Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland 2019–2023

[Regeling vervalt per 01-12-2023.]
Geldend van 29-05-2019 t/m heden

Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 23 april 2019, nr. PO/7502274, houdende regels met betrekking tot subsidieverstrekking aan de Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland voor de jaren 2019 tot en met 2023 (Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland 2019–2023)

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

Gelet op de artikelen 4, 5 en 10 van de Wet overige OCW-subsidies en de artikelen 1.3 en 2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • afstandsonderwijs: onderwijs dat op afstand wordt verzorgd via schriftelijke, telefonische of elektronische media;

  • Europese school: school gesticht en in stand gehouden op grond van het Verdrag houdende het statuut van de Europese scholen;

  • mandaatbesluit: Mandaatbesluit Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland;

  • minister: Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media;

  • onderwijsvoorziening: school of voorziening die onderwijs verzorgt in de Nederlandse taal en cultuur voor Nederlandse en Belgische leerlingen in de leeftijd van 2,5 tot en met 18 jaar en zich bevindt buiten het Nederlands en Belgisch grondgebied al dan niet in de vorm van afstandsonderwijs, met dien verstande dat in dat geval de locatie waar het onderwijs wordt gevolgd, als de locatie van de onderwijsvoorziening wordt aangemerkt;

  • stichting: Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland (Stichting NOB), statutair gevestigd te Leidschendam-Voorburg;

  • toezichthouder: toezichthouder als bedoeld in artikel 6, eerste lid.

Artikel 3. Te subsidiëren activiteiten

  • 1 De minister verstrekt aan de stichting voor de kalenderjaren 2019 tot en met 2023 instellingssubsidie voor:

    • a. het ondersteunen van onderwijsvoorzieningen waaronder begrepen het onderhouden van een infrastructuur ten behoeve van kwaliteitsbewaking en lerarenbegeleiding;

    • b. het namens de minister nemen van besluiten inzake leerlinggebonden subsidie aan tot de ondersteuning toegelaten onderwijsvoorzieningen;

    • c. het op verzoek van de minister uitvoeren van werkzaamheden ter ondersteuning van de minister of diens vertegenwoordiger bij de vervulling van zijn taak in de Raad van Bestuur voor de Europese scholen in het kader van het bij het mandaatbesluit aan de stichting gemandateerde werkgeverschap van de Europese scholen; en

    • d. het namens de minister uitvoeren van de in het mandaatbesluit opgenomen activiteiten betreffende de Europese scholen.

  • 2 Onder de in het eerste lid, onder a, bedoelde activiteiten wordt ten minste verstaan:

    • a. informatieverstrekking over het onderwijs aan ouders, scholen en overige belanghebbenden;

    • b. kwaliteitsbewaking en -bevordering door het adviseren en begeleiden van scholen op onderwijsinhoudelijk en bestuurlijk terrein; en

    • c. het bevorderen van professionalisering van leerkrachten en schoolleiding.

  • 3 De in het eerste lid, onder a, en onder b, bedoelde activiteiten zijn bedoeld voor Nederlandse en Belgische staatsburgers die wonen buiten het Nederlands of Belgisch grondgebied, en zijn gericht op hun terugkeer in en aansluiting bij het Nederlandstalig onderwijs in Nederland en België.

Artikel 4. Leerlinggebonden subsidie

  • 1 De minister verstrekt leerlinggebonden subsidie aan de rechtspersoon die een tot de ondersteuning toegelaten onderwijsvoorziening in stand houdt.

  • 2 Aan de directeur van de stichting wordt mandaat verleend tot het nemen van besluiten namens de minister inzake leerlinggebonden subsidie ten behoeve van Nederlandse en Belgische leerlingen die op 1 oktober van enig jaar staan ingeschreven bij een tot de ondersteuning toegelaten onderwijsvoorziening.

  • 3 De directeur kan ondermandaat verlenen aan één of meer onder hem ressorterende medewerkers.

  • 4 De leerlinggebonden subsidie per leerling is het bedrag dat de minister aan de stichting voor subsidieverstrekking verstrekt, gedeeld door het aantal leerlingen dat in aanmerking komt voor de leerlinggebonden subsidie.

Artikel 5. Beoordeling toelating onderwijsvoorziening

  • 1 De stichting kan een onderwijsvoorziening slechts toelaten indien deze toegankelijk is voor leerlingen uit de Europese Unie, mits zij Nederlandstalig zijn.

  • 2 De stichting kan een onderwijsvoorziening slechts toelaten indien deze bereid is zich onder het toezicht door de toezichthouder te plaatsen en om deze toegang te verlenen tot de onderwijsvoorziening.

  • 3 De stichting beoordeelt aan de hand van door haar vast te stellen criteria welke onderwijsvoorzieningen tot de ondersteuning bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, worden toegelaten.

  • 4 De criteria hebben in ieder geval betrekking op:

    • a. de vorm en inrichting van het bestuur van de onderwijsvoorziening;

    • b. de kwaliteit van de inrichting van het onderwijs, zoals geoperationaliseerd in de geldende onderzoekskaders;

    • c. de minimum schoolgrootte;

    • d. de bevoegdheden en bekwaamheden van leraren; en

    • e. de aanwezigheid van een schoolplan en schoolgids die voldoen aan de door de stichting vastgestelde modellen voor de schoolgids en het schoolplan.

  • 5 De criteria worden eerst na overleg met de minister en na advies van de toezichthouder vastgesteld.

  • 6 De stichting publiceert de criteria op haar website.

Artikel 6. Toezichthouder

  • 2 De stichting draagt er zorg voor dat de toezichthouder zijn werkzaamheden zodanig kan uitvoeren dat hij in voldoende mate toezicht kan uitoefenen op de tot de ondersteuning toegelaten onderwijsvoorzieningen.

  • 3 De minister stelt na overleg met de stichting en in overeenstemming met de toezichthouder vast wat in ieder geval behoort tot de werkzaamheden van de toezichthouder als bedoeld in het eerste lid. De toezichthouder hanteert bij haar toezichtactiviteiten de door de minister vastgestelde onderzoekskaders Nederlands onderwijs in het buitenland.

Artikel 7. Subsidieplafond

  • 5 Met ingang van het kalenderjaar 2020 worden de genoemde bedragen telkens bijgesteld met het percentage dat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van de Minister van Financiën in het voorgaande kalenderjaar voor loonbijstelling heeft ontvangen.

Artikel 8. Egalisatiereserve

  • 2 De egalisatiereserve bedraagt ten hoogste 10% van het bedrag dat door de minister bij de beschikking tot verlening is bepaald.

Artikel 9. Subsidieaanvraag en betaling

  • 1 In afwijking van artikel 8.2 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS dient de stichting uiterlijk 6 weken voor de aanvang van het kalenderjaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd een aanvraag in tot subsidieverlening voor het daaropvolgende kalenderjaar aan de hand van een sluitende begroting en een activiteitenplan.

  • 2 In de begroting neemt de stichting in ieder geval een overzicht op van het aantal leerlingen per onderwijsvoorziening dat in aanmerking komt voor de leerlinggebonden subsidie bedoeld onder artikel 3, eerste lid, onder b, op 1 oktober van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarover de subsidie wordt verstrekt.

Artikel 10. Subsidievaststelling

  • 2 Een afschrift van het activiteitenverslag wordt gezonden aan de toezichthouder.

Artikel 11. ABP-status

  • 1 Het personeel dat wordt aangesteld in dienst van de stichting is deelnemer in de Stichting Pensioenfonds ABP in de zin van de statuten van de Stichting Pensioenfonds ABP op grond van het bepaalde in de Wet Privatisering ABP.

  • 2 Jaarlijks overlegt de stichting een verklaring dat alle over het voorafgaande kalenderjaar aan de Stichting Pensioenfonds ABP verschuldigde pensioenbijdragen voor het personeel in dienst van de stichting zijn voldaan.

Artikel 12. Overgangsbepaling

  • 2 Voor het kalenderjaar 2019 verstrekt de minister subsidie aan de stichting, zoveel mogelijk met inachtneming van deze regeling.

  • 3 Na inwerkingtreding van deze regeling berusten de Onderzoekskaders 2019, vastgesteld bij Besluit van de Minister van Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, van 12 februari 2019, nr. 5252180, op artikel 6, derde lid, van deze regeling.

Artikel 13. Inwerkingtreding en vervaldatum

  • 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 december 2018.

  • 2 Deze regeling vervalt met ingang van 1 december 2023.

Artikel 14. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland 2019–2023.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

A. Slob

Terug naar begin van de pagina