Besluit experiment integraal pgb 2019

[Regeling vervalt per 01-10-2022.]
Geldend van 01-01-2020 t/m heden

Besluit van 3 juli 2019, houdende tijdelijke regels voor een tweede experiment in het kader van een integraal persoonsgebonden budget op grond van de Wet langdurige zorg (Besluit experiment integraal pgb 2019)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 juni 2019, kenmerk 1504158-186236-WJZ;

Gelet op de artikelen 10.1.2, tweede en vierde lid, van de Wet langdurige zorg en 2, tweede lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 19 juni 2019, no. W13.19.0134/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 juli 2019, kenmerk 1470175-186236-WJZ;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 2. Doel van het experiment

  • 1 Met dit experiment wordt beoogd inzicht te krijgen in de gevolgen en mogelijkheden van het integraal budget ten aanzien van:

    • a. het flexibel gebruik van een integraal budget en de doelmatigheid van het integraal budget;

    • b. het op elkaar aansluiten van de verscheidene diensten waarvan de deelnemer gebruik maakt en de kwaliteit van die diensten;

    • c. de tevredenheid van de deelnemers, betrokken bestuursorganen en zorgverzekeraars;

    • d. de omvang van de administratieve lasten van deelnemers in verhouding tot de afzonderlijke rechten en aanspraken, bedoeld in artikel 3, eerste lid;

    • e. de beoogde effecten op de kwaliteit van leven van zowel de deelnemer als van zijn sociaal netwerk.

  • 2 Met dit experiment wordt informatie verzameld over de gevolgen voor de kwaliteit van de door deelnemers afgenomen diensten, de gevolgen voor de zelfredzaamheid van de deelnemers, de budgettaire en juridische mogelijkheden en belemmeringen alsmede het toezicht en de handhaving bij het vormgeven van een integraal pakket aan diensten dat in de plaats treedt van de afzonderlijke aanspraken of rechten op die diensten.

Artikel 3. Reikwijdte en toegang tot het experiment

  • 3 Het bepaalde bij en krachtens de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Zorgverzekeringswet blijft van toepassing op de vaststelling van een gewijzigde behoefte van de deelnemer aan jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderscheidenlijk zorg als bedoeld in artikel 13a van de Zorgverzekeringswet. De aanpassing van het bedrag van een deelbudget, geschiedt op de wijze waarop het bedrag van een aanspraak of recht als bedoeld in het eerste lid wordt herzien op grond van de in dat lid genoemde wetten.

  • 5 Het college treedt met de verzekerde die zich heeft gemeld voor deelname aan het experiment in overleg over de toegang tot het experiment. Indien de verzekerde in aanmerking komt voor deelname aan het experiment treedt het college in overleg met de verzekerde over het opstellen van een integraal pgb-plan en een ondersteuningsplan.

  • 6 Bij ministeriële regeling wordt per gemeente het aantal deelnemers bepaald dat ten hoogste aan het experiment kan deelnemen. Deze aantallen bedragen tezamen niet meer dan 500. De gemeente kan een lager maximumaantal vaststellen. Een lager maximum wordt bekend gemaakt in het gemeenteblad.

  • 7 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop zorgkantoren, zorgverzekeraars en gemeenten samenwerken om de met het experiment beoogde doelen te bereiken en de voorwaarden waaronder een verzekerde kan deelnemen aan het experiment. Deze voorwaarden kunnen per gemeente verschillen.

  • 8 Indien de deelname van een verzekerde aan het experiment wordt beëindigd, draagt het college zo nodig zorg voor een zorgvuldige begeleiding van de betrokkene ten behoeve van het verkrijgen van zorg, ondersteuning of jeugdhulp op grond van de in artikel 3, eerste lid, genoemde wetten.

Artikel 4. Betrokkenheid zorgkantoor en zorgverzekeraar

  • 1 Een deelbudget voor een aanspraak of recht als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a of d, wordt uitsluitend toegevoegd aan het integraal budget als het zorgkantoor, onderscheidenlijk de zorgverzekeraar, van de deelnemer hier schriftelijk mee heeft ingestemd.

  • 2 Indien de verzekerde onder meer aanspraak heeft op een deelbudget voor een aanspraak of recht als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a of d, of een zodanig deelbudget onderdeel uitmaakt van het integraal budget dan wel de verzekerde aangeeft daar behoefte aan te hebben, neemt ook het zorgkantoor, onderscheidenlijk de zorgverzekeraar, van de verzekerde deel aan de overleggen, bedoeld in de artikelen 3, vijfde lid, en 5, eerste lid.

  • 3 Het zorgkantoor of de zorgverzekeraar van de deelnemer dat, onderscheidenlijk die, zich overeenkomstig het eerste lid schriftelijk bereid heeft verklaard tot het beschikbaar stellen van een deelbudget, verleent het college de medewerking die redelijkerwijs kan worden verlangd voor de uitvoering van het experiment ten aanzien van de betrokken deelnemer.

Artikel 5. Ondersteuningsplan

  • 1 Het college stelt voor een deelnemer een ondersteuningsplan vast waarin wordt bepaald aan welke diensten het integraal budget kan worden besteed. Het ondersteuningsplan is afgestemd op de situatie van de deelnemer en diens behoefte aan diensten. Het college kan het ondersteuningsplan wijzigen naar aanleiding van een wijziging in het integraal budget of op verzoek van de deelnemer. Het college voert hierover overleg met de deelnemer.

  • 2 Alvorens een ondersteuningsplan wordt vastgesteld, biedt het college de deelnemer gelegenheid om een integraal pgb-plan in te dienen waarin hij aangeeft aan welke diensten hij behoefte heeft en wat de voorgenomen besteding is van het budget. Het college houdt bij het opstellen van het ondersteuningsplan rekening met het integraal pgb-plan en stelt ten behoeve van de totstandkoming van deze plannen cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 beschikbaar.

  • 4 Bij het opstellen van het ondersteuningsplan wordt rekening gehouden met de gezamenlijke vraag naar diensten van deelnemers die tot hetzelfde huishouden dan wel dezelfde leefeenheid behoren, indien deze deelnemers daarom, met hun toestemming onderling afgestemd, verzoeken.

Artikel 6. Verlening en vaststelling van het integraal budget

  • 1 Het college besluit tot verlening van het integraal budget aan de deelnemer. Het verleende integraal budget is gelijk aan de som van de deelbudgetten. In het besluit wordt omschreven welke deelbudgetten zijn gebundeld tot het integraal budget.

  • 3 Het college stelt het integraal budget ambtshalve vast binnen 22 weken na afloop van de periode waarvoor het is verleend. Het integraal budget wordt vastgesteld op basis van de werkelijk gemaakte kosten voor de in het ondersteuningsplan opgenomen diensten en bedraagt ten hoogste de som van de deelbudgetten. Indien het integraal budget wordt vastgesteld op een bedrag dat lager is dan de som van de deelbudgetten wordt het verschil tussen het bedrag van het vastgestelde budget en de som van de deelbudgetten naar rato van de beschikbaar gestelde deelbudgetten terugbetaald aan degenen die de deelbudgetten hebben gestort.

  • 5 Het college voert een administratie waaruit in ieder geval blijkt uit welke deelbudgetten het integraal budget van een deelnemer is opgebouwd, wat het bedrag van het integraal budget is en welk deel van dit bedrag reeds is gebruikt. Het zorgkantoor of de zorgverzekeraar van de deelnemer heeft inzage in de administratie met betrekking tot die deelnemer, indien ten behoeve van die deelnemer een deelbudget ter beschikking is gesteld voor het betrekken van zorg als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg, onderscheidenlijk voor het betrekken van zorg als bedoeld in artikel 13a van de Zorgverzekeringswet.

Artikel 7. Organisatie integraal budget

  • 3 De Sociale verzekeringsbank voert namens het college de betalingen ten laste van het verstrekte integraal budget en het hiermee verbonden budgetbeheer uit.

  • 4 De Sociale verzekeringsbank verricht uitsluitend betalingen overeenkomstig het ondersteuningsplan van de deelnemer.

  • 5 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over het budgetbeheer, de betalingen en het staken van betalingen uit het integraal budget door de Sociale verzekeringsbank, het declareren ten laste van het integraal budget en de overeenkomst die de deelnemer sluit met de derde van wie hij diensten ontvangt en die daarvoor betaling ontvangt uit het integraal budget.

Artikel 8. Gegevensverwerking

  • 1 Het college, de Sociale verzekeringsbank, een derde aan wie ten laste van een integraal budget betalingen worden gedaan, het zorgkantoor en de zorgverzekeraar van de deelnemer zijn bevoegd tot het verwerken van persoonsgegevens van die deelnemer, waaronder gegevens betreffende gezondheid, voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van het experiment.

  • 2 De Sociale verzekeringsbank, een derde aan wie ten laste van een integraal budget betalingen worden gedaan, het zorgkantoor en de zorgverzekeraar van de deelnemer zijn bevoegd uit eigen beweging en desgevraagd verplicht kosteloos aan het college persoonsgegevens van die deelnemer, waaronder gegevens betreffende gezondheid, te verstrekken voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van het experiment.

  • 3 Het college en een derde aan wie ten laste van een integraal budget betalingen worden gedaan zijn bevoegd uit eigen beweging en desgevraagd verplicht kosteloos aan de Sociale verzekeringsbank persoonsgegevens van de deelnemer, waaronder gegevens betreffende gezondheid, te verstrekken voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken, bedoeld bij of krachtens het bepaalde in artikel 7, van de Sociale verzekeringsbank.

  • 4 Indien een deelbudget voor een aanspraak als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a of d, onderdeel uitmaakt van het integraal budget, is het college bevoegd uit eigen beweging en desgevraagd verplicht kosteloos aan het zorgkantoor, onderscheidenlijk de zorgverzekeraar, van de deelnemer persoonsgegevens van die deelnemer, waaronder gegevens betreffende gezondheid, te verstrekken voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van het experiment.

  • 5 Onze Minister is bevoegd tot het verwerken van persoonsgegevens van de deelnemer, waaronder gegevens betreffende gezondheid, voor zover dat noodzakelijk is voor de evaluatie van het experiment.

  • 6 Het college, de Sociale verzekeringsbank, een derde aan wie ten laste van een integraal budget betalingen worden gedaan, het zorgkantoor en de zorgverzekeraar van de deelnemer zijn bevoegd uit eigen beweging en desgevraagd verplicht kosteloos aan Onze Minister persoonsgegevens van die deelnemer, waaronder gegevens betreffende gezondheid, te verstrekken voor zover dat noodzakelijk is voor de evaluatie van het experiment.

Artikel 9. Evaluatie

  • 1 Onze Minister zendt drie maanden voor het einde van de geldingsduur van dit besluit aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid, overeenkomstig de doelen, bedoeld in artikel 2, en de effecten van het experiment in de praktijk, alsmede een standpunt inzake de voortzetting van dit besluit, anders dan als experiment.

  • 2 Het experiment wordt aan de hand van de volgende aspecten geëvalueerd:

    • a. de effecten van de invoering van het integraal budget voor deelnemers op het gebied van zelfredzaamheid, de door de deelnemer ervaren kwaliteit van dienstverlening en de maatschappelijke kosten en baten;

    • b. het op elkaar en op de behoefte van de deelnemer aansluiten van de verschillende diensten die de deelnemer betrekt en het aansluiten van de betrokken diensten van deelnemers in een gezamenlijk huishouden of leefeenheid;

    • c. de effecten op de kwaliteit van leven van zowel de deelnemer als van zijn sociaal netwerk;

    • d. administratieve en bestuurlijke lasten;

    • e. toezicht en handhaving;

    • f. de kosten per deelnemer die worden veroorzaakt door het experiment;

    • g. tevredenheid van deelnemers, betrokken bestuursorganen en zorgverzekeraars;

    • h. budgettaire en juridische belemmeringen bij het vormgeven van een integrale aanspraak op diensten.

Artikel 10. Toezicht

De krachtens artikel 6.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 door het college aangewezen personen zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens dit besluit. Artikel 6.1, tweede en derde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11. Wijziging andere regelgeving

[Red: Wijzigt het Besluit langdurige zorg en het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer WMG.]

Artikel 12. Overgangsrecht

  • 2 [Red: Wijzigt dit besluit.]

Artikel 13. Inwerkingtreding

  • 1 Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. In dat besluit kan worden bepaald dat dit besluit terugwerkt tot en met een in dat besluit te bepalen tijdstip.

  • 2 Dit besluit vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 3 juli 2019

Willem-Alexander

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

H.M. de Jonge

Uitgegeven de twaalfde juli 2019

De Minister van Justitie en Veiligheid,

F.B.J. Grapperhaus

Terug naar begin van de pagina