Regeling specifieke uitkering PrEP

[Regeling vervalt per 01-08-2024.]
Geraadpleegd op 26-03-2023.
Geldend van 29-01-2022 t/m 31-12-2022

Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 11 juli 2019, kenmerk 1553975-193080-PG, houdende regels voor het verstrekken van subsidie voor de begeleiding bij het gebruik van PrEP (Subsidieregeling PrEP)

De Minister voor Medische Zorg,

Gelet op artikel 3 van de Kaderwet VWS-subsidies;

Besluit:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. minister: Minister voor Medische Zorg;

  • b. PrEP: Pre Expositie Profylaxe, een medicijn ter preventieve behandeling van hiv;

  • c. uitkeringsjaar: jaar ten behoeve waarvan de uitkering wordt verstrekt;

  • d. uitkering: een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 15a van de Financiële-verhoudingswet;

  • e. verzorgingsgebied: verzorgingsgebied als bedoeld in artikel 68, onder a, van de Subsidieregeling publieke gezondheid:

    • 1°. de provincies Noord-Holland en Flevoland,

    • 2°. de provincies Overijssel en Gelderland,

    • 3°. de provincies Friesland, Drenthe en Groningen,

    • 4°. het deel van de provincie Zuid-Holland, bestaande uit de gemeenten Delft, Den Haag, Leidschendam/Voorburg, Midden-Delftland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer,

    • 5°. het overige deel van de provincie Zuid-Holland, bestaande uit de gemeenten die geen deel uitmaken van de provincie Zuid-Holland genoemd onder 4°,

    • 6°. de provincies Zeeland en Noord-Brabant,

    • 7°. de provincie Limburg, of

    • 8°. de provincie Utrecht;

  • f. coördinerende GGD: coördinerende GGD als bedoeld in artikel 68, onder b, van de Subsidieregeling publieke gezondheid;

  • g. coördinatie: het ten behoeve van het verzorgingsgebied van de desbetreffende coördinerende GGD:

    • 1°. coördineren van het aanbod van medische begeleiding bij het gebruik van PrEP,

    • 2°. waarborgen dat de medische begeleiding voldoet aan artikel 9.

Artikel 3

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

De minister kan ten behoeve van de uitkeringsjaren 2022 tot en met 2024 aan een coördinerende GGD een uitkering verstrekken voor de medische begeleiding bij het gebruik van PrEP en de coördinatie daarvan in het verzorgingsgebied waarin de coördinerende GGD is gevestigd.

Terugwerkende kracht

Stcrt. 2022, 26965, datum inwerkingtreding 01-01-2023, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot 01-01-2022.

Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. Een uitkering wordt slechts verstrekt voor zover de coördinerende GGD met de Staat een overeenkomst sluit waarbij de Staat haar belast met en zij zich verplicht tot het verrichten van de dienst van algemeen economisch belang, bedoeld in 10b.

Artikel 4

  • 1 De medische begeleiding, bedoeld in artikel 3:

    • a. is gericht op personen die behoren tot de groep van mannen die seks hebben met mannen en transgender personen, met een verhoogd risico op hiv;

    • b. bestaat per persoon in ieder geval uit één intakeconsult en één vervolgconsult dat een maand na die intake plaatsvindt en daarnaast maximaal vier vervolgconsulten per kalenderjaar en het naar aanleiding van een consult ter hand stellen van PrEP aan de desbetreffende persoon.

  • 2 Het aantal personen dat medisch wordt begeleid bedraagt ten hoogste:

    • a. 3.510 in de provincies Noord-Holland en Flevoland;

    • b. 1.189 in de provincies Overijssel en Gelderland;

    • c. 348 in de provincies Friesland, Drenthe en Groningen;

    • d. 641 in het deel van de provincie Zuid-Holland, bestaande uit de gemeenten Delft, Den Haag, Leidschendam/Voorburg, Midden-Delftland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer;

    • e. 1.094 in het overige deel van de provincie Zuid-Holland, bestaande uit de gemeenten die geen deel uitmaken van de provincie Zuid-Holland genoemd onder d;

    • f. 826 in de provincies Zeeland en Noord-Brabant;

    • g. 460 in de provincie Limburg;

    • h. 432 in de provincie Utrecht.

  • 3 Voor het uitkeringsjaar 2022 bedraagt het aantal personen dat medisch wordt begeleid ten hoogste:

    • a. 3.530 in de provincies Noord-Holland en Flevoland;

    • b. 1.189 in de provincies Overijssel en Gelderland;

    • c. 328 in de provincies Friesland, Drenthe en Groningen;

    • d. 581 in het deel van de provincie Zuid-Holland, bestaande uit de gemeenten Delft, Den Haag, Leidschendam/Voorburg, Midden-Delftland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer;

    • e. 1.114 in het overige deel van de provincie Zuid-Holland, bestaande uit de gemeenten die geen deel uitmaken van de provincie Zuid-Holland genoemd onder d;

    • f. 826 in de provincies Zeeland en Noord-Brabant;

    • g. 480 in de provincie Limburg;

    • h. 452 in de provincie Utrecht.

Artikel 5

  • 1 De uitkering wordt per kalenderjaar verstrekt.

  • 2 De uitkering bestaat uit het bedrag dat wordt berekend overeenkomstig de volgende formule: (Qi x Pi) + (Qv x Pv) – (Qp x Bp) + U

    waarbij wordt verstaan onder:

    • Qi. het aantal intakeconsulten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder b, dat in het boekjaar waarvoor de uitkering wordt verstrekt is uitgevoerd;

    • Pi. € 210;

    • Qv. het aantal vervolgconsulten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder b, dat in het boekjaar waarvoor de uitkering wordt verstrekt is uitgevoerd;

    • Pv. een bedrag van € 150;

    • Qp. het aantal ter hand stellingen van PrEP per dertig pillen;

    • Bp. een eigen bijdrage van de gebruiker van € 7,50 per dertig pillen;

    • U. het bedrag voor de coördinatie van de medische begeleiding, dat voor 2021 ten hoogste € 10.000 bedraagt per uitvoerende GGD in het desbetreffende verzorgingsgebied, en per verzorgingsgebied ten hoogste bedraagt:

      • 1°. € 50.000 voor de provincies Noord-Holland en Flevoland,

      • 2°. € 50.000 voor de provincies Overijssel en Gelderland,

      • 3°. € 30.000 voor de provincies Friesland, Drenthe en Groningen,

      • 4°. € 10.000 voor het deel van de provincie Zuid-Holland, bestaande uit de gemeenten Delft, Den Haag, Leidschendam/Voorburg, Midden-Delftland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer,

      • 5°. € 30.000 voor het overige deel van de provincie Zuid-Holland, bestaande uit de gemeenten die geen deel uitmaken van de provincie Zuid-Holland genoemd onder 4°,

      • 6°. € 40.000 voor de provincies Zeeland en Noord-Brabant,

      • 7°. € 20.000 voor de provincie Limburg,

      • 8°. € 10.000 voor de provincie Utrecht.

Artikel 6

  • 1 Een aanvraag tot verlening van een uitkering wordt uiterlijk dertien weken voor aanvang van het uitkeringsjaar ontvangen.

  • 2 Voor de aanvraag wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt.

  • 3 De coördinerende GGD consulteert de GGD’en in zijn verzorgingsgebied over zijn aanvraag.

  • 4 De aanvraag van een GGD gaat vergezeld van:

    • a. een overzicht van het verwacht aantal personen, consulten en ter hand stellingen van PreP ten behoeve waarvan uitkering wordt aangevraagd;

    • b. een begroting;

    • c. een beschrijving van de coördinatie, bedoeld in artikel 1, onder f;

    • d. een document waarin de coördinerende GGD de uitkomsten van de consultatie beschrijft;

    • e. een document waaruit de juridische status van de coördinerende GGD blijkt.

  • 5 In afwijking van het eerste lid wordt de aanvraag ten behoeve van 2019 uiterlijk 1 september 2019 ontvangen.

Artikel 7

  • 1 De minister geeft binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking tot verlening van de uitkering.

  • 2 Het besluit tot verlening van de uitkering vermeldt het aantal personen, consulten en ter hand stellingen van PrEP, bedoeld in artikel 4, ten behoeve waarvan ten hoogste uitkering wordt verleend.

  • 3 De minister verleent bij het besluit tot verlening van de uitkering ambtshalve voorschotten. De voorschotten worden gelijkmatig betaald over het uitkeringsjaar.

Artikel 8

De coördinerende GGD draagt er ten behoeve van zijn verzorgingsgebied zorg voor dat in het jaar waarvoor de uitkering wordt verstrekt:

  • a. er op planmatige wijze toereikende medische begeleiding en gepaste coördinatie worden uitgevoerd;

  • b. de medische begeleiding van verantwoorde kwaliteit is;

  • c. er bij het ter hand stellen van PrEP aan de desbetreffende persoon per dertig pillen telkens een bedrag van € 7,50 in rekening wordt gebracht;

  • d. de medische begeleiding wordt uitgevoerd in samenwerking met andere gemeentelijke gezondheidsdiensten binnen het verzorgingsgebied;

  • e. uiterlijk 2 maanden na afloop van ieder kwartaal op door de minister te bepalen wijze gegevens worden verstrekt over het aantal begeleide personen en verrichte consulten;

  • f. de gegevens over het aantal begeleide personen en verrichte consulten op een door de minister vastgestelde wijze worden verstrekt aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu;

  • g. de gegevens ten behoeve van onderzoekingen als bedoeld in artikel 30, derde lid, van de Subsidieregeling publieke gezondheid, ten behoeve van de ontwikkeling van het beleid op het gebied van de preventie van hiv op een door de minister vastgestelde wijze worden verstrekt aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu;

  • h. de gemeentelijke gezondheidsdiensten binnen het verzorgingsgebied die medicatie voorschrijven aan een persoon, diens huisarts en apotheker informeren, mits die persoon daarmee instemt.

Artikel 9

De coördinerende GGD waaraan de uitkering is verleend, draagt er zorg voor dat aan de minister op door hem te bepalen wijze gegevens worden verstrekt over de uitvoering van de activiteiten waarvoor de uitkering wordt verstrekt.

Artikel 10

  • 2 De minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in het eerste lid, over de vaststelling van de uitkering.

  • 3 Indien de activiteiten waarvoor de uitkering is verleend zijn verricht en daarnaast volledig is voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen die verbonden zijn aan de uitkering, wordt de uitkering vastgesteld tot ten hoogste het bedrag dat is bepaald in het besluit tot verlening.

Artikel 10a

De minister kan een of meer bepalingen van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat de desbetreffende bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 11

  • 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 2019, met uitzondering van artikel 5, derde lid, dat in werking treedt met ingang van de dag na de uitgifte van de Staatscourant waarin de regeling wordt geplaatst en terugwerkt tot en met 1 april 2019.

  • 2 Deze regeling vervalt met ingang van 1 augustus 2024.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Medische Zorg,

B.J. Bruins

Naar boven