Regeling Inspectie van het onderwijs 2018

Geldend van 24-07-2018 t/m heden

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 13 juli 2018 nr. WJZ/1221455(8450), houdende actualisering van de Regeling Inspectie van het onderwijs 2006 (Regeling Inspectie van het onderwijs 2018)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

WOT: Wet op het onderwijstoezicht.

Hoofdstuk 2. Taakuitoefening

Artikel 2. Jaarwerkplan

  • 1 De inspectie richt haar werkzaamheden in op basis van het jaarwerkplan, bedoeld in artikel 7, van de WOT.

  • 2 In het jaarwerkplan wordt in ieder geval een relatie gelegd met de onderscheiden beleidsgebieden waaraan de inspectie in het verslag over de staat van het onderwijs specifieke aandacht besteedt.

  • 3 Over de inhoud van het jaarwerkplan en de wisselwerking tussen het jaarwerkplan en het beleid van het ministerie vindt jaarlijks voor 1 juni een werkconferentie plaats met de inspectie en de betrokken organisatieonderdelen van het ministerie.

  • 4 De inspectie legt de Minister jaarlijks voor 1 juli het ontwerp van het jaarwerkplan voor. Daarna stelt de inspectie na afstemming met de betrokken organisatieonderdelen het ontwerp voor 1 september vast.

  • 5 Het jaarwerkplan behoeft de goedkeuring van de Minister. Deze goedkeuring wordt niet eerder verleend dan vier weken nadat het ontwerp van het jaarwerkplan door de Minister aan de Staten-Generaal is overgelegd. Indien dit leidt tot aanpassingen in het ontwerp-jaarwerkplan, stelt de inspectie het ontwerp van het jaarwerkplan opnieuw vast, alvorens deze goedkeuring kan worden verleend.

  • 6 De Minister informeert de Staten-Generaal over tussentijdse wijzigingen van het jaarwerkplan en over andere aangelegenheden, die de uitvoering van het jaarwerkplan in belangrijke mate beïnvloeden.

Artikel 3. Verslag over de staat van het onderwijs

  • 1 De inspectie stelt jaarlijks uiterlijk op de derde woensdag van mei het verslag over de staat van het onderwijs vast. In dit verslag wordt in ieder geval aandacht besteed aan de beleidsgebieden die zijn opgenomen in het jaarwerkplan.

  • 2 Het verslag bevat in ieder geval:

    • a. de belangrijkste kwalitatieve ontwikkelingen van het Nederlandse onderwijs;

    • b. een beoordeling van de onder a bedoelde ontwikkelingen, voor zover mogelijk in relatie tot relevante ontwikkelingen in de Nederland omringende landen; en

    • c. algemene informatie over de naleving van wettelijke voorschriften door de instellingen.

  • 3 De ontwikkeling van het onderwijs, in het bijzonder de kwaliteit ervan, wordt in het verslag zoveel mogelijk in een meerjarige context geplaatst, opdat trends zichtbaar worden.

  • 4 De inspectie stelt de teksten van het verslag tijdig aan het ministerie ter beschikking ten behoeve van een controle op de in het verslag opgenomen feiten en ten behoeve van de voorbereiding op ambtelijk niveau van een volledige en adequate beleidsreactie van de Minister. Ten minste zes weken voor het tijdstip van verzending van het verslag aan de Staten-Generaal stelt de inspectie de integrale tekst van het verslag aan het ministerie ter beschikking.

  • 5 Ten minste acht weken voor het tijdstip van verzending, bedoeld in het vierde lid, informeert de inspectie de Minister over de belangrijkste bevindingen uit het verslag. In het regulier overleg, bedoeld in artikel 15, eerste lid, worden afspraken gemaakt over de presentatie van het verslag en de beleidsreactie.

  • 6 Ten minste twee weken voor het tijdstip van verzending, bedoeld in het vierde lid, ontvangt de Minister het definitieve verslag. Het verslag is geheim tot aan het tijdstip van de verzending aan de Staten-Generaal.

Artikel 4. Onderzoekskaders

  • 1 De Minister stelt op voordracht van de inspectie onderzoekskaders of wijzigingen daarvan vast, waarna publicatie in de Staatscourant plaatsvindt. Daarnaast zendt de Minister de vastgestelde onderzoekskaders of wijzigingen daarvan, in voorkomend geval samen met het verslag van het overleg met vertegenwoordigers van het onderwijsveld en andere betrokken, aan de Staten-Generaal.

  • 2 De inspectie draagt zorg voor tijdige afstemming over het ontwerp van de onderzoekskaders met de betrokken organisatieonderdelen van het ministerie.

Artikel 5. Onderwijsaccountantsprotocollen

  • 1 De Minister stelt op voordracht van de inspectie de onderwijsaccountantsprotocollen vast, waarna publicatie in de Staatscourant plaatsvindt.

  • 2 De inspectie draagt zorg voor tijdige afstemming over het ontwerp van de onderwijsaccountantsprotocollen met de betrokken organisatieonderdelen van het ministerie en de Auditdienst Rijk.

Artikel 6. Openbaarmaking en voorlichting

  • 2 Voor een inspectierapport als bedoeld in de artikelen 12a, 15 en 20 van de WOT, geldt dat indien het in de rede ligt dat dit leidt tot publiciteit, de inspecteur-generaal de secretaris-generaal daarvan ten minste tien werkdagen voor de voorgenomen openbaarmaking in kennis stelt.

  • 3 Rapportages als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de WOT, worden door de inspectie aan de Minister aangeboden. De Minister zendt deze rapporten al dan niet vergezeld van een beleidsreactie aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Tegelijkertijd wordt het inspectierapport openbaargemaakt door plaatsing op de website van de inspectie. Indien de Minister besluit een beleidsreactie op te stellen, wordt deze zo mogelijk tegelijkertijd met het inspectierapport aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden. De inspectie houdt de openbaarmaking in verband met de verzending aan de Tweede Kamer ten hoogste vijf weken aan, te rekenen vanaf het moment van aanbieding van het rapport aan de Minister.

  • 4 Voor rapportages als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de WOT, bepaalt de inspecteur-generaal welke invulling er wordt gegeven aan publiciteit, behalve wanneer het gaat om rapportages die op verzoek van de Minister worden opgesteld. In dit laatste geval bepaalt de Minister welke invulling wordt gegeven aan publiciteit. In beide gevallen gebeurt dit na onderling overleg.

  • 5 In situaties waarin dit artikel niet voorziet, vindt overleg plaats tussen de secretaris-generaal en de inspecteur-generaal.

Artikel 7. Werkafspraken over handhaving

  • 1 De inspecteur-generaal en de Minister kunnen werkafspraken maken over de wijze waarop wordt gehandhaafd bij instellingen die niet voldoen aan de wettelijke voorschriften, waarop door de inspectie toezicht wordt gehouden.

  • 2 De inspecteur-generaal en de Minister maken in ieder geval werkafspraken over de wijze waarop wordt gehandhaafd bij instellingen waarbij de kwaliteit van het onderwijs zeer zwak is, de leerresultaten ernstig en langdurig tekortschieten, of waarbij sprake is van een ernstig risico ten aanzien van het financieel beheer van de instelling.

Artikel 8. Uitvoerings- en handhaafbaarheidstoets bij beleidsvoornemens en ontwerpregelgeving

  • 1 De organisatieonderdelen van het ministerie leggen beleidsvoornemens en ontwerpregelgeving die voor de uitvoering van de toezichtstaken van de inspectie van belang zijn in een vroeg stadium voor aan de inspectie ten behoeve van een toets op uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid, en op de gevolgen voor het jaarwerkplan van de inspectie.

  • 2 De uitvoeringstoets wordt verricht overeenkomstig de daarvoor door de secretaris-generaal

    vast te stellen procedure.

Hoofdstuk 3. Bedrijfsvoering

Artikel 9. Bedrijfsvoering en managementafspraak

  • 1 De inspecteur-generaal is verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering van de inspectie.

  • 2 De secretaris-generaal en de inspecteur-generaal van het onderwijs maken jaarlijks voor aanvang van het nieuwe kalenderjaar een managementafspraak overeenkomstig de daarvoor door de secretaris-generaal vast te stellen procedure.

  • 3 In de managementafspraak wordt in ieder geval aandacht besteed aan:

    • a. de bedrijfsvoering in relatie tot de taakuitoefening door de inspectie, zoals vastgelegd in het jaarwerkplan;

    • b. de hoofdlijnen van de uitoefening van het toezicht door de inspectie;

    • c. de toekenning van het budget aan en de besteding van middelen door de inspectie, aansluitend bij de werkzaamheden uit het jaarwerkplan; en

    • d. de risico’s die door de inspectie gelopen worden en de wijze waarop de inspectie deze risico’s afdekt.

  • 4 De werkzaamheden uit het jaarwerkplan, alsmede eventuele aanvullende werkzaamheden op verzoek van de Minister, dienen binnen de voor de inspectie opgenomen gelden in de rijksbegroting voor het ministerie te worden uitgevoerd, tenzij andere afspraken zijn gemaakt met de secretaris-generaal.

  • 5 De inspectie besteedt de beschikbaar gestelde budgetten naar eigen inzicht, met inachtneming van de Comptabiliteitswet 2016, de voor het ministerie geldende interne regelingen en, indien van toepassing, specifieke afspraken die daarover met de inspectie zijn gemaakt.

  • 6 De secretaris-generaal en de inspecteur-generaal voeren ten minste drie keer per jaar overleg over de managementafspraak en de uitvoering daarvan. De inspecteur-generaal legt ten behoeve daarvan in viermaandelijkse managementrapportages verantwoording af over de uitvoering van de managementafspraak.

Artikel 10. Voorbehouden met betrekking tot toepassing rechtspositionele regelingen

  • 1 Het voeren van overleg met vertegenwoordigers van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het personeels- en arbeidsvoorwaardenbeleid, daaronder begrepen de financiële gevolgen van dit beleid, alsmede het voeren van overleg hierover met het decentraal georganiseerd overleg of de Departementale ondernemingsraad, is voorbehouden aan de secretaris-generaal.

  • 2 Voor zover het personeels- en arbeidsvoorwaardenbeleid waarover overleg wordt gevoerd, gevolgen heeft voor de inspectie, doet de secretaris-generaal voorstellen daartoe na overleg met de inspecteur-generaal.

Artikel 11. Overleg medezeggenschapsorganen

De inspecteur-generaal is bestuurder in de zin van de Wet op de ondernemingsraden en voert het overleg met het betreffende medezeggenschapsorgaan.

Artikel 12. Kwaliteitssysteem uitoefening toezicht

  • 1 De inspectie organiseert het toezicht op het onderwijs op zodanige wijze, dat dit leidt tot een verantwoorde uitoefening van het toezicht.

  • 2 Het uitvoeren van het eerste lid omvat mede de systematische bewaking, beheersing en zo nodig verbetering van de kwaliteit van het toezicht.

  • 3 Ter uitvoering van het eerste lid draagt de inspectie zorg voor:

    • a. het op systematische wijze verzamelen en registreren van gegevens betreffende de kwaliteit van het toezicht, waaronder opvattingen van betrokkenen bij het onderwijs over de toezichtuitoefening door de inspectie;

    • b. het aan de hand van de gegevens, bedoeld onder a, op systematische wijze toetsen in hoeverre de wijze van de uitvoering van het eerste lid leidt tot een verantwoorde toezichtuitoefening; en

    • c. het op basis van de uitkomst van de toetsing, bedoeld onder b, voor zover er geen sprake is van een verantwoorde toezichtuitoefening, veranderen van de wijze waarop het toezicht is georganiseerd.

  • 4 De toetsing, bedoeld in het derde lid, onder b, geschiedt mede door onafhankelijke deskundigen.

Artikel 13. Jaarverslag met inbegrip van financiële verantwoording

  • 1 De inspectie stelt jaarlijks een jaarverslag vast over het voorgaande kalenderjaar. Het jaarverslag bevat gegevens over de uitoefening van het toezicht door de inspectie, de bedrijfsvoering met inbegrip van de besteding van middelen, en de ontwikkelingen in het toezicht en in de organisatie in het voorgaande kalenderjaar.

  • 2 In het jaarverslag legt de inspectie verantwoording af over de wijze waarop toezicht is gehouden. In het verslag geeft de inspectie daartoe onder meer aan:

    • a. op welke wijze zij de onderwijsinstellingen bij haar kwaliteitsbeleid heeft betrokken en het resultaat daarvan;

    • b. de frequentie waarmee en de wijze waarop de toetsing van de kwaliteit van het onderwijs heeft plaatsgevonden en het resultaat daarvan, met in elk geval aandacht voor de aantallen onderzoeken bij en bezoeken aan besturen en scholen of instellingen in de verschillende sectoren;

    • c. het aantal verzoeken om informatie, bedoeld in de Wet openbaarheid van bestuur en het aantal klachten als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de WOT, alsmede het aantal overige vragen en overige signalen;

    • d. de wijze waarop de inspectie omgaat met de verzoeken, klachten en vragen en overige signalen, bedoeld in onderdeel c; en

    • e. de wijze waarop zij samenwerkt met relevante partijen in en buiten het onderwijs.

  • 3 De inspectie legt jaarlijks voor 1 maart het ontwerp van het jaarverslag voor aan de secretaris-generaal. Daarna stelt de inspectie het jaarverslag voor 1 april vast.

  • 4 De Minister zendt het jaarverslag aan de Staten-Generaal, zo nodig voorzien van een reactie van de Minister.

Hoofdstuk 4. Overleg en informatievoorziening

Artikel 14. Informatievoorziening

  • 1 De inspecteur-generaal informeert zo nodig de Minister en de secretaris-generaal rechtstreeks over zijn bevindingen, oordelen en adviezen, en verstrekt zo nodig andere relevante gegevens.

  • 2 De inspectie informeert zo nodig de organisatieonderdelen van het ministerie over de uitvoering van bestaande regels en de werking van beleid in de praktijk.

Artikel 15. Regulier overleg

  • 1 De Minister, de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, en de secretaris-generaal voeren ten minste vier keer per jaar overleg met de inspecteur-generaal over de hoofdlijnen van de uitoefening en de resultaten van het toezicht door de inspectie, met inbegrip van ontwikkelingen binnen de werkwijze van de inspectie en casuïstiek.

  • 2 De secretaris-generaal en de inspecteur-generaal voeren maandelijks, dan wel vaker indien daartoe aanleiding bestaat, overleg over lopende zaken die het toezicht en de bedrijfsvoering van de inspectie betreffen.

  • 3 De inspecteur-generaal voert ten minste twee keer per jaar overleg met de directeuren-generaal en het management van de beleidsdirecties over lange-termijnontwikkelingen binnen beleid en toezicht en de waarnemingen van de inspectie en van beleid.

Artikel 16. Informatie aan de Staten-Generaal

  • 1 De inspecteur-generaal kan, met toestemming van de Minister, in de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal een feitelijke toelichting geven op het verslag over de staat van het onderwijs of op andere onderwerpen die het werk van de inspectie betreffen.

  • 2 De Minister kan in de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal de medewerking van de inspectie inroepen om zaken die het toezicht van de inspectie of de uitkomsten daarvan betreffen, toe te lichten.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 17. Aanwijzingsbevoegdheid van de Minister

  • 2 Een algemene aanwijzing wordt in de Staatscourant geplaatst.

  • 3 Een bijzondere aanwijzing ziet niet op:

    • a. het weerhouden van de inspectie om een bepaald onderzoek te verrichten of af te ronden;

    • b. de wijze waarop de inspectie een bepaald onderzoek verricht; of

    • c. de bevindingen, oordelen en adviezen van de inspectie.

Artikel 19. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 20. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Inspectie van het onderwijs 2018.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

I.K. van Engelshoven

Terug naar begin van de pagina