Regeling tachografen

Geldend van 15-06-2019 t/m heden

Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 15 april 2019, nr. IENW/BSK-2019/72827, houdende vaststelling van regels voor de goedkeuring en het gebruik van tachografen alsmede de diplomaeisen van tachograaftechnici en de controle en toezichtbevoegdheden van de Dienst Wegverkeer en tot intrekking van de Regeling controleapparaten 2005 (Regeling tachografen)

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1:1. Begripsbepaling

  • 1 In deze regeling zijn de definities van artikel 2, tweede lid, van verordening (EU) nr. 165/2014 van toepassing.

  • 2 Onverminderd de in het eerste lid bedoelde definities, wordt in deze regeling verstaan onder:

    • erkenninghouder: natuurlijk persoon of rechtspersoon die houder is van een erkenning tachografen of een bij deze regeling daaraan gelijkgestelde erkenning;

    • erkenning tachografen: erkenning als bedoeld in artikel 2:1;

    • installatieplaatje: bewijs dat de tachograaf in overeenstemming met de verordening (EU) nr. 165/2014 is geïnstalleerd;

    • tachograaftechnicus: houder van een geldige bevoegdheidspas;

    • bevoegdheidspas: pas, bedoeld in artikel 2:6, eerste lid;

    • werkplaats: plaats waar werkzaamheden aan tachografen uitgevoerd worden;

    • werkzaamheden: installeren, controleren, inspecteren of repareren van tachografen;

    • zegelnummer: uniek identificatienummer van het zegel als bedoeld in artikel 5.3 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2016/799;

    • kenmerkteken werkplaats: speciaal merkteken als bedoeld in als bedoeld in artikel 22, derde lid, van de verordening (EU) nr. 165/2014;

    • wet: Arbeidstijdenwet.

Hoofdstuk 2. De erkenning tachografen en de erkenning bevoegdheid tachograaftechnicus

Artikel 2:1. Verlening erkenning tachografen

  • 1 De Dienst Wegverkeer verleent een erkenning tachografen voor bepaalde of onbepaalde tijd aan een aanvrager die beschikt over een werkplaats die voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 2:4.

Artikel 2:2. Toekenning kenmerkteken werkplaats

  • 2 Bij verlies of diefstal van het kenmerkteken werkplaats kent de Dienst Wegverkeer uitsluitend op basis van een proces-verbaal van aangifte bij de politie een nieuw zegelnummer toe.

Artikel 2:3. Eisen aan de erkenning tachografen

  • 1 De erkenning tachografen vermeldt ten minste:

    • a. de naam- en adresgegevens van de erkenninghouder;

    • b. de werkplaatsadressen waarvoor de erkenning geldt;

    • c. het kenmerkteken werkplaatsen;

    • d. de geldigheidsduur.

  • 3 Indien er een wijziging is van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, stelt de erkenninghouder de Dienst Wegverkeer hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte.

  • 4 Een werkplaats wordt slechts in één erkenning tachografen vermeld.

Artikel 2:4. Eisen aan een werkplaats

  • 1 Een werkplaats voldoet aan de eisen, bedoeld in bijlage I.

  • 2 Een fabrikant van motorrijtuigen hoeft, voor werkzaamheden waarbij de parameters van de tachograaf aan de hand van een theoretische berekening worden vastgesteld in motorrijtuigen die voor het eerst in gebruik worden genomen, niet te voldoen aan de volgende eisen in bijlage I:

    • a. de eisen aan de inspectieput of hefinrichting;

    • b. de aanwezigheid van een:

      • i. voorziening geschikt voor datacommunicatie;

      • ii. meetbaan van 20 meter, rollen- of remmentestbank;

      • iii. meetband;

      • iv. bandenprofieldieptemeter met verende stift.

  • 3 De erkenninghouder bewaart het materiaal dat en de apparatuur die nodig is voor het verzegelen van tachografen en de toegangscode, bedoeld in artikel 2:3, tweede lid, in de werkplaats op een wijze die voor onbevoegden niet toegankelijk is.

  • 4 De tachograaftechnicus en de erkenninghouder dragen er zorg voor dat de werkplaatskaart en de bevoegdheidspas met bijbehorende pincodes niet toegankelijk zijn voor onbevoegden.

Artikel 2:5. Verlening diploma tachograaftechnicus

  • 1 De Dienst Wegverkeer verleent een diploma tachograaftechnicus indien de aanvrager het examen tachograaftechnicus met goed gevolg heeft afgelegd.

  • 2 De Dienst Wegverkeer verleent op aanvraag een bewijs bevoegdheidsverlenging indien de aanvrager het examen bevoegdheidsverlenging met goed gevolg heeft afgelegd.

  • 3 De examens, bedoeld in het eerste en tweede lid:

    • a. worden opgesteld en afgenomen door de Dienst Wegverkeer;

    • b. bestaan uit een theorie- en een praktijkdeel, en

    • c. hebben in ieder geval betrekking op:

      • i. de werkzaamheden;

      • ii. het functioneren van motorrijtuigen en van snelheidsbegrenzers in relatie tot de tachograaf; en

      • iii. de wettelijke voorschriften omtrent de onderdelen i. en ii.

Artikel 2:6. Verlening erkenning bevoegdheid tachograaftechnicus

  • 1 De Dienst Wegverkeer verleent op aanvraag aan een natuurlijk persoon een bevoegdheidspas indien de aanvrager een diploma overlegt als bedoeld in artikel 2:5, eerste lid.

  • 2 Het diploma, bedoeld in het eerste lid, is op het moment dat de bevoegdheidspas wordt aangevraagd, minder dan twee jaar geleden verstrekt aan de aanvrager.

  • 3 Een bevoegdheidspas heeft een geldigheidsduur van vier jaar.

  • 4 De Dienst Wegverkeer verstrekt een pincode tezamen met een bevoegdheidspas.

  • 5 Een bevoegdheidspas wordt, op het moment dat de geldigheidsduur van de pas afloopt, verlengd met vier jaar indien de aanvrager een bewijs bevoegdheidsverlenging als bedoeld in artikel 2:5, tweede lid, overlegt.

  • 6 Uitsluitend indien een persoon bij een fabrikant werkzaam is, wordt:

    • a. in afwijking van het eerste lid op aanvraag van de fabrikant en de persoon ten behoeve van wie de bevoegdheidspas wordt aangevraagd, een bevoegdheidspas afgegeven na overlegging van een verklaring van de fabrikant dat de betreffende persoon bij hem werkzaam is en voldoende kennis heeft van het bedrijfsproces om de werkzaamheden te kunnen verrichten;

    • b. in afwijking van het vierde lid geen pincode verstrekt;

    • c. in afwijking van het vijfde lid de bevoegdheidspas verlengd door overlegging van een verklaring van de fabrikant dat de betreffende persoon bij hem werkzaam is en voldoende kennis heeft van het bedrijfsproces om de werkzaamheden te kunnen verrichten.

Hoofdstuk 2a. Mobiele onderzoekseenheden en inrichtingen

Artikel 2a:1. Begripsbepaling

In aanvulling op de definities genoemd in artikel 1:1 wordt in dit hoofdstuk verstaan onder:

  • inrichting: plaats waar werkzaamheden met een mobiele onderzoekseenheid plaatsvinden, niet zijnde een werkplaats;

  • mobiele onderzoekseenheid: voertuig van de voertuigcategorie M of N als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen, gebruikt voor het verrichten van werkzaamheden in verschillende inrichtingen.

Artikel 2a:2. Eisen aan een mobiele onderzoekseenheid en inrichting

  • 1 Een mobiele onderzoekseenheid of inrichting voldoet aan de eisen genoemd in bijlage Ia.

  • 2 Een mobiele onderzoekseenheid verricht geen werkzaamheden in een werkplaats waarvan de erkenning tachografen is geschorst of in de laatste twee jaar is ingetrokken en niet tussentijds opnieuw is verleend.

Artikel 2a:3. Gelijkstelling erkenning tachografen

  • 1 De houder van een erkenning als installateur of reparateur voor een mobiele onderzoekseenheid, verleend op grond van de Regeling controleapparaten 2005 zoals die luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop deze regeling in werking treedt, is een erkenninghouder als bedoeld in deze regeling.

  • 2 Voor 1 januari 2020 overlegt een houder van een erkenning als bedoeld in het eerste lid, aan de Dienst Wegverkeer een overzicht van de inrichting of inrichtingen waar die erkenninghouder werkzaamheden wil kunnen verrichten.

  • 3 De Dienst Wegverkeer verstrekt binnen vier weken nadat de erkenninghouder het overzicht, bedoeld in het tweede lid, heeft overgelegd, een bewijs erkenning mobiele onderzoekseenheid waarop de adressen staan vermeld van inrichtingen waar werkzaamheden zijn toegestaan.

  • 4 Het bewijs, bedoeld in het derde lid, is tijdens werkzaamheden aanwezig in de mobiele onderzoekseenheid.

  • 5 Indien er een wijziging is van de gegevens genoemd in het tweede lid, stelt de erkenninghouder de Dienst Wegverkeer hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte.

Artikel 2a:4. Horizonbepaling

Dit hoofdstuk en de verwijzingen in de artikelen 5:1 en 5:2 naar dit hoofdstuk, inclusief de op dit hoofdstuk gebaseerde bijlage, vervallen met ingang van 1 juni 2025.

Hoofdstuk 3. Procedure van werkzaamheden

Artikel 3:1. Algemene bepalingen over de procedure van werkzaamheden

  • 1 De werkzaamheden worden uitgevoerd in de werkplaats met inachtneming van de relevante bepalingen uit dit hoofdstuk en de instructies van de fabrikant of importeur over:

    • a. de tachograaf;

    • b. het functioneren van snelheidsbegrenzers met betrekking tot aspecten die van belang zijn bij de installatie en de werkzaamheden van tachografen;

    • c. het functioneren van motorrijtuigen met betrekking tot aspecten die van belang zijn bij de installatie en de werkzaamheden van tachografen.

  • 2 De erkenninghouder stelt aan de tachograaftechnicus de apparatuur, handleidingen en andere actuele documentatie ter beschikking die nodig zijn om de werkzaamheden aan de tachograaf uit te voeren.

  • 3 Voor het gebruik van de werkplaatskaart wordt onder testen verstaan: toetsing van een tachograaf voor de eerste ingebruikname van een voertuig of tachograaf, of voor de reparatie van een tachograaf of bij andere aan de tachograaf gerelateerde werkzaamheden.

Artikel 3:2. Controle datum eerste toelating

  • 1 Er worden geen werkzaamheden verricht dan nadat de website van de Dienst Wegverkeer is geraadpleegd om de datum van eerste toelating van het motorrijtuig waarin de tachograaf is geïnstalleerd, vast te stellen.

  • 2 In een nieuw motorrijtuig worden de werkzaamheden aan de tachograaf uiterlijk uitgevoerd op het tijdstip dat het motorrijtuig voor het eerst in gebruik wordt genomen.

  • 3 Ingeval de werkzaamheden betrekking hebben op een tachograaf in een niet in Nederland geregistreerd motorrijtuig wordt de datum eerste toelating van het motorrijtuig geraadpleegd via het voor dat motorrijtuig afgegeven kentekenbewijs.

Artikel 3:3. Manipulatiecontrole

  • 1 De tachograaftechnicus beoordeelt tijdens de werkzaamheden of de tachograaf is gemanipuleerd en of er manipulatieapparatuur aanwezig is.

  • 2 De manipulatiecontrole bestaat uit de volgende elementen:

    • a. controle op aanwezigheid van manipulatieapparatuur;

    • b. controle parameters tachograaf in overeenstemming met het installatieplaatje;

    • c. controle op verbroken of niet aanwezige verzegelingen;

    • d. controle op beschadigingen van de installatie die de integriteit van de tachograaf in twijfel trekken;

    • e. controle op aanwezige voorvallen en gebeurtenissen in de tachograaf die duiden op manipulatie met behulp van de afdruk; en

    • f. verificatie van de bewegingssensor om manipulatieapparatuur detecteren.

  • 3 Vaststelling van manipulatie dan wel aanwezigheid van manipulatieapparatuur wordt zo spoedig mogelijk aan de Dienst Wegverkeer gemeld met gebruikmaking van een door de Dienst Wegverkeer daartoe bekendgemaakt formulier.

Artikel 3:4. Certificaat van onmogelijkheid van gegevensoverdracht

  • 1 Indien een tachograaftechnicus een digitale tachograaf buiten bedrijf stelt of in een ander motorrijtuig installeert, stelt hij direct, voor zover dit mogelijk is, alle gegevens uit het apparaat veilig.

  • 2 Indien het niet mogelijk is de gegevens veilig te stellen, wordt dit aan de Dienst Wegverkeer gemeld met gebruikmaking van een door de Dienst Wegverkeer daartoe bekendgemaakt certificaat van onmogelijkheid van gegevensoverdracht.

  • 3 Op schriftelijk verzoek van de werkgever of de persoon, bedoeld in artikel 2:7, eerste lid, van de wet, verstrekt de erkenninghouder aan hem de gegevens uit de digitale tachograaf die dat bedrijf betreffen dan wel het certificaat van onmogelijkheid van gegevensoverdracht.

Artikel 3:5. Afsluiting van de werkzaamheden

  • 1 De werkzaamheden worden afgesloten met een proefrit om te controleren dat de tachograaf naar behoren functioneert.

  • 2 Na afloop van de werkzaamheden wordt een afdruk technische gegevens gemaakt van de tachograaf.

Artikel 3:6. Melding werkzaamheden aan de Dienst Wegverkeer

  • 1 Na beëindiging van de werkzaamheden meldt de tachograaftechnicus die de werkzaamheden heeft verricht de volgende gegevens aan de Dienst Wegverkeer:

    • a. het pasnummer van de bevoegdheidspas en de daar bijbehorende pincode, bedoeld in artikel 2:6;

    • b. het kenteken en de meldcode, gevormd door de laatste vier cijfers van het identificatienummer;

    • c. merk, type, versie, serienummer en ingestelde apparaatconstante van de tachograaf;

    • d. merk en serienummer van de bewegingssensor van de digitale tachograaf;

    • e. alle aangebrachte zegelnummers;

    • f. indien het een motorrijtuig is voorzien van een kilometerteller, de afgelezen tellerstand;

    • g. indien van toepassing een ingevuld manipulatieformulier;

    • h. indien van toepassing het ingevulde certificaat van onmogelijkheid van gegevensoverdracht.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, wordt, indien het motorrijtuig niet of nog niet is voorzien van een Nederlands kenteken, het volledige identificatienummer gemeld.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde meldingsplicht geldt niet voor fabrikanten van motorrijtuigen, voor zover het de werkzaamheden betreft in motorrijtuigen die voor de eerste maal in gebruik worden genomen.

Artikel 3:7. Aanbrengen installatieplaatje na melding werkzaamheden

  • 1 Na de melding, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, of de werkzaamheden als bedoeld in artikel 3:6, derde lid, wordt een installatieplaatje aangebracht.

  • 2 Het in het eerste lid bedoelde installatieplaatje wordt niet eerder aangebracht dan nadat door de Dienst Wegverkeer is medegedeeld dat:

    • a. de in het eerste lid bedoelde melding niet leidt tot een steekproefsgewijze controle van de werkzaamheden;

    • b. de melding leidt tot een steekproefsgewijze controle van de werkzaamheden en deze controle heeft geleid tot een goedkeuring; of

    • c. de melding leidt tot een steekproefsgewijze controle van de werkzaamheden, maar deze controle niet binnen 90 minuten na de melding is begonnen.

Hoofdstuk 4. Het bewaren van gegevens

Artikel 4:1. De registers

  • 1 De erkenninghouder houdt een register bij van de manipulatieformulieren en van de certificaten van onmogelijkheid van gegevensoverdracht, bedoeld in artikel 3:3, derde lid, en artikel 3:4, derde lid, die in de in zijn erkenning tachografen genoemde werkplaats of werkplaatsen worden opgemaakt.

  • 2 De erkenninghouder houdt een register bij van de werkzaamheden die worden verricht in de in zijn erkenning tachografen genoemde werkplaats of werkplaatsen. Het register bevat de gegevens, bedoeld in bijlage II.

  • 3 De erkenninghouder houdt een register bij van het gebruik van de werkplaatskaart. Dit register bevat een overzicht per maand van de op de werkplaatskaart vastgelegde gegevens.

  • 4 De erkenninghouder bewaart de in dit artikel bedoelde gegevens ten minste 3 jaar en maakt daartoe regelmatig een back-up.

  • 5 De in dit artikel genoemde registers zijn eenvoudig door de Dienst Wegverkeer te raadplegen.

  • 6 Dit artikel is niet van toepassing op fabrikanten van motorrijtuigen, mits zij zich uitsluitend beperken tot werkzaamheden aan tachografen in motorrijtuigen die voor de eerste maal in gebruik worden genomen.

Hoofdstuk 5. Toezicht, intrekking en schorsing erkenning tachografen

Artikel 5:1. Steekproefsgewijze controle

  • 1 De Dienst Wegverkeer kan werkzaamheden aan een steekproefsgewijze controle onderwerpen.

  • 2 De steekproefsgewijze controle vangt aan op het moment dat de Dienst Wegverkeer de erkenninghouder meedeelt dat deze controle gaat plaatsvinden.

  • 3 Na aanvang van de steekproefsgewijze controle worden aan of in het voertuig of de tachograaf waarop de controle ziet, gedurende 90 minuten geen handelingen verricht.

  • 4 Voorafgaande aan de steekproefsgewijze controle overhandigt de erkenninghouder of tachograaftechnicus de aan de werkzaamheden gerelateerde documenten en het installatieplaatje aan de Dienst Wegverkeer.

  • 5 Tijdens de steekproefsgewijze controle:

    • a. is de tachograaftechnicus die werkzaamheden aan de tachograaf verrichtte, aanwezig vanaf het moment dat de mededeling, bedoeld in het tweede lid, is gedaan;

    • b. verleent de tachograaftechnicus assistentie bij het uitvoeren van de steekproefsgewijze controle;

    • c. worden de noodzakelijke werkplaatsruimte, apparatuur en documentatie, en het voertuig waaraan werkzaamheden worden verricht gedurende de steekproefsgewijze controle beschikbaar gesteld.

  • 6 De erkenninghouder ontvangt na de steekproefsgewijze controle slechts een door een medewerker van de Dienst Wegvervoer getekend steekproefcontrolerapport indien:

    • a. de tachograaf niet voldoet aan de werkzaamheden zoals verwoord in de hoofdstukken 2, 2a en 3;

    • b. de registerkaart niet, onjuist of onvolledig is ingevuld; of

    • c. de voorschriften met betrekking tot de steekproef niet in acht zijn genomen.

  • 7 Het rapport, bedoeld in het zesde lid, wordt ook getekend door de tachograaftechnicus of erkenninghouder.

Artikel 5:2. Intrekking en schorsing erkenning tachografen

  • 1 De Dienst Wegverkeer trekt op verzoek van een erkenninghouder een erkenning tachografen geheel of gedeeltelijk in.

  • 3 Een schorsing als bedoeld in het tweede lid bedraagt ten hoogste twaalf weken.

  • 4 Na intrekking van de erkenning levert de voormalig erkenninghouder zo spoedig mogelijk het merkteken werkplaats in.

Artikel 5:3. Intrekking en schorsing bevoegdheidspas

  • 1 De Dienst Wegverkeer trekt op verzoek van een tachograaftechnicus zijn bevoegdheidspas in.

Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 6:2. Overgangsbepalingen

  • 1 Een erkenning als installateur of reparateur verleend op grond van de Regeling controleapparaten 2005 wordt gelijkgesteld met een erkenning tachograaf verleend op grond van deze regeling.

  • 3 Aan de eisen ten aanzien van de hefbrug dan wel inspectieput zoals opgenomen in bijlage I van deze Regeling wordt voldaan op 1 juli 2020.

  • 4 Een erkenning als installateur of reparateur, verleend op grond van de Regeling controleapparaten 2005 zoals die luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop deze regeling in werking treedt, voor een mobiele onderzoekseenheid die op grond van artikel 2a:3, eerste lid, geldigheid heeft, vervalt met ingang van 1 juli 2025.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,

C. van Nieuwenhuizen Wijbenga

Bijlage I. Overzicht eisen aan werkplaatsen

Algemene eisen:

De werkplaats is:

  • a. overdekt, behoorlijk af te sluiten, goed verlicht en voorzien van verwarming;

  • b. van zodanige afmetingen en zodanig ingericht dat de voertuigen waaraan de werkzaamheden worden verricht aan tachografen in deze ruimte zodanig kunnen worden opgesteld dat zij van alle zijden goed toegankelijk zijn;

  • c. zodanig ingericht dat de administratie van de werkzaamheden behoorlijk kan worden uitgevoerd.

In de werkplaats zijn aanwezig:

  • a. een voorziening die geschikt is voor het gebruik van datacommunicatie;

  • b. het register, bedoeld in artikel 3:6;

  • c. de administratie van de manipulatieformulieren en het certificaat van onmogelijkheid van gegevensoverdracht;

  • d. een deugdelijke administratie van zegelnummers.

Eisen aan de inspectieput of hefinrichting

In de werkplaats is een inspectieput of hefinrichting aanwezig:

  • a. die geschikt is voor de voertuigen waaraan de werkzaamheden van de tachografen worden verricht;

  • b. die is voorzien van een doelmatige verlichting;

  • c. waarvan het draagvermogen hefinrichting zichtbaar is aangebracht;

  • d. die een tachograaftechnicus in staat stelt de werkzaamheden aan het voertuig en de tachograaf nagenoeg over de hele lengte rechtopstaand uit te voeren. Dit betekent dat

    • i. de hefinrichting een hefhoogte heeft van ten minste 1,35 m;

    • ii. de inspectieput een diepte heeft van ten minste 1,35 m;

  • e. die in een goede staat van onderhoud verkeert.

Vereiste apparatuur

In de werkplaats is de volgende apparatuur aanwezig:

  • a. een door de tachograaffabrikant geaccepteerde rollentestbank of remmentestbank ten behoeve van het bepalen van het kenmerkend coëfficiënt of het bepalen van de bandenomtrek dan wel een voor motorrijtuigen geschikte horizontale effen meetbaan van ten minste 20 meter lengte;

  • b. een dubbel geïsoleerde veiligheidslooplamp dan wel een zaklantaarn, al dan niet voorzien van een oplaadbare accu, die enerzijds een zodanige lichtsterkte heeft dat ook moeilijk bereikbare onderdelen van een voertuig voldoende helder kunnen worden verlicht om een nauwkeurige controle van een tachograafinstallatie mogelijk te maken en die anderzijds zodanig is afgeschermd dat degene die de keuring uitvoert niet door het uitgestraalde licht wordt verblind;

  • c. een meetband met een minimale nauwkeurigheidsklasse III van voldoende lengte(minimaal 20 meter);

  • d. basisgereedschap voor de werkzaamheden van een tachograaf;

  • e. een bandenpomp met bandenluchtdrukmeetapparatuur;

  • f. een doelmatige bandenprofieldieptemeter met verende stift en met een meetnauwkeurigheid van 0,1 mm;

  • g. die in goede staat van onderhoud verkeert.

Tachograafspecifieke eisen

In de werkplaats is, in goede staat van onderhoud en voorzien van CE-markering en aanvullende metrologische markering, aanwezig voor de typen tachografen waarop de werkzaamheden zien:

  • a. door de fabrikant of importeur van een tachograaf voorgeschreven dan wel door de Dienst Wegverkeer gelijkwaardig geachte meetapparatuur voor het bepalen van het kenmerkend coëfficiënt;

  • b. een door de fabrikant of importeur van tachografen voorgeschreven dan wel een door de Dienst Wegverkeer gelijkwaardig geachte impulsenteller;

  • c. door de fabrikant of importeur van tachografen voorgeschreven dan wel door de Dienst Wegverkeer gelijkwaardig geachte testapparatuur voor snelheids- en afstandsmetingen alsmede voor de daarop betrekking hebbende registratie;

  • d. een verzegelinrichting;

  • e. overige, door de fabrikant of importeur van de tachografen voorgeschreven dan wel door de Dienst Wegverkeer gelijkwaardig geachte gereedschappen, apparatuur, werkplaatshandboeken, actuele documentatie en, voor de elektronische apparatuur, handleidingen in de Nederlandse taal;

  • f. een afsluitbare kast, dan wel over een gelijkwaardige voorziening, waarin de hierboven genoemde testapparatuur, verzegelinrichting en documentatie worden opgeborgen.

  • g. Indien werkzaamheden aan een analoge tachograaf worden uitgevoerd:

    • a. apparatuur voorzien van een loep voor de werkzaamheden en van testregistratiebladen;

    • b. een onderzoeksjabloon waarop de toegestane tolerantiegebieden staan aangegeven.

Bijlage Ia. Overzicht eisen aan inrichtingen en mobiele onderzoekseenheden

Algemene eisen:

De inrichting is:

  • a. overdekt, behoorlijk af te sluiten, goed verlicht en voorzien van verwarming;

  • b. van zodanige afmetingen en zodanig ingericht dat de voertuigen waaraan de werkzaamheden worden verricht aan tachografen in deze ruimte zodanig kunnen worden opgesteld dat zij van alle zijden goed toegankelijk zijn;

  • c. zodanig ingericht dat de administratie van de werkzaamheden behoorlijk kan worden uitgevoerd.

In de inrichting of mobiele onderzoekseenheid zijn aanwezig:

  • a. een voorziening die geschikt is voor het gebruik van datacommunicatie;

  • b. het register, bedoeld in artikel 3:6;

  • c. de administratie van de manipulatieformulieren en het certificaat van onmogelijkheid van gegevensoverdracht;

  • d. een deugdelijke administratie van zegelnummers.

Eisen aan de inspectieput of hefinrichting

In de inrichting is een inspectieput of hefinrichting aanwezig:

  • a. die geschikt is voor de voertuigen waaraan de werkzaamheden van de tachografen worden verricht;

  • b. die is voorzien van een doelmatige verlichting;

  • c. waarvan het draagvermogen van de hefinrichting zichtbaar is aangebracht;

  • d. die een tachograaftechnicus in staat stelt de werkzaamheden aan het voertuig en de tachograaf nagenoeg over de hele lengte rechtopstaand uit te voeren. Dit betekent dat:

    • i. de hefinrichting een hefhoogte heeft van ten minste 1,35 m;

    • ii. de inspectieput een diepte heeft van ten minste 1,35 m;

  • e. die in een goede staat van onderhoud verkeert.

Vereiste apparatuur

In de inrichting is de volgende apparatuur aanwezig:

  • a. een door de Dienst Wegverkeer goedgekeurde rollentestbank of remmentestbank ten behoeve van het bepalen van het kenmerkend coëfficiënt of het bepalen van de bandenomtrek dan wel een voor motorrijtuigen geschikte horizontale effen meetbaan van ten minste 20 meter lengte;

  • b. een dubbel geïsoleerde veiligheidslooplamp dan wel een zaklantaarn, al dan niet voorzien van een oplaadbare accu, die enerzijds een zodanige lichtsterkte heeft dat ook moeilijk bereikbare onderdelen van een voertuig voldoende helder kunnen worden verlicht om een nauwkeurige controle van een tachograafinstallatie mogelijk te maken en die anderzijds zodanig is afgeschermd dat degene die de keuring uitvoert niet door het uitgestraalde licht wordt verblind;

  • c. een meetband met een minimale nauwkeurigheidsklasse III van voldoende lengte(minimaal 20 meter);

  • d. basisgereedschap voor de werkzaamheden van een tachograaf;

  • e. een bandenpomp met bandenluchtdrukmeetapparatuur;

  • f. een doelmatige bandenprofieldieptemeter met verende stift en met een meetnauwkeurigheid van 0,1 mm;

  • g. die in goede staat van onderhoud verkeert.

Tachograafspecifieke eisen

In de mobiele onderzoekseenheid is, in goede staat van onderhoud en voorzien van CE-markering en aanvullende metrologische markering, aanwezig voor de typen tachografen waarop de werkzaamheden zien:

  • a. door de fabrikant of importeur van een tachograaf voorgeschreven dan wel door de Dienst Wegverkeer gelijkwaardig geachte meetapparatuur voor het bepalen van het kenmerkend coëfficiënt;

  • b. een door de fabrikant of importeur van tachografen voorgeschreven dan wel een door de Dienst Wegverkeer gelijkwaardig geachte impulsenteller;

  • c. door de fabrikant of importeur van tachografen voorgeschreven dan wel door de Dienst Wegverkeer gelijkwaardig geachte testapparatuur voor snelheids- en afstandsmetingen alsmede voor de daarop betrekking hebbende registratie;

  • d. een verzegelinrichting;

  • e. overige, door de fabrikant of importeur van de tachografen voorgeschreven dan wel door de Dienst Wegverkeer gelijkwaardig geachte gereedschappen, apparatuur, werkplaatshandboeken, actuele documentatie en, voor de elektronische apparatuur, handleidingen in de Nederlandse taal;

  • f. een afsluitbare kast, dan wel over een gelijkwaardige voorziening, waarin de hierboven genoemde testapparatuur, verzegelinrichting en documentatie wordt opgeborgen.

  • g. Indien werkzaamheden aan een analoge tachograaf worden uitgevoerd:

    • a. apparatuur voorzien van een loep voor de werkzaamheden en van testregistratiebladen;

    • b. een onderzoeksjabloon waarop de toegestane tolerantiegebieden staan aangegeven.

Bijlage II. Gegevens voor in het register van werkzaamheden

  • 1. Met betrekking tot de erkenninghouder:

    • a. de naam en het adres van de erkenninghouder,

    • b. de naam en het nummer van de bevoegdheidspas van de tachograaftechnicus die werkzaamheden heeft verricht,

    • c. werkplaatskaartnummer indien het een digitale tachograaf betreft.

  • 2. Met betrekking tot het motorrijtuig:

    • a. het kenteken of indien het motorrijtuig nog niet is voorzien van een kenteken, het identificatienummer,

    • b. merk en type,

    • c. de kilometerstand,

    • d. de effectieve omtrek van de wielbanden wielen in mm,

    • e. de ongecorrigeerde kenmerkende coëfficiënt van het motorrijtuig in omw/km of imp/km,

    • f. indien het een digitaal tachograaf betreft:

      • i. de bandenmaat,

      • ii. de instelling van de snelheidsbegrenzer.

  • 3. Met betrekking tot de installatie:

    • a. de ongecorrigeerde kenmerkende coëfficiënt in omw/km of imp/km of in geval van een aanpasbare tachograaf de ingestelde apparaatconstante in imp/km,

    • b. het merk, type en serienummer van de tachograaf.

  • 4. Met betrekking tot de werkzaamheden:

    • a. de datum en tijd van de werkzaamheden,

    • b. de ondertekening door tachograaftechnicus,

    • c. doel van de werkzaamheden,

    • d. resultaat manipulatiecontrole.

  • 5. Met betrekking tot een reparatie:

    • a. de naam en het adres van de erkenninghouder reparateur,

    • b. de naam van de tachograaftechnicus die de reparatie heeft uitgevoerd,

    • c. merk, type en serienummer van de tachograaf,

    • d. de aard van de reparatie,

    • e. de datum en tijd van de reparatie,

    • f. de ondertekening door tachograaftechnicus indien het de reparatie van een tachograaf betreft.

  • 6. En worden toegevoegd:

    • a. het bij de werkzaamheden voor een analoge tachograaf gebruikte testregistratieblad(en),

    • b. de bij de werkzaamheden voor een digitale tachograaf gemaakte afdrukken en het opgeslagen document met de testresultaten.

Terug naar begin van de pagina