Besluit vaststelling beleidsregels Onderzoekskader 2019 voor het toezicht op de Nederlandse [...] in het buitenland primair onderwijs en voortgezet onderwijs

Geldend van 28-03-2019 t/m heden

Besluit van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, van 12 februari 2019, nr. 5252180, tot intrekking van waarderingskaders onder vaststelling van beleidsregels houdende Onderzoekskaders 2019

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

Gezien de voordracht van de Inspecteur-generaal van het onderwijs van 13 december 2018,

Besluit:

Artikel 1

De volgende beleidsregels worden vastgesteld:

  • 1. Onderzoekskader 2019 voor het toezicht op de Nederlandse scholen in het buitenland primair onderwijs (bijlage I); en

  • 2. Onderzoekskader 2019 voor het toezicht op de Nederlandse scholen in het buitenland voortgezet onderwijs (bijlage II).

Artikel 2

De volgende beleidsregels worden ingetrokken:

  • 1. Waarderingskader NTC Primair Onderwijs 20121; en

  • 2. Waarderingskader NTC Voortgezet Onderwijs 20122:

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

A. Slob

Onderzoekskader 2019

voor het toezicht op de Nederlandse scholen in het buitenland primair onderwijs

Inhoud

1.

Inleiding

2

2.

Het waarderingskader

4

 

2.1

Opbouw van het waarderingskader

4

 

2.2

Standaarden van het waarderingskader Primair Onderwijs Nederlands onderwijs buitenland

5

 

2.3

Aspecten van naleving

10

 

2.3.1

Naleving documenten:

10

 

2.3.2

Bevoegdheden:

10

 

2.3.3

Onderwijstijd:

11

3.

Normering en oordeelsvorming

11

 

3.1

Kwaliteitsbepaling op twee niveaus: op niveau van de standaarden en op schoolniveau

11

 

3.2

Normering standaarden: bevindingen op deugdelijkheidseisen (basiskwaliteit)

11

 

3.3

Waardering eigen aspecten van kwaliteit (niet-wettelijke eisen)

11

 

3.4

Normering op het schoolniveau

12

 

3.5

Het tot stand komen van bevindingen en waarderingen

12

 

3.5.1

Naleving deugdelijkheidseisen

12

 

3.5.2

Het waarderen van eigen aspecten van kwaliteit in relatie tot de waardering ‘goed’ op standaardniveau

12

 

3.5.3

Omgevingsfactoren

12

 

3.5.4

Expertise van de bevindingen

13

 

3.6

Vervolgtoezicht

13

 

3.6.1

Herstelopdrachten

13

 

3.6.2

Frequentie van bezoek

13

 

3.6.3

Escalatie

13

1. Inleiding

Diversiteit van het onderwijsveld

Het Nederlands onderwijs in het buitenland kent verschillende verschijningsvormen. Naast volledig primair en voortgezet dagonderwijs (deze scholen lijken erg op het onderwijs in Nederland) zijn er de leslocaties voor Nederlandse taal en cultuur (NTC), waarin leerlingen gedurende drie uur per week het Nederlands bijhouden. Dit gebeurt naast het lokale of internationale dagonderwijs dat deze leerlingen in het buitenland volgen. Als derde verschijningsvorm is er het afstandsonderwijs. Dit is vrijwel altijd een verbijzondering van het NTC-onderwijs, maar bij sommige instellingen ook als volledig dagonderwijs te volgen.

Juridische basis

De wettelijke basis van de onderzoekskaders Nederlands onderwijs buitenland is ontleend aan artikel 6, derde lid van Regeling Nederlands Onderwijs Buitenland 2019 –, waarin is opgenomen dat de Inspectie van het Onderwijs toezicht houdt op het Nederlands onderwijs buitenland, volgens door de Minister vastgestelde onderzoekskaders.

Noch de Wet op het Primair Onderwijs (WPO), noch de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO), noch de Leerplichtwet 1969 zijn formeel van toepassing. Deze laatste wet is alleen van kracht wanneer leerlingen zijn ingeschreven in de basisadministratie van een gemeente in Nederland. De Nederlandse scholen in het buitenland vallen ook niet onder de regelgeving van passend onderwijs.

Vergelijkbare kwaliteit om aansluiting van leerlingen te realiseren

De onderzoekskaders primair en voortgezet onderwijs voor het Nederlands onderwijs buitenland komen ondanks de genoemde diversiteit aan verschijningsvormen en ondanks de andere wettelijke basis zoveel mogelijk overeen met, en zijn afgeleid van de onderzoekskaders zoals die in Nederland gelden.

De reden hiervoor is dat het Nederlands onderwijs buitenland de aansluiting met het onderwijs in Nederland beoogt. Continuïteit in het onderwijs voor leerlingen én continuïteit in de inrichting en de kwaliteit van de Nederlandse scholen in het buitenland en van de scholen in Nederland liggen in elkaars verlengde. Dat betekent dat de wijze waarop de inspectie de kwaliteit van het Nederlands onderwijs in het buitenland kwalificeert, vergelijkbaar dient te zijn met de wijze waarop dit in Nederland gebeurt. Dit betreft vooral de opbouw van het kader in kwaliteitsaspecten en standaarden, en in het onderscheid tussen wettelijke en niet-wettelijke aspecten van kwaliteit.

De onderzoekskaders voor scholen primair en voortgezet onderwijs in Nederland onderscheiden wettelijke aspecten (deugdelijkheidseisen) en eigen aspecten van kwaliteit. Deze deugdelijkheidseisen zijn voor de scholen in het buitenland niet rechtstreeks vanuit de sectorwetten of de Leerplichtwet 1969 toepasbaar. Omwille van de vergelijkbaarheid van kwaliteit van Nederlandse scholen in het buitenland en scholen in Nederland, hanteren we in de onderzoekskaders Nederlands Onderwijs buitenland de term ‘basiskwaliteit’, die vergelijkbaar is met de deugdelijkheidseisen zoals die voor scholen in Nederland gelden. Op de standaarden die het betreft spreken we van ‘bevindingen’. Dit omdat de term ‘oordeel’ uitsluitend is voorbehouden aan wettelijke eisen. Daarnaast hanteren we de term ‘eigen aspecten van kwaliteit’, hetgeen overeenkomt met eigen aspecten van kwaliteit in de onderzoekskaders primair en voortgezet onderwijs zoals die in Nederland gelden. Op deze standaarden geven we ‘waarderingen’.

Aanpassingen nodig

De bijzondere omstandigheden van het Nederlands onderwijs in het buitenland vragen aanpassingen. Naast het logistieke argument (de Nederlandse scholen in het buitenland zijn over de hele wereld verspreid) is ook de grote wisseling van populaties van het Nederlands onderwijs in het buitenland een belangrijke overweging. We zien herhaaldelijk dat na een periode van vier jaar niet alleen het gehele schoolteam is gewisseld, maar ook de directie, het bestuur en bovendien een groot deel van de leerlingenpopulatie. Deze discontinuïteit vraagt maatwerk in het toezicht, en een andere insteek dan in Nederland wordt toegepast. Deze aanpassingen hebben met name consequenties voor de systematiek van het toezicht en voor de normering, en beschrijven we hieronder.

Concreet betreft het aanpassingen op het punt van de bestuursgerichte benadering, de kwalificatie ‘goed’ (en ‘excellent’), alsmede de kwalificatie ‘zeer zwak’ en het hanteren van herstelopdrachten.

De bestuursgerichte benadering, waarbij in Nederland wordt uitgegaan van een grote mate van autonomie van besturen, maar ook van continuïteit van bestuurlijk handelen ten behoeve van vaak meerdere scholen, in relatie tot andere schoolbesturen, gemeenten en samenwerkingsverbanden vraagt bij het Nederlands onderwijs buitenland een geheel andere invulling. De besturen van het Nederlands onderwijs in het buitenland functioneren doorgaans autonoom als éénpitter in een geïsoleerde omgeving. Wel vergelijkbaar is het aanspreken van het bestuur op haar verantwoordelijkheid voor het in standhouden van de school en voor de kwaliteit van het onderwijs. In die zin zijn de gehanteerde standaarden van de waarderingskaders in gelijke mate van toepassing, maar worden waarderingen alleen gegeven op schoolniveau.

De kwalificatie ‘goed’ is op schoolniveau niet van toepassing bij het toezicht op het Nederlands onderwijs in het buitenland. In het Nederlands onderwijs in het buitenland komt daarom ook de kwalificatie ‘excellent’ op schoolniveau niet voor. De inspectie beschouwt ‘goed’ wel als het streefniveau van scholen. In de toekomst zullen we deze kwalificatie op schoolniveau wellicht wel toekennen. De waardering ‘goed’ komt wel voor op het niveau van standaarden.

Het stimulerende element van het toezicht in het buitenland komt tot uitdrukking in de waardering van de eigen aspecten van kwaliteit. Het richtinggevende model schoolplan van de Stichting NOB volgt voor zover van toepassing de opzet en indeling van het schoolplan zoals dat in Nederland van toepassing is. Evenals in Nederland kunnen Nederlandse scholen in het buitenland in hun schoolplan aangeven welke de eigen aspecten van kwaliteit zijn die zij nastreven.

Daarnaast krijgt het stimulerende element van toezicht vorm door het meedenken met het bestuur en andere betrokkenen over oplossingen die de specifieke situatie vereist. Dat geldt met name voor het NTC-onderwijs, dat verreweg het grootste aandeel van het Nederlands onderwijsaanbod in het buitenland vormt. Doordat de inspecteurs op NTC-scholen in heel verschillende omstandigheden en op heel verschillende locaties komen, kennen zij de voor die situatie gekozen problemen en oplossingen. Dat maakt hun een waardevolle gesprekspartner voor de besturen, directies en schoolteams, die vaak maar korte tijd op de betreffende locatie verblijven. Ook de kennis van (de veranderingen van) het onderwijs en van de regelgeving in Nederland is voor besturen, directies en schoolteams in het buitenland relevant.

De kwalificatie ‘zeer zwak’ en het hanteren van herstelopdrachten is een derde belangrijke afwijking van de reguliere toezichtsystematiek in Nederland. Bij onvoldoende kwaliteit van standaarden en van overige al dan niet wettelijke eisen (zoals bijvoorbeeld de onderwijstijd) geeft de inspectie herstelopdrachten. Indien nodig kennen we ook de kwalificatie ‘onvoldoende’ (op schoolniveau) toe. Bij de afweging sluiten we aan bij de in Nederland gehanteerde normering.

De kwalificatie ‘zeer zwak’ is in het buitenland niet van toepassing.

Indien nodig vragen we verbeterplannen en voortgangsrapportages, die we op afstand monitoren. Bij onvoldoende kwaliteit op schoolniveau vindt in de regel na twee jaar opnieuw een kwaliteitsonderzoek plaats. Indien de kwaliteit van de school als geheel dan nog niet op orde is, adviseert de inspectie de Stichting NOB de aansluiting van de school bij de Stichting NOB te beëindigen, hetgeen betekent dat de subsidie vanuit de Stichting NOB kan worden ingetrokken

2. Het waarderingskader

Het waarderingskader Primair Onderwijs

In dit hoofdstuk beschrijven we het waarderingskader. We beschrijven de opbouw van het kader (paragraaf 3.1). In paragraaf 3.2 is vervolgens het waarderingskader opgenomen voor de dagscholen en NTC-scholen en instellingen voor afstandsonderwijs. Daarbij hanteren we als uitgangspunt in de beschrijving van de standaard de kwaliteitseisen aan het NTC- en afstandsonderwijs. Indien van toepassing is er per standaard een aanvulling voor het dagonderwijs. In paragraaf 3.3 komen aspecten van naleving aan de orde. Waar van toepassing zijn deze aspecten van naleving aanvullend gebaseerd op de aansluitingsvoorwaarden van de Stichting NOB.

2.1. Opbouw van het waarderingskader

In het waarderingskader onderscheiden we vijf kwaliteitsgebieden: Onderwijsproces, Schoolklimaat, Onderwijsresultaten, Kwaliteitszorg en ambitie en Financieel beheer.

Met het waarderingskader krijgen we zicht op de drie elementaire vragen over de betekenis van het onderwijs voor leerlingen: leren ze genoeg (Onderwijsresultaten), krijgen ze goed les (Onderwijsproces) en zijn ze veilig (Schoolklimaat). De standaarden in deze drie gebieden geven gezamenlijk de kern van het onderwijs weer zoals de leerling dat ontvangt.

De gebieden Kwaliteitszorg en ambitie en Financieel beheer zijn voorwaardelijk voor (het voortbestaan van) de kwaliteit. We definiëren onderwijskwaliteit dan ook als het geheel van de prestaties van de school op deze gebieden.

Iedere standaard binnen het kwaliteitsgebied is op grond van basisvoorwaarden geoperationaliseerd. Deze basisvoorwaarden zijn afgeleid van de deugdelijkheidseisen zoals die in de Wet Primair onderwijs zijn opgenomen (WPO). Daarnaast is bij de standaard OR3 (vervolgsucces) de primaire doelstelling van de Stichting NOB (aansluiting met het onderwijs in Nederland) als optionele standaard opgenomen (eventueel door de inspecteur toe te voegen)

Bij iedere standaard is tevens ruimte voor een dialoog over de eigen kwaliteitsaspecten die de school laat zien of ambieert; we benoemen deze in de vorm van mogelijke voorbeelden en deze zijn niet uitputtend. We betrekken eigen aspecten van kwaliteit voor de bevinding of waardering ‘goed’ op de standaard. Daarbij onderzoeken we of het bestuur/de school haar eigen ambities realiseert en of de school daarmee volgens wetenschappelijke inzichten goed onderwijs realiseert. Een school kan overigens ook de waardering ‘goed’ krijgen doordat zij de basiskwaliteit op overtuigende wijze realiseert

Het waarderingskader primair onderwijs kent de volgende opbouw.

KWALITEITSGEBIEDEN EN STANDAARDEN

OP

ONDERWIJSPROCES

OP1

Aanbod

OP2

Zicht op ontwikkeling

OP3

Didactisch handelen

OP4

(Extra) ondersteuning (optioneel¹ voor alleen dagonderwijs)

OP6

Samenwerking (optioneel voor alleen NTC/afstandsonderwijs)

   

SK

SCHOOLKLIMAAT

SK1

Veiligheid (alleen dagonderwijs)

SK2

Pedagogisch klimaat

   

OR

ONDERWIJSRESULTATEN

OR1

Resultaten

OR3

Vervolgsucces (optioneel voor dagonderwijs en NTC/afstandsonderwijs)

   

KA

KWALITEITSZORG EN AMBITIE

KA1

Kwaliteitszorg

KA2

Kwaliteitscultuur

KA3

Verantwoording en dialoog

   

FB

FINANCIEEL BEHEER

FB1

Continuïteit

¹ Optioneel wil zeggen dat de inspecteur deze standaard kán toevoegen

2.2. Standaarden van het waarderingskader Primair Onderwijs Nederlands onderwijs buitenland

KWALITEITSGEBIED ONDERWIJSPROCES (OP)

STANDAARD OP1 – AANBOD

Het aanbod bereidt de leerlingen voor op vervolgonderwijs en samenleving.

Basiskwaliteit

De school biedt een breed en op de kerndoelen gebaseerd aanbod dat ook de referentieniveaus taal omvat en dat aansluit bij het (beoogde) niveau van alle leerlingen. De school met taalzwakke leerlingen heeft een aanbod aan leerinhouden dat past bij de talige onderwijsbehoeften van deze leerlingen.

Het onderwijs gaat ervan uit dat leerlingen opgroeien in een pluriforme samenleving. Daarom is het onderwijs gericht op het bevorderen van actief burgerschap en sociale integratie, en op kennis hebben van en kennismaken met verschillende achtergronden en culturen van leeftijdgenoten. Op de Nederlandse taal- en cultuurscholen in het buitenland ligt de focus daarbij meer specifiek op de Nederlandse en Vlaamse cultuur. Het aanbod draagt bij aan de basiswaarden van de democratische rechtsstaat.

Het aanbod sluit aan op het niveau van de leerlingen bij binnenkomst van de school, wordt afgestemd op de onderwijsbehoeften die kenmerkend zijn voor de leerlingenpopulatie en bereidt hen voor op de doelen die er gesteld zijn en eventueel het taalaanbod bij het vervolgonderwijs in Nederland. Dat betekent bijvoorbeeld dat indien noodzakelijk er een aanvullend taalaanbod aanwezig is.

De school legt de doelen voor het onderwijs en de opbouw van het aanbod vast in het schoolplan.

Aanvulling specifiek voor dagonderwijs

Het leerstofaanbod betreft alle kerndoelen en omvat naast de referentieniveaus taal ook de referentieniveaus rekenen. Dagscholen leggen ook voor dit gedeelte van het leerstofaanbod de doelen voor het onderwijs en de opbouw van het aanbod vast in het schoolplan.

Eigen aspecten van kwaliteit

Welke eigen opdracht heeft de school opgenomen in het schoolplan en (hoe) realiseert de school deze?

Te denken valt aan:

  • toekomstgericht aanbod

  • wereldburgerschap

  • een aantrekkelijke, uitdagende leeromgeving

  • voor NTC/afstandsonderwijs:

    • op maat gesneden aanvankelijk leesonderwijs (afhankelijk van dagschool)

    • goede afstemming met het taal- en begrijpend leesaanbod van de dagschool

STANDAARD OP2 – ZICHT OP ONTWIKKELING

De school volgt de ontwikkeling van de leerlingen zodanig dat zij een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen.

Basiskwaliteit

De school verzamelt vanaf binnenkomst met behulp van een leerling- en onderwijsvolgsysteem systematisch informatie over de kennis en vaardigheden van haar leerlingen.

Voor het kennisgebied taal gebeurt dit vanaf groep 3 met betrouwbare en valide toetsen die tevens een indicatie geven van de bereikte referentieniveaus. Leraren vergelijken deze informatie met de verwachte ontwikkeling. Deze vergelijking maakt het mogelijk om het onderwijs af te stemmen op de onderwijsbehoeften van zowel groepen als individuele leerlingen. Wanneer leerlingen niet genoeg lijken te profiteren analyseert de school waar de ontwikkeling stagneert en wat mogelijke verklaringen hiervoor zijn. Vervolgens bepaalt zij wat er moet gebeuren om eventuele achterstanden bij leerlingen te verhelpen. Toetsen worden zorgvuldig en volgens de richtlijnen afgenomen.

Aanvulling specifiek voor volledig dagonderwijs

Bovenstaande geldt behalve voor het kennisgebied taal ook voor het kennisgebied rekenen. Naast de basisvaardigheden volgt de volledige dagschool ook overige kennis- en ontwikkelingsgebieden met zelf te bepalen instrumenten en/of werkwijzen.

Eigen aspecten van kwaliteit

Welke eigen opdracht heeft de school in het schoolplan opgenomen en (hoe) realiseert de school deze?

Te denken valt aan:

  • systematisch volgen van leerlingen op meerdere ontwikkelingsgebieden

  • goed zicht op de aanvankelijk lezen-vorderingen van de leerling op de dagschool en daarbij aansluiten bij het aanleren van de letters en omgaan met interferentie tussen talen

  • de school heeft een uitgebreide intake bij binnenkomst van leerlingen en zorgt voor een zorgvuldige overdracht van informatie bij vertrek van leerlingen, ook bij de overgang naar andere onderwijssystemen

STANDAARD OP3 – DIDACTISCH HANDELEN

Het didactisch handelen van de leraren stelt leerlingen in staat tot leren en ontwikkelen.

Basiskwaliteit

De leraren plannen en structureren hun handelen met behulp van informatie die zij over leerlingen hebben. De leraren zorgen ervoor dat het niveau van hun lessen past bij het beoogde eindniveau van leerlingen. De aangeboden leerstof is logisch opgebouwd binnen een reeks van lessen alsook binnen één les.

De leraren creëren een leerklimaat waardoor leerlingen actief en betrokken zijn. Met geschikte opdrachten en heldere uitleg structureert de leraar het onderwijsaanbod zo dat de leerling het zich eigen kan maken. De leraren stemmen de instructies en spelbegeleiding, opdrachten en onderwijstijd af op de behoeften van groepen en individuele leerlingen. De afstemming is zowel op ondersteuning als op uitdaging gericht, afhankelijk van de behoeften van leerlingen. Het niveau van de lessen past bij het beoogde eindniveau van de leerling(en).

Eigen aspecten van kwaliteit

Welke eigen opdracht heeft de school in het schoolplan opgenomen en (hoe) realiseert de school deze?

Te denken valt aan:

  • hoge verwachtingen van leerlingen

  • feedback geven aan leerlingen

  • efficiënte benutting van de onderwijstijd

STANDAARD OP4 – (EXTRA) ONDERSTEUNING(optioneel, alleen dagonderwijs)

Leerlingen die dat nodig hebben, ontvangen extra aanbod, ondersteuning en begeleiding.

Basiskwaliteit

Voor leerlingen die structureel een onderwijsaanbod nodig hebben op een ander niveau dan de leeftijdsgroep, biedt de school een passend onderwijsaanbod, ondersteuning en/of begeleiding, gebaseerd op de mogelijkheden van de desbetreffende leerlingen. Het aanbod, de ondersteuning en/of de begeleiding zijn gericht op een ononderbroken ontwikkeling van de leerling. De school evalueert periodiek of het aanbod het gewenste effect heeft en stelt de interventies zo nodig bij.

De school heeft in het schoolplan en de schoolgids vastgelegd wat zij onder extra ondersteuning verstaat en welke voorzieningen de school kan bieden. Voor de leerlingen die deze extra ondersteuning nodig hebben, legt de school in het ontwikkelingsperspectief vast hoe het onderwijs wordt afgestemd op de behoefte van de leerling.

Eigen aspecten van kwaliteit

Welke eigen opdracht heeft de school in het schoolplan opgenomen en (hoe) realiseert de school deze?

Te denken valt aan:

  • betrokkenheid van leerlingen bij het opstellen van leer- en ontwikkelingsdoelen

STANDAARD OP6 – SAMENWERKING (optioneel, alleen ntc-onderwijs en afstandsonderwijs)

De school werkt samen met relevante partners om het onderwijs voor haar leerlingen vorm te geven.

Basiskwaliteit

De school werkt samen met de scholen waar de leerlingen dagonderwijs volgen. Door informatie over leerlingen uit te wisselen wordt het mogelijk een doorgaande leerlijn te realiseren en indien mogelijk aan te sluiten op het onderwijs dat de leerlingen in het dagonderwijs volgen.

Eigen aspecten van kwaliteit

Welke eigen opdracht heeft de school in het schoolplan opgenomen en (hoe) realiseert de school deze?

Te denken valt aan:

  • actief contacten onderhouden met alle dagscholen waarop de leerlingen zitten

  • zicht op de curricula van de dagscholen

  • overleg met de dagscholen over leerlingen die (extra) ondersteuning nodig hebben

KWALITEITSGEBIED SCHOOLKLIMAAT (SK)

STANDAARD SK1 – VEILIGHEID (alleen dagonderwijs)

Schoolleiding en leraren dragen zorg voor een veilige omgeving voor leerlingen.

Basiskwaliteit

De school zorgt voor de sociale, fysieke en psychische veiligheid van de leerlingen in en om de school. Dit blijkt onder andere uit de beleving van de veiligheid en het welbevinden van leerlingen. De school monitort dit tenminste jaarlijks.

De school heeft een veiligheidsbeleid (beschreven in het schoolplan of een ander document), gericht op het voorkomen, afhandelen, registreren en evalueren van incidenten. Als de uitkomsten van de monitoring daartoe aanleiding geven, treft de school maatregelen om de situatie te verbeteren. De school heeft een persoon als aanspreekpunt als het gaat om pesten en voor coördinatie van het beleid tegen pesten. Schoolleiding en leraren voorkomen pesten, agressie en geweld in elke vorm en treden zo nodig snel en adequaat op. De uitingen van leerlingen en personeel zijn in lijn met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat.

Eigen aspecten van kwaliteit

Welke eigen opdracht heeft de school in het schoolplan opgenomen en (hoe) realiseert de school deze?

Te denken valt aan:

  • Beleid sociale media

  • Preventieve maatregelen bij calamiteiten (natuurgeweld, politieke onrust, etc)

  • Afstemming met actoren buiten de school

STANDAARD SK2 – PEDAGOGISCH KLIMAAT

De school heeft een ondersteunend pedagogisch klimaat.

Basiskwaliteit

Hiervoor gelden (in Nederland en in het Nederlands onderwijs in het buitenland) geen wettelijke eisen.

Eigen aspecten van kwaliteit

Welke eigen opdracht heeft de school in het schoolplan opgenomen en (hoe) realiseert de school deze?

Te denken valt aan:

  • gedragsregels voor leerlingen en leraren

  • betrokkenheid leerlingen bij het realiseren van een positief schoolklimaat

  • voorbeeldgedrag door leraren

  • inrichten van oefensituaties om leerlingen te begeleiden bij de ontwikkeling van sociale en

  • maatschappelijke competenties

  • inrichting van het gebouw

KWALITEITSGEBIED ONDERWIJSRESULTATEN (OR)

STANDAARD OR1 – ONDERWIJSRESULTATEN

De school behaalt met haar leerlingen onderwijsresultaten die ten minste in overeenstemming zijn met de gestelde norm.

Basiskwaliteit

De cognitieve eindresultaten liggen op het niveau dat op grond van de kenmerken van de leerlingenpopulatie verwacht mag worden. Dit betekent in het primair onderwijs dat de eindresultaten Nederlandse taal voldoen aan de gestelde norm.

Aanvulling specifiek voor dagonderwijs

Behalve voor Nederlandse taal voldoen ook de eindresultaten voor rekenen aan de gestelde norm en zijn in overeenstemming met hetgeen op grond van de kenmerken van de leerlingenpopulatie verwacht mag worden.

Eigen aspecten van kwaliteit

Welke eigen opdracht heeft de school in het schoolplan opgenomen en (hoe) realiseert de school deze?

Te denken valt aan:

  • eigen hoge normen worden gerealiseerd

  • bereikte leergroei van leerlingen

  • voor dagonderwijs: de doelen die de school heeft bereikt bij andere ontwikkelingsgebieden dan taal en rekenen.

STANDAARD OR3 – VERVOLGSUCCES (optioneel)

De bestemming van de leerling na het verlaten van de school is bekend en voldoet ten minste aan de verwachtingen van de school.

Basiskwaliteit

Hiervoor gelden (in Nederland en in het Nederlands onderwijs in het buitenland) geen wettelijke eisen. Vanwege de primaire doelstelling van de Stichting NOB (bevorderen van de aansluiting met het onderwijs in Nederland) is deze standaard optioneel opgenomen: de inspecteur kán deze standaard toevoegen.

Eigen aspecten van kwaliteit

Welke eigen opdracht heeft de school in het schoolplan opgenomen en (hoe) realiseert de school deze?

Te denken valt aan:

  • vervolgsucces van leerlingen monitoren na het verlaten van de school

  • conclusies over de mate waarin het vervolgsucces aansluit bij de gegeven adviezen

KWALITEITSGEBIED KWALITEITSZORG EN AMBITIE

STANDAARD KA1 – KWALITEITSZORG

Het bestuur en de school hebben een stelsel van kwaliteitszorg ingericht en verbeteren op basis daarvan het onderwijs.

Basiskwaliteit

Het bestuur zorgt voor een stelsel van kwaliteitszorg op de scholen. Dit stelsel staat uitgewerkt in het schoolplan van de school. Vanuit dit stelsel bewaakt en bevordert het bestuur de kwaliteit van het onderwijsleerproces en de leerresultaten.

Het bestuur en de scholen hebben zicht op de kwaliteit van het onderwijs. Er zijn toetsbare doelen geformuleerd en er wordt regelmatig geëvalueerd of deze doelen gehaald worden. De oorzaken van eventueel tekortschietende onderwijskwaliteit zijn geanalyseerd en waar nodig worden verbeteringen doelgericht doorgevoerd. De verantwoordelijkheidsverdeling tussen bestuur en scholen maakt een functionerend stelsel van kwaliteitszorg mogelijk.

Eigen aspecten van kwaliteit

Is er aanvullend beleid over de wijze waarop de kwaliteit wordt bevorderd en bewaakt en (hoe) wordt dit gerealiseerd?

Te denken valt aan:

  • ambitieuze doelen

  • strategisch omgaan met groei

STANDAARD KA2 – KWALITEITSCULTUUR

Het bestuur en zijn school (scholen) kennen een professionele kwaliteitscultuur en functioneren transparant en integer.

Basiskwaliteit

Het bestuur handelt volgens de code van goed bestuur en legt uit wanneer het daarvan afwijkt. Deze handelwijze leidt tot een integere en transparante organisatiecultuur. Ieder werkt vanuit zijn eigen rol aan de verbetering van de onderwijskwaliteit.

Het bestuur zorgt voor bekwaam en bevoegd personeel op alle scholen en maakt mogelijk dat het personeel haar bekwaamheid onderhoudt. De schoolleiding en het team werken gezamenlijk aan een voortdurende verbetering van hun professionaliteit. Leraren houden daarbij rekening met de gestelde bekwaamheidseisen en beroepsprofielen en behaalde resultaten bij leerlingen. Zij krijgen daartoe voldoende gelegenheid. De wijze waarop ze dit doen, staat helder beschreven in het schoolplan.

Eigen aspecten van kwaliteit

Is er aanvullend beleid over de professionalisering en de kwaliteitscultuur en (hoe) wordt dit beleid gerealiseerd?

Te denken valt aan:

  • strategisch HRM-beleid

  • faciliteren van bijscholing op afstand en in Nederland

STANDAARD KA3 VERANTWOORDING EN DIALOOG

Het bestuur en de school leggen intern en extern toegankelijk en betrouwbaar verantwoording af over doelen en resultaten en voeren daarover actief een dialoog.

Basiskwaliteit

Het bestuur en de scholen hebben tegenspraak georganiseerd. Dit gebeurt in ieder geval door de ouders en personeel te betrekken bij beleids- en besluitvorming. Het bestuur en de scholen brengen minimaal jaarlijks verslag uit over haar doelen en de resultaten die zij behaalt. Zij doen dit op toegankelijke wijze. Het bestuur en de school verantwoorden zich aan de overheid en aan belanghebbenden.

Eigen aspecten van kwaliteit

Is er aanvullend beleid over de wijze waarop verantwoording wordt afgelegd en (hoe) wordt dit beleid gerealiseerd?

Te denken valt aan:

  • een actieve dialoog met de omgeving over ambities en resultaten

  • afstemmen van doelen en overleg met de internationale school, waarin de NTC-school is gehuisvest

  • participatie door een bestuurslid van de NTC in ‘the board’ van de internationale school, en/of constructies waarin participatie met de internationale school mogelijk is.

KWALITEITSGEBIED BEHEER

STANDAARD FB1 – CONTINUÏTEIT

Het bestuur is financieel gezond en kan op korte en langere termijn voldoen aan zijn financiële verplichtingen.

Basiskwaliteit

Voor continuïteit is het van belang dat het bestuur inzicht heeft in de financiële uitgangspositie en de ontwikkelingen in de komende drie jaar, en daar beleid op uitzet. In het jaarverslag geeft het bestuur inzicht in deze ontwikkelingen en de daaraan verbonden financiële gevolgen. Het bestuur bespreekt het voorgaande regelmatig met de medezeggenschap, treft zo nodig corrigerende maatregelen en verantwoordt zich over het geheel in de jaarverslaggeving.

Eigen aspecten van kwaliteit

Is er aanvullend beleid op de continuïteit van het bestuur/de school en (hoe) wordt dit gerealiseerd?

Te denken valt aan:

  • de wijze waarop het bestuur het duurzaam voortbestaan waarborgt in bijzondere omstandigheden zoals natuurrampen en andere calamiteiten

  • de financiële positie van het bestuur, waarmee het alle financiële verplichtingen op korte en langere termijn kan nakomen.

2.3. Aspecten van naleving

De Nederlandse wetgeving is zoals eerder vermeld beperkt van toepassing op het onderwijs in het buitenland. De Stichting NOB stelt als subsidievoorwaarden onder meer het hebben van een schoolgids en een schoolplan. Afgeleid van het toezicht op de naleving van wet- en regelgeving in Nederland en aansluitend bij de subsidievoorwaarden van de Stichting NOB controleert de inspectie of de schoolgids en het schoolplan van Nederlandse scholen in het buitenland dezelfde onderdelen bevatten als welke in Nederland wettelijk verplicht zijn, voor zover deze van toepassing zijn op het Nederlands onderwijs buitenland. De formuleringen zijn daarop aangepast.

Daarnaast controleert de inspectie de bevoegdheden van de docenten en de onderwijstijd.

2.3.1. Naleving documenten:

  • aanwezigheid schoolgids

  • aanwezigheid schoolplan

  • bovengenoemde documenten voldoen aan de wettelijke eisen zoals die in Nederland gelden op het punt van:

    • vermelding klachtenregeling (SG)

    • hanteren meldcode (SG dagonderwijs)

    • eigen ambities (SP)

    • vermelden van behaalde resultaten (leerresultaten en versterken kwaliteit)

2.3.2. Bevoegdheden:

  • voor dagonderwijs PO en VO: bevoegdheden geldend zoals in Nederland

  • voor NTC:

    • bevoegdheid voor PO dan wel VO (bevoegdheid voor Nederlandse taal)

    • eventueel behaald via het bekwaamheidstraject van de Stichting NOB

2.3.3. Onderwijstijd:

  • De leerlingen krijgen voldoende tijd om zich het leerstofaanbod eigen te maken.

    • De school heeft voldoende onderwijstijd voor de Nederlandse taal gepland (120 uur voor NTC, vergelijkbaar aantal uren op jaarbasis dat in Nederland geldt voor volledig dagonderwijs).

    • De uitval van geplande onderwijsactiviteiten blijft beperkt.

    • Leraren maken efficiënt gebruik van de geplande onderwijstijd en er is weinig tot geen ongeoorloofd verzuim.

3. Normering en oordeelsvorming

In dit hoofdstuk beschrijven we hoe we met behulp van het waarderingskader uit hoofdstuk 2 tot bevindingen en waarderingen komen over de kwaliteit van het onderwijs, de kwaliteitszorg en het financieel beheer bij de scholen.

3.1. Kwaliteitsbepaling op twee niveaus: op niveau van de standaarden en op schoolniveau

We toetsen de kwaliteit van het onderwijs, de kwaliteitszorg en het financieel beheer primair op het niveau van de standaard. Standaarden omvatten een omschrijving van de ‘basiskwaliteit’ en eigen aspecten van kwaliteit. In paragraaf 3.2 beschrijven we de normering op basis van de basiskwaliteit en in paragraaf 3.3 beschrijven we de richtlijn voor de waardering van de eigen aspecten van kwaliteit.

De bevindingen en waarderingen op de standaarden leiden tot een kwalificatie van de school als geheel (par. 3.4). In paragraaf 3.5 gaan we in op het proces van vaststellen van bevindingen en waarderingen en het vervolgtoezicht.

3.2. Normering standaarden: bevindingen op deugdelijkheidseisen3 (basiskwaliteit)

Voor de waardering goed worden de eigen aspecten van kwaliteit als volgt bij de oordeelsvorming betrokken

Bevinding/ waardering standaard¹

Norm voor standaarden met deugdelijkheidseisen

Goed

De school voldoet ruimschoots aan alle deugdelijkheidseisen bij de standaard en realiseert op overtuigende wijze eigen aspecten van kwaliteit.

   

Voldoende (basiskwaliteit)

De school voldoet aan de deugdelijkheidseisen (basiskwaliteit).

   

Onvoldoende

De school voldoet niet aan de deugdelijkheidseisen

¹ Waar het gaat om wettelijke eisen in Nederland, spreken we van ‘bevinding’; voor niet wettelijke eisen in Nederland gebruiken we de term ‘waardering’.

3.3. Waardering eigen aspecten van kwaliteit (niet-wettelijke eisen)

De waardering van de eigen aspecten van kwaliteit vindt op de volgende manier plaats:

Bij de oordeelsvorming op de standaard kan de ambitie en realisatie van de eigen aspecten van kwaliteit doorslaggevend zijn voor de waardering ‘goed’ (naast het realiseren van de deugdelijkheidseisen zoals die in Nederland gelden, zie par. 3.2).

De standaarden Pedagogisch klimaat en Vervolgsucces kennen in het primair onderwijs in Nederland geen wettelijke basis. Als de school op deze standaarden geen eigen ambities en doelen stelt/realiseert, dan leidt dat niet tot een bevinding ‘onvoldoende’, maar geven we dit aan als de waardering ‘kan beter’. Als de school de eigen aspecten van kwaliteit op overtuigende wijze laat zien (zowel in ambitie als realisatie) dan verbinden we daar de waardering ‘goed’ aan.

We hanteren bij deze niet-wettelijke eisen (op de standaarden Pedagogisch klimaat en Vervolgsucces) de volgende terminologie:

Waardering standaard

Richtlijn voor waardering eigen aspecten van kwaliteit

Goed

De school voldoet ruimschoots aan de standaard en/of laat de eigen aspecten van kwaliteit op overtuigende wijze zien.

   

Voldoende

De school voldoet aan de standaard en laat daarnaast de eigen benoemde aspecten van kwaliteit zien.

   

Kan beter

De school voldoet niet aan de standaard en/of laat de eigen benoemde aspecten van kwaliteit niet of beperkt zien.

3.4. Normering op het schoolniveau

Op basis van de gehanteerde normen op standaardniveau komt de inspectie tot de volgende bevinding op schoolniveau. We volgen daarbij de volgende normen:

Bevinding op schoolniveau

Norm

Voldoende (basiskwaliteit)

De standaarden Zicht op ontwikkeling, Didactisch handelen, Veiligheid¹ én Onderwijsresultaten zijn voldoende én niet meer dan één standaard in het gebied Onderwijsproces is onvoldoende.

   

Onvoldoende

Eén of meer van de standaarden Zicht op ontwikkeling of Didactisch handelen of Veiligheid én Leerresultaten zijn onvoldoende, óf twee standaarden in het gebied Onderwijsproces zijn onvoldoende.

   

Onderwijsresultaten niet te beoordelen

 
   

Voldoende (basiskwaliteit)

De standaarden Zicht op ontwikkeling, Didactisch handelen, Veiligheid én Kwaliteitszorg zijn voldoende én niet meer dan één standaard in het gebied Onderwijsproces is onvoldoende.

   

Onvoldoende

Eén of meer van de standaarden Zicht op ontwikkeling of Didactisch handelen of Veiligheid en Kwaliteitszorg zijn onvoldoende, óf twee standaarden in het gebied Onderwijsproces zijn onvoldoende.

¹ Dit geldt alleen voor dagonderwijs

3.5. Het tot stand komen van bevindingen en waarderingen

3.5.1. Naleving deugdelijkheidseisen

Bij onze oordeelsvorming hanteren we bovengenoemde normering als richtlijn. De mate waarin de onderwijspraktijk de essentie en de bedoeling van met name de deugdelijkheidseisen zoals die in Nederland gelden tentoonspreidt, is bepalend voor onze bevindingen. Daarbij hanteren we het uitgangspunt dat voor de bevinding ‘voldoende’ aan de deugdelijkheidseisen behorend bij de standaard moet worden voldaan. We toetsen echter niet de naleving van elke deugdelijkheidseis per standaard op zichzelf, maar in relatie tot de kwaliteit die met de standaard wordt beoogd. Het kan zijn dat een school op een standaard een positief beeld laat zien, maar dat aan een bepaald element van de standaard (nog) niet wordt voldaan.

Als het niet-naleven van die deugdelijkheidseis beperkt van invloed is op de aangetroffen kwaliteit én als het punt eenvoudig en op korte termijn kan worden hersteld, dan constateren we de bevinding ‘voldoende’ op de standaard. Het bestuur krijgt dan een opdracht tot herstel, en ziet zelf toe op de herstel van naleving.

3.5.2. Het waarderen van eigen aspecten van kwaliteit in relatie tot de waardering ‘goed’ op standaardniveau.

Waar we voor de cesuur voldoende/onvoldoende heldere richtlijnen hanteren op basis van de basiskwaliteit (deugdelijkheidseisen zoals die in Nederland gelden), ligt dit voor de waardering ‘goed’ genuanceerder. Naast het zichtbaar voldoen aan alle basiskwaliteit (deugdelijkheidseisen) bij de standaard kijken we voor een waardering goed tevens naar de eigen aspecten van kwaliteit: laat de school op overtuigende wijze zien hoe zij haar eigen kwaliteitsbeleid op de betreffende standaard vormgeeft en realiseert, en of de school daarmee volgens wetenschappelijke inzichten goed onderwijs realiseert. Het schoolplan is daarbij de belangrijkste bron. De interpretatieruimte is hier groter en we baseren ons daarbij primair op de ambities van het bestuur en de keuzes die de school daarin maakt.

3.5.3. Omgevingsfactoren

Omgevingsfactoren, de context waarbinnen de school opereert, kunnen in positieve of negatieve zin van invloed zijn op de onderwijskwaliteit en de financiële continuïteit. Omgevingsfactoren zijn onder meer: de ontwikkeling van de leerlingenpopulatie, huisvesting, personele samenstelling, organisatieontwikkeling, ontwikkeling bestuur en intern toezicht. Echter, onze bevindingen betreffen altijd de kwaliteit van het onderwijs zoals leerlingen dat ontvangen, ongeacht de omgevingsfactoren.

Hoewel omgevingsfactoren dus niet van invloed zijn op onze bevindingen, spelen zij wel een belangrijke rol bij het bepalen van passende interventies in het kader van vervolgtoezicht. Dat geldt vooral in de buitenlandsituatie, die zeer divers kan zijn (zie paragraaf 3.5.4).

3.5.4. Expertise van de bevindingen

Het karakter van het waarderingskader, met enerzijds een stevige basis (vaststelling door de minister en vermelding in de subsidieregeling van de Stichting NOB), en anderzijds ruimte voor eigen aspecten van kwaliteit, stelt hoge eisen aan onze expertise. Met het onderzoekskader als instrument en met de vermelde richtlijnen voor de bevindingen en waarderingen kwalificeren we de feitelijke realisatie van het onderwijs zoals leerlingen dat ontvangen. Het gaat daarbij om de expertise van de inspectie. Met onze deskundigheid als toezichthouder en met kennis van zaken op de onderscheiden kwaliteitsgebieden zijn we in staat om in gelijke situaties tot gelijke bevindingen te komen.

Onze bevindingen hebben een wettelijke basis en komen tot stand met gebruik van meerdere bronnen, zoals documenten van de instelling en gesprekken met leraren, leerlingen, ouders en medezeggenschapsorganen. We passen hoor en wederhoor toe. We werken in teams, onze bevindingen komen in consensus tussen de inspecteurs tot stand en referenten becommentariëren in de rapportagefase de onderbouwing van onze bevindingen. Met deze werkwijze komen we tot een afgewogen geheel.

Voor de waardering van de eigen aspecten van kwaliteit hanteren we een soortgelijke werkwijze. We hebben hier de rol van de critical friend. Het bestuur en de school zijn hier zelf aan zet en we passen onze toezichtstijl daarop aan.

Onze focus gedurende het gehele proces van kwalificeren en waarderen is dat we recht doen aan de onderwijskwaliteit die we aantreffen en we zijn hierin geslaagd als besturen en scholen onze bevindingen en waarderingen als fair ervaren. In de buitenlandsituatie geldt het paradigma dat (taal)scholen en inspectie ieder vanuit hun eigen rol samenwerken aan het bevorderen van de onderwijskwaliteit om de aansluiting voor leerlingen bij hun migratie te bevorderen.

3.6. Vervolgtoezicht

3.6.1. Herstelopdrachten

Het effect van het niet naleven van een deugdelijkheidseis zoals die in Nederland geldt, kan verschillen per doelgroep en dit wegen we mee in het bepalen van de herstelopdracht. Interventies van de inspectie kunnen afhankelijk van de contextfactoren een meer of minder directief karakter hebben. In de praktijk zullen we bij herstelopdrachten waarbij niet wordt voldaan aan de deugdelijkheidseisen zoals die in Nederland gelden, of ingeval van niet voldoen aan eisen van aansluiting bij de Stichting NOB, de herstelopdrachten monitoren afhankelijk van de gestelde hersteltermijn. Onze bevinding van de kwaliteitszorg (KA1) is daarbij mede bepalend voor het vervolgtoezicht. Het gaat hierbij om maatwerk. Afhankelijk van het niveau van de kwaliteitszorg kan het zijn dat we besturen vragen om informatie toe te sturen of op andere wijze tussentijds contact te hebben om aan te tonen dat aan de herstelopdracht wordt gewerkt en/of is voldaan. Zo mogelijk maken we van dat laatste aanvullend melding op de website van de inspectie bij de rapportage over de school.

3.6.2. Frequentie van bezoek

In principe bezoekt de inspectie de Nederlandse scholen in het buitenland eens in de vier jaar. Bij onvoldoende kwaliteit op schoolniveau vindt een vervolgbezoek na twee jaar plaats (herstelonderzoek). Tot een herstelonderzoek zal eerder besloten worden als de kwaliteitszorg (standaard KA1) niet op orde is.

Bij een herstelonderzoek worden opnieuw alle (gebruikelijke) standaarden onderzocht en vermelden we opnieuw onze bevindingen en waarderingen. Het is efficiënt om een volledig kwaliteitsbeeld te schetsen zodat de school bij voldoende herstel van de kwaliteit (‘voldoende’ op schoolniveau) weer onder de reguliere toezichtsystematiek kan vallen.

3.6.3. Escalatie

Bij onvoldoende herstel op schoolniveau én bij onvoldoende zicht op verdere spoedige kwaliteitsverbetering kan de inspectie de Stichting NOB adviseren de aansluiting van de school bij de stichting en daarmee de subsidieverstrekking in te trekken. Dit gebeurt uitsluitend nadat een herstelonderzoek heeft plaatsgevonden.

Onderzoekskader 2019

voor het toezicht op de Nederlandse scholen in het buitenland voortgezet onderwijs

Inhoud

1.

Inleiding

15

2.

Het waarderingskader

17

 

2.1

Opbouw van het waarderingskader

17

 

2.2

Standaarden van het waarderingskader Voortgezet Onderwijs Nederlands onderwijs buitenland

18

 

2.3

Aspecten van naleving

24

 

2.3.1.

Naleving documenten:

24

 

2.3.2.

Bevoegdheden:

24

 

2.3.3

Onderwijstijd:

24

3.

Normering en oordeelsvorming

24

 

3.1

Kwaliteitsbepaling op twee niveaus: op niveau van de standaarden en op schoolniveau

24

 

3.2

Normering standaarden: bevindingen op deugdelijkheidseisen (basiskwaliteit)

24

 

3.3

Waardering eigen aspecten van kwaliteit (niet-wettelijke eisen)

25

 

3.4

Normering op het schoolniveau

25

 

3.5

Het tot stand komen van bevindingen en waarderingen

26

 

3.5.1

Naleving deugdelijkheidseisen

26

 

3.5.2

Het waarderen van eigen aspecten van kwaliteit in relatie tot de waardering ‘goed’ op standaardniveau

26

 

3.5.3

Omgevingsfactoren

26

 

3.5.4

Expertise van de bevindingen

26

 

3.6

Vervolgtoezicht

27

 

3.6.1

Herstelopdrachten

27

 

3.6.2

Frequentie van bezoek

27

 

3.6.3

Escalatie

27

1. Inleiding

Diversiteit van het onderwijsveld

Het Nederlands onderwijs in het buitenland kent verschillende verschijningsvormen. Naast volledig primair en voortgezet dagonderwijs (deze scholen lijken erg op het onderwijs in Nederland) zijn er de leslocaties voor Nederlandse taal en cultuur (NTC), waarin leerlingen gedurende drie uur per week het Nederlands bijhouden. Dit gebeurt naast het lokale of internationale dagonderwijs dat deze leerlingen in het buitenland volgen. Als derde verschijningsvorm is er het afstandsonderwijs. Dit is vrijwel altijd een verbijzondering van het NTC-onderwijs, maar bij sommige instellingen ook als volledig dagonderwijs te volgen.

Juridische basis

De wettelijke basis van de onderzoekskaders Nederlands onderwijs buitenland is ontleend aan artikel 6, derde lid van Regeling Nederlands Onderwijs Buitenland 2019, waarin is opgenomen dat de Inspectie van het Onderwijs toezicht houdt op het Nederlands onderwijs buitenland, volgens door de Minister vastgestelde onderzoekskaders.

Noch de Wet op het Primair Onderwijs (WPO), noch de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO), noch de Leerplichtwet 1969 zijn formeel van toepassing. Deze laatste wet is alleen van kracht wanneer leerlingen zijn ingeschreven in de basisadministratie van een gemeente in Nederland. De Nederlandse scholen in het buitenland vallen ook niet onder de regelgeving van passend onderwijs.

Vergelijkbare kwaliteit om aansluiting van leerlingen te realiseren

De onderzoekskaders primair en voortgezet onderwijs voor het Nederlands onderwijs buitenland komen ondanks de genoemde diversiteit aan verschijningsvormen en ondanks de andere wettelijke basis zoveel mogelijk overeen met, en zijn afgeleid van de onderzoekskaders zoals die in Nederland gelden.

De reden hiervoor is dat het Nederlands onderwijs buitenland de aansluiting met het onderwijs in Nederland beoogt. Continuïteit in het onderwijs voor leerlingen én continuïteit in de inrichting en de kwaliteit van de Nederlandse scholen in het buitenland en van de scholen in Nederland liggen in elkaars verlengde. Dat betekent dat de wijze waarop de inspectie de kwaliteit van het Nederlands onderwijs in het buitenland kwalificeert, vergelijkbaar dient te zijn met de wijze waarop dit in Nederland gebeurt. Dit betreft vooral de opbouw van het kader in kwaliteitsaspecten en standaarden, en in het onderscheid tussen wettelijke en niet-wettelijke aspecten van kwaliteit.

De onderzoekskaders voor scholen primair en voortgezet onderwijs in Nederland onderscheiden wettelijke aspecten (deugdelijkheidseisen) en eigen aspecten van kwaliteit. Deze deugdelijkheidseisen zijn voor de scholen in het buitenland niet rechtstreeks vanuit de sectorwetten of de Leerplichtwet 1969 toepasbaar. Omwille van de vergelijkbaarheid van kwaliteit van Nederlandse scholen in het buitenland en scholen in Nederland, hanteren we in de onderzoekskaders Nederlands Onderwijs buitenland de term ‘basiskwaliteit’, die vergelijkbaar is met de deugdelijkheidseisen zoals die voor scholen in Nederland gelden. Op de standaarden die het betreft spreken we van ‘bevindingen’. Dit omdat de term ‘oordeel’ uitsluitend is voorbehouden aan wettelijke eisen’. Daarnaast hanteren we de term ‘eigen aspecten van kwaliteit’, hetgeen overeenkomt met eigen aspecten van kwaliteit in de onderzoekskaders primair en voortgezet onderwijs zoals die in Nederland gelden. Op deze standaarden geven we ‘waarderingen’.

Aanpassingen nodig

De bijzondere omstandigheden van het Nederlands onderwijs in het buitenland vragen aanpassingen. Naast het logistieke argument (de Nederlandse scholen in het buitenland zijn over de hele wereld verspreid) is ook de grote wisseling van populaties van het Nederlands onderwijs in het buitenland een belangrijke overweging. We zien herhaaldelijk dat na een periode van vier jaar niet alleen het gehele schoolteam is gewisseld, maar ook de directie, het bestuur en bovendien een groot deel van de leerlingenpopulatie. Deze discontinuïteit vraagt maatwerk in het toezicht, en een andere insteek dan in Nederland wordt toegepast. Deze aanpassingen hebben met name consequenties voor de systematiek van het toezicht en voor de normering, en beschrijven we hieronder.

Concreet betreft het aanpassingen op het punt van de bestuursgerichte benadering, de kwalificatie ‘goed’ (en ‘excellent’), alsmede de kwalificatie ‘zeer zwak’ en het hanteren van herstelopdrachten.

De bestuursgerichte benadering, waarbij in Nederland wordt uitgegaan van een grote mate van autonomie van besturen, maar ook van continuïteit van bestuurlijk handelen ten behoeve van vaak meerdere scholen, in relatie tot andere schoolbesturen, gemeenten en samenwerkingsverbanden vraagt bij het Nederlands onderwijs buitenland een geheel andere invulling. De besturen van het Nederlands in het buitenland functioneren doorgaans autonoom als éénpitter in een geïsoleerde omgeving. Wel vergelijkbaar is het aanspreken van het bestuur op haar verantwoordelijkheid voor het in standhouden van de school en voor de kwaliteit van het onderwijs. In die zin zijn de gehanteerde standaarden van de waarderingskaders in gelijke mate van toepassing, maar worden waarderingen alleen gegeven op schoolniveau.

De kwalificatie ‘goed’ is op schoolniveau niet van toepassing bij het toezicht op het Nederlands onderwijs in het buitenland. In het Nederlands onderwijs in het buitenland komt daarom ook de kwalificatie ‘excellent’ op schoolniveau niet voor. De inspectie beschouwt ‘goed’ wel als het streefniveau van scholen. In de toekomst zullen we deze kwalificatie op schoolniveau daarom wellicht wel toekennen. De waardering ‘goed’ komt wel voor op het niveau van standaarden.

Het stimulerende element van het toezicht in het buitenland komt tot uitdrukking in de waardering van de eigen aspecten van kwaliteit. Het richtinggevende model schoolplan van de Stichting NOB volgt voor zover van toepassing de opzet en indeling van het schoolplan zoals dat in Nederland van toepassing is. Evenals in Nederland kunnen Nederlandse scholen in het buitenland in hun schoolplan aangeven welke de eigen aspecten van kwaliteit zijn die zij nastreven.

Daarnaast krijgt het stimulerende element van toezicht vorm door het meedenken met het bestuur en andere betrokkenen over oplossingen die de specifieke situatie vereist. Dat geldt met name voor het NTC-onderwijs, dat verreweg het grootste aandeel van het Nederlands onderwijsaanbod in het buitenland vormt. Doordat de inspecteurs op NTC-scholen in heel verschillende omstandigheden en op heel verschillende locaties komen, kennen zij de voor die situatie gekozen problemen en oplossingen. Dat maakt hun een waardevolle gesprekspartner voor de besturen, directies en schoolteams, die vaak maar korte tijd op de betreffende locatie verblijven. Ook de kennis van (de veranderingen van) het onderwijs en van de regelgeving in Nederland is voor besturen, directies en schoolteams in het buitenland relevant.

De kwalificatie ‘zeer zwak’ en het hanteren van herstelopdrachten is een derde belangrijke afwijking van de reguliere toezichtsystematiek in Nederland. Bij onvoldoende kwaliteit van standaarden en van overige al dan niet wettelijke eisen (zoals bijvoorbeeld de onderwijstijd) geeft de inspectie herstelopdrachten. Indien nodig kennen we ook de kwalificatie ‘onvoldoende’ (op schoolniveau) toe. Bij de afweging sluiten we aan bij de in Nederland gehanteerde normering.

De kwalificatie ‘zeer zwak’ is in het buitenland niet van toepassing.

Indien nodig vragen we verbeterplannen en voortgangsrapportages, die we op afstand monitoren. Bij onvoldoende kwaliteit op schoolniveau vindt in de regel na twee jaar opnieuw een kwaliteitsonderzoek plaats. Indien de kwaliteit van de school als geheel dan nog niet op orde is, adviseert de inspectie de Stichting NOB de aansluiting van de school bij de Stichting NOB te beëindigen, hetgeen betekent dat de subsidie vanuit de Stichting NOB kan worden ingetrokken

2. Het waarderingskader

Het waarderingskader Voortgezet Onderwijs

In dit hoofdstuk beschrijven we het waarderingskader. We beschrijven de opbouw van het kader (paragraaf 3.1). In paragraaf 3.2 is vervolgens het waarderingskader opgenomen voor de dagscholen en NTC-scholen en instellingen voor afstandsonderwijs. Daarbij hanteren we als uitgangspunt in de beschrijving van de standaard de kwaliteitseisen aan het NTC- en afstandsonderwijs. Indien van toepassing is er per standaard een aanvulling voor het dagonderwijs. In paragraaf 3.3 komen aspecten van naleving aan de orde. Waar van toepassing zijn deze aspecten van naleving aanvullend gebaseerd op de aansluitingsvoorwaarden van de Stichting NOB.

2.1. Opbouw van het waarderingskader

In het waarderingskader onderscheiden we vijf kwaliteitsgebieden: Onderwijsproces, Schoolklimaat, Onderwijsresultaten, Kwaliteitszorg en ambitie en Financieel beheer.

Met het waarderingskader krijgen we zicht op de drie elementaire vragen over de betekenis van het onderwijs voor leerlingen: leren ze genoeg (Onderwijsresultaten), krijgen ze goed les (Onderwijsproces) en zijn ze veilig (Schoolklimaat). De standaarden in deze drie gebieden geven gezamenlijk de kern van het onderwijs weer zoals de leerling dat ontvangt.

De gebieden Kwaliteitszorg en ambitie en Financieel beheer zijn voorwaardelijk voor (het voortbestaan van) de kwaliteit. We definiëren onderwijskwaliteit dan ook als het geheel van de prestaties van de school op deze gebieden.

Iedere standaard binnen het kwaliteitsgebied is op grond van basisvoorwaarden geoperationaliseerd. Deze basisvoorwaarden zijn afgeleid van de deugdelijkheidseisen zoals die in de Wet Voortgezet onderwijs zijn opgenomen (WVO). Daarnaast is bij de standaard OR3 (vervolgsucces) de primaire doelstelling van de Stichting NOB (aansluiting met het onderwijs in Nederland) als optionele standaard opgenomen (eventueel door de inspecteur toe te voegen).

Bij iedere standaard is tevens ruimte voor een dialoog over de eigen kwaliteitsaspecten die de school laat zien of ambieert; we benoemen deze in de vorm van mogelijke voorbeelden en deze zijn niet uitputtend. We betrekken eigen aspecten van kwaliteit voor de bevinding of waardering ‘goed’ op de standaard. Daarbij onderzoeken we of het bestuur/de school haar eigen ambities realiseert en of de school daarmee volgens wetenschappelijke inzichten goed onderwijs realiseert. Een school kan overigens ook de waardering ‘goed’ krijgen doordat zij de basiskwaliteit op overtuigende wijze realiseert

Het waarderingskader voortgezet onderwijs kent de volgende opbouw.

KWALITEITSGEBIEDEN EN STANDAARDEN

OP

ONDERWIJSPROCES

OP1

Aanbod

OP2

Zicht op ontwikkeling en begeleiding

OP3

Didactisch handelen

OP4

(Extra) ondersteuning (optioneel¹ voor alleen dagonderwijs)

OP6

Samenwerking (optioneel voor alleen NTC/afstandsonderwijs)

OP8

Toetsing en afsluiting

   

SK

SCHOOLKLIMAAT

SK1

Veiligheid (alleen dagonderwijs)

SK2

Pedagogisch klimaat

   

OR

ONDERWIJSRESULTATEN

OR1

Resultaten

OR3

Vervolgsucces (optioneel voor dagonderwijs en NTC/afstandsonderwijs)

   

KA

KWALITEITSZORG EN AMBITIE

KA1

Kwaliteitszorg

KA2

Kwaliteitscultuur

KA3

Verantwoording en dialoog

   

FB

FINANCIEEL BEHEER

FB1

Continuïteit

¹ Optioneel wil zeggen dat de inspecteur deze standaard kán toevoegen

2.2. Standaarden van het waarderingskader Voortgezet Onderwijs Nederlands onderwijs buitenland

Kwaliteitsgebied onderwijsproces (op)

STANDAARD OP1 – AANBOD

Het aanbod bereidt de leerlingen voor op vervolgonderwijs en samenleving.

Basiskwaliteit

De school biedt een breed en op de kerndoelen gebaseerd aanbod dat ook de referentieniveaus taal omvat. Het aanbod is dekkend voor examenprogramma’s. Het aanbod bereidt de leerlingen inhoudelijk goed voor op het vervolgonderwijs.

Leerlingen groeien op in een pluriforme samenleving. Daarom is het onderwijs gericht op het bevorderen van actief burgerschap en sociale integratie, en op kennis hebben van en kennismaken met verschillende achtergronden en culturen van leeftijdgenoten. Op de Nederlandse taal- en cultuurscholen in het buitenland ligt de focus daarbij meer specifiek op de Nederlandse en Vlaamse cultuur. Het aanbod draagt bij aan de basiswaarden van de democratische rechtsstaat.

Het aanbod dat de school biedt sluit aan op het niveau van de leerlingen en kan gedurende de schoolloopbaan verdiept en verbreed worden, zodat leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen. Dat betekent bijvoorbeeld dat voor leerlingen met een taalachterstand de school een aanvullend taalaanbod heeft.

Bovendien heeft de school de leerinhouden evenwichtig en in samenhang over de leerjaren verdeeld.

De school legt de doelen voor het onderwijs en de opbouw van het aanbod vast in het schoolplan.

Aanvulling specifiek voor dagonderwijs

Het leerstofaanbod betreft alle kerndoelen en omvat naast de referentieniveaus taal ook de referentieniveaus rekenen. Dagscholen leggen ook voor dit gedeelte van het leerstofaanbod de doelen voor het onderwijs en de opbouw van het aanbod vast in het schoolplan. Indien de school een opleiding op het niveau van VMBO-basis of kader aanbiedt, omvat het aanbod mede activiteiten op het gebied van loopbaanleren (LOB).

Eigen aspecten van kwaliteit

Welke eigen opdracht heeft de school opgenomen in het schoolplan en (hoe) realiseert de school deze?

Te denken valt aan:

  • toekomstgericht aanbod

  • wereldburgerschap

  • een aantrekkelijke, uitdagende leeromgeving

  • voor NTC/afstandsonderwijs:

    • op maat gesneden taal/leesonderwijs (afhankelijk van dagschool)

    • goede afstemming met het literatuuronderwijsaanbod van de dagschool

STANDAARD OP2 – ZICHT OP ONTWIKKELING

De school volgt en begeleidt de leerlingen zodanig dat zij een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen.

Basiskwaliteit

De school verzamelt vanaf binnenkomst met behulp van een leerling- en onderwijsvolgsysteem systematisch informatie over de kennis en vaardigheden van haar leerlingen.

De school vergelijkt deze informatie met de verwachte ontwikkeling. Deze informatie en vergelijking maakt het mogelijk om het onderwijs af te stemmen op de onderwijsbehoeften van zowel groepen als individuele leerlingen.

Wanneer leerlingen niet genoeg lijken te profiteren analyseert de school waar de ontwikkeling stagneert en wat mogelijke verklaringen hiervoor zijn. Vervolgens bepaalt zij wat er moet gebeuren om eventuele achterstanden bij leerlingen te verhelpen.

De leerlingen krijgen daarmee de begeleiding die zij nodig hebben om beter het onderwijsprogramma te kunnen doorlopen. Voor leerlingen die achterstanden hebben is het onderwijs zo ingericht dat op structurele en herkenbare wijze aandacht wordt besteed aan het bestrijden van achterstanden.

Aanvulling specifiek voor volledig dagonderwijs

Bovenstaande geldt behalve voor het Nederlandse taal ook voor de overige vakken. Aanvullende begeleiding kan plaatsvinden door speciale hulpprogramma’s of individuele begeleiding, waarbij leerlingen buiten de les aanvullende begeleiding krijgen.

Eigen aspecten van kwaliteit

Welke eigen opdracht heeft de school in het schoolplan opgenomen en (hoe) realiseert de school deze?

Te denken valt aan:

  • extern genormeerde toetsen voor de doorstroomrelevante vakken en/of referentieniveaus.

  • betrokkenheid leerlingen bij het stellen van doelen.

STANDAARD OP3 – DIDACTISCH HANDELEN

Het didactisch handelen van de leraren stelt leerlingen in staat tot leren en ontwikkelen.

Basiskwaliteit

De leraren plannen en structureren hun handelen met behulp van informatie die zij over leerlingen hebben. De leraren zorgen ervoor dat het niveau van hun lessen past bij het beoogde eindniveau van leerlingen. De aangeboden leerstof is logisch opgebouwd binnen een reeks van lessen alsook binnen één les.

De leraren creëren een leerklimaat waardoor leerlingen actief en betrokken zijn. Met geschikte opdrachten en heldere uitleg structureert de leraar het onderwijsaanbod zodanig dat de leerling zich het totale leerstofaanbod eigen kan maken.

De leraren stemmen de instructies, begeleiding, opdrachten en onderwijstijd af op de behoeften van groepen en/of individuele leerlingen. De afstemming is zowel op ondersteuning als op uitdaging gericht, afhankelijk van de behoeften van leerlingen.

Eigen aspecten van kwaliteit

Welke eigen opdracht heeft de school in het schoolplan opgenomen en (hoe) realiseert de school deze?

Te denken valt aan:

  • hoge verwachtingen van leerlingen

  • feedback geven aan leerlingen

  • reflectie op leren door leerlingen

  • evalueren van de gestelde doelen met leerlingen

  • moderne leermiddelen.

STANDAARD OP4 – EXTRA ONDERSTEUNING (optioneel, alleen dagonderwijs)

Leerlingen die dat nodig hebben, ontvangen extra aanbod, ondersteuning en begeleiding.

Basiskwaliteit

Voor leerlingen die structureel een onderwijsaanbod nodig hebben op een ander niveau dan de leeftijdsgroep, biedt de school een passend onderwijsaanbod, ondersteuning en/of begeleiding, gebaseerd op de mogelijkheden van de desbetreffende leerlingen. Het aanbod, de ondersteuning en/of de begeleiding zijn gericht op een ononderbroken ontwikkeling van de leerling. De school evalueert periodiek of het aanbod het gewenste effect heeft en stelt de interventies zo nodig bij.

De school heeft in het schoolplan en de schoolgids vastgelegd wat zij onder extra ondersteuning verstaat en welke voorzieningen de school kan bieden. Voor de leerlingen die deze extra ondersteuning nodig hebben, legt de school in het ontwikkelingsperspectief vast hoe het onderwijs wordt afgestemd op de behoefte van de leerling.

Eigen aspecten van kwaliteit

Welke eigen opdracht heeft de school in het schoolplan opgenomen en (hoe) realiseert de school deze?

Te denken valt aan:

  • betrokkenheid van leerlingen bij het opstellen van leer- en ontwikkelingsdoelen.

STANDAARD OP6 – SAMENWERKING (optioneel, alleen ntc-onderwijs en afstandsonderwijs)

De school werkt samen met relevante partners om het onderwijs voor haar leerlingen vorm te geven.

Basiskwaliteit

De school werkt samen met de scholen waar de leerlingen dagonderwijs volgen. Door informatie over leerlingen uit te wisselen wordt het mogelijk een doorgaande leerlijn te realiseren en indien mogelijk aan te sluiten op het onderwijs dat de leerlingen in het dagonderwijs volgen.

Eigen aspecten van kwaliteit

Welke eigen opdracht heeft de school in het schoolplan opgenomen en (hoe) realiseert de school deze?

Te denken valt aan:

  • actief contacten onderhouden met alle dagscholen waarop de leerlingen zitten

  • zicht op de curricula van de dagscholen

  • overleg met de dagscholen over leerlingen die (extra) ondersteuning nodig hebben

STANDAARD OP8 – TOETSING EN AFSLUITING

De toetsing en afsluiting verlopen zorgvuldig.

Basiskwaliteit

De school werkt toe naar examens, zo mogelijk in overeenstemming met het examenprogramma van het aanwezige dagonderwijs.

Eigen aspecten van kwaliteit

Aanvulling specifiek voor volledig dagonderwijs

De school heeft een PTA en examenreglement dat voldoet aan de eisen van de wetgeving zoals die in Nederland geldt. in deze documenten maakt de school tijdig duidelijk hoe de organisatie van het examen verloopt en welke maatregelen de school hanteert bij leerlingen die zich niet aan de regels hebben gehouden. Ook moet beschreven staan welke examens leerlingen op welke manier kunnen herkansen. Verder moet duidelijk zijn welke stof wanneer wordt geëxamineerd, hoe het examen meeweegt en welke vrijstellingen gelden.

De examinering verloopt volgens PTA en examenreglement.

Eigen aspecten van kwaliteit

Welke eigen opdracht heeft de school in het scholplan opgenomen en (hoe) realiseert de school deze?

Te denken valt aan:

  • voor NTC: leerlingen in staat stellen tot het behalen van het Certificaat Nederlands als Vreemde Taal (CNaVT)

  • voor dagonderwijs: toetsbeleid (waaronder toetsmatrixen en toetstechnische, uitvoerings-, afname- en beoordelingseisen)

  • evaluatie en borging uitgevoerde toetsbeleid

KWALITEITSGEBIED SCHOOLKLIMAAT (SK)

STANDAARD SK1 – VEILIGHEID (alleen dagonderwijs)

Schoolleiding en leraren dragen zorg voor een veilige omgeving voor leerlingen.

Basiskwaliteit

De school zorgt voor de sociale, fysieke en psychische veiligheid van de leerlingen in en om de school. Dit blijkt onder andere uit de beleving van de veiligheid en het welbevinden van leerlingen. De school monitort dit tenminste jaarlijks.

De school heeft een veiligheidsbeleid (beschreven in het schoolplan of een ander document), gericht op het voorkomen, afhandelen, registreren en evalueren van incidenten. Als de uitkomsten van de monitoring daartoe aanleiding geven, treft de school maatregelen om de situatie te verbeteren. De school heeft een persoon als aanspreekpunt als het gaat om pesten en voor coördinatie van het beleid tegen pesten. Schoolleiding en leraren voorkomen pesten, agressie en geweld in elke vorm en treden zo nodig snel en adequaat op. De uitingen van leerlingen en personeel zijn in lijn met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat.

Eigen aspecten van kwaliteit

Welke eigen opdracht heeft de school in het schoolplan opgenomen en (hoe) realiseert de school deze?

Te denken valt aan:

  • Beleid sociale media

  • Preventieve maatregelen bij calamiteiten (natuurgeweld, politieke onrust, etc)

  • Afstemming met actoren buiten de school

STANDAARD SK2 – PEDAGOGISCH KLIMAAT

De school heeft een ondersteunend pedagogisch klimaat.

Basiskwaliteit

Hiervoor gelden (in Nederland en in het Nederlands onderwijs in het buitenland) geen wettelijke eisen.

Eigen aspecten van kwaliteit

Welke eigen opdracht heeft de school in het schoolplan opgenomen en (hoe) realiseert de school deze?

Te denken valt aan:

  • gedragsregels voor leerlingen en leraren

  • betrokkenheid leerlingen bij het realiseren van een positief schoolklimaat

  • voorbeeldgedrag door het personeel/team

  • inrichten van oefensituaties om leerlingen te begeleiden bij de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties

  • begeleiding van leerlingen bij waar mogelijk zelf oplossen van problemen en conflicten

  • inrichting van het gebouw

KWALITEITSGEBIED ONDERWIJSRESULTATEN (OR)

STANDAARD OR1 – ONDERWIJSRESULTATEN

De school behaalt met haar leerlingen onderwijsresultaten die ten minste in overeenstemming zijn met de gestelde norm.

Basiskwaliteit

De cognitieve eindresultaten liggen op het niveau dat op grond van de kenmerken van de leerlingenpopulatie verwacht mag worden. Dit betekent in het NTC-voortgezet onderwijs een jaarlijkse doorstroming van leerlingen en (examen)resultaten die overeenkomen met het taalniveau van Nederlands van leerlingen.

Aanvulling specifiek voor dagonderwijs

Leerlingen behalen in de onderbouw het opleidingsniveau dat overeenkomt met het basisschooladvies en zij lopen gedurende hun schoolloopbaan weinig vertraging op. De doorstroom in de bovenbouw komt overeen met het patroon en de normering die daarvoor in Nederland geldt.

De school behaalt bij de Staatsexamens resultaten die wat betreft het centraal schriftelijk examen overeenkomen met de resultaten die in Nederland daarop worden behaald. De examenresultaten zijn tevens in overeenstemming met hetgeen op grond van de kenmerken van de leerlingenpopulatie verwacht mag worden.

Eigen aspecten van kwaliteit

Welke eigen opdracht heeft de school in het schoolplan opgenomen en (hoe) realiseert de school deze?

Te denken valt aan:

  • eigen hoge normen worden gerealiseerd

  • bereikte leergroei van leerlingen

  • voor NTC: aanbieden van een gevarieerd pakket van certificaten en examens (Certificaat Nederlands als Vreemde Taal, NT2 examens Nederlands, mogelijkheid tot doen van het vak Nederlands binnen het IB-examen).

STANDAARD OR3 – VERVOLGSUCCES (optioneel)

De bestemming van de leerling na het verlaten van de school is bekend en voldoet ten minste aan de verwachtingen van de school.

Basiskwaliteit

Hiervoor gelden (in Nederland en in het Nederlands onderwijs in het buitenland) geen wettelijke eisen. Vanwege de primaire doelstelling van de Stichting NOB (bevorderen van de aansluiting met het onderwijs in Nederland) is deze standaard optioneel opgenomen: de inspecteur kán deze standaard toevoegen.

Eigen aspecten van kwaliteit

Welke eigen opdracht heeft de school in het schoolplan opgenomen en (hoe) realiseert de school deze?

Te denken valt aan:

  • vervolgsucces van leerlingen monitoren na het verlaten van de school

  • conclusies over de mate waarin het vervolgsucces aansluit bij de gegeven adviezen

KWALITEITSGEBIED KWALITEITSZORG EN AMBITIE

STANDAARD KA1 – KWALITEITSZORG

Het bestuur en de school hebben een stelsel van kwaliteitszorg ingericht en verbeteren op basis daarvan het onderwijs.

Basiskwaliteit

Het bestuur zorgt voor een stelsel van kwaliteitszorg op de scholen. Dit stelsel staat uitgewerkt in het schoolplan van de school. Vanuit dit stelsel bewaakt en bevordert het bestuur de kwaliteit van het onderwijsleerproces en de leerresultaten.

Het bestuur en de scholen hebben zicht op de kwaliteit van het onderwijs. Er zijn toetsbare doelen geformuleerd en er wordt regelmatig geëvalueerd of deze doelen gehaald worden. De oorzaken van eventueel tekortschietende onderwijskwaliteit zijn geanalyseerd en waar nodig worden verbeteringen doelgericht doorgevoerd. De verantwoordelijkheidsverdeling tussen bestuur en scholen maakt een functionerend stelsel van kwaliteitszorg mogelijk.

Eigen aspecten van kwaliteit

Is er aanvullend beleid over de wijze waarop de kwaliteit wordt bevorderd en bewaakt en (hoe) wordt dit gerealiseerd?

Te denken valt aan:

  • ambitieuze doelen

  • strategisch omgaan met groei

STANDAARD KA2 – KWALITEITSCULTUUR

Het bestuur en zijn school (scholen) kennen een professionele kwaliteitscultuur en functioneren transparant en integer.

Basiskwaliteit

Het bestuur handelt volgens de code van goed bestuur en legt uit wanneer het daarvan afwijkt. Deze handelwijze leidt tot een integere en transparante organisatiecultuur. Ieder werkt vanuit zijn eigen rol aan de versterking van de onderwijskwaliteit.

Het bestuur zorgt voor bekwaam en bevoegd personeel op alle scholen en maakt mogelijk dat het personeel haar bekwaamheid onderhoudt en waar nodig behaalt. De schoolleiding en het team werken gezamenlijk aan een voortdurende verbetering van hun professionaliteit. Leraren houden daarbij rekening met de gestelde bekwaamheidseisen en beroepsprofielen en behaalde resultaten bij leerlingen. Zij krijgen daartoe voldoende gelegenheid. De wijze waarop ze dit doen, staat helder beschreven in het schoolplan.

Eigen aspecten van kwaliteit

Is er aanvullend beleid over de professionalisering en de kwaliteitscultuur en (hoe) wordt dit beleid gerealiseerd?

Te denken valt aan:

  • strategisch HRM-beleid

  • faciliteren van bijscholing op afstand en in Nederland

STANDAARD KA3 VERANTWOORDING EN DIALOOG

Het bestuur en de school leggen intern en extern toegankelijk en betrouwbaar verantwoording af over doelen en resultaten en voeren daarover actief een dialoog.

Basiskwaliteit

Het bestuur en de scholen hebben tegenspraak georganiseerd. Dit gebeurt in ieder geval door de ouders, personeel en leerlingen te betrekken bij beleids- en besluitvorming. Het bestuur en de scholen brengen minimaal jaarlijks verslag uit over haar doelen en de resultaten die zij behaalt. Zij doen dit op toegankelijke wijze. Het bestuur en de school verantwoorden zich aan de overheid en aan belanghebbenden.

Eigen aspecten van kwaliteit

Is er aanvullend beleid over de wijze waarop verantwoording wordt afgelegd en (hoe) wordt dit beleid gerealiseerd?

Te denken valt aan:

  • een actieve dialoog met de omgeving over ambities en resultaten

  • afstemmen van doelen en overleg met de internationale school, waarin de NTC-school is gehuisvest

  • participatie door een bestuurslid van de NTC in ‘the board’ van de internationale school, en/of constructies waarin participatie met de internationale school mogelijk is.

KWALITEITSGEBIED BEHEER

STANDAARD FB1 – CONTINUÏTEIT

Het bestuur is financieel gezond en kan op korte en langere termijn voldoen aan zijn financiële verplichtingen.

Basiskwaliteit

Voor continuïteit is het van belang dat het bestuur inzicht heeft in de financiële uitgangspositie en de ontwikkelingen in de komende drie jaar, en daar beleid op uitzet. In het jaarverslag geeft het bestuur inzicht in deze ontwikkelingen en de daaraan verbonden financiële gevolgen. Het bestuur bespreekt het voorgaande regelmatig met de medezeggenschap, treft zo nodig corrigerende maatregelen en verantwoordt zich over het geheel in de jaarverslaggeving.

Eigen aspecten van kwaliteit

Is er aanvullend beleid op de continuïteit van het bestuur/de school en (hoe) wordt dit gerealiseerd?

Te denken valt aan:

  • de wijze waarop het bestuur het duurzaam voortbestaan waarborgt in bijzondere omstandigheden zoals natuurrampen en andere calamiteiten

  • de financiële positie van het bestuur, waarmee het alle financiële verplichtingen op korte en langere termijn kan nakomen.

2.3. Aspecten van naleving

De Nederlandse wetgeving is zoals eerder vermeld beperkt van toepassing op het onderwijs in het buitenland. De Stichting NOB stelt als subsidievoorwaarden onder meer het hebben van een schoolgids en een schoolplan. Afgeleid van het toezicht op de naleving van wet- en regelgeving in Nederland en aansluitend bij de subsidievoorwaarden van de Stichting NOB controleert de inspectie of de schoolgids en het schoolplan van Nederlandse scholen in het buitenland dezelfde onderdelen bevatten als welke in Nederland wettelijk verplicht zijn, voor zover deze van toepassing zijn op het Nederlands onderwijs buitenland. De formuleringen zijn daarop aangepast.

Daarnaast controleert de inspectie de bevoegdheden van de docenten en de onderwijstijd.

2.3.1. Naleving documenten:

  • aanwezigheid schoolgids

  • aanwezigheid schoolplan

  • bovengenoemde documenten voldoen aan de wettelijke eisen zoals die in Nederland gelden op het punt van:

    • vermelding klachtenregeling (SG)

    • hanteren meldcode (SG dagonderwijs)

    • eigen ambities (SP)

    • vermelden van behaalde resultaten (leerresultaten en versterken kwaliteit)

2.3.2. Bevoegdheden:

  • voor dagonderwijs PO en VO: bevoegdheden geldend zoals in Nederland

  • voor NTC:

    • bevoegdheid voor PO dan wel VO (bevoegdheid voor Nederlandse taal)

    • eventueel behaald via het bekwaamheidstraject van de Stichting NOB

2.3.3. Onderwijstijd:

  • De leerlingen krijgen voldoende tijd om zich het leerstofaanbod eigen te maken.

    • De school heeft voldoende onderwijstijd voor de Nederlandse taal gepland (120 uur voor NTC, vergelijkbaar aantal uren op jaarbasis dat in Nederland geldt voor volledig dagonderwijs).

    • De uitval van geplande onderwijsactiviteiten blijft beperkt.

    • Leraren maken efficiënt gebruik van de geplande onderwijstijd en er is weinig tot geen ongeoorloofd verzuim.

3. Normering en oordeelsvorming

In dit hoofdstuk beschrijven we hoe we met behulp van het waarderingskader uit hoofdstuk 2 tot bevindingen en waarderingen komen over de kwaliteit van het onderwijs, de kwaliteitszorg en het financieel beheer bij de scholen.

3.1. Kwaliteitsbepaling op twee niveaus: op niveau van de standaarden en op schoolniveau

We toetsen de kwaliteit van het onderwijs, de kwaliteitszorg en het financieel beheer primair op het niveau van de standaard. Standaarden omvatten een omschrijving van de ‘basiskwaliteit’ en eigen aspecten van kwaliteit. In paragraaf 3.2 beschrijven we de normering op basis van de basiskwaliteit en in paragraaf 3.3 beschrijven we de richtlijn voor de waardering van de eigen aspecten van kwaliteit.

De bevindingen en waarderingen op de standaarden leiden tot een kwalificatie van de school als geheel (par. 3.4). In paragraaf 3.5 gaan we in op het proces van vaststellen van bevindingen en waarderingen en het vervolgtoezicht.

3.2. Normering standaarden: bevindingen op deugdelijkheidseisen4 (basiskwaliteit)

Voor de waardering goed worden de eigen aspecten van kwaliteit als volgt bij de oordeelsvorming betrokken

Bevinding/ waardering standaard¹

Norm voor standaarden met deugdelijkheidseisen

Goed

De school voldoet ruimschoots aan alle deugdelijkheidseisen bij de standaard en realiseert op overtuigende wijze eigen aspecten van kwaliteit.

   

Voldoende (basiskwaliteit)

De school voldoet aan de deugdelijkheidseisen (basiskwaliteit).

   

Onvoldoende

De school voldoet niet aan de deugdelijkheidseisen.

¹ Waar het gaat om niet wettelijke eisen in Nederland, gebruiken we de term ‘waardering’.

3.3. Waardering eigen aspecten van kwaliteit (niet-wettelijke eisen)

De waardering van de eigen aspecten van kwaliteit vindt op de volgende manier plaats:

Bij de oordeelsvorming op de standaard kan de ambitie en realisatie van de eigen aspecten van kwaliteit doorslaggevend zijn voor de waardering ‘goed’ (naast het realiseren van de deugdelijkheidseisen zoals die in Nederland gelden, zie par. 3.2).

De standaarden Pedagogisch klimaat en Vervolgsucces kennen in het voortgezet onderwijs in Nederland geen wettelijke basis. Als de school op deze standaarden geen eigen ambities en doelen stelt/realiseert, dan leidt dat niet tot een bevinding ‘onvoldoende’, maar geven we dit aan als de waardering ‘kan beter’. Als de school de eigen aspecten van kwaliteit op overtuigende wijze laat zien (zowel in ambitie als realisatie) dan verbinden we daar de waardering ‘goed’ aan.

We hanteren bij deze niet-wettelijke eisen (op de standaarden Pedagogisch klimaat en Vervolgsucces) de volgende terminologie:

Waardering standaard

Richtlijn voor waardering eigen aspecten van kwaliteit

Goed

De school voldoet (ruimschoots) aan de standaard en/of laat de eigen aspecten van kwaliteit op overtuigende wijze zien.

   

Voldoende

De school voldoet aan de standaard en laat de eigen benoemde aspecten van kwaliteit zien.

   

Kan beter

De school voldoet niet aan de standaard en/of laat de eigen benoemde aspecten van kwaliteit niet of beperkt zien.

   

3.4. Normering op het schoolniveau

Op basis van de gehanteerde normen op standaardniveau komt de inspectie tot de volgende bevinding op schoolniveau. We volgen daarbij de volgende normen:

Bevinding op schoolniveau

Norm

Voldoende (basiskwaliteit)

De standaarden Zicht op ontwikkeling, Didactisch handelen, Veiligheid¹ én Onderwijsresultaten zijn voldoende én niet meer dan één standaard in het gebied Onderwijsproces is onvoldoende.

   

Onvoldoende

Eén of meer van de standaarden Zicht op ontwikkeling of Didactisch handelen of Veiligheid én Leerresultaten zijn onvoldoende, óf twee andere standaarden in het gebied Onderwijsproces is voldoende.

   

Bij niet te beoordelen onderwijsresultaten

 
   

Voldoende (basiskwaliteit)

De standaarden Zicht op ontwikkeling, Didactisch handelen, Veiligheid én Kwaliteitszorg zijn voldoende én niet meer dan één standaard in het gebied Onderwijsproces is onvoldoende.

   

Onvoldoende

Eén of meer van de standaarden Zicht op ontwikkeling of Didactisch handelen of Veiligheid én Kwaliteitszorg zijn onvoldoende, óf twee standaarden in het gebied Onderwijsproces zijn onvoldoende.

¹ Dit geldt alleen voor dagonderwijs

3.5. Het tot stand komen van bevindingen en waarderingen

3.5.1. Naleving deugdelijkheidseisen

Bij onze oordeelsvorming hanteren we bovengenoemde normering als richtlijn. De mate waarin de onderwijspraktijk de essentie en de bedoeling van met name de deugdelijkheidseisen zoals die in Nederland gelden, tentoonspreidt, is bepalend voor onze bevindingen. Daarbij hanteren we het uitgangspunt dat voor de bevinding ‘voldoende’ aan de deugdelijkheidseisen behorend bij de standaard moet worden voldaan. We toetsen echter niet de naleving van elke deugdelijkheidseis per standaard op zichzelf, maar in relatie tot de kwaliteit die met de standaard wordt beoogd. Het kan zijn dat een school op een standaard een positief beeld laat zien, maar dat aan een bepaald element van de standaard (nog) niet wordt voldaan.

Als het niet-naleven van die deugdelijkheidseis beperkt van invloed is op de aangetroffen kwaliteit én als het punt eenvoudig en op korte termijn kan worden hersteld, dan constateren we de bevinding ‘voldoende’ op de standaard. Het bestuur krijgt dan een opdracht tot herstel, en ziet zelf toe op de herstel van naleving.

3.5.2. Het waarderen van eigen aspecten van kwaliteit in relatie tot de waardering ‘goed’ op standaardniveau

Waar we voor de cesuur voldoende/onvoldoende heldere richtlijnen hanteren op basis van de basiskwaliteit (deugdelijkheidseisen), ligt dit voor de waardering ‘goed’ genuanceerder. Naast het zichtbaar voldoen aan alle basiskwaliteit (deugdelijkheidseisen zoals die in Nederland gelden) bij de standaard kijken we voor een waardering goed tevens naar de eigen aspecten van kwaliteit: laat de school op overtuigende wijze zien hoe zij haar eigen kwaliteitsdoelen op de betreffende standaard vormgeeft en realiseert. Het schoolplan is daarbij de belangrijkste bron. Daarbij onderzoeken we of het bestuur/de school haar eigen ambities realiseert en of de school daarmee volgens wetenschappelijke inzichten goed onderwijs realiseert. De interpretatieruimte is hier groter en we baseren ons daarbij primair op de ambities van het bestuur en de keuzes die de school daarin maakt.

3.5.3. Omgevingsfactoren

Omgevingsfactoren, de context waarbinnen de school opereert, kunnen in positieve of negatieve zin van invloed zijn op de onderwijskwaliteit en de financiële continuïteit. Omgevingsfactoren zijn onder meer: de ontwikkeling van de leerlingenpopulatie, huisvesting, personele samenstelling, organisatieontwikkeling, ontwikkeling bestuur en intern toezicht. Echter, onze bevindingen betreffen altijd de kwaliteit van het onderwijs zoals leerlingen dat ontvangen, ongeacht de omgevingsfactoren.

Hoewel omgevingsfactoren dus niet van invloed zijn op onze bevindingen, spelen zij wel een belangrijke rol bij het bepalen van passende interventies in het kader van vervolgtoezicht. Dat geldt vooral in de buitenlandsituatie, die zeer divers kan zijn (zie paragraaf 3.5.4).

3.5.4. Expertise van de bevindingen

Het karakter van het waarderingskader, met enerzijds een stevige basis (vaststelling door de minister en vermelding in de subsidieregeling van de Stichting NOB), en anderzijds ruimte voor eigen aspecten van kwaliteit, stelt hoge eisen aan onze expertise. Met het onderzoekskader als instrument en met de vermelde richtlijnen voor de bevindingen en waarderingenkwalificeren we de feitelijke realisatie van het onderwijs zoals leerlingen dat ontvangen. Het gaat daarbij om de expertise van de inspectie. Met onze deskundigheid als toezichthouder en met kennis van zaken op de onderscheiden kwaliteitsgebieden zijn we in staat om in gelijke situaties tot gelijke bevindingen te komen.

Onze bevindingen hebben een wettelijke basis en komen tot stand met gebruik van meerdere bronnen, zoals documenten van de instelling en gesprekken met leraren, leerlingen, ouders en medezeggenschapsorganen. We passen hoor en wederhoor toe. We werken in teams, onze bevindingen komen in consensus tussen de inspecteurs tot stand en referenten becommentariëren in de rapportagefase de onderbouwing van onze bevindingen. Met deze werkwijze komen we tot een afgewogen geheel.

Voor de waardering van de eigen aspecten van kwaliteit hanteren we een soortgelijke werkwijze. We hebben hier de rol van de critical friend. Het bestuur en de school zijn hier zelf aan zet en we passen onze toezichtstijl daarop aan.

Onze focus gedurende het gehele proces van kwalificeren en waarderen is dat we recht doen aan de onderwijskwaliteit die we aantreffen en we zijn hierin geslaagd als besturen en scholen onze bevindingen en waarderingen als fair ervaren. In de buitenlandsituatie geldt het paradigma dat (taal)scholen en inspectie ieder vanuit hun eigen rol samenwerken aan het bevorderen van de onderwijskwaliteit om de aansluiting voor leerlingen bij hun migratie te bevorderen.

3.6. Vervolgtoezicht

3.6.1. Herstelopdrachten

Het effect van het niet naleven van een deugdelijkheidseis zoals die in Nederland geldt, kan verschillen per doelgroep en dit wegen we mee in het bepalen van de herstelopdracht. Interventies van de inspectie kunnen afhankelijk van de contextfactoren een meer of minder directief karakter hebben. In de praktijk zullen we bij herstelopdrachten waarbij niet wordt voldaan aan de deugdelijkheidseisen zoals die in Nederland gelden, of ingeval van niet voldoen aan eisen van aansluiting bij de Stichting NOB, de herstelopdrachten monitoren afhankelijk van de gestelde hersteltermijn. Onze bevinding van de kwaliteitszorg (KA1) is daarbij mede bepalend voor het vervolgtoezicht. Het gaat hierbij om maatwerk. Afhankelijk van het niveau van de kwaliteitszorg kan het zijn dat we besturen vragen om informatie toe te sturen of op andere wijze tussentijds contact te hebben om aan te tonen dat aan de herstelopdracht wordt gewerkt en/of is voldaan. Zo mogelijk maken we van dat laatste aanvullend melding op de website van de inspectie bij de rapportage over de school.

3.6.2. Frequentie van bezoek

In principe bezoekt de inspectie de Nederlandse scholen in het buitenland eens in de vier jaar. Bij onvoldoende kwaliteit op schoolniveau vindt een vervolgbezoek na twee jaar plaats (herstelonderzoek). Tot een herstelonderzoek zal eerder besloten worden als de kwaliteitszorg (standaard KA1) niet op orde is.

Bij een herstelonderzoek worden opnieuw alle (gebruikelijke) standaarden onderzocht en vermelden we opnieuw onze bevindingen en waarderingen. Het is efficiënt om een volledig kwaliteitsbeeld te schetsen zodat de school bij voldoende herstel van de kwaliteit (‘voldoende’ op schoolniveau) weer onder de reguliere toezichtsystematiek kan vallen.

3.6.3. Escalatie

Bij onvoldoende herstel op schoolniveau én bij onvoldoende zicht op verdere spoedige kwaliteitsverbetering kan de inspectie de Stichting NOB adviseren de aansluiting van de school bij de stichting en daarmee de subsidieverstrekking in te trekken. Dit gebeurt uitsluitend nadat een herstelonderzoek heeft plaatsgevonden.

  1. https://www.onderwijsinspectie.nl/onderwijssectoren/nederlands-onderwijs-in-het-buitenland/documenten/publicaties/2012/01/01/waarderingskader-ntc-primair-onderwijs-2012

    ^ [1]
  2. https://www.onderwijsinspectie.nl/onderwijssectoren/nederlands-onderwijs-in-het-buitenland/documenten/publicaties/2012/01/01/waarderingskader-ntc-voortgezet-onderwijs-2012

    ^ [2]
  3. Zie de inleiding: onder deugdelijkheidseisen wordt verstaan: wettelijke eisen zoals die in Nederland gelden.

    ^ [3]
  4. Zie de inleiding: onder deugdelijkheidseisen wordt verstaan: wettelijke eisen zoals die in Nederland gelden.

    ^ [4]
Terug naar begin van de pagina