Besluit beslagvrije voet

Geldend van 01-01-2021 t/m heden

Besluit van 6 februari 2019, houdende regels in verband met de vereenvoudiging van de beslagvrije voet (Besluit beslagvrije voet)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 oktober 2018, nr. 2018001874;

Gelet op de artikelen 475d, eerste lid, 475da, zevende lid, 475db, tweede lid, 475e, derde lid, en 475i, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 15 november 2018, nr. W12.18.0326/III);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 februari 2019, nr. 2019-0000017812,

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • aangiftetijdvak: tijdvak van vier weken of één maand waarop de aangifte op basis waarvan de ingehouden loonbelasting wordt afgedragen betrekking heeft of, als de inhoudingsplichtige over een afwijkend tijdvak aangifte doet, het tijdvak waarover loon is betaald herleid tot één maand;

    • inkomstenverhouding: rechtsverhouding waaraan een vordering tot periodieke betaling is verbonden als bedoeld in artikel 475c, eerste lid, onderdelen a tot en met i, van de wet;

    • loon LB/PH: inkomen waarover de loonbelasting en premie volksverzekeringen wordt berekend voor het aangiftetijdvak;

    • Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

    • UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

    • wet: Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

  • 2 De in artikel 475ab van de wet opgenomen begripsbepalingen zijn van toepassing op dit besluit en de daarop berustende bepalingen.

Artikel 2. Belastbaar inkomen

  • 1 Voor de berekening van het belastbaar inkomen wordt gebruikgemaakt van het loon LB/PH.

  • 2 Het loon LB/PH wordt:

    • a. verminderd met een binnen het aangiftetijdvak uitbetaalde vakantiebijslag of extra periode salaris; en

    • b. vermeerderd met een reservering in verband met vakantiebijslag of extra periode salaris binnen het aangiftetijdvak.

  • 3 Als het aangiftetijdvak niet gelijk is aan een maand, wordt de uitkomst naar een maandinkomen herleid.

Artikel 3. Reële afspiegeling belastbaar inkomen

  • 1 Bij de beoordeling, bedoeld in artikel 475d, eerste lid, en artikel 475db, tweede lid, van de wet wordt enkel het belastbaar inkomen in de aangiftetijdvakken betrokken:

    • a. die vallen binnen de laatste vier maanden gerekend vanaf de eerste dag van de maand van opvraag; en

    • b. waarvan de aangiftetermijn op het moment van bevraging is verstreken.

  • 2 Bij de beoordeling wordt per inkomstenverhouding het belastbaar inkomen over het meest recente aangiftetijdvak vergeleken met het gemiddeld belastbaar maandinkomen berekend op basis van het belastbaar inkomen over de aangiftetijdvakken.

  • 3 Als het meest recente belastbaar maandinkomen van de inkomstenverhouding afwijkt van het gemiddelde belastbaar maandinkomen van deze inkomstenverhouding, wordt het gemiddelde belastbaar maandinkomen gebruikt voor de berekening van de beslagvrije voet.

Artikel 4. Eigen woning

Artikel 5. Bedrag vermindering beslagvrije voet

  • 2 De hoogte van het bedrag is gelijk aan het loon LB/PH, waarop van een uitbetaald recht op vakantiebijslag of extra periode salaris, de ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage zoals bedoeld in de Zorgverzekeringwet en de ingehouden loonbelasting en premie volksverzekeringen in mindering zijn gebracht.

  • 3 Als het gemiddeld belastbaar maandinkomen wordt gebruikt voor de berekening van de beslagvrije voet, wordt de hoogte van het in mindering te brengen bedrag berekend op basis van het gemiddelde van het loon LB/PH, het gemiddelde van de ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in de Zorgverzekeringwet en het gemiddelde van de ingehouden loonbelasting en premie volksverzekeringen over de tijdvakken die op grond van artikel 3, eerste lid, worden betrokken.

  • 4 Als het aangiftetijdvak niet gelijk is aan een maand, wordt de uitkomst van het tweede of derde lid naar een maandinkomen herleid.

Artikel 6. Woonlandfactor

  • 2 De factor wordt zodanig bepaald dat het een weergave is van de verhouding tussen het kostenniveau van het land waar de schuldenaar woonachtig is en dat van Nederland maar tot maximaal een factor 1,0.

Artikel 7. Model beslagvrije voet

  • 2 Het model wordt vastgesteld bij ministeriële regeling.

Artikel 8. Ondersteuning bij de vaststelling van de beslagvrije voet

  • 2 De ondersteuning bestaat in ieder geval uit:

    • a. het in ontvangst en in behandeling nemen van een verzoek om de beslagvrije voet te berekenen;

    • b. het verwerken van voor de berekening van de beslagvrije voet noodzakelijke gegevens, waaronder in ieder geval begrepen gegevens uit de polisadministratie met betrekking tot het belastbaar inkomen en gegevens uit de basisregistratie personen met betrekking tot de leefsituatie;

    • c. het berekenen van de beslagvrije voet; en

    • d. het verstrekken van de berekende beslagvrije voet en de gegevens die aan de berekening ten grondslag liggen aan de verzoekende partij.

  • 3 Voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze ondersteuning is Onze Minister de verwerkingsverantwoordelijke.

  • 4 De Stichting Inlichtingenbureau is verwerker als bedoeld in artikel 4 van de Algemene verordening gegevensbescherming, voor het berekenen van de beslagvrije voet, en het UWV is verwerker voor het aan de Stichting Inlichtingenbureau ter beschikking stellen van de noodzakelijke gegevens uit de polisadministratie en de basisregistratie personen.

  • 5 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over:

    • a. welke partijen gebruik kunnen maken van de ondersteuning en onder welke voorwaarden;

    • b. de voorwaarden waaronder de gegevensverwerking, bedoeld in het tweede lid, plaatsvindt;

    • c. de verwerking van persoonsgegevens door de Stichting Inlichtingenbureau en het UWV, in ieder geval ten aanzien van:

      • 1°. de duur van de verwerking;

      • 2°. andere dan de in het vierde lid genoemde taken, die elk van deze verwerkers uitvoert ten behoeve van Onze Minister; en

      • 3°. de bijstand die de verwerkers verlenen bij het doen nakomen van de verplichtingen uit hoofde van de artikelen 32 tot en met 36 van de Algemene verordening gegevensbescherming.

Artikel 9. Ondersteuning door de beroepsorganisatie van gerechtsdeurwaarders

  • 1 Onverminderd artikel 8 is de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders belast met de ondersteuning, bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid, voor zover het de ondersteuning betreft van bij ministeriële regeling aangewezen partijen, en verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze ondersteuning.

  • 2 De Stichting Netwerk Gerechtsdeurwaarders is verwerker als bedoeld in artikel 4 van de Algemene verordening gegevensbescherming.

  • 3 Dit artikel vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 11. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting en de bijlage in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 6 februari 2019

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

T. van Ark

Uitgegeven de dertiende februari 2019

De Minister van Justitie en Veiligheid,

F.B.J. Grapperhaus

Bijlage bij artikel 2, eerste lid, van het Besluit beslagvrije voet

Vaststellen van de indicatieperiode:

Stap 1

Heeft de schuldenaar in de laatste vier maanden meerdere inkomstenverhoudingen gehad?

Ja

Stel het totaal inkomen per aangiftetijdvak vast. Tel hiervoor – onder aftrek van de uitbetaalde vakantiebijslag of het extra periode salaris – de verschillende bedragen aan loon LB/PH die binnen hetzelfde aangiftetijdvak vallen bij elkaar op. Vervolgens ga naar stap 2

Nee

Ga naar stap 2

Stap 2

Is van de beschikbare inkomstenverhouding(en) slechts één aangiftetijdvak bekend?

Ja

Dit aangiftetijdvak is de indicatieperiode.

Nee

Ga naar stap 3

Stap 3

Wijkt – onder aftrek van de uitbetaalde vakantiebijslag of het extra periode salaris – het loon LB/PH in het laatst beschikbare aangiftetijdvak minder dan 5% af van het loon LB/PH in ofwel het voorlaatste aangiftetijdvak, ofwel het aan het voorlaatste voorafgaande aangiftetijdvak?

Ja

Het laatst beschikbare aangiftetijdvak is de indicatieperiode.

Nee

Ga naar stap 4

Stap 4

Zijn van de inkomstenverhouding(en) slechts twee aangiftetijdvakken bekend?

Ja

Deze twee aangiftetijdvakken vormen de indicatieperiode.

Nee

Ga naar stap 5

Stap 5

Wijkt – onder aftrek van de uitbetaalde vakantiebijslag of het extra periode salaris – het loon LB/PH van het voorlaatste beschikbare aangiftetijdvak minder dan 5% af van het loon LB/PH in de aan het voorlaatste aangiftetijdvak voorafgaande tijdvak?

Ja

Het voorlaatste beschikbare aangiftetijdvak is de indicatieperiode.

Nee

De drie laatst beschikbare aangiftetijdvakken vormen gezamenlijk de indicatieperiode.

Terug naar begin van de pagina