Beleidsregels ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2019

Geldend van 13-03-2019 t/m heden

Beleidsregels ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2019

§ 1. Algemeen

Artikel 1

In deze Beleidsregels wordt verstaan onder:

Artikel 2

Het Zorginstituut stelt een voorlopig, nader en definitief beheerskostenbudget vast met inachtneming van de in de Aanwijzing genoemde bedragen.

Artikel 3

Het Zorginstituut rondt het voorlopige, het nadere en het definitieve beheerskostenbudget af op hele euro’s, waarbij het Zorginstituut bedragen van een halve euro en hoger afrondt naar boven en overige bedragen naar beneden.

§ 2. Voorlopige vaststelling beheerskostenbudget 2019

Artikel 4

Het Zorginstituut stelt in februari 2019 voor ieder zorgkantoor, iedere Wlz-uitvoerder en de SVB een beheerskostenbudget voorlopig vast met inachtneming van de in artikel 2 van de Aanwijzing genoemde bedragen.

Artikel 5

Het Zorginstituut verdeelt het bedrag voor de zorgkantoren voor de taken, bedoeld in artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg, als volgt:

  • a. een bedrag van € 215,05 per budgethouder voor de uitvoeringskosten van het persoonsgebonden budget, vermenigvuldigd met het in de Aanwijzing geraamde aantal budgethouders voor 2019, zijnde 43.335, wordt naar rato verdeeld op basis van het aantal budgethouders per regio zoals blijkt uit de tweede kwartaalstaat 2018;

  • b. een bedrag van € 285,01 voor het voeren van bewuste-keuze gesprekken in 2019, vermenigvuldigd met het in de Aanwijzing geschatte aantal van 7.500 nieuwe budgethouders waarvoor het zorgkantoor één of meer bewuste-keuze gesprekken voert, wordt verdeeld naar rato van het aantal budgethouders per regio, zoals genoemd in onderdeel a van dit artikel;

  • c. een bedrag van € 548,02 per budgethouder voor elke budgethouder bij wie in 2019 één of meer huisbezoeken worden afgelegd, vermenigvuldigd met het in de Aanwijzing geschatte aantal van 13.500, wordt verdeeld naar rato van het aantal budgethouders per regio, zoals genoemd in onderdeel a van dit artikel;

  • d. een bedrag van € 5,890 miljoen wordt verdeeld op basis van een gelijk bedrag per zorgkantoor;

  • e. een bedrag van € 2,945 miljoen voor vier zorgkantoren die in 2019 geen deel uitmaken van een concern wordt verdeeld op basis van een gelijk bedrag per zorgkantoor.

Artikel 6

  • 1 Het Zorginstituut verdeelt 15 procent van het na toepassing van artikel 5 resterende bedrag gelijkelijk over de acht zorgkantoren.

  • 2 Het Zorginstituut verdeelt 85 procent van het na toepassing van artikel 5 resterende bedrag op basis van het aantal inwoners per 1 januari 2018 in de regio’s waarvoor het zorgkantoor als zodanig is aangewezen. Inwoners die op die datum vijfenzestig jaar of ouder zijn tellen daarbij dubbel. Voor de bepaling van het aantal inwoners, waaronder die van vijfenzestig jaar en ouder, gebruikt het Zorginstituut de gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

Artikel 7

Het Zorginstituut verdeelt het bedrag voor de Wlz-uitvoerders voor de overige bij of krachtens die wet geregelde taken van de Wlz-uitvoerders bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, van het Besluit Wfsv als volgt:

  • a. een bedrag van € 1,521 miljoen wordt verdeeld op basis van het aantal bij hen ingeschreven verzekerden op 1 juli 2018 dat aanspraak kan maken op verstrekkingen en uitkeringen ingevolge de Wlz;

  • b. een bedrag van € 3,042 miljoen wordt verdeeld op basis van het aantal bij hen ingeschreven verzekerden dat aanspraak kan maken op verstrekkingen en uitkeringen ingevolge de Wlz, waarbij verzekerden, die op 1 juli 2018 vijfenzestig jaar of ouder zijn, dubbel tellen;

  • c. een bedrag van € 0,290 miljoen wordt verdeeld over de twee Wlz-uitvoerders die niet zijn aangewezen als zorgkantoor en ook geen deel uitmaken van een groter concern;

  • d. een voorwaardelijk bedrag van ten hoogste € 9,850 miljoen is uitsluitend bestemd voor onafhankelijke cliëntondersteuning. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van de door de Wlz-uitvoerders opgegeven schatting aan Zorgverzekeraars Nederland;

  • e. een bedrag van € 0,500 miljoen wordt verdeeld over twee Wlz-uitvoerders die zijn verzocht de werkwijze tijdens het inmiddels afgelopen experiment ‘Persoonsvolgende zorg’ voor de onafhankelijke cliëntondersteuning te continueren;

  • f. een bedrag van € 77,203 miljoen wordt verdeeld op basis van het aantal bij hen ingeschreven verzekerden dat aanspraak kan maken op verstrekkingen en uitkeringen ingevolge de Wlz, waarbij verzekerden, die op 1 juli 2018 vijfenzestig jaar of ouder zijn, dubbel tellen.

Artikel 8

Voor de bepaling van het aantal verzekerden, bedoeld in artikel 7, onderdeel a en b, gebruikt het Zorginstituut de opgaven van de verzekerdenaantallen per 1 juli 2018 van de Wlz-uitvoerder. Deze opgave maakt onderdeel uit van de tweede kwartaalstaat Wlz voor de Wlz-uitvoerder 2018. Deze opgave dient te zijn voorzien van een bestuursverklaring.

Artikel 9

Indien een Wlz-uitvoerder zijn overige taken, bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, van het Besluit Wfsv, geheel of gedeeltelijk uitbesteedt, betaalt hij aan het zorgkantoor waaraan hij deze taken uitbesteedt per verzekerde een bedrag van € 3,8223197 als vergoeding in de beheerskosten.

Artikel 10

Voor een nieuwe Wlz-uitvoerder, die geen rechtsopvolger is van een of meer bestaande Wlz-uitvoerders, kan het Zorginstituut uitgaan van andere dan in dit besluit genoemde verzekerdenaantallen.

Artikel 11

Het Zorginstituut stelt het bedrag zoals bedoeld voor de SVB voor de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 3.3.3, zevende lid, van de Wlz vast op € 24,347 miljoen.

§ 3. Nadere vaststelling beheerskostenbudget 2019

Artikel 12

Uiterlijk op de eerste werkdag van mei 2020 stelt het Zorginstituut het beheerskostenbudget voor het jaar 2019 voor de zorgkantoren, de Wlz-uitvoerders en de SVB nader vast op basis van de Nadere aanwijzing.

Artikel 13

Bij de nadere vaststelling verdeelt het Zorginstituut het bedrag voor de zorgkantoren voor de taken, bedoeld in artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg, als volgt:

  • a. een bedrag van € 215,05 per budgethouder voor de uitvoeringskosten van het persoonsgebonden budget, vermenigvuldigd met het aantal budgethouders per regio op 30 juni 2019, wordt verdeeld op basis van het aantal budgethouders per regio zoals blijkt uit de tweede kwartaalstaat Wlz 2019 zorgkantoren;

  • b. een bedrag van € 285,01 voor het voeren van bewuste-keuze gesprekken in 2019, vermenigvuldigd met het aantal bewuste-keuze gesprekken, wordt verdeeld op basis van het aantal budgethouders per regio zoals blijkt uit de vierde kwartaalstaat Wlz 2019 zorgkantoren;

  • c. een bedrag van € 548,02 per budgethouder voor elke budgethouder bij wie in 2019 één of meer huisbezoeken zijn afgelegd, vermenigvuldigd met het in de Aanwijzing geschatte aantal van 13.500, wordt verdeeld naar rato van het aantal budgethouders per regio, zoals genoemd in onderdeel a van dit artikel;

  • d. een bedrag van € 5,890 miljoen wordt verdeeld op basis van een gelijk bedrag per zorgkantoor;

  • e. een bedrag van € 2,945 miljoen voor vier zorgkantoren die in 2018 geen deel uitmaken van een concern wordt verdeeld op basis van een gelijk bedrag per zorgkantoor.

Artikel 14

  • 1 Het Zorginstituut verdeelt 15 procent van het na toepassing van artikel 13 resterende bedrag gelijkelijk over de acht zorgkantoren.

  • 2 Het Zorginstituut verdeelt 85 procent van het na toepassing van artikel 13 resterende bedrag op basis van het aantal inwoners per 1 januari 2019 in de regio’s waarvoor het zorgkantoor als zodanig is aangewezen. Inwoners die op die datum vijfenzestig jaar of ouder zijn tellen daarbij dubbel. Voor de bepaling van het aantal inwoners, waaronder die van vijfenzestig jaar en ouder, gebruikt het Zorginstituut de gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

Artikel 15

Het Zorginstituut verdeelt het bedrag voor de Wlz-uitvoerders voor de overige bij of krachtens die wet geregelde taken van de Wlz-uitvoerders bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, van het Besluit Wfsv als volgt:

  • a. een bedrag van € 1,521 miljoen wordt verdeeld op basis van het aantal bij hen ingeschreven verzekerden op 1 juli 2019 dat aanspraak kan maken op verstrekkingen en uitkeringen ingevolge de Wlz;

  • b. een bedrag van € 3,042 miljoen wordt verdeeld op basis van het aantal bij hen ingeschreven verzekerden dat aanspraak kan maken op verstrekkingen en uitkeringen ingevolge de Wlz, waarbij verzekerden, die op 1 juli 2019 vijfenzestig jaar of ouder zijn, dubbel tellen;

  • c. een bedrag van € 0,290 miljoen wordt verdeeld over de twee Wlz-uitvoerders die niet zijn aangewezen als zorgkantoor en ook geen deel uitmaken van een groter concern;

  • d. een voorwaardelijk bedrag van ten hoogste € 9,850 miljoen is uitsluitend bestemd voor onafhankelijke cliëntondersteuning. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van de door de Wlz-uitvoerders opgegeven schatting aan Zorgverzekeraars Nederland;

  • e. een bedrag van € 0,500 miljoen wordt verdeeld over twee Wlz-uitvoerders die zijn verzocht de werkwijze tijdens het inmiddels afgelopen experiment ‘Persoonsvolgende zorg’ voor de onafhankelijke cliëntondersteuning te continueren;

  • f. een bedrag van € 77,203 miljoen wordt verdeeld op basis van het aantal bij hen ingeschreven verzekerden dat aanspraak kan maken op verstrekkingen en uitkeringen ingevolge de Wlz, waarbij verzekerden, die op 1 juli 2019 vijfenzestig jaar of ouder zijn, dubbel tellen.

Artikel 16

Voor de bepaling van het aantal verzekerden, bedoeld in artikel 15, onderdeel a en b, gebruikt het Zorginstituut de opgaven van de verzekerdenaantallen per 1 juli 2019 van de Wlz-uitvoerder. Deze opgave maakt onderdeel uit van de tweede kwartaalstaat Wlz voor de Wlz-uitvoerder 2019. Deze opgave dient te zijn voorzien van een bestuursverklaring.

Artikel 17

Indien een Wlz-uitvoerder zijn overige taken, bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, van het Besluit Wfsv, geheel of gedeeltelijk uitbesteedt, betaalt hij aan het zorgkantoor waaraan hij deze taken uitbesteedt per verzekerde een bedrag van € 3,8223197 als vergoeding in de beheerskosten.

Artikel 18

Het Zorginstituut brengt op de nader vastgestelde beheerskostenbudgetten de door het Zorginstituut uitgekeerde voorschotten in mindering.

§ 4. Definitieve vaststelling beheerskostenbudget 2019

Artikel 19

Uiterlijk in 2022 stelt het Zorginstituut het beheerskostenbudget voor het jaar 2019 voor de zorgkantoren, de Wlz-uitvoerders en de SVB definitief vast.

Artikel 20

Bij de definitieve vaststelling verdeelt het Zorginstituut het bedrag voor de zorgkantoren voor de taken, bedoeld in artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg, als volgt:

  • a. een bedrag van € 215,05 per budgethouder voor de uitvoeringskosten van het persoonsgebonden budget, vermenigvuldigd met het aantal budgethouders per regio op 30 juni 2019, wordt verdeeld op basis van het aantal budgethouders per regio zoals blijkt uit de tweede kwartaalstaat Wlz 2019 zorgkantoren;

  • b. een bedrag van € 285,01 voor het voeren van bewuste-keuze gesprekken in 2019, vermenigvuldigd met het aantal bewuste-keuze gesprekken, wordt verdeeld op basis van het aantal budgethouders per regio zoals blijkt uit de vierde kwartaalstaat Wlz 2019 zorgkantoren;

  • c. een bedrag van € 548,02 per budgethouder voor elke budgethouder bij wie in 2019 één of meer huisbezoeken zijn afgelegd, vermenigvuldigd met het aantal huisbezoeken wordt verdeeld op basis van het aantal budgethouders per regio zoals blijkt uit de tweede kwartaalstaat Wlz 2020 zorgkantoren;

  • d. een bedrag van € 5,890 miljoen wordt verdeeld op basis van een gelijk bedrag per zorgkantoor;

  • e. een bedrag van € 2,945 miljoen wordt voor vier zorgkantoren die in 2018 geen deel uitmaken van een concern op basis van een gelijk bedrag per zorgkantoor.

Artikel 21

  • 1 Het Zorginstituut verdeelt 15 procent van het na toepassing van artikel 20 resterende bedrag gelijkelijk over de acht zorgkantoren.

  • 2 Het Zorginstituut verdeelt 85 procent van het na toepassing van artikel 20 resterende bedrag op basis van het aantal inwoners per 1 januari 2019 in de regio’s waarvoor het zorgkantoor als zodanig is aangewezen. Inwoners die op die datum vijfenzestig jaar of ouder zijn tellen daarbij dubbel. Voor de bepaling van het aantal inwoners, waaronder die van vijfenzestig jaar en ouder, gebruikt het Zorginstituut de gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

Artikel 22

Het Zorginstituut verdeelt het bedrag voor de Wlz-uitvoerders voor de overige bij of krachtens die wet geregelde taken van de Wlz-uitvoerders

bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, van het Besluit Wfsv als volgt:

  • a. een bedrag van € 1,521 miljoen wordt verdeeld op basis van het aantal bij hen ingeschreven verzekerden op 1 juli 2019 dat aanspraak kan maken op verstrekkingen en uitkeringen ingevolge de Wlz;

  • b. een bedrag van € 3,042 miljoen wordt verdeeld op basis van het aantal bij hen ingeschreven verzekerden dat aanspraak kan maken op verstrekkingen en uitkeringen ingevolge de Wlz, waarbij verzekerden, die op 1 juli 2019 vijfenzestig jaar of ouder zijn, dubbel tellen;

  • c. een bedrag van € 0,290 miljoen wordt verdeeld over de twee Wlz-uitvoerders die niet zijn aangewezen als zorgkantoor en ook geen deel uitmaken van een groter concern;

  • d. een voorwaardelijk bedrag van ten hoogste € 9,850 miljoen is uitsluitend bestemd voor onafhankelijke cliëntondersteuning. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van de werkelijke kosten inzake onafhankelijke cliëntondersteuning die de Wlz-uitvoerders voor het kalenderjaar 2019 hebben opgegeven in hun financiële verantwoording 2019 en die zijn gecontroleerd door de NZa.

  • e. een bedrag van € 0,500 miljoen wordt verdeeld over twee Wlz-uitvoerders die zijn verzocht de werkwijze tijdens het inmiddels afgelopen experiment ‘Persoonsvolgende zorg’ voor de onafhankelijke cliëntondersteuning te continueren;

  • f. een bedrag van € 77,203 miljoen wordt verdeeld op basis van het aantal bij hen ingeschreven verzekerden dat aanspraak kan maken op verstrekkingen en uitkeringen ingevolge de Wlz, waarbij verzekerden, die op 1 juli 2019 vijfenzestig jaar of ouder zijn, dubbel tellen.

Artikel 23

Voor de bepaling van het aantal verzekerden, bedoeld in artikel 22, onderdeel a en b, gebruikt het Zorginstituut de opgaven van de verzekerdenaantallen per 1 juli 2019 van de Wlz-uitvoerder. Deze opgave maakt onderdeel uit van de tweede kwartaalstaat Wlz voor de Wlz-uitvoerder 2019. Deze opgave dient te zijn voorzien van een bestuursverklaring.

Artikel 24

Indien een Wlz-uitvoerder zijn overige taken, bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, van het Besluit Wfsv, geheel of gedeeltelijk uitbesteedt, betaalt hij aan het zorgkantoor waaraan hij deze taken uitbesteedt per verzekerde een bedrag van € 3,8223197 als vergoeding in de beheerskosten.

Artikel 25

Het Zorginstituut brengt op de definitief vastgestelde beheerskostenbudgetten de door het Zorginstituut berekende nader vastgestelde beheerskostenbudgetten in mindering.

Artikel 26

Het Zorginstituut keert het voor ieder zorgkantoor, iedere Wlz-uitvoerder en de SVB definitief vastgestelde beheerskostenbudget voor het jaar 2019 uit met inachtneming van de Regeling voorschotverlening op uitkeringen en vergoedingen Wlz 2015.

§ 5. Slotbepalingen

Artikel 27

Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij worden geplaatst, en werken terug tot en met 1 januari 2019.

Artikel 28

Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2019.

Deze beleidsregels zullen met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Voorzitter Raad van Bestuur

S. Wijma

Terug naar begin van de pagina