Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat

Geldend van 09-02-2018 t/m heden

Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 7 februari 2018, nr. IENM/BSK-2018/7746, houdende vaststelling van de organisatie van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de secretaris-generaal en de diensthoofden (Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat)

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen organisatie en mandaat

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • bewindspersoon: Minister van Infrastructuur en Waterstaat of Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat;

  • dienst: onderdeel van het ministerie, genoemd in artikel 2, tweede lid;

  • diensthoofd: persoon die overeenkomstig dit besluit, dan wel overeenkomstig overige wet- en regelgeving, is belast met de leiding van een dienst;

  • dienstonderdeel: onderdeel van een dienst;

  • dienstonderdeelhoofd: persoon die overeenkomstig dit besluit, dan wel overeenkomstig overige wet- en regelgeving, is belast met de leiding van een dienstonderdeel;

  • functionaris: persoon die als ambtenaar is aangesteld bij het ministerie, of degene die krachtens overeenkomst naar burgerlijk recht werkzaam is bij het ministerie;

  • ministerie: Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat;

  • secretaris van adviesorgaan: secretaris van een adviesorgaan, genoemd in artikel 2, derde lid;

  • secretaris-generaal: secretaris-generaal van het ministerie.

Hoofdstuk 2. Organisatie

§ 2.1. Hoofdstructuur

Artikel 2. Onderdelen ministerie

  • 1 Het ministerie bestaat uit de secretaris-generaal, de diensten en de secretariaten van de adviesorganen.

  • 2 Diensten van het ministerie zijn:

    • a. het directoraat-generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken;

    • b. het directoraat-generaal Milieu en Internationaal;

    • c. het directoraat-generaal Mobiliteit;

    • d. het directoraat-generaal Water en Bodem;

    • e. de hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

    • f. de directie Bestuursondersteuning;

    • g. de directie Communicatie;

    • h. de directie Participatie;

    • i. de hoofddirectie Financiën, Management en Control;

    • j. de directie Integrale Bedrijfsvoering Infrastructuur en Waterstaat;

    • k. de directie Kennis, Innovatie en Strategie;

    • l. het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid;

    • m. het Planbureau voor de Leefomgeving;

    • n. het Stafbureau deltacommissaris;

    • o. het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut, bedoeld in het Instellingsbesluit Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut;

    • p. de Inspectie Leefomgeving en Transport, bedoeld in het Instellingsbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport; en

    • q. het directoraat-generaal Rijkswaterstaat, bedoeld in het Instellingsbesluit directoraat-generaal Rijkswaterstaat.

§ 2.2. Secretaris-generaal

Artikel 3. Taken secretaris-generaal

  • 2 Bij afwezigheid of verhindering van de secretaris-generaal en ten aanzien van specifieke, bij instructie van de secretaris-generaal aangewezen taken is de directeur-generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken, bedoeld in artikel 4, bevoegd om onder de titel van loco-secretaris-generaal als plaatsvervanger op te treden.

  • 3 Plaatsvervanging geschiedt voor het overige overeenkomstig daartoe strekkende instructies van de secretaris-generaal.

§ 2.3. Organisatie diensten

Artikel 4. Directoraat-generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken

  • 1 Het directoraat-generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken staat onder leiding van de directeur-generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken.

  • 2 Het directoraat-generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken bestaat uit de volgende dienstonderdelen:

    • a. de directie Luchtvaart; en

    • b. de directie Maritieme Zaken.

  • 3 De dienstonderdelen, genoemd in het tweede lid, staan onder leiding van een directeur. De dienstonderdelen bestaan uit afdelingen die onder leiding staan van een afdelingshoofd.

  • 4 Bij afwezigheid of verhindering van de directeur-generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken zijn de directeuren-generaal Milieu en Internationaal, Mobiliteit en Water en Bodem, bedoeld in de artikelen 5, 6 en 7, en de directeuren bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.

  • 5 Bij afwezigheid of verhindering van een directeur zijn de overige directeuren en de afdelingshoofden binnen de directie bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.

  • 6 Bij afwezigheid of verhindering van een afdelingshoofd binnen een directie zijn de overige afdelingshoofden binnen de directie bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.

  • 7 Plaatsvervanging geschiedt voor het overige overeenkomstig daartoe strekkende instructies van de directeur-generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken.

  • 8 Het directoraat-generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken heeft als doel en daarmee tot taak de netwerkkwaliteit van luchtwegen, vaarwegen, luchthavens en havens verder te ontwikkelen en het veilige en duurzame gebruik daarvan te waarborgen.

Artikel 5. Directoraat-generaal Milieu en Internationaal

  • 1 Het directoraat-generaal Milieu en Internationaal staat onder leiding van de directeur-generaal Milieu en Internationaal.

  • 2 Het directoraat-generaal Milieu en Internationaal bestaat uit de volgende dienstonderdelen:

    • a. de directie Duurzaamheid;

    • b. de directie Internationaal;

    • c. de directie Lucht en Geluid; en

    • d. de directie Veiligheid en Risico’s.

  • 3 De dienstonderdelen, genoemd in het tweede lid, staan onder leiding van een directeur. Onder de dienstonderdelen, genoemd in het tweede lid, ressorteren tevens afdelingshoofden.

  • 4 Bij afwezigheid of verhindering van de directeur-generaal Milieu en Internationaal zijn de directeuren-generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken, Mobiliteit en Water en Bodem, bedoeld in de artikelen 4, 6 en 7, en de directeuren bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.

  • 5 Bij afwezigheid of verhindering van een directeur zijn de overige directeuren en de afdelingshoofden binnen de directie bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.

  • 6 Bij afwezigheid of verhindering van een afdelingshoofd binnen een directie zijn de overige afdelingshoofden binnen de directie bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.

  • 7 Plaatsvervanging geschiedt voor het overige overeenkomstig daartoe strekkende instructies van de directeur-generaal Milieu en Internationaal.

  • 8 Het directoraat-generaal Milieu en Internationaal heeft tot doel en daarmee tot taak de zorg voor een gezonde en veilige leefomgeving alsmede het beheer van schaarse hulpbronnen en milieuruimte.

Artikel 6. Directoraat-generaal Mobiliteit

  • 1 Het directoraat-generaal Mobiliteit staat onder leiding van de directeur-generaal Mobiliteit.

  • 2 Het directoraat-generaal Mobiliteit bestaat uit de volgende dienstonderdelen:

    • a. de directie Openbaar Vervoer en Spoor;

    • b. de directie Wegen en Verkeersveiligheid;

    • c. de programmadirectie Beter Benutten;

    • d. de unit Strategie; en

    • e. het stafbureau directoraat-generaal Mobiliteit.

  • 3 De dienstonderdelen, genoemd in het tweede lid, onder a en b, staan onder leiding van een directeur. Het dienstonderdeel, genoemd in het tweede lid, onder c, staat onder leiding van een programmadirecteur. De dienstonderdelen, genoemd in het tweede lid, onder d en e, staan onder leiding van een afdelingshoofd. De dienstonderdelen, genoemd in het tweede lid, onder a en b, bestaan uit afdelingen die onder leiding staan van een afdelingshoofd.

  • 4 Bij afwezigheid of verhindering van de directeur-generaal Mobiliteit zijn de directeuren-generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken, Milieu en Internationaal en Water en Bodem, bedoeld in de artikelen 4, 5 en 7, en de directeuren en de programmadirecteur bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.

  • 5 Bij afwezigheid of verhindering van een directeur of de programmadirecteur zijn de overige directeuren, de programmadirecteur en de afdelingshoofden binnen de directie bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.

  • 6 Bij afwezigheid of verhindering van een afdelingshoofd binnen een directie zijn de overige afdelingshoofden binnen de directie bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.

  • 7 Plaatsvervanging geschiedt voor het overige overeenkomstig daartoe strekkende instructies van de directeur-generaal Mobiliteit.

  • 8 Het directoraat-generaal Mobiliteit heeft als doel en daarmee tot taak de mobiliteit in Nederland te bevorderen, de netwerkkwaliteit van spoorwegen en het wegennet verder te ontwikkelen, het veilige en duurzame gebruik daarvan te waarborgen en te zorgen voor een goede en verantwoorde inpassing in de leefomgeving.

Artikel 7. Directoraat-generaal Water en Bodem

  • 1 Het directoraat-generaal Water en Bodem staat onder leiding van de directeur-generaal Water en Bodem.

  • 2 Het directoraat-generaal Water en Bodem bestaat uit de volgende dienstonderdelen:

    • a. de directie Gebieden en Projecten;

    • b. de directie Algemeen Waterbeleid en Veiligheid;

    • c. de directie Water en Bodem; en

    • d. het stafbureau directoraat-generaal Water en Bodem.

  • 3 De dienstonderdelen, genoemd in het tweede lid, onder a tot en met c, staan onder leiding van een directeur. Het dienstonderdeel, genoemd in het tweede lid, onder d, staat onder leiding van een afdelingshoofd. De dienstonderdelen, genoemd in het tweede lid, onder a tot en met c, bestaan uit afdelingen die onder leiding staan van een afdelingshoofd.

  • 4 Bij afwezigheid of verhindering van de directeur-generaal Water en Bodem zijn de directeuren-generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken, Milieu en Internationaal en Mobiliteit, bedoeld in de artikelen 4, 5 en 6, en de directeuren bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.

  • 5 Bij afwezigheid van een directeur zijn de overige directeuren en de afdelingshoofden binnen de directie bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.

  • 6 Bij afwezigheid of verhindering van een afdelingshoofd binnen een directie zijn de overige afdelingshoofden binnen de directie bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.

  • 7 Plaatsvervanging geschiedt voor het overige overeenkomstig daartoe strekkende instructies van de directeur-generaal Water en Bodem.

  • 8 Het directoraat-generaal Water en Bodem heeft tot doel en daarmee tot taak de verdere ontwikkeling van Nederland als een veilige, leefbare, bereikbare en concurrerende delta.

Artikel 8. Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken

  • 1 De hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken staat onder leiding van de hoofddirecteur Bestuurlijke en Juridische Zaken.

  • 2 Onder de hoofddirecteur Bestuurlijke en Juridische Zaken ressorteert de directeur Bestuurlijke en Juridische Zaken.

  • 3 De hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken bestaat uit afdelingen die onder leiding staan van een afdelingshoofd.

  • 4 Bij afwezigheid of verhindering van de hoofddirecteur Bestuurlijke en Juridische Zaken zijn de directeur Bestuurlijke en Juridische Zaken en de afdelingshoofden bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.

  • 5 Bij afwezigheid of verhindering van de directeur Bestuurlijke en Juridische zaken zijn de afdelingshoofden bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.

  • 6 Bij afwezigheid of verhindering van een afdelingshoofd zijn de overige afdelingshoofden bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.

  • 7 Plaatsvervanging geschiedt voor het overige overeenkomstig daartoe strekkende instructies van de hoofddirecteur Bestuurlijke en Juridische Zaken.

  • 8 De hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken heeft de volgende taken:

    • a. het tot stand brengen van de wet- en regelgeving van het ministerie;

    • b. het in de rol van Chief Legal Officer zorg dragen voor en borgen van bestuurlijk-juridische kwaliteit van de producten van het ministerie;

    • c. het behandelen van bezwaar- en beroepschriften, alsmede het nemen van beslissingen tot niet-ontvankelijkverklaring van een bezwaarschrift;

    • d. het vertegenwoordigen van de bewindspersoon in bestuursrechtelijke procedures, met inbegrip van het indienen van een verweerschrift, het maken van bezwaar, het instellen van beroep of hoger beroep of het doen van een verzoek om voorlopige voorziening;

    • e. het vertegenwoordigen van de Staat der Nederlanden in civielrechtelijke procedures, met inbegrip van de behandeling van civielrechtelijke aansprakelijkheidsstellingen en vorderingen; en

    • f. de bestuurlijk-juridische advisering en het behartigen van algemene bestuurlijk-juridische onderwerpen.

Artikel 9. Directie Bestuursondersteuning

  • 1 De directie Bestuursondersteuning staat onder leiding van de directeur Bestuursondersteuning.

  • 2 De directie Bestuursondersteuning bestaat uit afdelingen die onder leiding staan van de directeur Bestuursondersteuning of een afdelingshoofd.

  • 3 Bij afwezigheid of verhindering van de directeur Bestuursondersteuning zijn de afdelingshoofden bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.

  • 4 Plaatsvervanging geschiedt voor het overige overeenkomstig daartoe strekkende instructies van de directeur Bestuursondersteuning.

  • 5 De directie Bestuursondersteuning heeft de volgende taken:

    • a. de politiek-bestuurlijke advisering ten behoeve van de bewindspersoon en de ambtelijke leiding; en

    • b. de zorg voor de stukkenstroom naar de bewindspersoon, ambtelijke leiding en het parlement, alsmede het ondersteunen van de bewindspersoon en de ambtelijke leiding.

Artikel 10. Directie Communicatie

  • 1 De directie Communicatie staat onder leiding van de directeur Communicatie.

  • 2 De directie Communicatie bestaat uit afdelingen die onder leiding staan van een afdelingshoofd.

  • 3 Bij afwezigheid of verhindering van de directeur Communicatie zijn de afdelingshoofden bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.

  • 4 Bij afwezigheid of verhindering van een afdelingshoofd zijn de overige afdelingshoofden bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.

  • 5 Plaatsvervanging geschiedt voor het overige overeenkomstig daartoe strekkende instructies van de directeur Communicatie.

  • 6 De directie Communicatie heeft tot taak het ontwikkelen van, adviseren over en toezien op corporate communicatie en interne en externe communicatie op het gebied van de beleidsprioriteiten van het ministerie, alsmede het ondersteunen van de bewindspersoon en de ambtelijke leiding bij woordvoering en de relatie met de pers.

Artikel 11. Directie Participatie

  • 1 De directie Participatie staat onder leiding van de directeur Participatie, tevens aangewezen als secretaris van het Overlegorgaan infrastructuur en milieu, bedoeld in de Wet overleg infrastructuur en milieu.

  • 2 Plaatsvervanging geschiedt overeenkomstig daartoe strekkende instructies van de directeur Participatie.

  • 3 De directie Participatie heeft de volgende taken:

    • a. het verkennen, signaleren en analyseren van ontwikkelingen op het gebied van maatschappelijke participatie en het ontwikkelen van participatiebeleid;

    • b. het coördineren van vormvrije consultatietrajecten en wettelijke voorbereidingsprocedures; en

    • c. het met instemming ondersteunen van het Overlegorgaan infrastructuur en milieu.

Artikel 12. Hoofddirectie Financiën, Management en Control

  • 1 De hoofddirectie Financiën, Management en Control staat onder leiding van de hoofddirecteur Financiën, Management en Control.

  • 2 De hoofddirectie Financiën, Management en Control bestaat uit de volgende dienstonderdelen:

    • a. de directie Begroting en Beleidscontrol;

    • b. de directie Bedrijfsvoering, Organisatie en Informatiebeleid; en

    • c. de directie Human Resource Management.

  • 3 De dienstonderdelen, genoemd in het tweede lid, staan onder leiding van een directeur en een daaronder ressorterend afdelingshoofd.

  • 4 Bij afwezigheid of verhindering van de hoofddirecteur Financiën, Management en Control zijn de directeuren bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.

  • 5 Bij afwezigheid of verhindering van een directeur zijn de overige directeuren en het afdelingshoofd binnen de directie bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.

  • 6 Plaatsvervanging geschiedt voor het overige overeenkomstig daartoe strekkende instructies van de hoofddirecteur Financiën, Management en Control.

  • 7 De hoofddirectie Financiën, Management en Control en haar dienstonderdelen hebben de volgende taken:

    • a. de directie Begroting en Beleidscontrol: de ingevolge de Comptabiliteitwet 2016 opgedragen zorg voor de begrotingszaken en de daarmee samenhangende administraties;

    • b. de directie Bedrijfsvoering, Organisatie en Informatiebeleid:

      • i. de zorg voor de inrichting en de kwaliteit van de bedrijfsvoering in brede zin;

      • ii. de aan de rol van Chief Information Officer opgedragen zorg voor de departementale strategie voor informatievoorziening en ICT;

      • iii. de aan de rol van Coördinerend Directeur Inkoop opgedragen zorg voor de departementale beleidstaken op het gebied van inkoop;

      • iv. de zorg voor organisatie-inrichting en -sturing, governance en het uitvoeringstoezicht op zelfstandige bestuursorganen; en

      • v. de zorg voor het beleid met betrekking tot integriteit en beveiliging; en

    • c. de directie Human Resource Management: het ontwikkelen van beleid met betrekking tot het human resource management.

Artikel 13. Directie Integrale Bedrijfsvoering Infrastructuur en Waterstaat

  • 1 De directie Integrale Bedrijfsvoering Infrastructuur en Waterstaat staat onder leiding van de algemeen directeur Integrale Bedrijfsvoering Infrastructuur en Waterstaat.

  • 2 De directie Integrale Bedrijfsvoering Infrastructuur en Waterstaat bestaat uit de volgende dienstonderdelen:

    • a. de directie Concern Informatievoorziening;

    • b. de directie Financiën en Inkoop; en

    • c. de directie Human Resources Management en Facilitair Management.

  • 3 De dienstonderdelen, genoemd in het tweede lid, staan onder leiding van een directeur en bestaan uit afdelingen die onder leiding staan van een afdelingshoofd.

  • 4 Bij afwezigheid of verhindering van de algemeen directeur Integrale Bedrijfsvoering Infrastructuur en Waterstaat zijn de directeuren bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.

  • 5 Bij afwezigheid of verhindering van een directeur zijn de overige directeuren en de afdelingshoofden binnen de directie bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.

  • 6 Bij afwezigheid of verhindering van een afdelingshoofd binnen een directie zijn de overige afdelingshoofden binnen de directie bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.

  • 7 Plaatsvervanging geschiedt voor het overige overeenkomstig daartoe strekkende instructies van de algemeen directeur Integrale Bedrijfsvoering Infrastructuur en Waterstaat.

  • 8 De directie Integrale Bedrijfsvoering Infrastructuur en Waterstaat en haar dienstonderdelen hebben de volgende taken:

    • a. de directie Concern Informatievoorziening: het verzorgen van dienstverlening en advies op tactisch en operationeel niveau op het gebied van informatievoorziening, ICT-toepassingen en documentair informatiemanagement;

    • b. de directie Financiën en Inkoop: het verzorgen van dienstverlening en advies op het gebied van financiën en inkoop, waaronder het betaalproces, buitenlandse dienstreizen, Europese aanbestedingen en andere inkooptrajecten; en

    • c. de directie Human Resources Management en Facilitair Management: het verzorgen van dienstverlening en advies op het gebied van:

      • i. human resource management, waaronder de personeels- en salarisadministratie; en

      • ii. facilitair management en huisvesting.

Artikel 14. Directie Kennis, Innovatie en Strategie

  • 1 De directie Kennis, Innovatie en Strategie staat onder leiding van de directeur Kennis, Innovatie en Strategie.

  • 2 Plaatsvervanging geschiedt overeenkomstig daartoe strekkende instructies van de directeur Kennis, Innovatie en Strategie.

  • 3 De directie Kennis, Innovatie en Strategie heeft tot taak de maatschappelijke prestaties van het ministerie te verbeteren door het benutten van kennis, het stimuleren van innovaties en het ontwikkelen van een gezamenlijke strategie.

Artikel 15. Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid

  • 1 Het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid staat onder leiding van de directeur Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid.

  • 2 Onder de directeur Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid ressorteert een afdelingshoofd.

  • 3 Bij afwezigheid of verhindering van de directeur Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid is het afdelingshoofd bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.

  • 4 Plaatsvervanging geschiedt voor het overige overeenkomstig daartoe strekkende instructies van de directeur Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid.

  • 5 Het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid heeft tot taak de strategische kennisbasis van het mobiliteitsbeleid van het ministerie te versterken en te verbreden door het uitvoeren van verkenningen en beleidsanalyses en het inbrengen van kennis in de beleidsprocessen.

  • 6 Het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid voert de taken, genoemd in het vijfde lid, uit op basis van een door de bewindspersoon vastgesteld protocol.

Artikel 16. Planbureau voor de Leefomgeving

  • 1 Het Planbureau voor de Leefomgeving staat onder leiding van de directeur Planbureau voor de Leefomgeving.

  • 2 Onder de directeur Planbureau voor de Leefomgeving ressorteert de plaatsvervangend directeur Planbureau voor de Leefomgeving.

  • 3 Het Planbureau voor de Leefomgeving bestaat uit sectoren en stafbureaus die onder leiding staan van sectorhoofden en hoofden stafbureaus.

  • 4 Bij afwezigheid of verhindering van de directeur Planbureau voor de Leefomgeving is de plaatsvervangend directeur Planbureau voor de Leefomgeving bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.

  • 5 Plaatsvervanging geschiedt voor het overige overeenkomstig daartoe strekkende instructies van de directeur Planbureau voor de Leefomgeving.

  • 6 Het Planbureau voor de Leefomgeving heeft op het gebied van het milieu, de natuur en de ruimte de volgende taken:

    • a. het verkennen en signaleren van relevante maatschappelijke ontwikkelingen;

    • b. het monitoren en analyseren van ontwikkelingen;

    • c. het analyseren van relevant beleid en van besluitvormingsprocessen met betrekking tot dat beleid;

    • d. het maken van prognoses en toekomstverkenningen; en

    • e. het ontwikkelen van beleidsvarianten en scenario’s.

  • 7 Het Planbureau voor de Leefomgeving kan door tussenkomst van de bewindspersoon op verzoek van de Minister van Algemene Zaken, de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de door deze gevraagde werkzaamheden verrichten.

  • 8 Het Planbureau voor de Leefomgeving voert de taken en werkzaamheden, genoemd in het zesde en zevende lid, uit op basis van een door de bewindspersoon vastgesteld protocol en vervaardigt ten behoeve van die taken en werkzaamheden in ieder geval een maal per twee jaar een Balans voor de Leefomgeving, waarin een actueel beeld van de kwaliteit van de leefomgeving wordt gegeven, mede in relatie tot het gevoerde beleid.

Artikel 17. Stafbureau deltacommissaris

  • 1 Het Stafbureau deltacommissaris staat onder leiding van de directeur Stafbureau Deltacommissaris.

  • 2 Plaatsvervanging geschiedt overeenkomstig daartoe strekkende instructies van de directeur Stafbureau deltacommissaris.

  • 3 Het stafbureau deltacommissaris heeft tot taak de deltacommissaris, bedoeld in de Waterwet, bij zijn werkzaamheden te ondersteunen.

Artikel 18. Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut

  • 2 Onder de hoofddirecteur KNMI ressorteren directeuren.

  • 3 Het KNMI bestaat uit dienstonderdelen die onder leiding staan van een hoofd.

  • 4 Bij afwezigheid of verhindering van de hoofddirecteur KNMI zijn de directeuren en de hoofden bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.

  • 5 Bij afwezigheid of verhindering van een directeur zijn de overige directeuren en de hoofden bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.

  • 6 Bij afwezigheid of verhindering van een hoofd zijn de overige hoofden bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.

  • 7 Plaatsvervanging geschiedt voor het overige overeenkomstig daartoe strekkende instructies van de hoofddirecteur KNMI.

§ 2.4. Organisatie secretariaten adviesorganen

Artikel 19. Secretariaten van adviesorganen

  • 1 De secretariaten van de adviesorganen van het ministerie staan onder leiding van de secretaris van het desbetreffende adviesorgaan.

  • 2 Plaatsvervanging geschiedt overeenkomstig daartoe strekkende instructies van de secretaris van het betreffende adviesorgaan.

  • 3 De secretariaten van de adviesorganen hebben tot taak het met instemming van het betreffende adviesorgaan ondersteunen van het adviesorgaan.

Hoofdstuk 3. Mandaat

§ 3.1. Mandaat secretaris-generaal

Artikel 20. Mandaat aan en ondermandaat door secretaris-generaal

  • 1 Aan de secretaris-generaal wordt mandaat verleend voor alle bevoegdheden van de bewindspersoon ten aanzien van het beleid en de bedrijfsvoering van het ministerie, die behoren bij de uitoefening van zijn taken genoemd in paragraaf 2.2, dan wel in overige wet- en regelgeving, een en ander tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald en onverminderd de artikelen 24 en 26, tweede lid.

  • 2 De secretaris-generaal kan de aan hem verleende bevoegdheden in ondermandaat verlenen aan functionarissen, niet zijnde diensthoofden en rechtstreeks onder diensthoofden ressorterende functionarissen.

§ 3.2. Mandaat diensthoofden

Artikel 21. Mandaat aan en ondermandaat door diensthoofden

  • 1 Aan de diensthoofden wordt mandaat verleend ten aanzien van alle bevoegdheden die behoren bij de uitoefening van de taken van hun dienst, genoemd in paragraaf 2.3, dan wel in overige wet- en regelgeving, waaronder mede begrepen het bepalen van beleid, het uitvoeren van het beleid en de bedrijfsvoering van de dienst, een en ander tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald en onverminderd de artikelen 24 tot en met 26.

  • 2 Een diensthoofd kan de aan hem verleende bevoegdheden in ondermandaat verlenen aan:

    • a. een onder hem ressorterend dienstonderdeelhoofd;

    • b. een andere onder hem ressorterende functionaris; en

    • c. een niet onder zijn dienst ressorterend dienstonderdeelhoofd of functionaris, mits de mate waarin en de wijze waarop het toegekende mandaat moet worden uitgeoefend schriftelijk zijn vastgelegd.

  • 3 De directeur-generaal Rijkswaterstaat kan bij het verlenen van ondermandaat, bedoeld in het tweede lid, onder a, bepalen dat het dienstonderdeelhoofd ondermandaat kan verlenen aan een onder de directeur-generaal Rijkswaterstaat ressorterende functionaris.

  • 4 De directeur-generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken kan ondermandaat verlenen aan de directeur-generaal Rijkswaterstaat voor zover het de uitvoering van zijn taken met betrekking tot luchthavens betreft, mits de mate waarin en de wijze waarop het toegekende mandaat moet worden uitgeoefend schriftelijk zijn vastgelegd.

§ 3.3. Mandaat aan secretarissen adviesorganen

Artikel 22. Mandaat secretarissen adviesorganen

Aan de secretarissen van de adviesorganen van het ministerie wordt mandaat verleend voor alle bevoegdheden die behoren bij de uitoefening van de taken van hun secretariaat, genoemd in artikel 19, derde lid, dan wel in overige wet- en regelgeving, waaronder mede begrepen de bedrijfsvoering van het secretariaat, een en ander tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald en onverminderd de artikelen 24 tot en met 26.

§ 3.4. Ondertekeningsmandaat

Artikel 23. Ondertekeningsmandaat

  • 2 Aan de directeur Bestuursondersteuning wordt ondertekeningsmandaat verleend ten aanzien van de aan de secretaris-generaal verleende bevoegdheden, een en ander tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.

  • 3 Aan de algemeen directeur Integrale Bedrijfsvoering Infrastructuur en Waterstaat wordt ondertekeningsmandaat verleend ten aanzien van de aan de diensthoofden en de secretarissen van adviesorganen verleende bevoegdheden betreffende de ambtelijke rechtspositie van de onder hen ressorterende functionarissen.

Hoofdstuk 4. Overige bepalingen mandaat, volmacht en machtiging

Artikel 24. Voorbehouden bevoegdheden bewindspersoon

  • 1 Aan de bewindspersoon is voorbehouden het afdoen en ondertekenen van stukken gericht tot:

    • a. de Koning;

    • b. de Raad van Ministers van het Koninkrijk, de Raad van Ministers of een daaruit gevormde onderraad of commissie;

    • c. een minister of staatssecretaris;

    • d. een autoriteit in binnen- of buitenland, gelijk of hoger in rang dan een minister of staatssecretaris;

    • e. de voorzitter van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal of de voorzitter van een uit een van die Kamers gevormde commissie;

    • f. de vicepresident van de Raad van State; en

    • g. de president van Algemene Rekenkamer.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van handelingen ten opzichte van één van de in het eerste lid, onder f en g genoemden, voor zover het stukken betreft die uitsluitend van informatieve aard zijn.

  • 3 Aan de bewindspersoon is tevens voorbehouden de bevoegdheid tot:

    • a. het vaststellen, wijzigen of intrekken van algemeen verbindende voorschriften;

    • b. het geven en ondertekenen van algemene en bijzondere aanwijzingen aan de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport en de onder de inspecteur-generaal ressorterende functionarissen; en

    • c. het nemen van een beslissing tot het instellen van beroep tegen een besluit van een ander bestuursorgaan, voor zover de bewindspersoon belanghebbende is op grond van artikel 1:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 25. Voorbehouden bevoegdheden secretaris-generaal

Aan de secretaris-generaal is voorbehouden de bevoegdheid tot:

  • a. het doen van de mededeling, bedoeld in artikel 9:36, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat een aanbeveling van de Nationale ombudsman niet wordt opgevolgd; en

  • b. het nemen van beslissingen betreffende de hoofdlijnen van de ambtelijke rechtspositie, voor zover het dienstonderdeelhoofden betreft die rechtstreeks ressorteren onder de diensthoofden.

Artikel 26. Beperkingen mandaatverlening aan diensthoofden en secretarissen van adviesorganen

  • 1 Onverminderd artikel 20, eerste lid, wordt aan de volgende diensthoofden bij uitsluiting van de overige diensthoofden mandaat verleend voor de volgende bevoegdheden:

    • a. de directeuren-generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken, Milieu en Internationaal, Mobiliteit, Water en Bodem en Rijkswaterstaat: het vaststellen, wijzigen of intrekken van beleidsregels met betrekking tot de gemandateerde bevoegdheid;

    • b. de directeuren-generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken, Milieu en Internationaal, Mobiliteit, Water en Bodem en Rijkswaterstaat, de hoofddirecteuren Bestuurlijke en Juridische Zaken en Financiën, Management en Control en de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport: het nemen van een besluit op verzoek om informatie, bedoeld in de Wet openbaarheid van bestuur;

    • c. de hoofddirecteur Bestuurlijke en Juridische Zaken: de bevoegdheden inzake het behandelen van bezwaarschriften en het vertegenwoordigen van de bewindspersoon in bestuursrechtelijke procedures, bedoeld in artikel 8, achtste lid, onder c en d, met uitzondering van bezwaarschriften en bestuursrechtelijke procedures die verband houden met de taken van de Inspectie Leefomgeving en Transport en het directoraat-generaal Rijkswaterstaat, alsmede de ambtelijke rechtspositie;

    • d. de algemeen directeur Integrale Bedrijfsvoering Infrastructuur en Waterstaat:

      • i. het voeren van de personeels- en salarisadministratie voor alle onderdelen, genoemd in artikel 2;

      • ii. het vaststellen van documentatie conform de Archiefwet 1995 en de daarop berustende en regelgeving ten behoeve van de documentaire informatievoorziening, behoudens bij instructie te bepalen uitzonderingen, welke worden vastgelegd in de beheersregels, bedoeld in artikel 14 van het Archiefbesluit 1995, voor de onderdelen van het ministerie, met uitzondering van het Planbureau voor de Leefomgeving, het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut en het directoraat-generaal Rijkswaterstaat;

      • iii. de zorg voor gebouwgebonden veiligheid, waaronder brandpreventie en bedrijfshulpverlening bij alle gebouwen en vitale objecten van het ministerie, met uitzondering van die gebouwen waarvan het gebouwbeheer onder verantwoordelijkheid staat van het Planbureau voor de Leefomgeving, het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut, de Inspectie Leefomgeving en Transport en het directoraat-generaal Rijkswaterstaat; en

    • e. de directeur-generaal Rijkswaterstaat: de inkoop van energie voor gebruik door het ministerie.

  • 2 Aan de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport wordt bij uitsluiting van de overige diensthoofden en de secretaris-generaal mandaat en ondertekeningsmandaat verleend betreffende het vaststellen, wijzigen of intrekken van beleidsregels met betrekking tot een aan hem of aan de onder hem ressorterende functionarissen geattribueerde of gemandateerde bevoegdheid.

  • 3 In afwijking van artikel 21, tweede lid, kan geen ondermandaat worden verleend ten aanzien van de in het eerste lid, onder a en b, bedoelde bevoegdheden. De vorige zin is niet van toepassing op de directeur-generaal Rijkswaterstaat, voor zover het de in het eerste lid, onder b, bedoelde bevoegdheid betreft.

Artikel 27. Mandaat en ondermandaat beslissen op bezwaar

  • 1 Tenzij anders is bepaald, omvat de verlening van mandaat of ondermandaat mede de bevoegdheid tot het beslissen op bezwaar.

  • 2 In afwijking van het vorige lid mag de beslissing op bezwaar niet in mandaat worden genomen door degene die:

    • a. het besluit waartegen het bezwaar is gericht, heeft genomen; of

    • b. in de hiërarchische verhoudingen ressorteert onder degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, heeft genomen.

Artikel 28. Volmacht en machtiging

Tenzij anders is bepaald, omvat de verlening van mandaat of ondermandaat mede de verlening van:

  • a. volmacht tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen; en

  • b. machtiging om in naam van de bewindspersoon handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn.

Artikel 29. Kaders uitoefening bevoegdheden

  • 1 De uitoefening van bevoegdheden die bij of krachtens dit besluit zijn verleend, geschiedt met inachtneming van:

    • a. de door de bewindspersoon, secretaris-generaal, diensthoofden, dienstonderdeelhoofden en secretarissen van de adviesorganen gegeven algemene of bijzondere instructies;

    • b. de gestelde kaders ten aanzien van inkoop en aanbesteding;

    • c. de van toepassing zijnde begrotingswet en de daarbij gegeven financiële ruimte;

    • d. de toegekende budgetten op basis van het geldende jaarplan;

    • e. het bepaalde bij of krachtens de Comptabiliteitswet 2016 en de aanwijzingen van de hoofddirecteur Financiën, Management en Control op grond van die wet en de daarop berustende regelgeving;

    • f. het Besluit privaatrechtelijke rechtshandelingen 1996; en

    • g. de overige ter zake geldende wet- en regelgeving en beleidsregels.

  • 2 Een functionaris die krachtens overeenkomst naar burgerlijk recht werkzaam is bij het ministerie, oefent de aan zijn functie verleende bevoegdheden slechts uit wanneer dat voor een goede functievervulling strikt noodzakelijk is en wanneer in de overeenkomst met de functionaris waarborgen voor een goede uitoefening van bevoegdheden zijn opgenomen.

Artikel 30. Informatieplicht

  • 1 Elke functionaris aan wie bij of krachtens dit besluit mandaat is verleend, is verplicht:

    • a. de bewindspersoon en de secretaris-generaal te informeren over zwaarwegende en politiek-bestuurlijk gevoelige omstandigheden en gebeurtenissen die betrekking hebben op de gemandateerde bevoegdheden; en

    • b. degene die het mandaat heeft verleend te informeren over de gebruikmaking van de gemandateerde bevoegdheden.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op bevoegdheden die zijn verleend op basis van volmacht en machtiging.

Artikel 31. Register

De directeur Bestuursondersteuning houdt een register bij waarin de volgende besluiten zijn opgenomen:

  • a. dit besluit;

  • b. alle krachtens dit besluit genomen besluiten waarbij mandaat, volmacht of machtiging wordt verleend;

  • c. alle door de bewindspersoon genomen besluiten waarbij mandaat, volmacht of machtiging wordt verleend aan niet-ondergeschikten;

  • d. alle besluiten waarbij onderdelen van het ministerie worden ingesteld; en

  • e. alle besluiten tot wijziging of intrekking van de onder a tot en met d genoemde besluiten.

Artikel 32. Wijze van ondertekening

  • 1 Het in een document vastleggen van een besluit, een privaatrechtelijke rechtshandeling of een andere handeling, dient te geschieden op briefpapier van het ministerie met het hoofd:

    Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.

  • 2 In geval van mandaat, ondermandaat of machtiging luidt de ondertekening:

    DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT,

    namens deze,

    gevolgd door de aanduiding van de gemandateerde of gemachtigde functionaris.

  • 3 In geval van volmacht luidt de ondertekening:

    NAMENS DE STAAT DER NEDERLANDEN

    DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT,

    namens deze,

    gevolgd door de aanduiding van de gevolmachtigde functionaris.

  • 4 In geval van mandaat, ondermandaat, volmacht of machtiging voor een aangelegenheid die behoort tot de verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, wordt de in het tweede onderscheidenlijk derde lid voorgeschreven vermelding van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat vervangen door:

    DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT.

  • 5 In geval van ondertekeningsmandaat, bedoeld in artikel 23, wordt vermeld dat het document wordt ondertekend overeenkomstig het door de bewindspersoon, secretaris-generaal of bevoegde functionaris zelf genomen besluit.

  • 6 In geval van plaatsvervanging overeenkomstig dit besluit bevat de ondertekening zowel een aanduiding van de plaatsvervanger als de functionaris die bij afwezigheid of verhindering wordt vervangen.

  • 7 Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op bevoegdheden betreffende de ambtelijke rechtspositie.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 41. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2018.

Artikel 42. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat.

Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,

C. van Nieuwenhuizen Wijbenga

Terug naar begin van de pagina