Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020

Geraadpleegd op 18-05-2022.
Geldend van 30-04-2021 t/m 31-12-2021

Regeling van de Minister van Financiën van 18 december 2019, tot vaststelling van het mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020

Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen

Artikel 1. Begrippen

In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a. het ministerie: het Ministerie van Financiën;

  • b. het kernministerie: het Ministerie van Financiën exclusief de directoraten-generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane;

  • c. de minister: de Minister van Financiën;

  • d. de staatssecretaris: de Staatssecretaris van Financiën;

  • e. bewindspersoon: de Minister of de Staatssecretaris van Financiën;

  • f. algemene leiding: de secretaris-generaal (SG), de plaatsvervangend secretaris-generaal (pSG), de directeuren-generaal (DG);

  • g. mandaat: de bevoegdheid om in naam van een bewindspersoon besluiten te nemen;

  • h. volmacht: volmacht als bedoeld in artikel 3:60, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, om namens de Staat der Nederlanden rechtshandelingen te verrichten;

  • i. medewerker: de ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet 2017 die werkzaam is bij het ministerie;

  • j. (hoofd)budgethouder: hoofd van een organisatie-eenheid verantwoordelijk voor het financieel beheer van één of meer budgetten;

  • k. Bedrijfsvoering: onderwerpen op de terreinen van personeel en organisatie, informatievoorziening en ict, inkoop, huisvesting, facilitaire zaken en beveiliging;

  • l. CAO Rijk: de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren werkzaam binnen de sector Rijk.

Hoofdstuk 2. Mandaten en volmachten

Artikel 2. Mandaat, volmacht en machtiging

Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van mandaat gelijkgesteld de verlening van:

  • a. volmacht om in naam van een bewindspersoon privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten, en

  • b. machtiging om in naam van een bewindspersoon handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn.

Artikel 4. Mandaat aan SG en DG’s

  • 1 Aan de secretaris-generaal wordt mandaat verleend ten aanzien van de tot de verantwoordelijkheid van de bewindspersoon behorende aangelegenheden, met uitzondering van de bevoegdheden als bedoeld in artikel 11.

  • 2 De SG en DG’s hebben binnen het kader van de jaarplannen en binnen eventueel door de minister of namens de minister door de SG gegeven richtlijnen mandaat ten aanzien van het nemen van besluiten en afdoen van stukken betreffende alle aangelegenheden die behoren tot hun werkterrein tenzij bij wet anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet.

  • 3 De ondertekening van uitgaande stukken zal luiden als volgt:

    De Minister van Financiën, resp. De Staatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane, resp. De Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst,

    namens deze,

    gevolgd door de naam en functie van de (onder)gemandateerde.

Artikel 5. Ondermandaat

  • 1 De SG en de DG’s kunnen ieder voor hun werkterrein ondermandaat verlenen.

  • 2 Directeuren kunnen het aan hen verleende ondermandaat doormandateren.

  • 3 In een ondermandaat wordt de omvang ervan aangegeven.

Artikel 6. Mandaatregister

  • 1 Onderdeel van deze regeling vormt een mandaatregister. Het mandaatregister bevat de namen van de in dit besluit gemandateerde, ondergemandateerde en gevolmachtigde functionarissen.

  • 2 De directeur Juridische Zaken draagt zorg voor het bijhouden en online publiceren van het mandaatregister. Het mandaatregister wordt gepubliceerd op de webpagina van het ministerie van Financiën, te vinden via www.rijksoverheid.nl.

Hoofdstuk 3. Beslissingen met financiële gevolgen

Artikel 7. Hoofdbudgethouderschap

  • 1 De SG en DG’s zijn hoofdbudgethouder voor wat betreft hun taken en zijn uit dien hoofde bevoegd verplichtingen – met financiële consequenties – aan te gaan en uitgaven goed te keuren binnen hun budgetten.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, gaan de directeuren-generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane verplichtingen ten aanzien waarvan het toezicht FEZ geldt, als bedoeld in bijlage 1, slechts aan in overeenstemming met respectievelijk de directeur Control en Financiën van het DGBD, de aangewezen controller van het DGTSL, de aangewezen controller van het DGD dan wel de directeur Financieel-Economische Zaken.

  • 3 De hoofdbudgethouders zijn verantwoordelijk voor een adequaat financieel beheer.

Artikel 8. Budgethouderschap

  • 1 Het mandaat van de DG met betrekking tot het aangaan van financiële verplichtingen en het doen van uitgaven is beperkt tot het budget dat aan de DG ter beschikking is gesteld op basis van een door de secretaris-generaal en de directeur Financieel-economische Zaken goedgekeurde budgettaire uitwerking van dat deel van de begroting waarvoor het diensthoofd verantwoordelijk is.

  • 2 De SG en DG’s kunnen voor de in artikel 7 genoemde bevoegdheden ondermandaat verlenen aan budgethouders. In een ondermandaat kan een maximumbedrag worden aangegeven.

Artikel 9. Instemming van de directeur FEZ

Instemming van de directeur Financieel-Economische Zaken is vereist:

  • a. voor zover voorgenomen besluiten met financiële consequenties niet passen binnen de door de SG vastgestelde budgetten;

  • b. voor de benoeming van de directeuren control van het DGBD, het DGTSL en het DGD.

Hoofdstuk 4. Algemene bepalingen ten aanzien van de uitoefening van taken

Artikel 11. Voorbehouden aan bewindspersonen

Aan de bewindspersonen is voorbehouden het afdoen en ondertekenen van stukken:

  • a. gericht aan de Koning;

  • b. gericht aan de Raad van State;

  • c. gericht aan de ministerraad (van het Koninkrijk);

  • d. gericht aan de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal;

  • e. gericht aan de president van de Algemene Rekenkamer;

  • f. gericht aan de Nationale Ombudsman;

  • g. gericht aan autoriteiten in binnen- en buitenland, gelijk of hoger in rang dan een minister of staatssecretaris;

  • h. zijnde Ministeriële regelingen houdende algemeen verbindende voorschriften.

Artikel 12. Voorbehouden aan de secretaris-generaal

Onverminderd de overige bepalingen van dit besluit waarin aan de SG mandaat wordt verleend, wordt aan de SG mandaat verleend voor:

  • a. aangelegenheden op het gebied van de ambtelijke leiding van al hetgeen het ministerie betreft, zoals nader omschreven in de toelichting bij het Besluit regeling functie en verantwoordelijkheid van de secretaris-generaal (Stb. 1988, 499);

  • b. het vaststellen van circulaires, met uitzondering van circulaires die naar het oordeel van de SG door een ander organisatieonderdeel genoemd in het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020 moeten worden vastgesteld;

  • c. het vaststellen van de werkterreinen van de directeuren-generaal, genoemd in het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020;

  • d. het uitoefenen van de bevoegdheden van de minister inzake benoeming, schorsing, ontslag en vergoeding van ambtenaren en andere personen in organen van rechtspersonen en colleges, voor zover daarvoor geen mandaat, volmacht en machtiging is verleend aan een andere ambtenaar binnen het ministerie;

  • e. het doen van voorstellen omtrent de vaststelling van de topstructuur van het ministerie, tot en met het niveau van directies, en hiermee samenhangend het besluiten tot reorganisaties;

  • f. het vaststellen van de formatie, en hiermee samenhangend het besluiten tot reorganisaties van het kernministerie en van de topstructuur van het DGBD, als opgenomen in het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021 als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie en bedrijfsvoering 2011, en na gehoord hebbende de bestuursraad;

  • g. het aangaan van de arbeidsovereenkomst, het plaatsen en het beëindigen van de arbeidsovereenkomst met ambtenaren in functies behorende tot de topstructuur van het ministerie en de directoraten-generaal, waarbij het aangaan van een arbeidsovereenkomst plaatsvindt na overleg met de bestuursraad;

  • h. het toekennen van maatregelen van sociaal flankerend beleid aan functionarissen als bedoeld in het vorige onderdeel;

  • i. het maken van afspraken over beloning, van functionarissen behorende tot de topstructuur van het ministerie en de directoraten-generaal;

  • j. het voeren van overleg met bonden over onderwerpen van algemeen belang voor de rechtstoestand van werknemers.

Artikel 13. Voorbehouden aan de pSG

Met inachtneming van artikel 12 is aan de pSG voorbehouden:

  • a. het, na overleg met de bestuursraad, doen van voorstellen omtrent de vaststelling van de organisatie van het kernministerie vanaf het niveau van afdelingen (of daarmee vergelijkbare organisatieonderdelen) en lager, en hiermee samenhangend het besluiten tot reorganisaties;

  • b. het vaststellen van de formatie van het DGBD, het DGTSL en het DGD, voor zover het een uitbreiding van de totale formatie betreft;

  • c. het – met inachtneming van artikel 12 – aangaan van de arbeidsovereenkomst, plaatsen en het beëindigen van de arbeidsovereenkomst van ambtenaren in overige leidinggevende functies bij het kernministerie tot het niveau van afdelingshoofden of daarmee gelijk te stellen leidinggevende functies.

  • d. het – met inachtneming van artikel 12 – aangaan van de arbeidsovereenkomst, plaatsen en het beëindigen van de arbeidsovereenkomst van ambtenaren werkzaam in functies bij het kernministerie met een bezoldiging van salarisschaal 15 of hoger. Het aangaan van de arbeidsovereenkomst vindt plaats na overleg met de bestuursraad;

  • e. het toekennen van maatregelen van sociaal flankerend beleid aan functionarissen als bedoeld in de vorige twee onderdelen;

  • f. het toekennen van een (bijzondere) beloning van functionarissen van het kernministerie;

  • g. het maken van afspraken met functionarissen van het kernministerie tot uitbreiding van een arbeidsduur van meer dan 36 uur per week;

  • h. het voeren van overleg met bonden over onderwerpen van algemeen belang voor de rechtstoestand van werknemers bij afwezigheid van de SG;

  • i. het vaststellen van regelingen of maken van afspraken met betrekking tot sociaal flankerend beleid;

  • j. het vaststellen van regels en beleid(skaders) inzake de bedrijfsvoering, waaronder regels die leiden tot wijzigingen in de rechten of verplichting van ambtenaren, voor zover van toepassing op ambtenaren van het gehele ministerie of het kernministerie;

  • k. het opleggen van ordemaatregelen en straffen aan functionarissen behorende tot de topstructuur van het ministerie en de directoraten-generaal;

  • l. het verzoeken om toestemming aan het UWV tot ontslag wegens bedrijfseconomische redenen;

  • m. het verzoeken om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen;

  • n. het verzoeken om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens gewetensbezwaren/werkweigering;

  • o. het verzoeken om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsverhouding;

  • p. het verzoeken om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verwijtbaar handelen, een dringende reden of wegens wanprestatie;

  • q. het verzoeken van ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens andere omstandigheden die zodanig zijn dat in redelijkheid niet kan worden verwacht dat de arbeidsovereenkomst wordt voortgezet;

  • r. het verzoeken van ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een combinatie van ontslaggronden, voor zover één van de gronden is voorbehouden aan de pSG;

  • s. het sluiten van een vaststellingsovereenkomst in verband met het beëindigen van de arbeidsovereenkomst of tewerkstelling bij het ministerie of een wijziging van een reeds afgesloten vaststellingsovereenkomst;

  • t. het beslissen op verzoeken doorwerken na AOW-gerechtigde leeftijd voor functionarissen van het kernministerie;

  • u. alle met cassatie verband houdende beslissingen zowel als eisende partij als verwerende partij met betrekking tot personeelsaangelegenheden;

  • v. het ten aanzien van onder hem ressorterende medewerkers geven van toestemming op verzoeken om systemen te mogen raadplegen naar aanleiding van vermoedens van niet integer gedrag door medewerkers.

Artikel 14. Voorbehouden aan de algemene leiding DG, uitgezonderd het DGBD, het DGTSL en het DGD

Met inachtneming van voorgaande artikelen van dit besluit is aan de algemene leiding van een DG, uitgezonderd het DGBD, het DGTSL en het DGD, ten aanzien van onder hen ressorterende medewerkers voorbehouden het nemen van beslissingen:

  • a. betreffende de plaatsing, beëindiging van de arbeidsovereenkomst en beloning van medewerkers vanaf schaal 15, behoudens het bepaalde in artikel 13;

  • b. het afnemen van de eed of belofte;

  • c. tot het sluiten van een tijdelijke arbeidsovereenkomst in bijzondere situaties;

  • d. tot een (tijdelijke) uitzending in het buitenland;

  • e. het toekennen van maatregelen van sociaal flankerend beleid aan functionarissen als bedoeld in de vorige twee onderdelen;

  • f. tot beloning van:

    • i. afdelingshoofden of daarmee gelijk te stellen functionarissen;

    • ii. directeuren (m.u.v. Algemeen directeur), sectormanagers en manager Bestuursondersteuning en Vaktechniek bij de ADR;

  • g. tot het opleggen van ordemaatregelen en straffen, met uitzondering van de wettelijke mogelijkheden het dienstverband te beëindigen;

  • h. tot schadeloosstelling;

  • i. tot het verzoeken van toestemming aan het UWV tot ontslag wegens ziekte;

  • j. met betrekking tot (de aansprakelijkheidsstelling als gevolg van) dienstongevallen, beroepsziekten en beroepsincidenten als bedoeld in de CAO Rijk, waarbij de pSG door de algemene leiding wordt geïnformeerd;

  • k. tot het geven van toestemming op verzoeken om systemen te mogen raadplegen naar aanleiding van vermoedens van niet integer gedrag door medewerkers.

Artikel 15. Voorbehouden aan algemene leiding DGBD, DGTSL en DGD

Met inachtneming van voorgaande artikelen van dit besluit is aan de algemene leiding van het DGBD, het DGTSL en het DGD, ten aanzien van onder hen ressorterende medewerkers voorbehouden, het nemen van beslissingen:

  • a. tot het vaststellen van de organisatie tot en met afdelingsniveau, en hiermee samenhangend het besluiten tot reorganisaties;

  • b. tot het vaststellen van de formatie, waarbij tot wijzigingen in formatie van functies met salarisschaal 16 en hoger na overleg met de bestuursraad besloten wordt;

  • c. tot het – met inachtneming van artikel 12 – aangaan van de arbeidsovereenkomst, benoemen, plaatsen en beëindigen van de arbeidsovereenkomst van ambtenaren in overige leidinggevende functies tot het niveau van afdelingshoofden of daarmee gelijk te stellen leidinggevende functies;

  • d. tot het – met inachtneming van artikel 12 – aangaan van de arbeidsovereenkomst, benoemen, plaatsen en beëindigen van de arbeidsovereenkomst van ambtenaren in functies met een bezoldiging van salarisschaal 16 of hoger is verbonden. Benoemingen worden afgestemd met de bestuursraad, en over de arbeidsvoorwaarden dient vooraf afstemming met de pSG plaats te vinden.

  • e. tot het sluiten van een tijdelijke arbeidsovereenkomst waarbij wordt afgeweken van de CAO Rijk;

  • f. tot een (tijdelijke) uitzending naar het buitenland;

  • g. tot het toekennen van maatregelen van sociaal flankerend beleid aan functionarissen als bedoeld in de onderdelen c, d en e van dit artikel.

  • h. tot en met inachtneming van artikel 12 – beloning van ambtenaren in:

    • i. overige leidinggevende functies tot het niveau van afdelingshoofden of daarmee gelijk te stellen leidinggevende functies, of

    • ii. overige functies met een beloning van salarisschaal 16 of hoger, waarbij afstemming met de pSG dient plaats te vinden.

  • i. het binnen de rijksbrede en/of ministeriebrede kaders vaststellen van regels en beleid(skaders) inzake de bedrijfsvoering voor zover specifiek van toepassing bij het DGBD;

  • j. tot het opleggen van ordemaatregelen en straffen, met uitzondering van de wettelijke mogelijkheden het dienstverband te beëindigen, aan:

    • i. leidinggevende functionarissen;

    • ii. (strategische) functionarissen met een bezoldiging van salarisschaal 15 of hoger.

  • k. tot het verzoeken van toestemming aan het UWV tot ontslag wegens ziekte;

  • l. met betrekking tot (de aansprakelijkheidsstelling als gevolg van) dienstongevallen, beroepsziekten en beroepsincidenten, waarbij de pSG door de algemene leiding wordt geïnformeerd.

Artikel 16. Voorbehouden aan de directeuren en hun plaatsvervangers

  • 1 De directeuren van de in het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020 genoemde directies en hun plaatsvervangers, uitgezonderd het DGBD, het DGTSL en het DGD, hebben binnen het kader van hun jaarplannen en binnen door de minister of namens de minister door de secretaris-generaal of de algemene leiding van het directoraat-generaal gegeven richtlijnen en behoudens de voorgaande bepalingen volmacht tot het nemen van besluiten en afdoen van stukken betreffende alle aangelegenheden die behoren tot hun beleidsterrein genoemd in het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020, tenzij bij wet anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet.

  • 2 De in het eerste lid toegekende mandaten kunnen binnen het kader van hun taken ook worden uitgeoefend door de onder de directeuren ressorterende functionarissen die daartoe worden gemandateerd in het mandaatregister.

  • 3 Onverminderd het eerste lid is de bevoegdheid tot het afdoen van besluiten namens de in het eerste lid gevolmachtigde functionarissen toegekend aan het hoofd en het plaatsvervangend hoofd van de eenheid Organisatie & Personeel van de directie Bedrijfsvoering.

  • 4 Aan de in het eerste lid gevolmachtigde functionarissen is voorbehouden het afdoen en ondertekenen van beslissingen aangaande:

    • a. vaststelling feitelijk opgedragen functie;

    • b. opzegging wegens bereiken AOW-gerechtigde leeftijd;

    • c. (verlenging) tijdelijke arbeidsovereenkomst;

    • d. ver- en herplaatsing;

    • e. het aangaan van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd;

    • f. tijdelijk opdragen van andere werkzaamheden;

    • g. toekenning extra periodieke verhoging;

    • h. onthouding van een periodieke verhoging;

    • i. wijziging van salarisschaal;

    • j. incidentele beloning voor bijzondere prestaties;

    • k. korting beloning bij arbeidsongeschiktheid.

Artikel 18. Personeelsbeslissingen

Bij het maken van afspraken, afdoen van stukken en ondertekenen van uitgaande brieven met betrekking tot alle personeelsaangelegenheden, bedoeld in bijlage 2 bij deze regeling, betreffende het kernministerie is advies van het hoofd Eenheid Organisatie en Personeel van de directie Bedrijfsvoering vereist.

Artikel 19. Overige bepalingen

  • 1 In situaties waarin het bevoegd gezag een beloning aan een medewerker wil toekennen, waarbij wordt afgeweken van de reguliere beloningsregels dient vooraf overleg met de pSG plaats te vinden.

  • 2 De bevoegdheid tot het toekennen van maatregelen sociaal flankerend beleid is voorbehouden aan de directeur van het organisatieonderdeel waar betrokkene is geplaatst, voor zover die bevoegdheid niet op grond van dit besluit aan een ander is voorbehouden.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 21. Intrekking andere (mandaat)regelingen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Financiën,

W.B. Hoekstra

Bijlage 1. Toezicht FEZ

De toepasselijkheid van het toezicht FEZ, bedoeld in artikel 7, tweede lid, wordt beoordeeld aan de hand van de hierna genoemde criteria.

Algemene criteria toezicht FEZ

  • De directeur Financieel-Economische Zaken (DFEZ) van het kernministerie beoordeelt aan te gane verplichtingen van het DG Belastingdienst (DGBD), het DG Toeslagen (DGTSL) en het DG Douane (DGD). Uitgangspunt hierbij is een drempelbedrag van € 500.000,- inclusief BTW. Voor de verplichtingen tussen de € 500.000,- en € 1.000.000,- geldt dat FEZ in 20% van deze gevallen beoordeelt (bij wijze van steefproef). Boven de € 1.000.000,- vervalt het steekproefprincipe en beoordeelt FEZ integraal.

  • Verplichtingen van of boven de € 50.000,- exclusief BTW worden alleen aangegaan mits er goedkeuring is van de (concern)controller van het DG of, ten aanzien van het DGBD, de (concern)directie Control & Financiën.

  • De werking van de criteria zal periodiek worden geëvalueerd en de criteria kunnen waar nodig worden bijgesteld indien daartoe aanleiding bestaat.

  • Het is niet toegestaan om een aan te gane verplichting of opdracht te knippen in meerdere verplichtingen of opdrachten om daarmee onder het drempelbedrag te komen.

  • Voor aanbestedingen die boven het drempelbedrag uitkomen moet voorafgaand aan het publicatiemoment toestemming worden gevraagd. De verplichting die voortvloeiend uit de aanbesteding met de voorkeursleverancier wordt aangegaan, behoeft ook voorafgaande goedkeuring.

  • Bij de uitwerking van de criteria is gebruikt gemaakt van de indeling van de budgettaire tabel van het beleidsartikel 1 Belastingen en de rijksbrede kostensoortentabel zoals opgenomen in de Rijksbegrotingsvoorschriften:

    • Eigen personeel

      • Eigen personeel wordt niet voorgelegd aan het toezicht FEZ.

      • De personele exploitatie-uitgaven zoals representatie, reiskosten, studie en opleidingen, contributies, personeelsevenementen en sociaal flankerend beleid vallen wel onder het toezicht FEZ.

    • Externe inhuur

      • Voor de definitie van externe inhuur wordt aangesloten op de Rijksbegrotingsvoorschriften externe inhuur: ‘Externe inhuur is het uitvoeren van werkzaamheden in opdracht van een bij de rijksoverheid in dienst zijnde opdrachtgever, door een private organisatie met winstoogmerk, middels het tegen betaling inzetten van personele capaciteit en deskundigheid, waarop door de opdrachtgever mede gestuurd wordt.’

      • Verlenging van een aflopend inhuurcontract geldt als een nieuwe verplichting. Indien het totaalbedrag van het aflopende contract(en) en het nieuwe contract tezamen het drempelbedrag overschrijdt, valt de verlenging onder het toezicht FEZ.

      • Externe inhuur op basis van mantelcontracten (zoals Randstad) valt bij overschrijding van het drempelbedrag onder het toezicht FEZ.

      • Voor de goede orde: in lijn met de motie De Pater-Van der Meer is externe inhuur boven een uurprijs van 225 euro slechts in uitzonderlijke gevallen toegestaan, volgens het principe ‘comply or explain’.

    • ICT

      • Hieronder vallen o.a. licenties, aanschaf van hard- en software en uitbesteedwerk op het terrein van ICT.

    • Bijdragen aan SSO’s

      • Hieronder vallen bijvoorbeeld de bijdragen aan de SSO’s zoals P-Direkt, FMHaaglanden, Rijksvastgoedbedrijf, Doc-Direkt, Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk (UBR), SSC-ICT (allen BZK), Dictu (EZK), Paresto en IVENT/DTO (DEF). Verplichtingen boven het drempelbedrag zijn vaak langlopend en vaak vastgesteld in rijksbrede overleggen. Goedkeuring van de directeur FEZ is nodig voordat het DGBD, het DGTSL of het DGD zich in rijksbrede gremia kan committeren aan nieuwe verplichtingen boven het drempelbedrag.

    • Overig materieel

      • De overige materiële uitgaven vallen onder het toezicht FEZ. Voorbeelden van overige materiële uitgaven zijn betalingen aan het wagenpark en de schepen van Douane, huisvesting en facilitaire diensten voorzover deze niet vallen onder de bijdragen aan SSO’s, voorlichting, portokosten, dienstkleding, kosten Kamer van Koophandel en Kadaster, betalingsverkeer en betalingen aan Logius.

Wat valt niet onder toezicht FEZ?

  • Tussentijdse verlengingen (zowel stilzwijgend als actief) van mantelcontracten hoeven niet voorgelegd te worden. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat aan de verlenging van een mantelcontract een expliciet overwegingskader ten grondslag ligt. Enkel de aanbesteding van een mantelcontract en de uitnutting van het mantelcontract (boven de € 500.000,-) dient voorgelegd te worden aan het toezicht FEZ.

  • Contracten i.v.m. kantoorruimte (huur, schoonmaak, beveiliging) die stilzwijgend verlengd worden (de mogelijkheid om het contract op te zeggen wordt niet benut) hoeven niet voorgelegd te worden. Indien het contract opgehoogd wordt door specifieke beslissingen (bijvoorbeeld extra m2) moet de verplichting wel worden voorgelegd aan toezicht FEZ.

  • De volgende verplichtingen met betrekking tot de uitgaven van het DGBD, het DGTSL of het DGD zoals begroot op de beleidsartikelen 1, 9 en 13 van de begroting vallen niet onder verplichtingenstop:

    • Verplichtingen inzake betalingen van belasting- en invorderingsrente aan belastingplichtigen;

    • Verplichtingen inzake betalingen van proceskostenvergoeding, indien belastingplichtigen in het gelijk zijn gesteld bij een bezwaar of beroepsprocedure;

    • Verplichtingen inzake bekostigingsbijdragen aan de Waarderingskamer en de Douaneraad;

    • Ontvangsten (belastingontvangsten en apparaatsontvangsten).

Bijlage 2. Personeelsaangelegenheden als bedoeld in artikel 18

De personeelsaangelegenheden als bedoeld in artikel 18 van het Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020 zijn:

  • stopzetten of opschorten beloning bij ziekte;

  • verplichtingen en sancties bij ziekte en re-integratie;

  • verplichtingen werkgever bij ziekte en re-integratie;

  • ontslag/sanctie bij reorganisatie;

  • toekennen VWNW-voorzieningen en stimuleringspremie;

  • beroep op de hardheidsclausule;

  • aanzuiveren tekort als bedoeld in het eerste lid van artikel 7:661 van het Burgerlijk Wetboek;

  • wijziging van de salarisschaal zonder wijziging van de functie;

  • ordemaatregelen en straffen;

  • tot het sluiten van een tijdelijke arbeidsovereenkomst waarbij wordt afgeweken van de CAO Rijk;

  • opzegging met toestemming UWV;

  • opzegging wegens dringende reden;

  • opzegging met instemming;

  • verzoeken tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst;

  • vaststellingsovereenkomst waarin het einde van de arbeidsovereenkomst wordt geregeld;

  • hoogte en uitbetaling transitievergoeding;

  • vermissing;

alsmede

  • aangelegenheden met betrekking tot (de aansprakelijkheidsstelling al dan niet als gevolg van) dienstongevallen, beroepsziekten en beroepsincidenten, waarbij de pSG wordt geïnformeerd, en

  • de vaststelling van de formatie zoals gebaseerd op artikel 3 van het Coördinatiebesluit organisatie en bedrijfsvoering 2011.

Zie ook Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020, Staatscourant 2019, 70716.

Naar boven