Instellingsbesluit Commissie sectorplan Bèta en Techniek en de Commissie sectorplan Social Sciences and Humanities

[Regeling vervalt per 01-07-2026.]
Geldend van 04-09-2021 t/m heden

Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 januari 2019, nr. OWB/1456772, houdende instelling van de Commissie sectorplan Bèta en Techniek en de Commissie sectorplan Social Sciences and Humanities (Instellingsbesluit Commissie sectorplan Bèta en Techniek en de Commissie sectorplan Social Sciences and Humanities)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

Gelet op artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • a. minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

  • b. commissies: Commissie sectorplan Bèta en Techniek- bestaande uit een Kamer Bèta en een Kamer Techniek – en Commissie sectorplan Social Sciences and Humanities, aangeduid als Commissie sectorplan SSH;

  • c. concept-sectorbeeld bèta: het door de heer prof. dr. E.W. Meijer opgestelde plan voor versterking van de Nederlandse bèta sector, te weten natuurkunde, scheikunde, wiskunde en mogelijk informatica;

  • d. concept-sectorbeeld techniek: het door de heer prof. dr. E.W. Meijer opgestelde plan voor versterking van de Nederlandse techniek sector, te weten technische wetenschappen en mogelijk informatica;

  • e. concept-sectorbeeld SSH: het door de heer prof. dr. M.A.P. Bovens opgestelde plan voor versterking van het Nederlandse SSH domein, ook wel concept-domeinbeeld SSH genoemd;

  • f. sectorbeeld: het door de minister vastgestelde concept-sectorbeeld, zoals bedoeld onder c, d en e. In geval van e ook wel domeinbeeld SSH genoemd;

  • g. tweedegeldstroommiddelen: middelen die aanvankelijk via de tweede geldstroom zouden zijn uitgekeerd, maar die per 2020 worden overgeheveld naar de eerste geldstroom en direct aan de universiteiten worden uitgekeerd, hierbij uitgezonderd de SSH call Digitale SSH die in 2019 reeds van start is gegaan. Zie ook verwijzing in artikel 2, derde lid, artikel 3, tweede lid, artikel 4c en 4d en de toelichting. Ook wel genoemd tweede geldstroom competitie of tweede geldstroom calls. Daar waar wordt gesproken van aansluiting van de tweedegeldstroommiddelen op de eerste geldstroommiddelen moet worden uitgegaan van de doelen die bereikt dienen te worden met de tweedegeldstroommiddelen.

Artikel 2. Commissie sectorplan Bèta en Techniek

  • 1 Er is een Commissie sectorplan Bèta en Techniek.

  • 2 De Commissie sectorplan Bèta en Techniek bestaat uit een Kamer Bèta en een Kamer Techniek.

  • 3 De Commissie sectorplan Bèta en Techniek heeft tot taak:

    • a. het beoordelen van de concept-sectorbeelden bèta en techniek op basis van randvoorwaarden zoals genoemd in artikel 5, nader omschreven in de toelichting. De Kamer Bèta beoordeelt het concept-sectorbeeld bèta en de Kamer Techniek beoordeelt het concept-sectorbeeld techniek. De commissie brengt hierover voor 28 januari 2019 advies uit aan de minister;

    • b. na de vaststelling van de concept-sectorbeelden bèta en techniek door de minister, de minister adviseren op basis van plannen van faculteiten over de verdeling van middelen vanuit de eerste geldstroom zoals genoemd in de tabel van de toelichting over de in de sectorbeelden genoemde deelnemende faculteiten;

    • c. bij beide adviezen te betrekken de mate van aansluiting van de tweede geldstroom competitie op de met de eerste geldstroom gefinancierde activiteiten.

Artikel 3. Commissie sectorplan SSH

  • 1 Er is een Commissie sectorplan Social Sciences and Humanities, aangeduid als Commissie sectorplan SSH.

  • 2 De Commissie sectorplan SSH heeft tot taak:

    • a. het beoordelen van het concept-sectorbeeld SSH op basis van randvoorwaarden zoals genoemd in artikel 5, nader omschreven in de toelichting. De commissie brengt hierover voor 28 januari 2019 advies uit aan de minister;

    • b. na de vaststelling van het concept-sectorbeeld SSH door de minister, de minister adviseren op basis van de plannen van faculteiten over de verdeling van middelen vanuit de eerste geldstroom zoals genoemd in de tabel van de toelichting over de in de sectorbeelden genoemde deelnemende faculteiten;

    • c. bij beide adviezen te betrekken de mate van aansluiting van de tweede geldstroom competitie op de met de eerste geldstroom gefinancierde activiteiten.

Artikel 4. Nadere uitwerking van taken

De commissies hebben voorts tot taak:

  • a. bij de advisering zoals bedoeld in artikel 2, derde lid, onder b, en artikel 3, tweede lid, onder b, de plannen van de in de sectorbeelden genoemde faculteiten te toetsen op kwaliteit. De commissies kunnen gebruik maken van een verdeelsleutel uitgaande van een basisfinanciering per deelnemende faculteit met een bandbreedte afhankelijk van de kwaliteit van de plannen. Hierbij wordt uitgegaan van het budget zoals bedoeld in de tabel in de toelichting. De plannen van faculteiten worden getoetst aan de doelstellingen zoals geformuleerd in de sectorbeelden. Aangezien de sectorbeelden opgesteld zijn aan de hand randvoorwaarden zoals genoemd in de toelichting, zullen een aantal van deze randvoorwaarden ook terugkomen in de plannen van faculteiten.

  • b. Gedurende de looptijd van het sectorplan te bevorderen dat de doelen die de faculteiten zich hebben gesteld tijdig en volledig behaald worden, waarbij de commissies zelf vaststellen hoe zij dit willen bevorderen. Deze doelen zijn beschreven in de sectorbeelden en de faculteitsplannen en omvatten onder meer het bevorderen van samenwerking en profilering, (gender)diversiteit en het aantrekken en behoud van (nieuw) wetenschappelijk talent middels vaste contracten. Hierbij de observaties mee te nemen in de adviezen van de commissies aan de minister ten tijde van de tussentijdse evaluatie en de eindevaluatie, zoals genoemd in artikel 4 resp. lid c en d.

  • c. na drie jaar, vóór 1 april 2022, een tussentijdse evaluatie uit te voeren van de door de minister gefinancierde activiteiten vanuit de sectorbeelden en de minister hierover te adviseren vóór 1 juni 2022. De commissie adviseert de minister daarbij ook over de mate van aansluiting van de tweede geldstroom competitie op de met de eerste geldstroom gefinancierde activiteiten. De minister besluit of de middelen ongewijzigd aan de faculteiten worden toegekend voor de tweede periode van drie jaar (vierde tot en met zesde jaar) of dat inhoudelijk accenten worden verlegd waarbij de middelen mogelijk anders worden verdeeld over de betrokken faculteiten.

  • d. vóór 1 april 2025 een eindevaluatie uit te voeren en hierover vóór 1 juni 2025 een advies aan de minister uit te brengen. Bij de evaluatie te betrekken:

    • (i) of het structureel indalen van de middelen – zie tabel in de toelichting – in de rijksbijdrage gerechtvaardigd is. Hiervoor zullen de commissies eerst bepalen welke investeringen van faculteiten gezien worden als vaste aanstellingen en/of structurele investeringen en welke niet.

    • (ii) in hoeverre de calls die met tweede geldstroom middelen – zie tabel in toelichting – zijn uitgezet aansluiten op de zwaartepunten waar via de rijksbijdrage in geïnvesteerd wordt.

    • (iii) in het advies te betrekken op welke wijze de eerste geldstroom middelen worden ingezet voor de betreffende sectoren.

Artikel 5. Beoordeling van en advisering over de concept- sectorbeelden

In de concept sectorbeelden wordt aangegeven hoe het huidige universitaire landschap en hoe het gewenste universitaire landschap eruit ziet. In de omschrijving van het gewenste universitaire landschap staat omschreven hoe dit sectorbeeld zal zorgen voor een versterking van de kennisbasis van wetenschappelijk onderzoek in Nederland en een versterking van de aansluiting tussen onderzoek en hoger onderwijs en impact in de betrokken sectoren. Zie toelichting voor gedetailleerde omschrijving van de randvoorwaarden voor de sectorbeelden.

Artikel 6. Leden

  • 1 De samenstelling van de commissies is als volgt:

    • De Commissie sectorplan Bèta en Techniek bestaat uit een voorzitter en 10 andere leden. De Kamer Bèta en de Kamer Techniek hebben beide een eigen voorzitter welke tevens vicevoorzitter is van de Commissie sectorplan Bèta en Techniek;

    • De Commissie sectorplan SSH bestaat uit een voorzitter en 5 andere leden waarbij een van de leden tevens vicevoorzitter is.

  • 2 De voorzitters en de andere leden worden door de minister benoemd.

  • 3 Bij verandering van hoofd- of nevenfuncties van de leden of het aangaan van bepaalde relaties door de leden kan de minister lidmaatschap van de commissie heroverwegen.

  • 4 De benoeming geschiedt voor de duur van de commissies.

  • 5 Bij tussentijds vertrek van een lid kan de minister een ander lid benoemen.

  • 6 De voorzitters en overige leden kunnen worden geschorst en ontslagen door de minister.

  • 7 Voor de periode van 1 december 2018 tot en met 1 december 2025 worden tot lid van de Commissie sectorplan Bèta en Techniek benoemd:

    • de heer prof. dr. ir. C.J. Van Duijn, tevens voorzitter;

      • o in de Kamer Bèta:

        • te rekenen vanaf 1 februari 2019: mevrouw prof. dr. L.J. Braakman, tevens vicevoorzitter;

        • de heer M. Buchel;

        • mevrouw prof. dr. ir. M. Dijkstra;

        • mevrouw prof. dr. ir. M.G. Gerritsen;

        • de heer H.J. van Dorenmalen;

      • o in de Kamer Techniek:

        • de heer prof. dr. K.A.A. Makinwa tevens vicevoorzitter;

        • de heer ir. M.C.H. van Hoorn;

        • mevrouw prof. dr. S.J.M.H. Hulscher;

        • de heer prof. dr. W.J. Niessen;

        • mevrouw M.C. Stikker.

  • 8 Voor de periode van 1 december 2018 tot en met 1 december 2025 worden tot lid van de Commissie SSH benoemd:

    • te rekenen vanaf 19 februari 2020: de heer prof. dr. mr. S. Zouridis, tevens voorzitter;

    • te rekenen tot en met 24 november 2019: mevrouw prof. mr. J.E.J. Prins, tevens voorzitter;

    • mevrouw prof. mr. A. Oskamp, tevens vicevoorzitter;

    • te rekenen tot en met 3 mei 2020: de heer prof. dr. R.A. Boschma;

    • te rekenen vanaf 1 juli 2021: mevrouw prof. dr. M. Smit;

    • mevrouw prof. mr. T.N.B.M. Spronken;

    • de heer prof. dr. P.P.C.C. Verbeek;

    • de heer prof. mr. dr. J.A. de Bruijn.

Artikel 7. Ondersteuning en secretariaat

  • 1 De commissies worden ondersteund door medewerkers van NWO.

  • 2 Het secretariaat is voor de inhoudelijke uitvoering van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de voorzitters van de commissies.

Artikel 8. Instellingsduur

De commissies worden ingesteld voor de duur van 7 jaren met ingang van 1 december 2018 en wordt opgeheven per 1 december 2025.

Artikel 9. Werkwijze

  • 1 De commissies stellen hun eigen werkwijze vast, waarbij rekening wordt gehouden met het voorkomen van (de schijn van) belangenverstrengeling gedurende de gehele looptijd van de commissies.

  • 2 De commissies kunnen zich door andere personen laten bijstaan voor zover dat voor de vervulling van hun taak nodig is.

Artikel 10. Informatieplicht

De commissies verstrekken aan de minister desgevraagd de door de minister gewenste inlichtingen. De minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van de taak van de minister redelijkerwijs nodig is.

Artikel 11. Advies op basis van evaluaties

De commissies brengen vóór 1 juni 2022 hun advies uit aan de minister op basis van de tussentijdse evaluatie en vóór 1 juni 2025 hun advies uit aan de minister op basis van de eindevaluatie.

Artikel 12. Kosten van de commissies

De kosten van de commissies komen, voor zover goedgekeurd, voor rekening van de minister. Onder kosten worden in ieder geval verstaan:

  • a. vergoedingen aan de leden van de commissies als bedoeld in artikel 13

  • b. de kosten voor de faciliteiten van vergaderingen en voor secretariële ondersteuning, en

  • c. de kosten voor publicatie van rapportages.

Artikel 13. Vergoeding van de commissies

  • 1 De voorzitters en de andere leden ontvangen een vaste vergoeding per maand. De toepasselijke salarisschaal voor de voorzitters en de andere leden is schaal 18 conform de vigerende cao Rijk.

  • 2 Voor 2019 is de arbeidsduurfactor voor de voorzitters van de commissies 1,33/36, voor de leden – niet zijnde de voorzitter – van de commissie SSH 1/36, en voor de leden – niet zijnde de voorzitter – van de Commissie sectorplan Bèta en Techniek is de arbeidsduurfactor 1,75/36.

  • 3 Voor de jaren 2020, 2021, 2023 en 2024 is de arbeidsduurfactor voor de voorzitter van de commissie sectorplan Bèta en Techniek 4/36, voor vicevoorzitters van de commissie sectorplan Bèta en Techniek 3,8/36, voor de leden van de commissie sectorplan Bèta en Techniek 2/36, voor de voorzitter van de commissie sectorplan SSH 2,6/36, voor de vicevoorzitter van de commissie sectorplan SSH 2,5/36, en voor de leden van de Commissie sectorplan SSH is de arbeidsduurfactor 1,2/36.

  • 4 Voor de jaren 2022 en 2025 is de arbeidsduurfactor voor de voorzitter van de commissie sectorplan Bèta en Techniek 4,8/36, voor de vicevoorzitters van de commissie sectorplan Bèta en Techniek 4,6/36, voor de leden van de commissie sectorplan Bèta en Techniek 2,8/36, voor de voorzitter van commissie sectorplan SSH 3,4/36, voor de vicevoorzitter van de commissie sectorplan SSH 3,1/36 en voor de leden van de commissie sectorplan SSH 2,2/36.

  • 5 De commissies bieden zo spoedig mogelijk na hun instelling een begroting en een planning aan de minister aan.

Artikel 14. Openbaarmaking

  • 1 Rapporten, notities, verslagen, adviezen en andere producten die door of namens de commissies worden vervaardigd of vergaard, worden niet door de commissies openbaar gemaakt, maar uitsluitend aan de minister uitgebracht of overgedragen.

  • 2 Na toekenning van middelen als bedoeld in de tabel van de toelichting hebben de commissies toestemming om met de betrokken kennisinstellingen te communiceren ten behoeve van de uitvoering, monitoring en auditing van de sectorplannen.

Artikel 15. Archiefbescheiden

De commissies dragen zo spoedig mogelijk na beëindiging van hun werkzaamheden of, zo de omstandigheden daartoe aanleiding geven, zoveel eerder, de bescheiden betreffende die werkzaamheden over aan het archief van de directie Organisatie en Bedrijfsvoering van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Artikel 16. Inwerkingtreding

  • 1 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 december 2018.

  • 2 Dit besluit vervalt met ingang van 1 juli 2026.

Artikel 17. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit Commissie sectorplan Bèta en Techniek en de Commissie sectorplan Social Sciences and Humanities.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden gezonden aan betrokkenen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

I.K. van Engelshoven

Terug naar begin van de pagina