leerlingengroei een aanvraag indienen voor een aanvullende bekostiging als bedoeld in artikel 155, tweede lid, van de wet.

  • 2 De leerlingengroei wordt vastgesteld door het verschil te berekenen tussen het aantal geprognosticeerde leerlingen in het lopende schooljaar en het aantal leerlingen op 1 oktober van het daaraan voorafgaande kalenderjaar.

  • 3 De aanvullende bekostiging wordt berekend door het verschil, bedoeld in het tweede lid, te vermenigvuldigen met een bedrag per leerling. Het product wordt vervolgens vermenigvuldigd met 32%. De in de vorige volzin bedoelde bekostiging wordt vastgesteld in december van het lopende schooljaar op basis van het werkelijke aantal leerlingen op 1 oktober.

  • 4 De in het eerste lid genoemde aanvraag kan betrekking hebben op het tweede schooljaar of daaropvolgende schooljaren tot en met het schooljaar waarin aan de school onderwijs wordt gegeven in alle leerjaren van de toegestane schoolsoorten.

  • 5 De aanvullende bekostiging wordt slechts verleend indien de financiële positie van het bevoegd gezag van de nieuwe school daartoe blijkens de jaarrekening over het voorafgaande kalenderjaar aanleiding geeft.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

A. Slob

Terug naar begin van de pagina