Regeling forensische zorg

Geldend van 16-07-2019 t/m heden

Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 5 juli 2019, nummer 2628872, houdende de regels forensische zorg (Regeling forensische zorg)

I.

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. begeleiding: activiteiten waarmee een persoon wordt ondersteund bij het uitvoeren van algemene dagelijkse levensverrichtingen en bij het aanbrengen en behouden van structuur in en regie over het persoonlijk leven;

  • b. beschermd wonen: wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorend toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische problemen of een verstandelijke beperking, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving;

  • c. beveiligingsniveau: het niveau van de beveiliging die is georganiseerd tijdens het verblijf van de forensisch patiënt, dan wel voor de afdeling waar de forensisch patiënt verblijft;

  • d. de Minister: de Minister voor Rechtsbescherming;

  • e. de wet: de Wet forensische zorg;

  • f. het besluit: het Besluit forensische zorg.

Artikel 2

Forensische zorg, bedoeld in artikel 1.1, tweede lid, van de wet, omvat tevens:

  • a. begeleiding, waaronder ambulante begeleiding en dagactiviteiten;

  • b. beschermd wonen;

  • c. behandeling van aanpassingsstoornissen;

  • d. psychoanalyse;

  • e. electroconvulsietherapie.

Hoofdstuk 2. Gegevensverwerking

Artikel 3

De beveiliging van de gegevensverwerking die voortvloeit uit de wet voldoet aan NEN-ISO-IEC 27001 en NEN-ISO-IEC 27002 of daaraan gelijkwaardige normen.

Artikel 4

  • 1 De reclasseringsinstelling of zorgaanbieder die beschikt over een pro Justitiarapportage kan deze slechts verstrekken ten behoeve van wetenschappelijk of historisch onderzoek en statistiek nadat daartoe door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie schriftelijk toestemming is verleend.

  • 2 Aan de toestemming, bedoeld in het eerste lid, kunnen voorwaarden worden verbonden.

Hoofdstuk 3. De aanwijzing als private instelling voor forensische zorg

Artikel 5

Voor de aanvraag tot aanwijzing als private instelling voor forensische zorg, bedoeld in 3.2, eerste lid, van de wet wordt het model in bijlage 1 bij deze regeling gebruikt.

Artikel 6

  • 1 Om in aanmerking te komen voor een aanwijzing als private instelling voor forensische zorg, bedoeld in artikel 3.2 van de wet moet de instelling in ieder geval voldoen aan eisen ten aanzien van de beveiliging en de personele en materiële toerusting. Ten aanzien van die eisen worden beveiligingsniveaus onderscheiden.

  • 3 Voor een aanwijzing als private instelling die in het bijzonder bestemd is voor de verpleging van ter beschikking gestelden als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, van de wet gelden, naast de eisen, bedoeld in het tweede lid die betrekking hebben op beveiligingsniveau 4, nadere eisen ten aanzien van de beveiliging en bouwkundige staat van de instelling. Deze eisen kunnen vertrouwelijk bij de Minister worden ingezien.

  • 4 De Minister kan controle ter plaatse verrichten ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag tot aanwijzing als private instelling voor forensische zorg, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, van de wet.

Artikel 7

  • 1 De opschorting van een aanwijzing als private instelling voor de verlening van forensische zorg op de gronden genoemd in artikel 3.2, eerste lid, onder b, en tweede lid, van het besluit, bedraagt ten hoogste zes maanden. In uitzonderlijke gevallen kan de opschorting eenmaal worden verlengd met een periode van ten hoogste zes maanden.

  • 3 De Minister schort de aanwijzing als private instelling voor forensische zorg op de grond genoemd in artikel 3.2, derde lid, van het besluit op na beëindiging van de contractuele afspraken met de rechtspersoon die de private instelling beheert indien de verwachting is dat binnen zes maanden opnieuw contractuele afspraken met deze rechtspersoon worden gemaakt.

  • 4 Het besluit tot opschorting bevat de redenen voor de opschorting, de gevolgen en de periode waarvoor de opschorting geldt.

  • 5 Het besluit tot opschorting wordt schriftelijk aan de instelling bekend gemaakt.

  • 6 De Minister heft de opschorting op indien de instelling binnen de in het eerste lid bedoelde periode heeft aangetoond dat adequate maatregelen zijn genomen.

  • 7 Het besluit tot opheffing van de opschorting wordt schriftelijk aan de instelling bekend gemaakt.

Artikel 8

  • 1 De Minister kan een aanwijzing als private instelling voor forensische zorg intrekken, indien deze op een van de gronden genoemd in artikel 3.2, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het besluit is opgeschort en de instelling naar zijn oordeel binnen de bij de opschorting aangegeven periode geen of onvoldoende adequate maatregelen heeft getroffen.

  • 2 Het besluit tot intrekking wordt onder opgaaf van redenen schriftelijk bekend gemaakt aan de instelling.

  • 3 De Minister trekt de aanwijzing als private instelling voor forensische zorg, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, of 3.3, eerste lid, van de wet in indien gedurende zes maanden na beëindiging van de contractuele afspraken met de rechtspersoon die de private instelling beheert geen nieuwe contractuele afspraken met deze rechtspersoon zijn gemaakt.

Hoofdstuk 4. Aantekeningen

Artikel 9

Als model voor de aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de ter beschikking gestelde die van overheidswege wordt verpleegd, bedoeld in artikel 3.4 van het besluit wordt vastgesteld het formulier in bijlage 2 bij deze regeling.

Artikel 10

Als model voor de aantekeningen van de beslissing tot beperking van het recht op onaantastbaarheid van het lichaam, van afzondering of van separatie, bedoeld in artikel 3.5 van het besluit, wordt vastgesteld het formulier in bijlage 3 bij deze regeling.

Hoofdstuk 6. Plaatsing en overplaatsing

Artikel 12

  • 1 De plaatsende instantie of persoon, bedoeld in artikel 6.1 van het besluit, plaatst de forensisch patiënt op basis van de indicatiestelling bedoeld in 5.1, eerste lid, van de wet bij een zorgaanbieder die de geïndiceerde zorg op het vereiste beveiligingsniveau kan verlenen. De plaatsende instantie of persoon, bedoeld in artikel 6.1 van het besluit selecteert de zorgaanbieder aan de hand van de per vorm van forensische zorg vastgestelde criteria.

  • 2 De criteria die worden betrokken bij de keuze voor een zorgaanbieder die ambulante begeleiding biedt dan wel een zorgaanbieder die ambulant behandelt, zijn:

    • a. het geslacht van de forensisch patiënt;

    • b. de zorgaanbieder heeft aangegeven begeleiding te kunnen bieden voor zowel de geïndiceerde dominante zorgvraag als de bijkomende problematiek; en

    • c. de noodzaak tot bemoeizorg.

  • 3 De criteria die worden betrokken bij de keuze voor een zorgaanbieder die verblijfszorg, oftewel verblijf met begeleiding of bescherming, verleent, zijn:

    • a. het geslacht van de forensisch patiënt;

    • b. de leeftijd van de forensisch patiënt;

    • c. de zorgaanbieder heeft aangegeven begeleiding te kunnen bieden voor zowel de geïndiceerde dominante zorgvraag als de bijkomende problematiek;

    • d. de aanwezigheid van zedendelinquentie;

    • e. het geïndiceerde zorg zwaartepakket.

  • 4 De criteria die worden betrokken bij de keuze voor een zorgaanbieder die klinische zorg verleent en de zorgaanbieder die zorg aan een ter beschikking gestelde met voorwaarden verleent, zijn:

    • a. het geslacht van de forensisch patiënt;

    • b. de leeftijd van de forensisch patiënt;

    • c. DB(B)C-hoofdgroep;

    • d. het verstandelijk vermogen van de forensisch patiënt;

    • e. de aanwezigheid van zedendelinquentie;

    • f. de zorgsoort;

    • g. het niveau van verblijfsintensiteit of van het beveiligingsniveau.

  • 5 Bij de keuze voor een zorgaanbieder voor een ter beschikking gestelde met verpleging van overheidswege, is, naast het geslacht van de ter beschikking gestelde, de aanwezigheid van de volgende omstandigheden bij de forensisch patiënt van belang:

    • a. psychiatrische en persoonlijkheidsproblematiek;

    • b. verstandelijke beperking;

    • c. langdurige forensische psychiatrische zorg;

    • d. extreem vlucht- of beheersgevaar;

    • e. een ongewenstverklaring of een inreisverbod opgelegd door of namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

  • 6 De Minister plaatst de justitiabele bij een zorgaanbieder die zich bevindt in de regio waar de forensisch patiënt zal re-integreren, tenzij naar het oordeel van de Minister sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven hiervan af te wijken. Bijzondere omstandigheden die worden aangemerkt als contra-indicatie voor plaatsing van een forensisch patiënt bij een zorgaanbieder binnen de regio van de justitiabele zijn:

    • a. een door het openbaar ministerie opgelegd gebiedsverbod in de regio waar de forensisch patiënt zal re-integreren;

    • b. een criminogeen netwerk van de justitiabele in de regio van de zorgaanbieder;

    • c. de woonplaats van het slachtoffer, de slachtoffers, de nabestaande of nabestaanden in de regio van de zorgaanbieder;

    • d. de maximumcapaciteit van de (vestiging van de) zorgaanbieder voor forensische zorg is bereikt;

    • e. er is een onaanvaardbaar lange wachttijd voor behandeling;

    • f. zwaarwegende (zorg- of behandelinhoudelijke) argumenten, zoals behandelimpasses, incidenten of conflicten;

    • g. de belangen van medepatiënten of personeel komen ernstig in gevaar;

    • h. de mededader is opgenomen in de instelling of in de nabijheid van de vestiging van de zorgaanbieder;

    • i. een relatie of familielid van de forensisch patiënt of diens slachtoffer is werkzaam in de instelling.

Artikel 13

De plaatsende instantie of persoon, bedoeld in artikel 6.1 van het besluit, die het plaatsingsbesluit neemt, informeert de zorgaanbieder die de forensische zorg zal verlenen over het besluit door het beschikbaar te stellen aan de zorgaanbieder in het Informatiesysteem Forensische Zorg.

Artikel 14

De plaatsende instantie of persoon, bedoeld in artikel 6.1 van het besluit, die het plaatsingsbesluit neemt, draagt zorg dat de voor de verlening van de forensische zorg relevante tenuitvoerleggingsgegevens en gegevens uit het persoonsdossier, bedoeld in artikel 1, onder c en d, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, worden verstrekt aan de zorgaanbieder of dat deze door de zorgaanbieder kunnen worden ingezien.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 5 juli 2019

De Minister voor Rechtsbescherming,

S. Dekker

Terug naar begin van de pagina