Besluit versterking gebouwen Groningen

Geraadpleegd op 08-08-2022.
Geldend van 22-09-2021 t/m 28-03-2022

Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 20 mei 2019, nr. WJZ / 19127069, inzake versterking van gebouwen in Groningen en tot instelling van de Tijdelijke commissie versterking Groningen (Besluit versterking gebouwen Groningen)

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1. Begripsbepaling

In dit besluit en de hierbij behorende bijlagen wordt verstaan onder:

  • adres: adres als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen;

  • appartementsrechten: appartementsrechten als bedoeld in artikel 106, lid 4, eerste volzin, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek;

  • beoordeling: bouwkundige berekening of een gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet;

  • categorie van maatregelen: inschatting van de aard en ernst van de maatregelen die noodzakelijk zijn om een gebouw aan de veiligheidsnorm te laten voldoen;

  • commissie: commissie bedoeld in artikel 15, eerste lid

  • constructief verbonden gebouw: gebouwen die met elkaar verbonden zijn door een gemeenschappelijke tussen- of scheidingsmuur of een gezamenlijke dakconstructie dan wel anderszins op zodanige wijze verbonden zijn dat het slopen van een eenheid redelijkerwijs een aangrenzende bouwkundige constructie zal doen instorten;

  • eigenaar: eigenaar, erfpachter opstalhouder of beklemde meier van het gebouw waarop de voorbereiding of uitvoering van de versterkingsmaatregelen betrekking hebben;

  • gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1 van de Woningwet;

  • gebouwen met een langjarig licht verhoogd risico: gebouwen waarvan 90% van de berekende risico’s in de risicoverdeling voldoen aan de veiligheidsnorm tot 2023 en daarna, uitgezonderd de gebouwen met verhoogd risico;

  • gebouwen met een licht verhoogd risico: gebouwen waarvan 90% van de berekende risico’s in de risicoverdeling voldoen aan de veiligheidsnorm tot 2023, uitgezonderd de gebouwen met verhoogd risico;

  • gebouwen met een verhoogd risico: gebouwen waarvan de verwachtingswaarde van het berekende risicoverdeling niet voldoet aan de veiligheidsnorm;

  • gebouwen met een normaal risico: gebouwen waarvan meer dan 90% van de berekende risico’s in de risicoverdeling voldoen aan de veiligheidsnorm;

  • inspecteur-generaal der mijnen: inspecteur-generaal der mijnen als bedoeld in artikel 126 van de Mijnbouwwet;

  • minister: Minister van Economische Zaken en Klimaat;

  • NPR: door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven Nederlandse Praktijkrichtlijn;

  • openbare registers: openbare registers als bedoeld in artikel 16 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek;

  • opname: onderzoek aan een gebouw gericht op het verkrijgen van de informatie voor het uitvoeren van een beoordeling;

  • plan van aanpak: plan van aanpak als bedoeld in artikel 6, eerste lid;

  • risicoprofiel: inschatting van het risico dat een gebouw niet voldoet aan de normen voor versterken;

  • typologische beoordeling: beoordeling waarbij gebouwen zijn ingedeeld in een groep met dusdanig vergelijkbare constructieve kenmerken dat hun gedrag bij en weerstand tegen aardbevingen zich op een vergelijkbare wijze laat beschrijven;

  • uitvoeringsorganisatie: de dienst Nationaal Coördinator Groningen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

  • normbesluit: besluit als bedoeld in artikel 8, eerste lid;

  • veiligheidsnorm: een maximaal risico op overlijden van een individu door het bezwijken van een gebouw, als gevolg van bodembeweging veroorzaakt door de winning van gas uit het Groningenveld, van 1 op de 100.000 per jaar;

  • vereniging van eigenaars: vereniging van eigenaars als bedoel in artikel 124, lid 1, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek;

  • versterkingsbesluit: besluit als bedoeld in artikel 9, eerste lid;

Hoofdstuk 2. Versterking

Artikel 2. Toepassingsbereik

  • 1 Dit besluit is van toepassing op gebouwen die mogelijk niet voldoen aan de veiligheidsnorm als gevolg van beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld en waarvoor op het moment van inwerkingtreding van dit besluit nog geen versterkingsadvies is vastgesteld.

  • 2 Dit besluit is niet van toepassing op:

    • a. gebouwen waarop het convenant ‘Aardbevings- en toekomstbestendige scholenbouw’, van 28 oktober 2016, van toepassing is;

    • b. gebouwen waarvoor in het kader van zorgprogramma als bedoeld in ‘(Bevings-)bestendige zorg in Groningen Toekomstperspectief en versterken’, van 8 oktober 2018, is besloten tot vervangende nieuwbouw;

    • c. installaties met gevaarlijke stoffen en daarbij behorende gebouwen met een functionele binding (zoals controlekamers).

  • 3 Onverminderd het bepaalde in het tweede lid is hoofdstuk 3a niet van toepassing op gebouwen waarop het ‘Groninger Zorgakkoord’ van 11 maart 2019, van toepassing is.

  • 4 De minister kan gebouwen of categorieën van gebouwen aanwijzen waarop dit besluit niet van toepassing is, als er afspraken zijn over de wijze van versterken van gebouwen die afwijken van dit besluit.

Artikel 3

De beoordeling of een gebouw voldoet aan de veiligheidsnorm wordt gedaan volgens:

  • a. een typologische beoordeling van gebouwen conform de methode beschreven in Typologiegebaseerde beoordeling van de veiligheid bij aardbevingen in Groningen – Achtergrond bij de methode, kenmerk R10628B; of

  • b. de NPR:9998:2020.

Hoofdstuk 3. Planning en prioritering

Artikel 4. Risicoprofiel

  • 1 De uitvoeringsorganisatie doet een voorstel aan de commissie voor de risicoprofielen, conform dit besluit en de werkwijze van de commissie.

  • 2 De commissie stelt op basis van de modelmatige verwachting dat een gebouw niet aan de veiligheidsnorm voldoet een risicoprofiel van een gebouw vast, waarvoor nog geen normbesluit is vastgesteld en actualiseert dit jaarlijks.

  • 3 Bij het vaststellen van het risicoprofiel wordt elk gebouw in een van de volgende categorieën ondergebracht, gebouwen met een:

    • a. verhoogd risico;

    • b. langjarig licht verhoogd risico;

    • c. licht verhoogd risico;

    • d. normaal risico.

  • 5 Het risicoprofiel van een gebouw wordt aangepast ten opzichte van de analyse, bedoeld in het derde lid, indien de aard, locatie of staat van het gebouw daar aanleiding toe geeft.

  • 6 Bij de actualisatie van de risicoprofielen krijgt ieder gebouw waarvoor eerder een risicoprofiel is vastgesteld en waarvoor nog geen normbesluit is vastgesteld, een risicoprofiel en wordt een gebouw niet in een lager risicoprofiel ondergebracht. Als gebouwen eenmaal in de werkvoorraad zitten voor opname en beoordeling worden ze niet meer afgevoerd.

  • 7 De eigenaar of bewoner van een gebouw kan een verzoek doen om een controle op de uitkomst van de analyse, bedoeld in het vierde lid.

  • 8 De controle, bedoeld in het zevende lid, bevat een onderzoek aan het gebouw.

  • 9 De commissie kan het risicoprofiel van een gebouw aanpassen waar een controle, als bedoeld in het zevende lid, is uitgevoerd als de aard, locatie of staat van het gebouw daar aanleiding toe geeft.

Artikel 5. Capaciteit uitvoeringsorganisatie

  • 1 De minister draagt er zorg voor dat de uitvoeringsorganisatie beschikt over voldoende kwaliteit, capaciteit en financiële middelen voor een adequate uitvoering van de taken in dit besluit.

  • 2 De kwaliteit, capaciteit en financiële middelen van de uitvoeringsorganisatie worden besproken in het regulier overleg tussen de minister en de betrokken decentrale overheden.

  • 3 De uitvoeringsorganisatie geeft jaarlijks aan de minister, colleges van burgemeester en wethouders en inspecteur-generaal der mijnen een inschatting van de beschikbare capaciteit voor opname, beoordeling, het opstellen van versterkingsbesluiten en de uitvoering van maatregelen.

Artikel 6. Gemeentelijk plan van aanpak

  • 1 De gemeenteraad kan een plan van aanpak voor de versterking vaststellen en na goedkeuring van de inspecteur-generaal der mijnen indienen bij de uitvoeringsorganisatie. De gemeenteraad kan beslissen dat het college van burgemeester en wethouders het plan kan vaststellen en indienen.

  • 2 De inspecteur-generaal der mijnen beoordeelt of het plan van aanpak voldoende gericht is op het zo snel als mogelijk realiseren van het gehele plan, of het plan en voldoet aan de eisen, genoemd in het vierde tot en met het achtste lid.

  • 3 De uitvoeringsorganisatie voert de versterking uit conform het ingediende plan van aanpak.

  • 4 Het plan van aanpak bevat tenminste:

    • a. uitvoeringskaders voor de versterking binnen de gemeente;

    • b. de planning voor het opnemen van gebouwen; en

    • c. de planning voor de uitvoering van de werkzaamheden aan de gebouwen, bedoeld in artikel 2, tweede lid.

  • 5 In de planning voor het opnemen en beoordelen van gebouwen wordt bepaald dat eerst gebouwen met een verhoogd risicoprofiel, vervolgens gebouwen met een langjarig licht verhoogd risico en vervolgens gebouwen met een licht verhoogd risico worden opgenomen.

  • 6 In het plan van aanpak kunnen gebouwen met een normaal risicoprofiel worden toegevoegd en gebouwen met een lager risicoprofiel voorrang krijgen als dit:

    • a. de snelheid van de uitvoering van het algehele plan ten goede komt;

    • b. het draagvlak voor de versterking ten goede komt; en

    • c. geen onredelijke vertraging oplevert voor de versterking van gebouwen met een verhoogd risicoprofiel.

  • 7 In het plan van aanpak wordt rekening gehouden met de jaarlijks beschikbare capaciteit, zoals aangegeven door de Uitvoeringsorganisatie, als bedoeld in artikel 5, tweede lid.

  • 8 Het plan van aanpak wordt tenminste jaarlijks herzien naar aanleiding van de actualisatie, bedoeld in artikel 4, tweede lid.

Artikel 7. Opname en beoordeling

  • 1 De uitvoeringsorganisatie draagt zorg voor opname en beoordeling van de gebouwen conform het plan van aanpak en de werkwijze van de commissie.

  • 2 De uitvoeringsorganisatie stelt de resultaten van de opname en beoordeling ter beschikking aan de commissie ten behoeve van het normbesluit.

  • 3 Indien de plannen van aanpak van alle gemeenten gezamenlijk, naar het oordeel van de inspecteur-generaal der mijnen, niet uitvoerbaar zijn binnen de beschikbare capaciteit en de gemeenteraden de plannen hierop niet bijstellen, geeft de minister toepassing aan artikel 14, eerste lid.

Hoofdstuk 3a

Artikel 7a. Verzoek tot herbeoordeling

  • 1 Indien uit een beoordeling die heeft plaatsgevonden volgens de NPR:9998:2018 tijdvak 2 of een eerdere versie van de NPR:9998 blijkt dat een gebouw niet aan de veiligheidsnorm voldoet, kan de eigenaar van het gebouw de uitvoeringsorganisatie verzoeken om het gebouw te laten beoordelen volgens één van de in artikel 3 voorgeschreven methoden, tenzij voor de uitvoering van de versterkingsmaatregelen al een aannemingsovereenkomst of depotovereenkomst is overeengekomen.

  • 2 Indien een gebouw is gesplitst in appartementsrechten en de versterkingsmaatregelen uit het versterkingsadvies mede zien op de gemeenschappelijke delen wordt het verzoek, bedoeld in het eerste lid, gedaan door de vereniging van eigenaars.

  • 3 Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend bij de uitvoeringsorganisatie door middel van een door de uitvoeringsorganisatie vastgesteld formulier.

  • 4 Een verzoek als bedoeld in het eerste lid kan worden gedaan tot en met het tijdstip dat vermeld is in de brief waarmee het formulier, bedoeld in het derde lid, aan de eigenaar wordt verstrekt. Dat tijdstip is zes maanden na dagtekening van die brief.

Artikel 7b. Besluit inzake herbeoordeling en tegemoetkoming

  • 1 De uitvoeringsorganisatie besluit binnen acht weken na ontvangst van het verzoek, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, of de verzoeker in aanmerking komt voor een herbeoordeling en een tegemoetkoming.

  • 2 De uitvoeringsorganisatie kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, verlengen tot acht weken na het tijdstip waarop alle eigenaren van gebouwen die constructief verbonden zijn een verzoek als bedoeld in het eerste lid, hebben ingediend.

  • 3 Indien de uitvoeringsorganisatie besluit dat de verzoeker in aanmerking komt voor een herbeoordeling en een tegemoetkoming kan de verzoeker geen aanspraak meer maken op uitvoering van de versterkingsmaatregelen die gebaseerd zijn op een beoordeling die heeft plaatsgevonden volgens de NPR:9998:2018 tijdvak 2 of een eerdere versie van de NPR:9998.

  • 4 Indien de uitvoeringsorganisatie besluit dat de verzoeker in aanmerking komt voor een herbeoordeling en een tegemoetkoming en voor dat gebouw een normbesluit als bedoeld in artikel 8 of een versterkingsbesluit als bedoeld in artikel 9 is vastgesteld, trekt de uitvoeringsorganisatie dat norm- of versterkingsbesluit in en neemt zij een nieuw norm- of versterkingsbesluit op basis van de nieuwe beoordeling.

  • 5 De tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgekeerd nadat het besluit, bedoeld in het eerste lid, onherroepelijk is geworden en bedraagt:

    • a. bij een gebouw dat niet gesplitst is in appartementsrechten: € 13.000 per adres en wordt uitgekeerd aan de eigenaar.

    • b. bij een gebouw dat is gesplitst in appartementsrechten: € 13.000 per adres dat op 6 november 2020 bestond, en wordt uitgekeerd aan de houder van de appartementsrechten van dat adres.

Hoofdstuk 4. Proces van versterken

Artikel 8. Normbesluit

  • 1 De commissie besluit of een gebouw voldoet aan de veiligheidsnorm.

  • 2 Indien een gebouw niet voldoet aan de veiligheidsnorm bevat het besluit de randvoorwaarden voor versterking van het gebouw, bestaande uit:

    • a. de soort maatregelen die noodzakelijk zijn om aan de veiligheidsnorm te voldoen;

    • b. een indicatie van het benodigde budget voor de maatregelen;

    • c. een termijn, in jaarschijven, waarbinnen het gebouw aan de veiligheidsnorm zal voldoen.

  • 3 Bij het bepalen van de randvoorwaarden voor versterking van het gebouw wordt rekening gehouden met de monumentale of karakteristieke waarde van een gebouw.

Artikel 9. Versterkingsbesluit

  • 1 De Uitvoeringsorganisatie neemt binnen een redelijke termijn en conform het plan van aanpak een versterkingsbesluit voor een gebouw waarvoor in het normbesluit is vastgesteld dat het niet voldoet aan de veiligheidsnorm.

  • 2 Het versterkingsbesluit bevat uitsluitend de maatregelen die worden getroffen zodat het gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet. Daarbij wordt gerekend met de beoordelingsmethode die werd toegepast voor het normbesluit.

  • 3 In het versterkingsbesluit wordt rekening gehouden met voorkeuren van de eigenaar en bewoners van het gebouw met betrekking tot de keuze, uitvoering en planning van de maatregelen.

  • 4 Het versterkingsbesluit voldoet aan de randvoorwaarden, als bedoeld in artikel 8, tweede lid. Op verzoek van de eigenaar of het college van burgemeester en wethouders kan het versterkingsbesluit afwijken van het normbesluit indien:

    • a. degene die het verzoek heeft gedaan zich jegens de uitvoeringsorganisatie verbindt tot het betalen van de meerkosten ten opzichte van het indicatieve budget in het normbesluit, en

    • b. de alternatieve invulling van het versterkingsbesluit geen onredelijke vertraging oplevert voor het bereiken van de veiligheidsnorm voor het betreffende gebouw of andere gebouwen.

  • 5 Op verzoek van de eigenaar of gemeente kan het versterkingsbesluit voor een gebouw met monumentale of karakteristieke waarde maatregelen bevatten waardoor de veiligheid verbeteren maar de veiligheidsnorm niet volledig wordt gehaald.

Hoofdstuk 5. Afzien van versterken

Artikel 11. Afzien van versterken op verzoek van de eigenaar

  • 1 De eigenaar van een gebouw kan op ieder moment schriftelijk aan de uitvoeringsorganisatie verzoeken om af te zien van versterken.

  • 2 De uitvoeringsorganisatie bevestigt schriftelijk de ontvangst van het verzoek om af te zien van versterken, een afschrift van de ontvangstbevestiging wordt verzonden aan:

    • a. het college van burgemeester en wethouders;

    • b. de bewoner van het gebouw indien dit niet de eigenaar is;

    • c. bewoners en eigenaren van gebouwen die constructief verbonden zijn aan het gebouw waarvoor het verzoek om af te zien van versterken is gedaan; en

    • d. de commissie.

  • 3 Indien de eigenaar van een gebouw het verzoek om af te zien van versterken niet binnen zes weken na de dag van verzending van de ontvangstbevestiging heeft ingetrokken, besluit de uitvoeringsorganisatie dat het gebouw niet versterkt zal worden.

Artikel 12. Afzien van versterken door onthouden medewerking

  • 1 De uitvoeringsorganisatie kan besluiten af te zien van het versterken van een gebouw als de opname van het gebouw of uitvoering van maatregelen onmogelijk is door gebrek aan medewerking van de eigenaar of bewoner van het gebouw.

  • 2 De uitvoeringsorganisatie stelt:

    • a. de eigenaar en bewoner van het gebouw;

    • b. de eigenaar en bewoner van een gebouw dat constructief verbonden is aan het gebouw waarop het verzoek betrekking heeft; en

    • c. het college van burgemeester en wethouders;

    in de gelegenheid om een zienswijze naar voren te brengen over het voornemen om te besluiten dat niet versterkt zal worden.

Artikel 13. Gevolgen van het afzien van versterken

  • 1 Het besluit om niet te versterken wordt bekend gemaakt door verzending aan de eigenaar van het gebouw. Een afschrift wordt toegezonden aan:

    • a. de eigenaar en bewoner van het gebouw;

    • b. de eigenaar en bewoner van een gebouw dat constructief verbonden is aan het gebouw waarop het besluit betrekking heeft; en

    • c. het college van burgemeester en wethouders.

  • 2 Indien is besloten dat een gebouw niet wordt versterkt, wordt voor het gebouw:

    • a. geen risicoprofiel vastgesteld;

    • b. geen planning opgenomen in het plan van aanpak;

    • c. geen normbesluit of versterkingsbesluit vastgesteld.

  • 3 In het besluit tot niet versterken wordt bepaald dat een reeds vastgesteld normbesluit of versterkingsbesluit wordt ingetrokken.

  • 4 De eigenaar van een gebouw kan een verzoek doen om intrekking van het besluit om niet te versterken.

  • 5 Als het besluit om niet te versterken wordt ingetrokken, wordt het gebouw opnieuw opgenomen in het plan van aanpak bij de eerst volgende actualisatie.

Hoofdstuk 6. Escalatie

Artikel 14. Escalatie

  • 1 Indien het college van burgemeester en wethouders of de minister van oordeel is dat de uitvoering van dit besluit onvoldoende is om uitvoering te geven aan de op hen drukkende verplichtingen en publieke taken, informeren zij de andere bestuurlijke partijen hierover.

  • 2 Uiterlijk een maand na de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, wordt een bestuurlijk overleg gehouden tussen de bestuursorganen, genoemd in het eerste lid.

  • 3 Een college van burgemeester en wethouders kan na het bestuurlijk overleg zijn medewerking aan dit besluit opzeggen.

  • 4 Indien het college van burgemeester en wethouders zijn medewerking opzegt, wordt voor de verdere uitvoering van dit besluit, voor die gemeente, de minister gelezen in plaats van het college van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad.

  • 5 Indien de minister na het bestuurlijk overleg van mening is dat de uitvoering door een gemeente van dit besluit onvoldoende is om uitvoering te geven aan zijn verantwoordelijkheid voor veiligheid, met inbegrip van een voldoende op veiligheid georiënteerde planning, kan hij bepalen dat voor de verdere uitvoering van dit besluit, voor die gemeente, de minister gelezen wordt in plaats van het college van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad.

  • 6 Indien toepassing wordt gegeven aan het vierde of vijfde lid, informeert de minister direct de Tweede Kamer der Staten-Generaal en de bestuursorganen, bedoeld in het eerste lid.

Hoofdstuk 7. Tijdelijke commissie versterking

Artikel 15. Tijdelijke commissie versterking

  • 1 Er is een Tijdelijke commissie versterking, die bestaat uit twee deelcommissies:

    • a. de deelcommissie versterken;

    • b. de deelcommissie bezwaar.

  • 2 De deelcommissie versterken heeft tot taak namens de minister normbesluiten en risicoprofielen vast te stellen.

  • 3 De deelcommissie bezwaar heeft tot taak het namens de minister nemen van beslissingen op bezwaar tegen normbesluiten, het voeren van beroepsprocedures tegen beslissingen op bezwaar en het voeren van hoger beroepsprocedures tegen uitspraken van de rechtbank over de door de deelcommissie bezwaar genomen beslissingen op bezwaar.

  • 4 De commissie kan zich laten bijstaan door deskundigen.

  • 5 De minister stelt personeel en huisvesting ter beschikking aan de commissie.

  • 6 Aan de voorzitter van de commissie, de voorzitter van de deelcommissie versterken en de voorzitter van de deelcommissie bezwaar wordt, ieder voor zich mandaat, volmacht en machtiging verleend voor aangelegenheden die verband houden met de in het tweede respectievelijk derde lid bedoelde taken waaronder begrepen het nemen van besluiten, het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en overige handelingen op het gebied van de Wet openbaarheid van bestuur, de Algemene verordening gegevensbescherming, de Wet hergebruik overheidsinformatie en voor de afhandeling van interne klachten en verzoeken van de Nationale Ombudsman.

  • 7 Aan de voorzitter van de commissie wordt tevens mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten voor de personele aangelegenheden van de commissie.

  • 8 De voorzitter van de commissie, de voorzitter van de deelcommissie versterken en de voorzitter van de deelcommissie bezwaar kunnen ieder voor zich binnen hun werkterrein aan een lid van de commissie, een lid van de deelcommissie versterken, respectievelijk een lid van de deelcommissie bezwaar, ondermandaat, volmacht en machtiging verlenen voor het nemen van besluiten en het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en overige handelingen die verband houden met de in het tweede, respectievelijk derde lid bedoelde taken.

Artikel 16. Samenstelling deelcommissie

  • 1 Elke deelcommissie bestaat uit een voorzitter, tevens lid, en ten minste twee andere leden.

  • 2 De voorzitter van de commissie is tevens de voorzitter van de deelcommissie versterken. De voorzitter en de andere leden worden door de minister benoemd voor een termijn van twee jaar.

  • 3 Ten minste één van de leden van een deelcommissie beschikt over diepgaande en actuele kennis van de oorzaken en gevolgen van de beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld.

  • 4 De voorzitter en de andere leden kunnen door de minister worden geschorst en ontslagen.

  • 5 Schorsing en ontslag vindt plaats:

    • a. wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid voor de vervulde functie dan wel wegens andere zwaarwegende in de persoon van de betrokkene gelegen redenen;

    • b. op eigen verzoek.

  • 6 Voor de voorzitter en andere leden van de commissie kunnen plaatsvervangers worden benoemd. Het tweede tot en met het vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 17. Vergoedingen

  • 3 De arbeidsduurfactor wordt door de minister bij aanstelling vastgesteld.

Artikel 18. Onafhankelijkheid

  • 1 De leden van de commissie zijn onafhankelijk, het aan haar ter beschikking gestelde personeel en de door de commissie ingeschakelde deskundigen verlangen of ontvangen geen instructies van derden.

  • 2 De leden brengen op persoonlijke titel hun kennis en ervaring in en treden niet op als vertegenwoordiger van een belangengroep.

Artikel 19. Werkwijze commissie

  • 1 De commissie stelt met inachtneming van dit besluit de werkwijze vast waarop wordt bepaald welke maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat als gevolg van de gaswinning uit het Groningenveld de veiligheid wordt geschaad.

  • 2 Tot de werkwijze van de commissie behoren de:

    • a. wijze waarop een aanpassing van een risicoprofiel, als bedoeld in artikel 4, vierde lid, wordt bepaald;

    • b. wijze waarop de soort maatregelen in het normbesluit wordt bepaald;

    • c. wijze waarop het indicatieve budget wordt bepaald dat beschikbaar is voor de uitvoering van versterkingsmaatregelen;

    • d. voorschriften met bettrekking tot de interne werking en procedure van de commissie.

  • 3 De werkwijze van de commissie draagt bij aan een spoedige, eenduidige en rechtvaardige uitvoering van de versterkingsopgave. De werkwijze laat ruimte om de versterkingsopgave in de lokale situatie in te passen en koppelkansen te benutten.

Artikel 20. Werkplan

  • 1 Het werkplan van de commissie wordt jaarlijks ter vaststelling voorgelegd aan het regulier overleg tussen rijk en regionale overheden. Hierin neemt het onafhankelijk instituut onder andere de werkwijze, bedoeld in artikel 19, tweede lid, op.

  • 2 De commissie verstrekt desgevraagd aan de minister de voor de uitoefening van zijn taken benodigde inlichtingen.

  • 3 Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie bewaard in het archief van dat ministerie.

Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 22a. Overgangsrecht

Artikel 3 van het Besluit versterking gebouwen Groningen, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van artikel I van de Beleidsregel van 9 februari 2021 tot wijziging van het Besluit versterking gebouwen Groningen in verband met de actualisatie van de technische beoordelingsmethoden (Stcrt. 2021, 6663), blijft van toepassing op:

  • a. een normbesluit dat is vastgesteld voor inwerkingtreding van artikel I van de Beleidsregel van 9 februari 2021 tot wijziging van het Besluit versterking gebouwen Groningen in verband met de actualisatie van de technische beoordelingsmethoden (Stcrt. 2021, 6663);

  • b. de beoordeling van huizen die al dusdanig ver in het proces bij ingenieursbureaus zitten dat het implementeren van de nieuwste inzichten zorgt voor disproportionele vertraging.

Artikel 23. Evaluatie

De minister zendt in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit besluit aan de Staten-Generaal en de betrokken decentrale overheden een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van dit besluit in de praktijk.

Dit besluit zal met de daarbij behorende toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 20 mei 2019

De Minister van Economische Zaken en Klimaat,

E.D. Wiebes

Naar boven