Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2019

[Regeling materieel uitgewerkt per 02-11-2020.]
Geldend van 25-02-2020 t/m heden

Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2019

De Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland,

Gelet op de artikelen 32, vijfde lid, en 34, vierde lid, van de Zorgverzekeringswet, Hoofdstuk 3 van het Besluit zorgverzekering, de Regeling risicoverevening 2019 en de brief van de minister van VWS van 28 september 2018, kenmerk 146175-181319-Z,

heeft in zijn vergadering van 8 oktober 2018 besloten:

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

Artikel 1. Definities

Deze beleidsregels verstaan onder:

  • a. het Zorginstituut: Zorginstituut Nederland, bedoeld in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet;

  • b. zwaarte: het deel waarvoor de verzekerde meetelt in een betreffende klasse;

  • c. macroverzekerdenraming: de raming van het aantal verzekerden op macroniveau op basis van de opgave van de zorgverzekeraars en trends van het CBS naar aantal inwoners in Nederland voor het jaar 2019;

  • d. FKG GGZ: FKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in artikel 1, onderdeel q, van het Besluit zorgverzekering;

  • e. DKG GGZ: DKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in artikel 1, onderdeel ee, van het Besluit zorgverzekering;

  • f. PKB: persoonskenmerkenbestand. Een bestand dat bestaat uit de opgave van de zorgverzekeraar met per gepseudonimiseerd burgerservicenummer de persoonskenmerken geslacht, geboortemaand en geboortejaar, viercijferige postcode en gepseudonimiseerd adres. Dit bestand wordt jaarlijks opgesteld aan de hand van opgaven van de zorgverzekeraars. Voor het PKB 2018 is de peildatum 1 mei 2018 en de aanleverdatum 1 juni 2018;

  • g. VPPKB: verzekerde periode en persoonskenmerkenbestand. Een bestand dat bestaat uit twee delen. Het eerste deel betreft de opgave van de zorgverzekeraar van verzekerden mét een geverifieerd gepseudonimiseerd burgerservicenummer dat per gepseudonimiseerd burgerservicenummer de verzekerde periode, de persoonskenmerken geslacht, geboortemaand en geboortejaar, viercijferige postcode en gepseudonimiseerd adres bevat. Het tweede deel betreft de opgave van de zorgverzekeraar van verzekerden zonder een geverifieerd burgerservicenummer en verzekerden zonder burgerservicenummer dat per verzekerde de verzekerde periode, de persoonskenmerken geslacht, geboortemaand en geboortejaar en viercijferige postcode bevat. Dit bestand wordt jaarlijks opgesteld aan de hand van opgaven van de zorgverzekeraars. Voor het VPPKB 2019 is de aanleverdatum 1 juni 2020;

  • h. verzekerde woonachtig in het buitenland: een persoon die een zorgverzekering heeft afgesloten en geen ingezetene van Nederland is;

  • i. vereveningsbijdrage: de bijdrage, bedoeld in de artikelen 32 en 34 van de Zorgverzekeringswet;

  • j. wet: de Zorgverzekeringswet;

  • k. Regeling: Regeling risicoverevening 2019;

  • l. trendtabel: door het Zorginstituut per criterium opgestelde tabel met trendfactoren die voor het betreffende criterium de geraamde prevalentieontwikkeling weergeeft, zoals gepubliceerd op de website van het Zorginstituut. De trendfactor geeft de mutatie van verzekerden per risicoklasse weer;

  • m. jaarstaat: de jaarstaat, bedoeld in de regeling, bedoeld in artikel 90 van de wet;

  • n. UWV-bestand: het bij het Zorginstituut meest recent beschikbare bestand per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van het UWV naar inkomensbron voor een peiljaar;

  • o. zelfstandigenbestand: bestand van de Belastingdienst met een uittreksel van het zelfstandigenregister voor een peiljaar, bestaande uit twee delen. Het eerste deel is het bestand aangeleverd in de maand juli van het peiljaar en heeft betrekking op de directeuren grootaandeelhouders. Het tweede deel betreft het bij het Zorginstituut meest recent beschikbare bestand dat wordt gebruikt voor de overige zelfstandigen;

  • p. belastingdienstbestand: bestand van de Belastingdienst met een uittreksel van het zelfstandigenregister voor een peiljaar, bestaande uit twee delen. Het eerste deel is het bestand aangeleverd in de maand juli van het peiljaar en heeft betrekking op de directeuren grootaandeelhouders. Het tweede deel betreft het bij het Zorginstituut meest recent beschikbare bestand dat wordt gebruikt voor de overige zelfstandigen;

Artikel 2. Algemene bepaling

Het Zorginstituut past de bepalingen uit het Besluit zorgverzekering en de Regeling met betrekking tot de toekenning en vaststelling van de vereveningsbijdrage aan de zorgverzekeraars toe met inachtneming van het bepaalde in deze beleidsregels.

Artikel 3. Zorgverzekeraars

Het Zorginstituut gaat bij de verdeling van de macro-deelbedragen 2019 en de berekening van de normatieve bedragen en de vereveningsbijdragen ervan uit dat alle zorgverzekeraars die gedurende 2018 actief zijn geweest ook in 2019 als zorgverzekeraar actief zullen zijn.

Hoofdstuk II. Toekenning van de vereveningsbijdrage 2019 aan een zorgverzekeraar

Artikel 4. Algemene bepaling voor de raming van de verzekerdenaantallen

  • 1 Het Zorginstituut baseert zich bij de raming van de verzekerdenaantallen 2019 op de macroverzekerdenraming.

  • 2 Het Zorginstituut baseert zich bij de raming van de verzekerdenaantallen 2019 per zorgverzekeraar op het PKB 2018 met als peildatum 1 mei 2018, zoals de zorgverzekeraars dat hebben aangeleverd op 1 juni 2018.

  • 3 Het Zorginstituut deelt verzekerden zonder burgerservicenummer en verzekerden zonder geverifieerd burgerservicenummer niet in bij een criterium.

  • 4 Wanneer een verzekerde bij meerdere zorgverzekeraars tegelijkertijd is ingeschreven, past het Zorginstituut artikel 10 van de Regeling toe.

Artikel 5. De verzekerdenaantallen 2019 voor het macro-deelbedrag variabele zorgkosten

  • 1 Het Zorginstituut deelt voor het macro-deelbedrag variabele zorgkosten verzekerden in bij de criteria leeftijd en geslacht, FKG’s, primaire DKG’s, secundaire DKG’s, HKG’s, AVI, regio, SES, PPA, MHK, FDG en MVV.

  • 2 In afwijking van het eerste lid deelt het Zorginstituut verzekerden woonachtig in het buitenland niet in bij de criteria regio, SES en PPA.

  • 3 Met inachtneming van artikel 6 van de Regeling deelt het Zorginstituut alle verzekerden woonachtig in het buitenland voor het criterium FKG’s in in de klasse 'Geen FKG', voor het criterium primaire DKG’s in de klasse ‘Geen primaire DKG’, voor het criterium secundaire DKG’s in de klasse ‘Geen secundaire DKG’, voor het criterium HKG’s in de klasse ‘Geen HKG’ en voor het criterium FDG in de klasse ‘Geen FDG’.

Artikel 6. De verzekerdenaantallen 2019 voor het macro-deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg

  • 1 Het Zorginstituut deelt voor het macro-deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg verzekerden van achttien jaar en ouder in bij de criteria leeftijd en geslacht, FKG GGZ, DKG GGZ, AVI, GGZ-regio, SES, PPA en GGZ-MHK.

  • 2 In afwijking van het eerste lid deelt het Zorginstituut verzekerden woonachtig in het buitenland niet in bij de criteria GGZ-regio, SES en PPA.

  • 3 Met inachtneming van artikel 6 van de Regeling deelt het Zorginstituut alle verzekerden woonachtig in het buitenland voor het criterium FKG GGZ in in de klasse 'Geen FKG psychische aandoeningen' en voor het criterium DKG GGZ in de klasse ‘Geen DKG psychische aandoeningen’.

Artikel 7. De verzekerdenaantallen 2019 voor de normatieve eigen risico opbrengst

  • 1 Het Zorginstituut deelt voor de normatieve eigen risico opbrengst verzekerden van achttien jaar en ouder die zowel onder de klasse ‘Geen FKG’, als onder de klassen ‘Geen primaire DKG’, ‘Geen secundaire DKG’, ‘Geen HKG’, ‘Geen MVV’ en ‘Geen FDG’ vallen en niet worden ingedeeld bij MHK-klasse ‘2 voorafgaande jaren variabele zorgkosten in top 10 procent’ of hoger, in bij de criteria leeftijd en geslacht, AVI, regio en MHK.

  • 2 Het Zorginstituut deelt voor het normatieve eigen risico verzekerden woonachtig in het buitenland niet in bij het criterium regio.

Artikel 8. Leeftijd en geslacht

  • 1 Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium leeftijd en geslacht per zorgverzekeraar op het PKB 2018.

  • 2 Het Zorginstituut bepaalt op basis van het eerste lid in welke leeftijds- en geslachtsklasse de verzekerde wordt ingedeeld.

  • 3 Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium leeftijd en geslacht naar de macroverzekerdenraming.

Artikel 9. FKG’s

  • 1 Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium FKG’s per zorgverzekeraar op:

    • a. de indeling in FKG klassen 2019 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 1 van deze Beleidsregels;

    • b. de opgave per 1 juni 2018 van declaraties farmaceutische hulp 2017 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut;

    • c. de opgave per 1 juni 2018 van declaraties add-ons duur of weesgeneesmiddel 2016 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut;

    • d. de opgave per 1 juni 2017 van declaraties farmaceutische hulp 2016 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.

  • 2 Het Zorginstituut koppelt de opgaven, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, c en d, met behulp van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2018 en bepaalt op basis hiervan en met inachtneming van artikel 9, tweede en derde lid, van de Regeling en bijlage 1 van deze Beleidsregels, in welke FKG klassen de verzekerde valt. Aan de verzekerde koppelt het Zorginstituut een zwaarte van 1 voor de betreffende klassen.

  • 3 Het Zorginstituut past per verzekerde per klasse van het criterium FKG’s 2019 de trendtabel voor dit criterium toe voor de geraamde prevalentieontwikkeling. Het Zorginstituut vermenigvuldigt de zwaarte, genoemd in het tweede lid, met de toepasselijke trendfactor uit de trendtabel.

  • 4 Het Zorginstituut past op de verzekerden in de FKG klasse ‘Groeistoornissen o.b.v. add-on’, de FKG klasse ‘Auto-immuunziekten o.b.v. add-on’, de FKG klasse ‘Immunoglobuline o.b.v. add-on’, de FKG klasse ‘COPD/Zware astma o.b.v. add-on’, de FKG klasse ‘Kanker o.b.v. add-on’, de FKG klasse ‘Extreem hoge kosten cluster 1’, de FKG klasse ‘Extreem hoge kosten cluster 2’ en de FKG klasse ‘Extreem hoge kosten cluster 3’ een sterftecorrectie toe, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft met het VPPKB 2017.

  • 5 Het Zorginstituut past op verzekerden die in het PKB 2018 voor het eerst voorkomen per FKG klasse de gemiddelde prevalentie van de overige verzekerden in het PKB toe.

  • 6 Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen FKG’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen FKG’ in.

  • 7 Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium FKG’s naar de macroverzekerdenraming.

Artikel 10. Primaire DKG’s

  • 1 Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium primaire DKG’s per zorgverzekeraar op:

    • a. de indeling in primaire DKG klassen 2019 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 2 van deze Beleidsregels;

    • b. de opgave van de zorgverzekeraars per 1 juni 2018 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van dbc’s die in 2016 geopend zijn;

    • c. de opgave van de zorgverzekeraars per 1 juni 2017 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van dbc’s die in 2015 geopend zijn.

  • 2 Het Zorginstituut koppelt de opgaven, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b en c, met behulp van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het VPPKB 2017 en bepaalt op basis hiervan en met inachtneming van bijlage 2 van deze Beleidsregels, in welke primaire DKG klasse ‘1’ tot en met ‘15’ de verzekerde valt. Als een verzekerde in meer primaire DKG klassen valt, deelt het Zorginstituut de verzekerde in de hoogste voor hem toepasselijke klasse in. Het Zorginstituut stelt voor de toepasselijke klasse waarin de verzekerde valt de zwaarte op 1.

  • 3 Het Zorginstituut past op de verzekerden die in het VPPKB 2017 voor het eerst voorkomen per primaire DKG klasse de gemiddelde prevalentie van de overige verzekerden in het VPPKB 2017 toe. Vervolgens koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PKB 2018, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.

  • 4 Als een verzekerde niet in een klasse ‘1’ tot en met ‘15’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in bij de klasse ‘Geen primaire DKG’.

  • 5 Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium primaire DKG’s naar de macroverzekerdenraming.

Artikel 11. Secundaire DKG’s

  • 1 Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium secundaire DKG’s per zorgverzekeraar op:

    • a. de indeling in secundaire DKG klassen 2019 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 2 van deze Beleidsregels;

    • b. de opgave van de zorgverzekeraars per 1 juni 2018 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van dbc’s die in 2016 geopend zijn;

    • c. de opgave van de zorgverzekeraars per 1 juni 2017 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van dbc’s die in 2015 geopend zijn.

  • 2 Het Zorginstituut koppelt de opgaven, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b en c, met behulp van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het VPPKB 2017 en bepaalt op basis hiervan en met inachtneming van bijlage 2 van deze Beleidsregels, in welke secundaire DKG klasse ‘1’ tot en met ‘7’ de verzekerde valt. Bij de indeling naar secundaire DKG klassen sluit het Zorginstituut declaraties die tot een primaire DKG hebben geleid uit. Als een verzekerde in meer secundaire DKG klassen valt, deelt het Zorginstituut de verzekerde in de hoogste voor hem toepasselijke klasse in. Het Zorginstituut stelt voor de toepasselijke klasse waarin de verzekerde valt de zwaarte op 1.

  • 3 Het Zorginstituut past op de verzekerden die in het VPPKB 2017 voor het eerst voorkomen per secundaire DKG klasse de gemiddelde prevalentie van de overige verzekerden in het VPPKB 2017 toe. Vervolgens koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PKB 2018, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.

  • 4 Als een verzekerde niet in een klasse ‘1’ tot en met ‘7’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in bij de klasse ‘Geen secundaire DKG’.

  • 5 Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium secundaire DKG’s naar de macroverzekerdenraming.

Artikel 12. HKG’s

  • 1 Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium HKG’s per zorgverzekeraar op:

    • a. de indeling in HKG klassen 2019 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 3 van deze Beleidsregels;

    • b. de opgave per 1 juni 2018 van declaraties hulpmiddelen 2017 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.

  • 2 Het Zorginstituut koppelt de opgave, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met behulp van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2018 en bepaalt op basis hiervan en met inachtneming van bijlage 3 van deze Beleidsregels, in welke HKG klasse de verzekerde valt. Als een verzekerde in meer HKG klassen valt, deelt het Zorginstituut de verzekerde in de hoogste voor hem toepasselijke klasse in. Het Zorginstituut stelt voor de toepasselijke klasse waarin de verzekerde valt de zwaarte op 1.

  • 3 Het Zorginstituut past per verzekerde per klasse van het criterium HKG’s de trendtabel voor dit criterium toe voor de geraamde prevalentieontwikkeling. Het Zorginstituut vermenigvuldigt de zwaarte, genoemd in het vorige lid, met de toepasselijke trendfactor uit de trendtabel. Het Zorginstituut past op verzekerden die in het PKB 2018 voor het eerst voorkomen per HKG klasse de gemiddelde prevalentie van de overige verzekerden in het PKB toe.

  • 4 Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen HKG’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen HKG’ in.

  • 5 Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium HKG’s naar de macroverzekerdenraming.

Artikel 13. AVI

  • 1 Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium AVI per zorgverzekeraar met betrekking tot:

    • a. de indeling op de indeling in AVI klassen zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 4 van deze Beleidsregels;

    • b. de leeftijd op het VPPKB 2017;

    • c. de zelfstandigen op het zelfstandigenbestand op peildatum 30 juni 2017;

    • d. de duurzaam en volledig arbeidsongeschikten, de overige arbeidsongeschikten, de bijstandsgerechtigden, de werklozen en de loontrekkers op het UWV-bestand op peildatum 30 juni 2017;

    • e. de studenten en hoogopgeleiden op de opgave van DUO per gepseudonimiseerd burgerservicenummer op peildatum 1 juni 2017.

  • 2 Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b tot en met e, met behulp van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het VPPKB 2017 en bepaalt op basis hiervan met inachtneming van artikel 9, vierde lid, van de Regeling en bijlage 4 van deze Beleidsregels, in welke AVI klasse een verzekerde wordt ingedeeld.

  • 3 Na toepassing van het vorige lid koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PKB 2018, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.

  • 4 Het Zorginstituut herschaalt na toepassing van het derde lid het geraamde aantal verzekerden voor het criterium AVI naar de macroverzekerdenraming, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie per AVI klasse constant blijft.

Artikel 14. Regio

  • 1 Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium regio per zorgverzekeraar met betrekking tot:

    • a. de indeling op de indeling in regioklassen zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 5 van deze Beleidsregels;

    • b. de viercijferige postcode op het PKB 2018.

  • 2 Het Zorginstituut bepaalt op basis van het eerste lid in welke regioklasse de verzekerde wordt ingedeeld.

  • 3 Het Zorginstituut herschaalt na toepassing van het eerste en tweede lid het geraamde aantal verzekerden voor het criterium regio naar de macroverzekerdenraming.

Artikel 15. SES

  • 1 Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium SES per zorgverzekeraar met betrekking tot:

    • a. de indeling van de klasse ‘1 (zeer laag)’ mede op het referentiebestand PPA dat is opgenomen in bijlage 6 van deze Beleidsregels;

    • b. de leeftijd op het VPPKB 2017;

    • c. het inkomen op de het belastingdienstbestand over het jaar 2015;

    • d. het inkomen wanneer voor 2015 geen gegevens beschikbaar zijn op de het belastingdienstbestand over het jaar 2016;

    • e. de adresgegevens op het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer in het belastingdienstbestand over 2017;

    • f. de adresgegevens in het geval een verzekerde niet is opgenomen in het belastingdienstbestand 2017 op het gepseudonimiseerde adres in het VPPKB 2017;

    • g. bewoners Wlz-instelling op Wlz-declaraties december 2016 en op Wlz-declaraties december 2017.

  • 2 Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid onder b tot en met g, met behulp van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het VPPKB 2017 en bepaalt op basis hiervan en met inachtneming van artikel 9, zesde lid, van de Regeling, in welke SES klasse een verzekerde wordt ingedeeld.

  • 3 Na toepassing van het tweede lid koppelt het Zorginstituut de verzekerden voor het criterium SES aan het PKB 2018, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.

  • 4 Het Zorginstituut herschaalt na toepassing van het derde lid het geraamde aantal verzekerden voor het criterium SES naar de macroverzekerdenraming, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie per SES klasse constant blijft.

Artikel 16. PPA

  • 1 Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium PPA per zorgverzekeraar met betrekking tot:

    • a. de indeling van de klassen ‘Wlz-instelling, blijvend’ en ‘Wlz-instelling, instromend’ op het referentiebestand PPA dat is opgenomen in bijlage 6 van deze Beleidsregels;

    • b. de leeftijd op het VPPKB 2017;

    • c. de adresgegevens op het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer in het belastingdienstbestand over 2017;

    • d. de adresgegevens op het gepseudonimiseerde adres in n het belastingdienstbestand 2016 en indien een verzekerde daarin niet is opgenomen in het VPPKB 2016. Indien een verzekerde ook niet is opgenomen in het VPPKB 2016 op het gepseudonimiseerde adres in het belastingdienstbestand over 2017 en indien verzekerde ook niet is opgenomen in het belastingdienstbestand over 2017 op het gepseudonimiseerde adres in het VPPKB 2017;

    • e. bewoners Wlz-instelling blijvend op Wlz-declaraties december 2016;

    • f. bewoners Wlz-instelling instromend op Wlz-declaraties december 2017 en op WLZ-declaraties december 2016.

  • 2 Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid onder b tot en met f, met behulp van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het VPPKB 2017 en bepaalt op basis hiervan in welke PPA klasse een verzekerde wordt ingedeeld.

  • 3 Na toepassing van het tweede lid koppelt het Zorginstituut de verzekerden voor het criterium PPA aan het PKB 2018, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.

  • 4 Het Zorginstituut herschaalt na toepassing van het derde lid het geraamde aantal verzekerden voor het criterium PPA naar de macroverzekerdenraming, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie per klasse constant blijft.

Artikel 17. MHK

  • 1 Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium MHK per zorgverzekeraar op:

    • a. declaraties met betrekking tot 2014 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor de deelbedragen variabele kosten van medisch-specialistische zorg en de kosten van overige prestaties tot en met 31 december 2016, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2017 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd, alsmede kosten van geriatrische revalidatiezorg met betrekking tot 2014 op basis van AWBZ-gegevens gebruikt in de Overall Toets 2019 met WOR nummer 929 die door de minister van VWS wordt gepubliceerd;

    • b. declaraties met betrekking tot 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedragvariabele zorgkosten tot en met 31 december 2017, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2018 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;

    • c. declaraties met betrekking tot 2016 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag variabele zorgkosten, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2018 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;

    • d. het VPPKB 2014, het VPPKB 2015 en het VPPKB 2016.

  • 2 Het Zorginstituut herleidt de percentages van de MHK klassen met betrekking tot 2014, 2015 respectievelijk 2016 tot drempelbedragen MHK 2014, 2015 respectievelijk 2016.

  • 3 Het Zorginstituut bepaalt op basis van de declaraties, bedoeld in het eerste lid, de drempelbedragen uit het vorige lid en een koppeling met het VPPKB 2017 in welke MHK klasse een verzekerde wordt ingedeeld. Het Zorginstituut deelt verzekerden die drie voorafgaande jaren geen variabele kosten in de top 30 procent hadden in bij de klasse ‘Geen MHK’.

  • 4 Na toepassing van het derde lid koppelt het Zorginstituut de verzekerden voor het criterium MHK aan het PKB 2018, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie per MHK klasse constant blijft.

  • 5 Het Zorginstituut herschaalt na toepassing van de vorige leden het geraamde aantal verzekerden voor het criterium MHK naar de macroverzekerdenraming en stemt de relatieve prevalentie per klasse af op de Overall Toets 2019 met WOR nummer 929, zoals die op 7 augustus 2018 aan de minister van VWS is gerapporteerd.

Artikel 18. FDG

  • 1 Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium FDG per zorgverzekeraar op:

    • a. de indeling in FDG klassen 2019 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 7 van deze Beleidsregels;

    • b. de opgave per 1 juni 2018 van declaraties fysiotherapie en oefentherapie 2017 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.

  • 2 Het Zorginstituut koppelt de declaraties, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met behulp van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2018 en bepaalt op basis hiervan en met inachtneming van bijlage 7 van deze Beleidsregels, in welke FDG klasse de verzekerde valt. Als een verzekerde in meer FDG klassen valt, deelt het Zorginstituut de verzekerde in de hoogste voor hem toepasselijke klasse in. Het Zorginstituut stelt voor de toepasselijke klasse waarin de verzekerde valt de zwaarte op 1.

  • 3 Het Zorginstituut past per verzekerde per klasse van het criterium FDG de trendtabel voor dit criterium toe voor de geraamde prevalentieontwikkeling. Het Zorginstituut vermenigvuldigt de zwaarte, genoemd in het vorige lid, met de toepasselijke trendfactor uit de trendtabel. Het Zorginstituut past op verzekerden die in het PKB 2018 voor het eerst voorkomen per FDG klasse de gemiddelde prevalentie van de overige verzekerden in het PKB toe.

  • 4 Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen FDG’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in bij de klasse ‘Geen FDG’.

  • 5 Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium FDG naar de macroverzekerdenraming.

Artikel 19. MVV

  • 1 Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium MVV per zorgverzekeraar met betrekking tot:

    • a. de leeftijd op het VPPKB 2017;

    • b. de kosten op declaraties kosten verpleging en verzorging 2014 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer, afkomstig uit de bestanden die gebruikt zijn voor de Overall Toets 2017, zoals de minister van VWS die heeft laten uitvoeren;

    • c. de kosten op declaraties kosten verpleging en verzorging 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer, tot en met 31 december 2017, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2018 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;

    • d. de kosten op declaraties kosten verpleging en verzorging 2016 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2018 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;

    • e. Het VPPKB 2016.

  • 2 Het Zorginstituut herleidt de percentages van de MVV klassen tot drempelbedragen.

  • 3 Het Zorginstituut bepaalt op basis van de som van de declaraties, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, c en d, de drempelbedragen uit het vorige lid en een koppeling met het VPPKB 2017 per verzekerde in welke MVV klasse de verzekerde valt. Het Zorginstituut stelt voor de klasse waarin de verzekerde valt de zwaarte op 1.

  • 4 In afwijking van het vorige lid deelt het Zorginstituut verzekerden jonger dan achttien jaar voor wie de kosten bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, tot de top 0,25% behoren, in in de MVV klasse ‘Kosten V&V voorafgaand jaar in top 0,25%; 0-17 jaar’.

  • 5 Voor verzekerden met kosten gelijk aan het drempelbedrag verdeelt het Zorginstituut met inachtneming van artikel 9, achtste lid, van de Regeling de zwaarte van 1 naar rato over de betreffende klassen.

  • 6 Indien de percentielgrens gelijk is aan nul euro deelt het Zorginstituut, met inachtneming van artikel 9, negende lid, van de Regeling, verzekerden met kosten op de percentielgrens in bij de klasse ‘Geen MVV’.

  • 8 Het Zorginstituut koppelt de verzekerden voor het criterium MVV aan het VPPKB 2017. Vervolgens koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PKB 2018, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.

  • 9 Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen MVV’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in bij de klasse ‘Geen MVV’.

  • 10 Het Zorginstituut herschaalt na toepassing van de vorige leden het geraamde aantal verzekerden voor het criterium MVV naar de macroverzekerdenraming en stemt de relatieve prevalentie per klasse af op de Overall Toets 2019 met WOR nummer 929, zoals die op 7 augustus 2018 aan de minister van VWS is gerapporteerd.

Artikel 20. FKG GGZ

  • 1 Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium FKG GGZ per zorgverzekeraar op:

    • a. de indeling in FKG GGZ klassen 2019 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 8 van deze Beleidsregels;

    • b. de opgave per 1 juni 2018 van declaraties farmaceutische hulp 2017 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.

  • 2 Het Zorginstituut koppelt de declaraties, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met behulp van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2018 en bepaalt op basis hiervan met inachtneming van artikel 9, vijfde lid, van de Regeling en bijlage 8 van deze Beleidsregels, in welke FKG GGZ klassen de verzekerde wordt ingedeeld. Aan de verzekerde koppelt het Zorginstituut een zwaarte van 1 voor de betreffende klassen.

  • 3 Het Zorginstituut past per verzekerde per klasse van het criterium FKG GGZ 2019 de trendtabel voor dit criterium toe voor de geraamde prevalentieontwikkeling. Het Zorginstituut vermenigvuldigt de zwaarte, genoemd in het tweede lid, met de toepasselijke trendfactor uit de trendtabel. Het Zorginstituut past voor verzekerden die in het PKB 2018 voor het eerst voorkomen per FKG GGZ klasse de gemiddelde prevalentie van de overige verzekerden in het PKB toe.

  • 4 Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen FKG psychische aandoeningen’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen FKG psychische aandoeningen’ in.

  • 5 Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium FKG GGZ naar de macroverzekerdenraming.

Artikel 21. DKG GGZ

  • 1 Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium DKG GGZ per zorgverzekeraar op:

    • a. de indeling in DKG GGZ klassen 2019 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 9 van deze Beleidsregels;

    • b. de opgave van de zorgverzekeraars per 1 juni 2018 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van dbc’s GGZ en zzp’s GGZ die in 2016 geopend zijn;

    • c. de opgave van de zorgverzekeraars per 1 juni 2018 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van dbc’s GGZ en zzp’s GGZ die in 2015 geopend zijn;

    • d. de opgave van de zorgverzekeraars per 1 juni 2017 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van dbc’s GGZ die in 2014 geopend zijn;

    • e. Wlz-opgaven die via Vektis zijn aangeleverd met betrekking tot zzp’s in 2016 en 2015;

    • f. AWBZ-opgaven die via Vektis zijn aangeleverd met betrekking tot zzp’s in 2014 en 2013.

  • 2 Het Zorginstituut koppelt op basis van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer de opgaven, bedoeld in het vorige lid, aan het VPPKB 2017. Het Zorginstituut bepaalt op basis hiervan en met inachtneming van bijlage 9 van deze Beleidsregels per verzekerde in welke DKG GGZ klasse de verzekerde valt. Als een verzekerde in meer DKG GGZ klassen valt, deelt het Zorginstituut de verzekerde in de hoogste voor hem toepasselijke klasse in. Het Zorginstituut stelt voor de toepasselijke klasse waarin de verzekerde valt de zwaarte op 1.

  • 3 Het Zorginstituut past per verzekerde per klasse 1 tot en met 13 van het criterium DKG GGZ de trendtabel voor dit criterium toe voor de geraamde prevalentieontwikkeling. Het Zorginstituut vermenigvuldigt de zwaarte, genoemd in het vorige lid, twee keer met de toepasselijke trendfactor uit de tabel. Het Zorginstituut past op de verzekerden die in het VPPKB 2017 voor het eerst voorkomen per DKG GGZ klasse de gemiddelde prevalentie voor de betreffende klasse van de overige verzekerden in het VPPKB 2017 toe. Vervolgens koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PKB 2018, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.

  • 4 Als een verzekerde niet in een klasse ‘1’ tot en met ‘17’ van het criterium DKG’s GGZ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen DKG psychische aandoeningen’ in.

  • 5 Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium DKG’s GGZ naar de macroverzekerdenraming.

Artikel 22. GGZ-regio

  • 1 Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium GGZ-regio per zorgverzekeraar met betrekking tot:

    • a. de indeling op de GGZ regio klassen 2019 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 10 van deze Beleidsregels;

    • b. de viercijferige postcode op het PKB 2018.

  • 2 Het Zorginstituut bepaalt op basis van het eerste lid in welke GGZ-regioklasse de verzekerde wordt ingedeeld.

  • 3 Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium GGZ-regio naar de macroverzekerdenraming.

Artikel 23. GGZ-MHK

  • 1 Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium GGZ-MHK per zorgverzekeraar op:

    • a. declaraties met betrekking tot 2012 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2014, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2016 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;

    • b. declaraties met betrekking tot 2013 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2015, zoals zorgverzekeraars die op 1 oktober 2016 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;

    • c. declaraties met betrekking tot 2014 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2016, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2017 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;

    • d. declaraties met betrekking tot 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2017, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2018 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;

    • e. declaraties met betrekking tot 2016 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2018 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;

    • f. het VPPKB 2012, VPPKB 2013, VPPKB 2014, het VPPKB 2015 en het VPPKB 2016.

  • 2 Het Zorginstituut herleidt de percentages van de risicoklassen GGZ-MHK met betrekking tot 2012, 2013, 2014, 2015 respectievelijk 2016 tot drempelbedragen GGZ-MHK 2012, 2013, 2014, 2015 respectievelijk 2016.

  • 3 Het Zorginstituut bepaalt op basis van de declaraties, bedoeld in het eerste lid, de drempelbedragen uit het vorige lid en een koppeling met het VPPKB 2017 in welke GGZ-MHK klasse een verzekerde wordt ingedeeld. Het Zorginstituut stelt voor de klasse waarin de verzekerde valt de zwaarte op 1.

  • 4 Voor verzekerden met kosten gelijk aan de percentielgrens ’Ten minste 1 van de 3 voorafgaande jaren kosten GGZ in top 98,5 procent met kosten GGZ > 10 euro’ verdeelt het Zorginstituut met inachtneming van artikel 9, zevende lid, van de Regeling de zwaarte van 1 naar rato over de betreffende klassen.

  • 5 Vervolgens koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PKB 2018, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.

  • 6 Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen GGZ-MHK’ valt, deelt het Zorginstituut de verzekerde in de klasse ‘Geen GGZ-MHK’ in.

  • 7 Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium GGZ-MHK naar de macroverzekerdenraming en stemt de relatieve prevalentie per klasse af op de Overall Toets 2019 met WOR nummer 929, zoals die op 7 augustus 2018 aan de minister van VWS is gerapporteerd.

Artikel 24. Gewichten voor het deelbedrag variabele zorgkosten

  • 1 Voor de verdeling van het macro-deelbedrag variabele zorgkosten gaat het Zorginstituut uit van de gewichten genoemd in bijlage 1 van de Regeling.

  • 2 Voor de verdeling van het macro-deelbedrag variabele zorgkosten hanteert het Zorginstituut met inachtneming van artikel 6 van de Regeling voor verzekerden woonachtig in het buitenland voor de volgende criteria de volgende gewichten als uitgangspunten:

    • a. 45% van het gewicht van de FKG klasse ‘Geen FKG’;

    • b. 50% van het gewicht voor de primaire DKG klasse ‘Geen primaire DKG’;

    • c. 60% van het gewicht voor de secundaire DKG klasse ‘Geen secundaire DKG’;

    • d. 60% van het gewicht voor de HKG klasse ‘Geen HKG’;

    • e. 75% van het gewicht voor de FDG klasse ‘Geen FDG’.

  • 3 Het Zorginstituut rondt de gewichten, bedoeld in het vorige lid, af op twee decimalen.

Artikel 25. De verdeling van het macro-deelbedrag variabele zorgkosten en de berekening van het deelbedrag variabele zorgkosten

  • 1 Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar, per criterium voor de criteria leeftijd en geslacht, FKG’s, primaire DKG’s, secundaire DKG’s, HKG’s, AVI, regio, SES, PPA, MHK, FDG en MVV de gewichten variabele zorgkosten 2019, bedoeld in artikel 24, per klasse met het geraamde aantal verzekerden in de overeenkomstige klasse.

  • 2 Het Zorginstituut sommeert de op grond van het eerste lid berekende producten per zorgverzekeraar.

  • 3 Het resultaat na toepassing van het tweede lid wordt aangeduid als het deelbedrag variabele zorgkosten 2019.

Artikel 26. De verdeling van het macro-deelbedrag vaste zorgkosten en de berekening van het deelbedrag vaste zorgkosten

  • 1 Het Zorginstituut berekent op grond van artikel 3.5 van het Besluit zorgverzekering, het normbedrag vaste zorgkosten 2019 door het macro-deelbedrag vaste zorgkosten te delen door het landelijk totaal van het aantal geraamde verzekerden 2019 en het resultaat af te ronden op twee decimalen.

  • 2 Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het geraamde aantal verzekerden 2019 met het normbedrag vaste zorgkosten 2019, zoals berekend in het eerste lid.

  • 3 Het resultaat na toepassing van het tweede lid wordt aangeduid als het deelbedrag vaste zorgkosten 2019.

Artikel 27. Gewichten voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg

  • 1 Voor de verdeling van het macro-deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg gaat het Zorginstituut uit van de gewichten genoemd in bijlage 2 van de Regeling.

  • 2 Voor de verdeling van het macro-deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg hanteert het Zorginstituut met inachtneming van artikel 6 van de Regeling voor verzekerden woonachtig in het buitenland voor de volgende criteria de volgende gewichten als uitgangspunten:

    • a. 50% van het gewicht voor de FKG GGZ klasse ‘Geen FKG psychische aandoeningen’;

    • b. 30% van het gewicht voor de DKG GGZ klasse ‘Geen DKG psychische aandoeningen’.

  • 3 Het Zorginstituut rondt de gewichten, bedoeld in het vorige lid, af op twee decimalen.

Artikel 28. De verdeling van het macro-deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg en de berekening van het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg

  • 1 Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar, per criterium voor de criteria leeftijd en geslacht, FKG GGZ, DKG GGZ, AVI, GGZ-regio, SES, PPA en GGZ-MHK de gewichten geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019, bedoeld in artikel 27, per klasse met het geraamde aantal verzekerden in de overeenkomstige klasse.

  • 2 Het Zorginstituut sommeert de op grond van het eerste lid berekende producten per zorgverzekeraar.

  • 3 Het resultaat na toepassing van het tweede lid wordt aangeduid als het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019.

Artikel 29. Gewichten en forfaitair bedrag voor de opbrengst van het eigen risico

  • 1 Voor de berekening van de normatieve eigen risico opbrengst voor verzekerden die zowel onder de klasse ‘Geen FKG’, als onder de klassen ‘Geen primaire DKG’, ‘Geen secundaire DKG’, ‘Geen HKG’, ‘Geen FDG’, en ‘Geen MVV’ vallen en niet worden ingedeeld bij de MHK-klasse ‘2 voorafgaande jaren variabele zorgkosten in top 10 procent’ of hoger, gaat het Zorginstituut uit van de gewichten genoemd in bijlage 3 van de Regeling.

  • 2 Voor de berekening van de normatieve eigen risico opbrengst voor verzekerden die niet bedoeld zijn in het eerste lid, hanteert het Zorginstituut de geraamde opbrengst per verzekerde, zoals genoemd in artikel acht, derde lid van de Regeling.

Artikel 30. De berekening van de normatieve eigen risico opbrengst

  • 1 Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar, per criterium voor de criteria leeftijd en geslacht, AVI, regio en MHK de gewichten eigen betaling ten gevolge van verplicht eigen risico 2019, bedoeld in artikel 29, per klasse met het geraamde aantal verzekerden in de overeenkomstige klasse.

  • 2 Het Zorginstituut sommeert de op grond van het eerste lid berekende producten per zorgverzekeraar.

  • 3 Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar de geraamde opbrengst per verzekerde met de verzekerden van achttien jaar en ouder die niet bedoeld zijn in artikel 29, eerste lid. De uitkomsten worden per zorgverzekeraar gesommeerd en toegevoegd aan het resultaat na toepassing van het tweede lid.

  • 5 Het resultaat na toepassing van het vierde lid wordt aangeduid als normatieve eigen risico opbrengst 2019.

Artikel 31. De berekening van het normatieve bedrag en de berekening en toekenning van de vereveningsbijdrage

  • 1 Het Zorginstituut berekent het normatieve bedrag 2019 van een zorgverzekeraar als de som van het op grond van het in dit hoofdstuk berekende deelbedrag variabele zorgkosten 2019, het deelbedrag vaste zorgkosten 2019 en het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019.

  • 2 Het Zorginstituut berekent de opbrengst van de nominale rekenpremie 2019 per zorgverzekeraar door de geraamde aantallen verzekerden van achttien jaar en ouder 2019 per zorgverzekeraar te vermenigvuldigen met de nominale rekenpremie 2019.

  • 4 Het Zorginstituut berekent de vereveningsbijdrage 2019 voor een zorgverzekeraar door op het normatieve bedrag 2019, bedoeld in het eerste lid, de normatieve eigen risico opbrengst 2019 zoals bepaald in artikel 30, vijfde lid en de op grond van het tweede en derde lid berekende opbrengst van de nominale rekenpremie 2019 in mindering te brengen.

  • 5 Het Zorginstituut berekent per zorgverzekeraar de uitkering in verband met uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar 2019. Deze uitkering bedraagt het aantal geraamde verzekerden jonger dan achttien jaar vermenigvuldigd met € 41,00.

  • 6 Het Zorginstituut kent de vereveningsbijdrage 2019 ter hoogte van de bijdrage berekend op grond van het vierde lid, aangevuld met het bedrag, berekend op grond van het vijfde lid, aan de zorgverzekeraar toe.

Hoofdstuk III. De herberekening van de toegekende bijdrage

Artikel 32. Herberekeningen als gevolg van splitsing van de zorgverzekeraar

Indien een zorgverzekeraar na de toekenning van de vereveningsbijdrage 2019 besluit zich te splitsen, verzoekt het Zorginstituut de zorgverzekeraar om mee te delen hoe naar zijn verwachting de geraamde verzekerdenaantallen 2019 verdeeld zullen worden, over nieuwe dan wel bestaande zorgverzekeraars als gevolg van de splitsing. Het Zorginstituut kan de toegekende vereveningsbijdrage herzien en bijdragen aan nieuwe dan wel bestaande zorgverzekeraars toekennen, rekening houdend met de meegedeelde geraamde verzekerdenaantallen en het tijdstip waarop de splitsing wordt gerealiseerd.

Artikel 33. De herberekening en herziening van de toegekende bijdrage 2019

  • 1 Het Zorginstituut herberekent de toekenning van de vereveningsbijdrage op basis van de verzekerdenaantallen 2019 volgens de opgaven van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut op 7 maart 2019.

  • 2 Het Zorginstituut herberekent de vereveningsbijdrage 2019, zoals toegekend op grond van artikel 31, zesde lid, per zorgverzekeraar en betrekt daarbij de verzekerden die op peildatum 15 februari, volgens opgave van Vektis, zijn ingeschreven bij die zorgverzekeraar.

  • 3 Het Zorginstituut voert de herberekening van de toegekende vereveningsbijdrage 2019 als volgt uit: Het Zorginstituut deelt per zorgverzekeraar het totaal aantal verzekerden uit de opgaven in het eerste lid door het geraamde totaal aantal verzekerden 2019 uit het tweede lid en vermenigvuldigt per zorgverzekeraar de uitkomst hiervan met de op grond van het tweede lid herberekende vereveningsbijdrage 2019.

  • 4 Het Zorginstituut herziet de op grond van artikel 31, zesde lid, toegekende vereveningsbijdrage 2019 overeenkomstig de herberekening bedoeld in het derde lid.

Hoofdstuk IV. De eerste voorlopige vaststelling van de vereveningsbijdrage voor een zorgverzekeraar

Artikel 34. Algemene bepaling verzekerdenaantallen

  • 1 Het Zorginstituut betrekt de correcties die de Nederlandse Zorgautoriteit heeft toegepast over 2019 bij de vaststelling van de verzekerdenaantallen 2019.

  • 2 Het Zorginstituut bepaalt de verzekerdenaantallen 2019 met inachtneming van het bepaalde in dit artikel en met inachtneming van artikel 5, 6 en 7.

  • 3 Het Zorginstituut baseert zich bij de bepaling van de verzekerdenaantallen per zorgverzekeraar op het VPPKB 2019, zoals de zorgverzekeraars dat hebben aangeleverd op 1 juni 2020.

  • 4 Het Zorginstituut deelt verzekerden zonder burgerservicenummer en verzekerden zonder geverifieerd burgerservicenummer uitsluitend in bij de criteria leeftijd en geslacht, regio en GGZ-regio.

  • 5 Wanneer een verzekerde bij meerdere zorgverzekeraars tegelijkertijd is ingeschreven, past het Zorginstituut artikel 10 van de Regeling toe.

Artikel 35. Leeftijd en geslacht

  • 1 Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium leeftijd en geslacht per zorgverzekeraar op:

    • a. het VPPKB 2019;

  • 2 Het Zorginstituut bepaalt op basis van de opgave, bedoeld in het eerste lid, per verzekerde in welke leeftijd en geslachtsklasse de verzekerde wordt ingedeeld.

Artikel 36. FKG’s

  • 1 Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium FKG’s per zorgverzekeraar op:

    • a. de indeling in FKG klassen 2019 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 1 van deze Beleidsregels;

    • b. de opgave per 1 juni 2019 van declaraties farmaceutische hulp 2018 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut;

    • c. de opgave per 1 juni 2020 van declaratiegegevens add-ons geneesmiddelen 2018 van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.

  • 2 Het Zorginstituut koppelt de opgaven bedoeld in het eerste lid, onderdeel b en c, met behulp van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het VPPKB 2019 en bepaalt op basis hiervan met inachtneming van artikel 9, tweede en derde lid, van de Regeling en bijlage 1 van deze Beleidsregels, in welke FKG klassen de verzekerde valt.

  • 3 Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen FKG’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen FKG’ in.

Artikel 37. Primaire DKG’s

  • 1 Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium primaire DKG’s per zorgverzekeraar op:

    • a. de indeling in primaire DKG klassen 2019 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 2 van deze Beleidsregels;

    • b. de opgave van de zorgverzekeraar aan het Zorginstituut per 1 juni 2020 van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van alle dbc’s die in 2018 geopend zijn;

    • c. de opgave van de zorgverzekeraar aan het Zorginstituut per 1 juni 2019 van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van alle dbc’s die in 2017 geopend zijn.

  • 2 Het Zorginstituut koppelt de opgaven, bedoeld in het vorige lid, onderdeel b en c, met behulp van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het VPPKB 2019 en bepaalt op basis hiervan met inachtneming van bijlage 2 van deze Beleidsregels per verzekerde in welke primaire DKG klasse ‘1’ tot en met ‘15’ de verzekerde wordt ingedeeld. Als de verzekerde in meerdere primaire DKG klassen valt, deelt het Zorginstituut de verzekerde in de hoogste voor hem toepasselijke primaire DKG klasse in.

  • 3 Als een verzekerde niet in een klasse ‘1’ tot en met ‘15’ is ingedeeld, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in bij klasse ‘Geen primaire DKG’.

Artikel 38. Secundaire DKG’s

  • 1 Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium secundaire DKG’s per zorgverzekeraar op:

    • a. de indeling in secundaire DKG klassen 2019 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 2 van deze Beleidsregels;

    • b. de opgave van de zorgverzekeraar aan het Zorginstituut per 1 juni 2020 van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van alle dbc’s die in 2018 geopend zijn;

    • c. de opgave van de zorgverzekeraar aan het Zorginstituut per 1 juni 2019 van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van alle dbc’s die in 2017 geopend zijn.

  • 2 Het Zorginstituut koppelt de opgaven, bedoeld in het vorige lid, onderdeel b en c, met behulp van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het VPPKB 2019 en bepaalt op basis hiervan met inachtneming van bijlage 2 van deze Beleidsregels per verzekerde in welke secundaire DKG klasse ‘1’ tot en met ‘7’ de verzekerde wordt ingedeeld. Bij de indeling naar secundaire DKG klassen sluit het Zorginstituut declaraties die tot een primaire DKG hebben geleid uit. Als de verzekerde in meerdere secundaire DKG klassen valt, deelt het Zorginstituut de verzekerde in de hoogste voor hem toepasselijke secundaire DKG klasse in.

  • 3 Als een verzekerde niet in een klasse ‘1’ tot en met ‘7’ is ingedeeld, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in bij klasse ‘Geen secundaire DKG’.

Artikel 39. HKG’s

  • 1 Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium HKG’s per zorgverzekeraar op:

    • a. de indeling in de HKG klassen 2019 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 3 van deze Beleidsregels;

    • b. de opgave per 1 juni 2019 van declaraties hulpmiddelen 2018 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.

  • 2 Het Zorginstituut koppelt de opgave, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met behulp van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het VPPKB 2019 en bepaalt op basis hiervan met inachtneming van bijlage 3 van deze Beleidsregels in welke HKG klasse de verzekerde wordt ingedeeld. Als de verzekerde in meerdere HKG klassen valt, deelt het Zorginstituut de verzekerde in de hoogste voor hem toepasselijke HKG klasse in.

  • 3 Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen HKG’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen HKG’ in.

Artikel 40. AVI

  • 1 Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium AVI per zorgverzekeraar met betrekking tot:

    • a. de indeling op de indeling in AVI klassen 2019 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 4 van deze Beleidsregels;

    • b. de leeftijd op het VPPKB 2019;

    • c. de zelfstandigen op het zelfstandigenbestand over 2019, met peildatum 30 juni 2019;

    • d. de duurzaam en volledig arbeidsongeschikten, de overige arbeidsongeschikten, de bijstandsgerechtigden, de werklozen en de loontrekkers op het UWV-bestand over 2019, op peildatum 30 juni 2019;

    • e. indien het UWV-bestand betreffende een gemeente onvoldoende gegevens over de bijstandsgerechtigden bevat, op de gegevens over 2018, met als peildatum 30 juni 2018 voor verzekerden uit die gemeente.

    • f. de studenten en de hoogopgeleiden op de opgave van DUO per gepseudonimiseerd burgerservicenummer met peildatum 1 juni 2019.

  • 2 Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b tot en met g, met behulp van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het VPPKB 2019 en bepaalt op basis hiervan met inachtneming van artikel 9, vierde lid, van de Regeling en bijlage 4 van deze Beleidsregels per verzekerde in welke AVI klasse de verzekerde wordt ingedeeld.

Artikel 41. Regio

  • 1 Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium regio per zorgverzekeraar met betrekking tot:

    • a. de indeling op de indeling in regioklassen zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 5 van deze Beleidsregels;

    • b. de viercijferige postcode op het VPPKB 2019.

  • 2 Het Zorginstituut bepaalt op basis van het eerste lid in welke regioklasse de verzekerde wordt ingedeeld.

Artikel 42. SES

  • 1 Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium SES per zorgverzekeraar met betrekking tot:

    • a. de indeling van de klasse ‘1 (zeer laag)’ mede op het referentiebestand PPA dat is opgenomen in bijlage 6 van deze Beleidsregels;

    • b. de leeftijd op het VPPKB 2019;

    • c. het inkomen op het belastingdienstbestand over 2017;

    • d. het inkomen in het geval een verzekerde niet is opgenomen in het belastingdienstbestand over 2017 op het belastingdienstbestand over 2018;

    • e. de adresgegevens op het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer in het belastingdienstbestand over 2019;

    • f. de adresgegevens in het geval een verzekerde niet is opgenomen in het belastingdienstbestand over 2019 op het gepseudonimiseerde adres in het VPPKB 2019;

    • g. bewoners Wlz-instelling op Wlz-declaraties december 2018 en op Wlz-declaraties december 2019.

  • 2 Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid onder b tot en met g, met behulp van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het VPPKB 2019 en bepaalt op basis hiervan met inachtneming van artikel 9, zesde lid, van de Regeling per verzekerde in welke SES klasse de verzekerde wordt ingedeeld.

Artikel 43. PPA

  • 1 Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium PPA per zorgverzekeraar met betrekking tot:

    • a. de indeling van de klassen ‘Wlz-instelling, blijvend’ en ‘Wlz-instelling, instromend’ op het referentiebestand PPA dat is opgenomen in bijlage 6 van deze Beleidsregels;

    • b. de leeftijd op het VPPKB 2019;

    • c. de adresgegevens op het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer in het belastingdienstbestand over 2018;

    • d. de adresgegevens in het geval een verzekerde niet is opgenomen in het belastingdienstbestand over 2018 op het gepseudonimiseerde adres in het VPPKB 2018. Indien een verzekerde ook niet is opgenomen VPPKB 2018 op de adresgegevens op het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer in het belastingdienstbestand over 2019 en indien een verzekerde ook niet is opgenomen in het belastingdienstbestand over 2019 op het gepseudonimiseerde adres in het VPPKB 2019;

    • e. bewoners Wlz-instelling blijvend op Wlz-declaraties december 2018;

    • f. bewoners Wlz-instelling instromend op Wlz-declaraties december 2019 en Wlz-declaraties december 2018.

  • 2 Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid onder b tot en met f, met behulp van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het VPPKB 2019 en bepaalt op basis hiervan per verzekerde in welke PPA klasse de verzekerde wordt ingedeeld.

Artikel 44. MHK

  • 1 Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium MHK per zorgverzekeraar op:

    • a. declaraties 2016 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag variabele zorgkosten tot en met 31 december 2018, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2019 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;

    • b. declaraties 2017 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag variabele zorgkosten exclusief declaraties verpleging en verzorging tot en met 31 december 2019, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2020 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;

    • c. declaraties 2018 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag variabele zorgkosten exclusief declaraties verpleging en verzorging, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2020 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;

    • d. het VPPKB 2016, het VPPKB 2017 en het VPPKB 2018.

  • 2 Het Zorginstituut herleidt de percentages van de risicoklassen MHK met betrekking tot 2016, 2017 en 2018 tot respectievelijk drempelbedragen MHK 2016, 2017 en 2018.

  • 3 Het Zorginstituut bepaalt op basis van de declaraties, bedoeld in het eerste lid, de drempelbedragen uit het vorige lid en een koppeling met het VPPKB 2019 in welke MHK klasse een verzekerde wordt ingedeeld.

  • 4 Het Zorginstituut deelt verzekerden die drie voorafgaande jaren geen variabele kosten in top 30 procent hadden in bij de klasse ‘Geen MHK’.

Artikel 45. FDG

  • 1 Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium FDG per zorgverzekeraar op:

    • a. de indeling in FDG klassen 2019 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 7 van deze Beleidsregels;

    • b. de opgave per 1 juni 2019 van declaraties fysiotherapie en oefentherapie 2018 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut;

    • c. het VPPKB 2018.

  • 2 Het Zorginstituut koppelt de declaraties, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met behulp van het gepseudonimiseerde burgerservice nummer aan het VPPKB 2019 en bepaalt op basis hiervan met inachtneming van bijlage 7 van deze Beleidsregels, per verzekerde in welke FDG klasse de verzekerde valt. Als de verzekerde in meerdere FDG klassen valt, deelt het Zorginstituut de verzekerde in de hoogste voor hem toepasselijke FDG klasse in.

  • 3 Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen FDG’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in bij de klasse ‘Geen FDG’.

Artikel 46. MVV

  • 1 Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium MVV per zorgverzekeraar met betrekking tot:

    • a. de leeftijd op het VPPKB 2019;

    • b. de kosten op declaraties kosten van verpleging en verzorging 2016 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer tot en met 31 december 2018, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2019 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;

    • c. de kosten op declaraties verpleging en verzorging 2017 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer tot en met 31 december 2019, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2020 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;

    • d. de kosten op declaraties verpleging en verzorging 2018 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2020 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;

    • e. het VPPKB 2018.

  • 2 Het Zorginstituut herleidt de percentages van de MVV klassen tot drempelbedragen.

  • 3 Het Zorginstituut bepaalt op basis van de som van de declaraties bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, c en d de drempelbedragen, bedoeld in het tweede lid, en een koppeling met het VPPKB 2019 per verzekerde in welke MVV klasse de verzekerde wordt ingedeeld.

  • 5 Indien de percentielgrens gelijk is aan nul euro deelt het Zorginstituut, met inachtneming van artikel 9, negende lid, van de Regeling, verzekerden met kosten op de percentielgrens in bij de klasse ‘Geen MVV’.

  • 7 Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen MVV’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in bij de klasse ‘Geen MVV’.

Artikel 47. FKG GGZ

  • 1 Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium FKG GGZ per zorgverzekeraar op:

    • a. de indeling in FKG GGZ 2019 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 8 van deze Beleidsregels;

    • b. de opgave per 1 juni 2019 van declaraties farmaceutische hulp 2018 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.

  • 2 Het Zorginstituut koppelt de opgave bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met behulp van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het VPPKB 2019 en bepaalt op basis hiervan met inachtneming van artikel 9, vijfde lid, van de Regeling en bijlage 8 van deze Beleidsregels in welke FKG GGZ klassen de verzekerde wordt ingedeeld.

  • 3 Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen FKG psychische aandoeningen’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen FKG psychische aandoeningen’ in.

Artikel 48. DKG GGZ

  • 1 Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium DKG GGZ per zorgverzekeraar op:

    • a. de indeling in DKG GGZ 2019 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 9 van deze Beleidsregels;

    • b. de opgave van de zorgverzekeraar aan het Zorginstituut per 1 juni 2020 van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van alle dbc’s en zzp’s GGZ die in 2018 geopend zijn;

    • c. de opgave van de zorgverzekeraar aan het Zorginstituut per 1 juni 2019 van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van alle dbc’s en zzp’s GGZ die in 2017 geopend zijn;

    • d. de opgave van de zorgverzekeraar aan het Zorginstituut per 1 juni 2018 van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van alle dbc’s en zzp’s GGZ die in 2016 geopend zijn.

  • 2 Het Zorginstituut koppelt op basis van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer de opgaven, bedoeld in het vorige lid, aan het VPPKB 2019. Het Zorginstituut bepaalt op basis hiervan met inachtneming van bijlage 9 van deze Beleidsregels per verzekerde in welke DKG GGZ klasse de verzekerde valt. Als de verzekerde in meerdere DKG GGZ klassen valt, deelt het Zorginstituut de verzekerde in de hoogste voor hem toepasselijke DKG GGZ klasse in.

  • 3 Als een verzekerde niet in een klasse ‘1’ tot en met ‘17’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen DKG psychische aandoeningen’ in.

Artikel 49. GGZ-regio

  • 1 Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium GGZ-regio per zorgverzekeraar met betrekking tot:

    • a. de indeling op GGZ regio klassen 2019 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 10 van deze Beleidsregels;

    • b. de viercijferige postcode op het VPPKB 2019.

  • 2 Het Zorginstituut bepaalt op basis van de het eerste lid in welke GGZ-regioklasse de verzekerde wordt ingedeeld.

Artikel 50. GGZ-MHK

  • 1 Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium GGZ-MHK per zorgverzekeraar op:

    • a. declaraties 2014 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2016, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2017 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;

    • b. declaraties 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2017, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2018 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;

    • c. declaraties 2016 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2018, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2019 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;

    • d. declaraties 2017 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2019, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2020 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;

    • e. declaraties 2018 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg exclusief kosten voor langdurige geestelijke gezondheidszorg, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2020 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;

    • f. het VPPKB 2014, VPPKB 2015, VPPKB 2016, het VPPKB 2017 en het VPPKB 2018.

  • 2 Het Zorginstituut herleidt de percentages van de risicoklassen GGZ-MHK met betrekking tot 2014, 2015, 2016, 2017 en 2018 tot respectievelijk drempelbedragen GGZ-MHK 2014, 2015, 2016, 2017 en 2018.

  • 3 Het Zorginstituut bepaalt op basis van de declaraties genoemd in het eerste lid, de drempelbedragen uit het vorige lid en een koppeling met het VPPKB 2019 in welke GGZ-MHK klasse een verzekerde wordt ingedeeld.

  • 4 Het Zorginstituut deelt met inachtneming van artikel 9, zevende lid, van de Regeling verzekerden met kosten gelijk aan de percentielgrens ’Ten minste 1 van de 3 voorafgaande jaren kosten GGZ in top 98,5 procent met kosten GGZ >10 euro’ naar rato in bij de betreffende klassen.

  • 5 Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen GGZ-MHK’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen GGZ-MHK’ in.

Artikel 51. De voorlopige herberekening van het deelbedrag variabele zorgkosten 2019

  • 1 Op basis van de opgave jaarstaat 2019 per 1 mei 2020 en met inachtneming van de artikelen 12, 13 en 14 van de Regeling bepaalt het Zorginstituut de variabele zorgkosten 2019 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars.

  • 2 Het Zorginstituut herberekent het gewicht van de klasse ‘Geen FKG’ zodanig dat het voor de klassen ‘Groeistoornissen o.b.v. add-on’, ‘Auto-immuunziekten o.b.v. add-on’, ‘Immunoglobuline o.b.v. add-on’, ‘COPD/zware astma o.b.v. add-on’, ‘Kanker o.b.v. add-on’, ‘Extreem hoge kosten cluster 1’, ‘Extreem hoge kosten cluster 2’ en ‘Extreem hoge kosten cluster 3’ gesommeerde verschil tussen de vermenigvuldiging van het gerealiseerde aantal verzekerden met het gewicht in tabel 1.2 van de Regeling en de vermenigvuldiging van het bij toekenning van de vereveningsbijdrage verwachte aantal verzekerden met het gewicht in tabel 1.2 van de Regeling, teniet wordt gedaan. Het Zorginstituut rondt het herberekende gewicht af op twee decimalen.

  • 3 Het Zorginstituut herberekent het gewicht voor elke klasse van het criterium primaire DKG’s zodanig dat per klasse het resultaat van de vermenigvuldiging van het herberekende gewicht met het gerealiseerde aantal verzekerden gelijk is aan het resultaat van de vermenigvuldiging van het gewicht in tabel 1.3 van de Regeling met het bij toekenning van de vereveningsbijdragen verwachte aantal verzekerden. Het Zorginstituut rondt de herberekende gewichten af op twee decimalen.

  • 4 Het Zorginstituut herberekent het gewicht voor elke klasse van het criterium secundaire DKG’s zodanig dat per klasse het resultaat van de vermenigvuldiging van het herberekende gewicht met het gerealiseerde aantal verzekerden gelijk is aan het resultaat van de vermenigvuldiging van het gewicht in tabel 1.4 van de Regeling met het bij toekenning van de vereveningsbijdragen verwachte aantal verzekerden. Het Zorginstituut rondt de herberekende gewichten af op twee decimalen.

  • 5 Het Zorginstituut herberekent het gewicht van de klasse ‘Geen MHK’ zodanig dat het voor de klassen ‘3 voorafgaande jaren variabele zorgkosten in top 1,5 procent’ en ‘3 voorafgaande jaren variabele zorgkosten in top 0,5 procent’ gesommeerde verschil tussen de vermenigvuldiging van het gerealiseerde aantal verzekerden met het gewicht in tabel 1.10 van de Regeling en de vermenigvuldiging van het bij toekenning van de vereveningsbijdrage verwachte aantal verzekerden met het gewicht in tabel 1.10 van de Regeling, teniet wordt gedaan. Het Zorginstituut rondt het herberekende gewicht af op twee decimalen.

  • 6 Het Zorginstituut herberekent het gewicht voor de klasse ‘Geen MVV’ van het criterium MVV door het totaal aantal verzekerden in een andere klasse dan ‘Geen MVV’ per klasse van het criterium MVV te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de klasse ‘Geen MVV’, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.

  • 7 Het Zorginstituut herberekent met inachtneming van de op grond van artikel 34 bepaalde verzekerdenaantallen het normatieve bedrag variabele zorgkosten 2019 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, overeenkomstig artikel 24 en 25, alsmede voor het totaal van de verzekerden 2019 van alle zorgverzekeraars.

  • 8 Het Zorginstituut berekent de schalingsfactor voor variabele zorgkosten 2019 door de variabele zorgkosten 2019 voor het totaal van de zorgverzekeraars, zoals bepaald in het eerste lid, te delen door het op grond van het zevende lid herberekende normatieve bedrag variabele zorgkosten 2019 voor het totaal van de verzekerden 2019 van alle zorgverzekeraars.

  • 9 Het Zorginstituut vermenigvuldigt voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars het herberekende normatieve bedrag variabele zorgkosten 2019 op grond van het zevende lid met de schalingsfactor berekend op grond van het achtste lid.

  • 10 Het Zorginstituut berekent voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen de uitkomst van de vermenigvuldiging op grond van het negende lid en het herberekende normatieve bedrag op grond van het zevende lid en deelt dit verschil door het totaal aantal ingeschreven verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.

  • 11 Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het resultaat na toepassing van het tiende lid met het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven.

  • 12 Het Zorginstituut vermindert per zorgverzekeraar het product voor die zorgverzekeraar, berekend in het negende lid, met het product voor die zorgverzekeraar, berekend in het elfde lid. Het resultaat wordt aangeduid als het voorlopige herberekende deelbedrag variabele zorgkosten 2019.

Artikel 52. De voorlopige herberekening van het deelbedrag vaste zorgkosten 2019

  • 1 Op basis van de opgave jaarstaat 2019 per 1 mei 2020 en met inachtneming van de artikelen 12, 13 en 15 van de Regeling bepaalt het Zorginstituut de vaste zorgkosten 2019 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk.

  • 2 Het Zorginstituut herberekent het deelbedrag vaste zorgkosten door het totaal aantal verzekerden 2019 per zorgverzekeraar, vastgesteld met toepassing van artikel 34 te vermenigvuldigen met het normbedrag vaste zorgkosten 2019, berekend in artikel 26, eerste lid.

  • 3 Het Zorginstituut calculeert per zorgverzekeraar 100 procent na op het verschil tussen de vaste zorgkosten 2019, verkregen in het eerste lid, en het deelbedrag vaste zorgkosten, verkregen in het tweede lid.

  • 4 De som van het product na toepassing van het tweede lid en de nacalculatie op het verschil na toepassing van het derde lid wordt aangeduid als het voorlopige herberekende deelbedrag vaste zorgkosten 2019.

Artikel 53. De voorlopige herberekening van het deelbedrag kosten geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019

  • 1 Op basis van de opgave jaarstaat 2019 per 1 mei 2020 en met inachtneming van de artikelen 12 en 13 van de Regeling, bepaalt het Zorginstituut de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars.

  • 2 Het Zorginstituut herberekent het gewicht voor de klasse ‘Geen DKG psychische aandoeningen’ van het criterium DKG’s psychische aandoeningen door het totaal aantal verzekerden in een andere klasse dan ‘Geen DKG psychische aandoeningen’ per klasse van het criterium DKG’s psychische aandoeningen te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de klasse ‘Geen DKG psychische aandoeningen’, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.

  • 3 Het Zorginstituut herberekent met inachtneming van het op grond van artikel 34 bepaalde aantal verzekerden van achttien jaar en ouder het normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, overeenkomstig artikel 27 en 28, alsmede voor het totaal van de verzekerden van achttien jaar en ouder 2019 van alle zorgverzekeraars.

  • 4 Het Zorginstituut berekent de schalingsfactor voor kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019 voor verzekerden van achttien jaar en ouder 2019 door de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019 voor het totaal van de zorgverzekeraars, zoals bepaald in het eerste lid, te delen door het in het derde lid herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019 voor het totaal van de verzekerden van achttien jaar en ouder 2019 van alle zorgverzekeraars.

  • 5 Het Zorginstituut vermenigvuldigt voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars het herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige gezondheidszorg 2019 uit het derde lid met de schalingsfactor berekend in het vierde lid.

  • 6 Het Zorginstituut berekent voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen de uitkomst van de vermenigvuldiging uit het vijfde lid en het herberekende normatieve bedrag uit het derde lid en deelt dit verschil door het totaal aantal bij alle zorgverzekeraars ingeschreven verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.

  • 7 Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het resultaat na toepassing van het zesde lid met het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven.

  • 8 Het Zorginstituut vermindert per zorgverzekeraar het product voor die zorgverzekeraar berekend in het vijfde lid met het product voor die zorgverzekeraar berekend in het zevende lid. Het resultaat wordt aangeduid als het voorlopige herberekende deelbedrag kosten van de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019.

Artikel 54. De voorlopige herberekening van de normatieve opbrengst van het eigen risico 2019

  • 1 Uitgangspunt voor de herberekening van de normatieve opbrengst van het eigen risico zijn de opgaven, bedoeld in artikel 34, derde lid, van de verzekerdenaantallen van de zorgverzekeraar.

  • 2 Het Zorginstituut herberekent overeenkomstig artikel 29 en 30 de normatieve eigen risico opbrengst 2019.

  • 3 Bij toepassing van het tweede lid bepaalt het Zorginstituut de gederfde inkomsten voor verzekerden van achttien jaar en ouder voor wie op grond van artikel 24 van de wet geen nominale premies worden ontvangen, op basis van de opgave jaarstaat 2019 per 1 mei 2020.

Artikel 55. De voorlopige herberekening van het normatieve bedrag 2019 en de voorlopige herberekening en voorlopige vaststelling van de vereveningsbijdrage 2019

  • 1 Het Zorginstituut herberekent het normatieve bedrag 2019 voorlopig als de som van het voorlopige herberekende deelbedrag variabele zorgkosten 2019, het voorlopige herberekende deelbedrag vaste zorgkosten 2019 en het voorlopig herberekende deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019.

  • 2 Het Zorginstituut berekent de opbrengst van de nominale rekenpremie per zorgverzekeraar door de verzekerden van achttien jaar en ouder 2019 per zorgverzekeraar te vermenigvuldigen met de nominale rekenpremie 2019.

  • 3 Het Zorginstituut vermindert het resultaat na toepassing van het tweede lid met het bedrag dat de zorgverzekeraar verantwoordt in de opgave jaarstaat 2019 per 1 mei 2020 als gederfde inkomsten voor verzekerden van achttien jaar en ouder waarvoor als gevolg van de toepasselijkheid van artikel 24 van de wet geen nominale premies worden ontvangen.

  • 4 Het Zorginstituut herberekent voorlopig de aanvulling op de bijdrage voor de uitkering in verband met uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar door het aantal verzekerden jonger dan achttien jaar 2019 te vermenigvuldigen met € 41,00.

  • 5 Het Zorginstituut herberekent de vereveningsbijdrage 2019 voorlopig door de som van het herberekende normatieve bedrag 2019, bedoeld in het eerste lid en de aanvulling voor uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar, bedoeld in het vorige lid, te verminderen met de voorlopig herberekende normatieve eigen risico opbrengst, bedoeld in artikel 54, en de opbrengst van de nominale rekenpremie, bedoeld in het tweede en derde lid.

  • 6 Het Zorginstituut stelt de vereveningsbijdrage 2019 in september 2020 voorlopig vast ter hoogte van de in het vorige lid berekende bijdrage.

Hoofdstuk V. De tweede voorlopige vaststelling van de vereveningsbijdrage 2019 voor een zorgverzekeraar

Artikel 56. Algemene bepaling

Het Zorginstituut herberekent het normatieve bedrag voor de tweede keer voorlopig met inachtneming van de kosten 2019 uit de opgave jaarstaat 2021 per 1 mei 2022, de correcties die de Nederlandse Zorgautoriteit heeft toegepast en de bepalingen uit dit hoofdstuk.

Artikel 57. Bepaling van de verzekerdenaantallen 2019

  • 1 Het Zorginstituut betrekt de correcties die de Nederlandse Zorgautoriteit heeft toegepast bij de verzekerdenaantallen 2019 berekend op grond van artikel 34.

  • 2 Voor het criterium SES betrekt het Zorginstituut voor het inkomen het belastingdienstbestand over 2018 bij de verzekerdenaantallen. Indien een verzekerde niet is opgenomen in de opgave over 2018, maakt het Zorginstituut gebruik van de opgave over 2019.

  • 3 Voor het criterium MHK betrekt het Zorginstituut bij de verzekerdenaantallen de declaraties 2018 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag variabele zorgkosten exclusief declaraties verpleging en verzorging tot en met 31 december 2020, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2021 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.

  • 4 Voor het criterium MVV betrekt het Zorginstituut bij de verzekerdenaantallen de declaraties verpleging en verzorging 2018 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer tot en met 31 december 2020, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2021 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.

  • 5 Voor het criterium GGZ-MHK betrekt het Zorginstituut bij de verzekerdenaantallen de declaraties 2018 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige GGZ exclusief kosten voor langdurige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2020, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2021 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.

Artikel 58. De tweede voorlopige herberekening van het deelbedrag variabele zorgkosten 2019

  • 1 Het Zorginstituut bepaalt met inachtneming van de artikelen 12, 13 en 14 van de Regeling, de variabele zorgkosten 2019 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars.

  • 2 Het Zorginstituut herberekent het gewicht van de klasse ‘Geen FKG’ zodanig dat het voor de klassen ‘Groeistoornissen o.b.v. add-on’, ‘Auto-immuunziekten o.b.v. add-on’, ‘Immunoglobuline o.b.v. add-on’, ‘COPD/zware astma o.b.v. add-on’, ‘Kanker o.b.v. add on’, ‘Extreem hoge kosten cluster 1’, ‘Extreem hoge kosten cluster 2’ en ‘Extreem hoge kosten cluster 3’ gesommeerde verschil tussen de vermenigvuldiging van het gerealiseerde aantal verzekerden met het gewicht in tabel 1.2 van de Regeling en de vermenigvuldiging van het bij toekenning van de vereveningsbijdrage verwachte aantal verzekerden met het gewicht in tabel 1.2 van de Regeling, teniet wordt gedaan. Het Zorginstituut rondt het herberekende gewicht af op twee decimalen.

  • 3 Het Zorginstituut herberekent het gewicht voor elke klasse van het criterium primaire DKG’s zodanig dat per klasse het resultaat van de vermenigvuldiging van het herberekende gewicht met het gerealiseerde aantal verzekerden gelijk is aan het resultaat van de vermenigvuldiging van het gewicht in tabel 1.3 van de Regeling met het bij toekenning van de vereveningsbijdragen verwachte aantal verzekerden. Het Zorginstituut rondt de herberekende gewichten af op twee decimalen.

  • 4 Het Zorginstituut herberekent het gewicht voor elke klasse van het criterium secundaire DKG’s zodanig dat per klasse het resultaat van de vermenigvuldiging van het herberekende gewicht met het gerealiseerde aantal verzekerden gelijk is aan het resultaat van de vermenigvuldiging van het gewicht in tabel 1.4 van de Regeling met het bij toekenning van de vereveningsbijdragen verwachte aantal verzekerden. Het Zorginstituut rondt de herberekende gewichten af op twee decimalen.

  • 5 Het Zorginstituut herberekent het gewicht van de klasse ‘Geen MHK’ zodanig dat het voor de klassen ‘3 voorafgaande jaren variabele zorgkosten in top 1,5 procent’ en ‘3 voorafgaande jaren variabele zorgkosten in top 0,5 procent’ gesommeerde verschil tussen de vermenigvuldiging van het gerealiseerde aantal verzekerden met het gewicht in tabel 1.10 van de Regeling en de vermenigvuldiging van het bij toekenning van de vereveningsbijdrage verwachte aantal verzekerden met het gewicht in tabel 1.10 van de Regeling, teniet wordt gedaan. Het Zorginstituut rondt het herberekende gewicht af op twee decimalen.

  • 6 Het Zorginstituut herberekent het gewicht voor de klasse ‘Geen MVV’ van het criterium MVV door het totaal aantal verzekerden in een andere klasse dan ‘Geen MVV’ per klasse van het criterium MVV te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de klasse ‘Geen MVV’, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.

  • 7 Het Zorginstituut herberekent met inachtneming van de op grond van artikel 57 bepaalde verzekerdenaantallen het normatieve bedrag variabele zorgkosten 2019 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, overeenkomstig artikel 24 en 25, alsmede voor het totaal van de verzekerden 2019 van alle zorgverzekeraars.

  • 8 Het Zorginstituut berekent de schalingsfactor voor variabele zorgkosten 2019 door de variabele zorgkosten 2019 voor het totaal van de zorgverzekeraars, zoals bepaald in het eerste lid, te delen door het op grond van het zevende lid herberekende normatieve bedrag variabele zorgkosten 2019 voor het totaal van de verzekerden 2019 van alle zorgverzekeraars.

  • 9 Het Zorginstituut vermenigvuldigt voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars het herberekende normatieve bedrag variabele zorgkosten 2019 op grond van het zevende lid met de schalingsfactor berekend op grond van het achtste lid.

  • 10 Het Zorginstituut berekent voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen de uitkomst van de vermenigvuldiging op grond van het negende lid en het herberekende normatieve bedrag op grond van het zevende lid en deelt dit verschil door het totaal aantal bij alle zorgverzekeraars ingeschreven verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.

  • 11 Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het resultaat na toepassing van het tiende lid met het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven.

  • 12 Het Zorginstituut vermindert per zorgverzekeraar het product voor die zorgverzekeraar berekend in het negende lid met het product voor die zorgverzekeraar berekend in het elfde lid. Het resultaat wordt aangeduid als het tweede voorlopige herberekende deelbedrag variabele zorgkosten 2019.

Artikel 59. De tweede voorlopige herberekening van het deelbedrag vaste zorgkosten 2019

Het Zorginstituut herberekent voor de tweede keer voorlopig het deelbedrag vaste zorgkosten 2019 overeenkomstig artikel 52, met inachtneming van artikel 56 en 57.

Artikel 60. De tweede voorlopige herberekening van het deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019

  • 1 Het Zorginstituut bepaalt met inachtneming van artikel 12 en 13 van de Regeling, de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars.

  • 2 Het Zorginstituut herberekent het gewicht voor de klasse ‘Geen DKG psychische aandoeningen’ van het criterium DKG’s psychische aandoeningen door het totaal aantal verzekerden in een andere klasse dan ‘Geen DKG psychische aandoeningen’ per klasse van het criterium DKG’s psychische aandoeningen te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de klasse ‘Geen DKG psychische aandoeningen’, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.

  • 3 Het Zorginstituut herberekent met inachtneming van de op grond van artikel 57 bepaalde verzekerdenaantallen het normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, overeenkomstig artikel 27 en 28, alsmede voor het totaal van de verzekerden van achttien jaar en ouder 2019 van alle zorgverzekeraars.

  • 4 Het Zorginstituut berekent de schalingsfactor voor kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019 door de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019 voor het totaal van de zorgverzekeraars, zoals bepaald op grond van het eerste lid, te delen door het op grond van het derde lid herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019 voor het totaal van alle zorgverzekeraars.

  • 5 Het Zorginstituut vermenigvuldigt voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars, het herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige gezondheidszorg op grond van het derde lid, met de schalingsfactor berekend op grond van het vierde lid.

  • 6 Het Zorginstituut berekent voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen de uitkomst van de vermenigvuldiging bedoeld in het vijfde lid en het herberekende normatieve bedrag uit het derde lid en deelt dit verschil door het totaal aantal bij alle zorgverzekeraars ingeschreven verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.

  • 7 Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het resultaat na toepassing van het zesde lid met het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven.

  • 8 Het Zorginstituut vermindert per zorgverzekeraar het product voor die zorgverzekeraar berekend in het vijfde lid met het product voor die zorgverzekeraar berekend in het zevende lid. Het resultaat wordt aangeduid als het tweede voorlopige herberekende deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019.

Artikel 61. De tweede voorlopige herberekening van de normatieve eigen risico opbrengst 2019

Het Zorginstituut herberekent voor de tweede keer voorlopig de normatieve eigen risico opbrengst 2019 overeenkomstig artikel 54, met inachtneming van artikel 56 en 57.

Artikel 62. De tweede voorlopige herberekening van het normatieve bedrag 2019 en de tweede voorlopige herberekening en de vaststelling van de vereveningsbijdrage 2019

  • 1 Het Zorginstituut herberekent het normatieve bedrag 2019 voor de tweede keer voorlopig als de som van het tweede voorlopige deelbedrag variabele zorgkosten 2019, het tweede voorlopige deelbedrag vaste zorgkosten 2019 en het tweede voorlopige deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019.

  • 2 Het Zorginstituut berekent de tweede voorlopige opbrengst van de nominale rekenpremie per zorgverzekeraar door de verzekerden van achttien jaar en ouder per zorgverzekeraar te vermenigvuldigen met de nominale rekenpremie 2019.

  • 3 Het Zorginstituut vermindert de uitkomst, berekend op grond van het tweede lid, met het bedrag dat de zorgverzekeraar verantwoordt in zijn jaarstaat 2019 per 1 mei 2020 als gederfde inkomsten voor verzekerden van achttien jaar en ouder waarvoor als gevolg van de toepasselijkheid van artikel 24 van de wet geen nominale premies worden ontvangen.

  • 4 Het Zorginstituut berekent de tweede voorlopige aanvulling op de bijdrage voor de uitkering in verband met uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar door het aantal verzekerden jonger dan achttien jaar te vermenigvuldigen met € 41,00.

  • 5 Het Zorginstituut berekent de vereveningsbijdrage 2019 voor de tweede keer voorlopig door de som van het tweede voorlopige normatieve bedrag 2019 bedoeld in het eerste lid en de aanvulling voor uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar, bedoeld in het vorige lid, te verminderen met de tweede voorlopige normatieve eigen risico opbrengst, bedoeld in artikel 61 respectievelijk de opbrengst van de nominale rekenpremie, bedoeld in het tweede en derde lid.

  • 6 Het Zorginstituut stelt de vereveningsbijdrage 2019 voor de tweede keer voorlopig vast in september 2022 ter hoogte van de in het vorige lid berekende bijdrage.

Hoofdstuk VI. De vaststelling van de vereveningsbijdrage 2019 voor een zorgverzekeraar

Artikel 63. Algemene bepaling

Het Zorginstituut herberekent de vereveningsbijdrage definitief met inachtneming van de correcties die de Nederlandse Zorgautoriteit heeft gerapporteerd over de declaraties 2018 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer en kosten 2019 uit de jaarstaat 2021.

Artikel 64. De definitieve herberekening van het deelbedrag variabele zorgkosten 2019

Het Zorginstituut herberekent definitief het deelbedrag variabele zorgkosten 2019 overeenkomstig artikel 58, met inachtneming van artikel 63.

Artikel 65. De definitieve herberekening van het deelbedrag vaste zorgkosten 2019

Het Zorginstituut herberekent definitief het deelbedrag vaste zorgkosten 2019 overeenkomstig artikel 59, met inachtneming van artikel 63.

Artikel 66. De definitieve herberekening van het deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019

Het Zorginstituut herberekent definitief het deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019 overeenkomstig artikel 60, met inachtneming van artikel 63.

Artikel 67. De definitieve herberekening van de normatieve eigen risico opbrengst 2019

Het Zorginstituut herberekent definitief het deelbedrag normatieve eigen risico opbrengst overeenkomstig artikel 61, met inachtneming van artikel 63.

Artikel 68. De definitieve herberekening van het normatieve bedrag 2019 en de definitieve herberekening en de vaststelling van de bijdrage 2019

  • 1 Het Zorginstituut herberekent definitief het normatieve bedrag 2019 overeenkomstig artikel 62, met inachtneming van artikel 63.

  • 2 Het Zorginstituut stelt de bijdrage 2019 vast in april 2023 ter hoogte van het in het vorige lid definitief berekende normatieve bedrag 2019.

Hoofdstuk VII. De betalingen aan de zorgverzekeraars

Artikel 69. Betaling

  • 1 Het Zorginstituut betaalt de zorgverzekeraars de vereveningsbijdrage, bedoeld in artikel 31, vierde lid, uit. Het Zorginstituut maakt bij de betaling onderscheid naar de volgende bestanddelen:

    • a. het deelbedrag variabele zorgkosten 2019;

    • b. het deelbedrag vaste zorgkosten 2019;

    • c. het deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019;

    • d. een aftrekpost voor de normatieve eigen risico opbrengst 2019.

  • 2 Het Zorginstituut betaalt de zorgverzekeraars de uitkering in verband met uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar, bedoeld in artikel 31, vijfde lid, gelijktijdig met de betaling genoemd in het eerste lid uit.

Artikel 70. Betalingsschema

  • 2 Het Zorginstituut berekent per zorgverzekeraar de som van de vereveningsbijdrage 2019, bedoeld in artikel 31, zesde lid, en de normatieve eigen risico opbrengst 2019, zoals bepaald in artikel 30, vijfde lid, en deelt het resultaat door het resultaat na toepassing van het eerste lid.

  • 3 Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar ieder van de bestanddelen genoemd in artikel 69, eerste lid, onder a tot en met c, en de uitkering bedoeld in artikel 69, tweede lid, met de uitkomst op grond van het tweede lid.

  • 4 De resultaten van het derde lid worden respectievelijk genoemd als volgt:

    • a. het netto te betalen bedrag dat betrekking heeft op het deelbedrag variabele zorgkosten 2019;

    • b. het netto te betalen bedrag dat betrekking heeft op het deelbedrag vaste zorgkosten 2019;

    • c. het netto te betalen bedrag dat betrekking heeft op het deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019;

    • d. het netto te betalen bedrag dat betrekking heeft op de uitkering in verband met de uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar.

  • 5 Het Zorginstituut vermindert de som van de netto te betalen bedragen, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a tot en met d, met de aftrekpost voor de normatieve eigen risico opbrengst 2019, bedoeld in artikel 69, eerste lid, onder d.

  • 6 Het Zorginstituut stelt de maandelijks te betalen termijnen vast aan de hand van het op grond van het vijfde lid berekende bedrag en het betalingsschema bedoeld in het achtste lid.

  • 7 Het Zorginstituut saldeert de maandelijks te betalen termijnen, bedoeld in het vorige lid, met de resterende te betalen termijnen van de overeenkomstige maand van de op grond van de Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2018 te betalen termijnen.

  • 8 Het Zorginstituut betaalt de in het zevende lid bedoelde termijnen op de eerste werkdag van de maand.

  • 9 Indien na de saldering bedoeld in het zevende lid, de te betalen termijn per maand op enig moment tot een negatief bedrag leidt, stelt het Zorginstituut dit negatieve bedrag vast en vordert het Zorginstituut het bedrag op de eerste werkdag van de betreffende maand in.

  • 10 Indien de zorgverzekeraar het bedrag bedoeld in het vorige lid niet aan het Zorginstituut heeft betaald, verrekent het Zorginstituut het verschuldigde bedrag met de betalingen aan de zorgverzekeraar totdat het verschuldigde bedrag is voldaan.

    Betalingsschema

    Betaalmoment

    Bestanddelen betalingen

     

    Artikel 70

    vierde lid, onder a en b

    Artikel 70

    vierde lid, onder c

    Artikel 70

    vierde lid, onder d

    Artikel 69

    eerste lid, onder d

    januari 2019

    1,16%

    0,00%

    8,33%

    4,35%

    februari 2019

    2,16%

    0,00%

    8,33%

    7,56%

    maart 2019

    3,38%

    0,81%

    8,34%

    9,30%

    april 2019

    4,94%

    0,81%

    8,33%

    10,15%

    mei 2019

    6,31%

    1,01%

    8,33%

    10,46%

    juni 2019

    7,10%

    1,01%

    8,34%

    10,04%

    juli 2019

    7,54%

    1,73%

    8,33%

    9,00%

    augustus 2019

    7,97%

    1,73%

    8,33%

    7,89%

    september 2019

    8,27%

    1,73%

    8,34%

    6,80%

    oktober 2019

    8,60%

    2,63%

    8,33%

    5,99%

    november 2019

    8,78%

    2,63%

    8,33%

    4,95%

    december 2019

    8,62%

    2,63%

    8,34%

    4,05%

    januari 2020

    7,35%

    6,94%

    0,00%

    3,19%

    februari 2020

    5,83%

    6,94%

    0,00%

    2,15%

    maart 2020

    4,50%

    6,94%

    0,00%

    1,30%

    april 2020

    3,05%

    6,94%

    0,00%

    0,95%

    mei 2020

    2,03%

    6,94%

    0,00%

    0,65%

    juni 2020

    1,02%

    6,94%

    0,00%

    0,36%

    juli 2020

    0,72%

    6,94%

    0,00%

    0,24%

    augustus 2020

    0,47%

    6,94%

    0,00%

    0,22%

    september 2020

    0,20%

    6,94%

    0,00%

    0,16%

    oktober 2020

    0,00%

    6,94%

    0,00%

    0,12%

    november 2020

    0,00%

    6,94%

    0,00%

    0,09%

    december 2020

    0,00%

    6,94%

    0,00%

    0,03%

  • 11 Voor een zorgverzekeraar die zich op grond van artikel 25 van de wet aanmeldt bij de Nederlandse Zorgautoriteit nadat het Zorginstituut de bijdragen voor de zorgverzekeraars heeft toegekend, kan het Zorginstituut voor die zorgverzekeraar afwijken van de vorige leden.

  • 12 Het Zorginstituut kan, indien naar zijn oordeel uit nieuwe informatie blijkt dat de verwachting is dat bij de eerstvolgende herberekening of herziening van de vereveningsbijdrage, de vereveningsbijdrage meer dan 5 procent hoger zal zijn dan bij de laatst toegekende of voorlopig vastgestelde vereveningsbijdrage, afwijken van de vorige leden en de betalingen aan een zorgverzekeraar aanpassen.

Artikel 71. Aanpassing betalingen

  • 1 Bij de herberekening en herziening van de toegekende vereveningsbijdrage 2019 op grond van artikel 33 herziet het Zorginstituut de te betalen termijnen overeenkomstig artikel 70 voor de eerste keer. Het Zorginstituut verrekent het verschil tussen de reeds betaalde termijnen en de voor de eerste keer herziene termijnen.

  • 2 Bij gelegenheid van de eerste voorlopige vaststelling van de bijdrage, op grond van hoofdstuk IV, herziet het Zorginstituut voor de tweede keer de te betalen termijnen overeenkomstig artikel 70. Het Zorginstituut verrekent het verschil tussen de reeds betaalde termijnen en de voor de tweede keer herziene termijnen.

  • 3 Bij gelegenheid van de tweede voorlopige vaststelling van de bijdrage, op grond van hoofdstuk V, herziet het Zorginstituut de te betalen termijnen voor de derde keer overeenkomstig artikel 70. Het Zorginstituut verrekent het verschil tussen de reeds betaalde termijnen en de voor de derde maal herziene termijnen.

  • 4 Bij gelegenheid van de definitieve vaststelling van de bijdrage, op grond van hoofdstuk VI, stelt het Zorginstituut de te betalen termijnen definitief vast overeenkomstig artikel 70. Het Zorginstituut verrekent het verschil tussen de reeds betaalde termijnen en de definitief te betalen termijnen.

  • 5 Indien toepassing van onderscheidenlijk het eerste, tweede, derde en vierde lid, resulteert in een positief saldo voor de zorgverzekeraar, betaalt het Zorginstituut dat saldo ineens aan de zorgverzekeraar.

  • 6 Indien toepassing van onderscheidenlijk het eerste, tweede, derde en vierde lid, resulteert in een negatief saldo voor de zorgverzekeraar, betaalt de betreffende zorgverzekeraar dat saldo in één keer terug aan het Zorginstituut.

Artikel 72. Rente

  • 1 De zorgverzekeraar en het Zorginstituut zijn over en weer rente verschuldigd en hebben over en weer aanspraak op rente over de verschillen, bedoeld in artikel 71.

  • 2 De rente, bedoeld in het eerste lid, wordt bij de eerste voorlopige, tweede voorlopige en de definitieve vaststelling van de uitkering door het Zorginstituut verwerkt en zo mogelijk verrekend met andere betalingen die uit deze vaststellingen voortvloeien.

Artikel 73. Renteberekening

  • 1 Bij de verrekening van verschillen, bedoeld in artikel 71, tweede, derde en vierde lid, berekent het Zorginstituut rente over het verschil vanaf de datum waarop het verschil is ontstaan tot de datum waarop de verschillen worden verrekend.

  • 2 Bij de verrekening van de verschillen, bedoeld in artikel 71, tweede lid, berekent het Zorginstituut rente vanaf de betaaldata, genoemd in artikel 70 en artikel 71, eerste en tweede lid tot de datum van de voorlopige vaststelling van de bijdrage.

  • 3 Bij de verrekening van de verschillen, bedoeld in artikel 71, derde lid, berekent het Zorginstituut rente vanaf de betaaldata, genoemd in artikel 70 en artikel 71, eerste, tweede en derde lid tot de datum van de tweede voorlopige vaststelling van de bijdrage.

  • 4 Bij de verrekening van de verschillen, bedoeld in artikel 71, vierde lid, berekent het Zorginstituut rente vanaf de betaaldata, genoemd in artikel 70 en artikel 71 eerste, tweede, derde en vierde lid tot de datum van de definitieve vaststelling van de bijdrage.

  • 5 Voor een zorgverzekeraar waarvoor krachtens artikel 70, negende en tiende lid, afwijkende betalingen hebben plaatsgevonden, kan het Zorginstituut bij de renteberekening afwijken van de vorige leden.

  • 6 Het Zorginstituut deelt het bedrag dat de zorgverzekeraar heeft terugbetaald op grond van artikel 71, zesde lid, voor de renteberekening naar rato toe aan de eerste dag van de maand waarin is terugbetaald en de eerste dag van de daaropvolgende maand, waarbij het uitgangspunt is de dag van terugbetaling.

  • 7 Voor het rentepercentage gaat het Zorginstituut uit van het gemiddelde van de maandrentes van het Euro Interbank Offered Rate (Euribortarief) voor driemaands termijngelden zonder onderpand bij toepassing van het eerste tot en met vijfde lid. Voor de laatste kalendermaand vóór de betaling gaat het Zorginstituut uit van de rente over de voorafgaande kalendermaand.

  • 8 De rente betreft een samengestelde rente en wordt op maandbasis berekend.

    Bij de berekening wordt een maand op 30 en een jaar op 360 dagen gesteld.

  • 9 Indien de situatie zich voordoet dat het in deze paragraaf bedoelde Euro Interbank Offered Rate (Euribortarief) niet meer kan worden toegepast, zal een zoveel als mogelijk overeenkomstig tarief worden gehanteerd.

Hoofdstuk VIII. Slotbepalingen

Artikel 74. Ter inzage leggen referentiebestanden

Het Zorginstituut legt de referentiebestanden, bedoeld in bijlage 1 tot en met 10, te zijner kantore ter inzage en publiceert deze op zijn website.

Artikel 75. Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij worden geplaatst en werken terug tot en met 1 oktober 2018.

Artikel 76. Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2019.

Deze beleidsregels worden in de Staatscourant geplaatst.

Voorzitter Raad van Bestuur

A. Moerkamp

Bijlage 1. Referentiebestand FKG’s 2019

[Red: Ligt ter inzage bij het Zorginstituut Nederland en is gepubliceerd op zijn website.]

Bijlage 2. Referentiebestand primaire en secundaire DKG’s 2019

[Red: Ligt ter inzage bij het Zorginstituut Nederland en is gepubliceerd op zijn website.]

Bijlage 3. Referentiebestand HKG’s 2019

[Red: Ligt ter inzage bij het Zorginstituut Nederland en is gepubliceerd op zijn website.]

Bijlage 4. Referentiebestand AVI 2019

[Red: Ligt ter inzage bij het Zorginstituut Nederland en is gepubliceerd op zijn website.]

Bijlage 5. Referentiebestand Regio 2019

[Red: Ligt ter inzage bij het Zorginstituut Nederland en is gepubliceerd op zijn website.]

Bijlage 6. Referentiebestand PPA 2019

[Red: Ligt ter inzage bij het Zorginstituut Nederland en is gepubliceerd op zijn website.]

Bijlage 7. Referentiebestand FDG 2019

[Red: Ligt ter inzage bij het Zorginstituut Nederland en is gepubliceerd op zijn website.]

Bijlage 8. Referentiebestand FKG GGZ 2019

[Red: Ligt ter inzage bij het Zorginstituut Nederland en is gepubliceerd op zijn website.]

Bijlage 9. Referentiebestand DKG GGZ 2019

[Red: Ligt ter inzage bij het Zorginstituut Nederland en is gepubliceerd op zijn website.]

Bijlage 10. Referentiebestand GGZ Regio 2019

[Red: Ligt ter inzage bij het Zorginstituut Nederland en is gepubliceerd op zijn website.]

Terug naar begin van de pagina